Site-archief

Koperlicht

Clara Haesaert

.

Hoewel de laatste gedichtenbundel van Clara Haesaert (1924) uit 1995 stamt, is zij, misschien wel daardoor en mede door haar hoge leeftijd een onbekendere dichter uit Vlaanderen. Na haar studie was Clara Haesaert werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur (ik vermoed dat dat heden ten dage niet meer bestaat). In die functie zette ze zich in voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken. Haar debuut kwam in 1953 met de gedichtenbundel ‘De overkant’, waarna diverse andere bundels verschenen. Haesaert was medeoprichtster en redacteur van het tweemaandelijks tijdschrift De Meridiaan. Tevens was zij oprichtster van de Brusselse Galerie Taptoe. In de vuistdikke bloemlezing ‘Ik ben genoemd meisje en vrouw’ samengesteld door Christine D’haen uit 1980 is Haesaert vertegenwoordigd met het gedicht ‘Koperlicht’.

.

Koperlicht

.

Ik stelde met ontzetting vast

dat ik alleen aan tafel zat.

Alleen met onze blinde kat

die stil haar oren en poten wast.

.

Het venster heeft mijn beeld weerkaatst

als in een gloed van koperlicht,

zodra ik dacht aan vrouwenplicht

heb ik de kat naast mij geplaatst.

.

Verloren slaapt zij op een stoel.

Ik tracht u steeds weer te vergeten,

doch alles: werken, slapen, eten,

herinnert mij uw maat-gevoel.

.

De kleurige onbekende

Dichten over dichten, Karel Appel

.

In de mooie bundel ‘Dichten over dichten’ bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw van samenstellers Atte Jongstra en Arjan Peters, kwam ik een opmerkelijke naam tegen; Karel Appel. Iedereen kent de schilder Karel Appel (1921 – 2006) maar dat hij ook gedichten schreef was mij in ieder geval onbekend.

In deze bundel staat van zijn hand het gedicht ‘Regen in Holland’ oorspronkelijk verschenen in ‘Kleurige onbekende’ uit 1986, een verzameling gedichten en tekeningen van Karel Appel. In een recensie van de poëzie las ik dat zijn gedichten tussen 1941 en 1982, op een licht toegenomen pessimisme na, in karakter niet veranderd was. De recensent oordeelde dan ook over zijn poëzie als zijnde naïef.

Oordeel zelf zou ik zeggen.

.

Regen in Holland

.

Misschien gaan we uit eten

.

of misschien bedenken we

een aap in spijkerbroek

die aan de jenever is

.

ik denk aan oude

Hollandse windmolens

al dat water, al die wind

al dat gedraai in het rond

.

geen nieuws vandaag

en dat rot geheugen van je

heb je er wat aan?

.

maakt dat een dichter van je?

.

Muzen almanak

Vergeet mij niet

.

In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw heb ik een tijdje oude boekjes gespaard. Of gespaard, als ik een mooi oud boekje tegenkwam kocht ik die en die heb ik altijd bewaard. Omdat ze vrij hoog in mijn boekenkast staan bekijk ik ze niet dagelijks (eigenlijk bijna nooit) en dat is jammer want vandaag besloot ik dat wel te doen en wat bleek? Tussen oude boekjes over ‘100 jaar Diergaarde Blijdorp’ en ‘Tijl Uilenspiegel’ stond een mooi klein boekje met gedichten! Het is de ‘Muzen almanak’ 35e jaargang uit 1853 met als titel op de franse titelpagina ‘Vergeet mij niet’. Uitgegeven door ene Laarman.

Op de eerste pagina’s staat te lezen: Aan hare majesteit de koningin-moeder der Nederlanden wordt dit jaarboekje met verschuldigde hoogachting eerbiedig opgedragen door harer majesteits onderdanigen dienaar J. H. Laarman.  Kom daar nog maar eens om tegenwoordig.

In dit bundeltje staan gedichten van onder andere Dr. Nicolaas Beets, Mr. J. van Lennep (de Heer van Burleigh), H.J. Schimmel en F.J. Blieck (en nog zo’n kleine 30 dichters waar ik nog nooit van gehoord heb). Een aantal gedichten zijn geïllustreerd ‘met eenen plaat’. Dit zijn prachtige gedetailleerde etsjes (?) of andere grafische afbeeldingen die bij het gedicht passen.

Daar heb ik er dan ook één van gekozen namelijk ‘Het jagertje van Verschuur’ Een liedje bij een plaatje door E. Wie deze E. is wordt verder niet uit de doeken gedaan en ik heb het ook niet kunnen vinden.

,

Het jagertje van Verschuur.

.

Stout jager! als ik vragen mag,

Wat jaagt ge hier toch elken dag?

’t En is niet om ’t patrijsken:

’t Is om een eedler hoen

Te doen:

’t Is wel om Mulders Lijsken,

Dat gij zo draaft door ’t groen.

.

Stout jager! als ik zeggen mag,

Gij zijt van ’t echte jagers-slag;

Maar, viert ge ook toom en teugels,

’t Wild danst al even vrij

Voorbij:

De deugd geeft Lijsken vleugels,

Die vlugger zijt dan gij!

.

Stout jager! als ik raden mag,

Hijsch dan de wirtte vredevlag,

Zoek ’t hoentje op uw voeten;

Werp strik en moordgeweer

Ter neêr:

Als vrouw zal Lijske’ u groeten,

Als dienstmaagd–nimmer meer!

.

 

Laat mij

Hans Andreus

.

Een paar weken geleden (14 maart) deelde ik een aankoop uit een kringloopwinkel met jullie; de Dichters Omnibus, tweede bloemlezing uit 1954. Als reactie daarop kreeg ik van Corry Nieman, een van de drijvende krachten achter http://www.schrijvenswaard.nl, dat zij deel 3 en 4 had en dat ik die wel mocht hebben. Omdat ik van de 18 edities nog 8 edities mis was ik daar, zo begrijp je, heel blij mee. Corry stuurde ze me toe en ik zal er deze week uit elk een gedicht delen.

Vandaag de derde bloemlezing uit 1957. Hier heb ik gekozen voor een gedicht van een van mijn favoriete dichters uit Nederland, Hans Andreus, die achterin dit bundeltje wordt beschreven als “behorende tot de groep van experimentele dichters” met het gedicht ‘Laat mij…’.

.

Laat mij…

.

Laat mij, laat

mij gaan waar niemand gaan wil.

De eenzame wolven, zegt men.

Geen mens meer met een zelfgeschapen ruimte,

waarin hij loopt en ademt.

Geen mens meer met zijn uitverkoren

steden, landen, zeeën.

Geen ruimte meer,

geen mens meer, nee, geen mens,

.

En geen versierde woorden.

Maar hoe lang, hoe lang, hoe lang

de onontkoombaarheid?

Het sterven in de tijd?

Het brekende woord, de weer eenzame mond?

.

Merwedeplein

Rotterdamse dichters

.

Op de zeer informatieve website http://www.rotterdamsedichters.nl staat “een grote, zo compleet mogelijke bloemlezing van Rotterdamse poëzie, zowel oud als nieuw”. Het idee voor deze website kwam van Daniël Dee, voormalig stadsdichter van Rotterdam. Een mooi initiatief dat navolging verdient in andere steden wat mij betreft.

Toen ik wat aan het rondneuzen was op deze website kwam ik de naam van Abdelkader Benali tegen. Nu ken ik Abdelkader als romancier en programmamaker (zo bezocht hij de bibliotheek van Maassluis en haar Nationaal Documentatiecentrum Maarten ’t Hart voor zijn boekenprogramma) maar dat hij ook poëzie schrijft wist ik niet.

Zo schreef hij ‘Gedichten voor de zomer’ (2003, deel 5 in de serie De Sandwich-reeks, onder redactie van Gerrit Komrij) en ‘Panacee’ (2006).

Om deze website wat meer bekendheid te geven en een gedicht van Abdelkader Benali te delen, hier het gedicht ‘Merwedeplein’ van zijn hand.

.

Merwedeplein

loop ik
een Japanse pelgrim die niet weet
niet weet wat hij mist niet weet wat
hij zoekt niet weet wat hij gaat vinden niet weet
wat hij weet niet weet wat hij doet niet weet wat hij
voelt niet weet wat hij denkt niet weet wat hij
onder de wolken zonder paraplu
want de pelgrim is een beetje dom op pad gegaan
naar het Merwedeplein waar een meisje gelukkig
was
geluk is samenvallen met je leeftijd
een kind onder de kinderen zijn en van het gemis
niets weten draait de pelgrim zich om want het regent
nu wel heel erg hard en de regen doet wat hij niet
moet doen steeds harder eigenlijk op deze miezerige
dag waar alleen maar heel verveelde mensen verdwaalde
mensen eenzame mensen en geesten naar buiten gaan
.

African American Poetry

Elisabeth Alexander

.

In 2012 verscheen in de Verenigde Staten bij ‘Poetry for young people’ bij uitgeverij Sterling het bijzondere boek ‘African American Poetry. De reden dat dit zo’n bijzonder boek is ligt in het feit dat voor het eerst een bloemlezing van Afrikaans Amerikaanse poëzie werd samengesteld en uitgegeven met een overzicht vanaf  de 18e eeuw tot nu en dan ook nog specifiek geschikt voor jongeren.

Redacteur Arnold Rampersad (van de Princeton University) beschrijft de geschiedenis van African American poetry, de invloeden (armoede, slavernij en racisme maar ook het alledaagse leven),  de dichters waarvan enkele zelfs tijdens de slavernij al schreven, hoewel het verboden was bij wet om een slaaf te leren hoe te lezen en schrijven. Zo is in het boek te lezen dat reeds in 1773 een boek van een African American dichter werd gepubliceerd met de titel ‘Poems on Various Subjects, Religious and Moral’ door Phillis Wheatley.

Een gedicht uit het boek is ‘Apollo’ door Elisabeth Alexander. Zij is professor aan de  Yale University in New Haven, Connecticut, graduate bij Yale, Boston University, en de University of Pennsylvania, waar ze een doctoraat in Literatuur heeft gehaald. President Obama vroeg haar een gedicht voor te dragen bij zijn inauguratie in 2009.

Haar gedicht ‘ Apollo’ neemt je mee terug naar 20 juli 1969, toen de eerste mens voet zette op de maan. Een Afrikaans Amerikaanse familie is zo nieuwsgierig naar dit historische moment, dat ze tijdens een autorit stoppen bij een wegrestaurant om het op televisie te volgen. Het restaurant zit vol blanke Amerikanen (het was de tijd van de rassenonlusten tussen de zwarte en blanke Amerikanen). Maar op dat moment vallen alle raciale spanningen weg bij de gebeurtenissen in de ruimte die ze samen op televisie volgen waarmee de spanningen feitelijk naar juiste proporties worden terug gebracht.

.

Apollo 
 
We pull off
to a road shack
in Massachusetts
to watch men walk
 
on the moon. We did
the same thing 
for three two one
blast off, and now
 
we watch the same men
bounce in and out
of craters. I want 
a Coke and a hamburger.
 
Because the men
are walking on the moon
which is now irrefutably 
not green, not cheese,
 
not a shiny dime floating
in a cold blue,
the way I’d thought,
the road shack people don’t
 
notice we are a black
family not from there,
the way it mostly goes.
This talking through
 
static, bounces in space-
boots, tethered
to cords is much
stranger, stranger
 
even than we are.
.

Dichters Omnibus

Tweede bloemlezing

.

In 1954 verscheen de eerste editie van de ‘Dichters Omnibus’. Een bloemlezing uitgegeven door ESSO Nederland N.V., onder haar ‘relaties’ als nieuwjaarsgeschenk verspreid. Er verschenen achttien edities van.van de achttien edities mis ik alleen nog deel 1, 3, 4, 5, 6, 14, 17 en 18. De andere 10 delen heb ik door de jaren heen inmiddels bij elkaar verzameld. Mijn laatste aanwinst is deel 2 uit 1956 (blijkbaar werd 1955 overgeslagen).

Uit dit tweede deel een gedicht van dichter Pierre Kemp getiteld ‘Nieuw sterrenbeeld’.

.

Nieuw sterrenbeeld

.

Ze gaven me speelgoed om mij te doen vergeten:

je bent geboren.

Ik ben nu wel oud en moest alles weten,

maar wijl ik mijn speelgoed niet heb verloren,

niet gebroken of stuk gesmeten,

zal ik er eens mee tussen de sterren staan,

niet te kort bij de zon, niet te ver van de maan.

En de kinderen zullen het hun ouders tonen,

als zij om te spelen bij mij willen wonen.

.

tb

 

Rotterdam

J.C. Bloem

.

In 1990 publiceerde Dr. J. de Gier bij het Boekencentrum in Den Haag, de bundel ‘Poëzie als wapen’ een overzicht met bloemlezing van gedichten rond oorlog en verzet 1940-1945. In deze bundel dus veel oorlogspoëzie waaronder het gedicht van J.C. Bloem ‘Rotterdam’.

Bloem publiceerde op 4 september 1940 in de Telegraaf dit gedicht dat vervolgens in een aantal verzamelbundels werd opgenomen. In dit gedicht beschrijft hij de stad Rotterdam na het bombardement. Een stad die ‘open ‘ligt. In dit gedicht is eerder sprake van bevreemding en bedeesdheid dan dat de dichter geschokt is door hetgeen is gebeurd. Of, zoals Bloem indirect stelt, de hemel, de zon en de natuur blijven onaangetast en ook op de puinhopen van Babylon en Nineveh is het leven doorgegaan.

De Gier schrijft in de bundel over dit gedicht: “Het lijkt niet erg aannemelijk dat velen in de harde realiteit van toen de hoge vlucht van Bloems verbeelding konden meegaan”. In retrospectief gezien, met de kennis van de stad Rotterdam van nu, is dat al veel beter te doen.

.

Rotterdam

.

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,

hoe is zij wonderlijk en licht:

De huizenloze straten lopen

van niets naar niets – toch niet ontwricht.

.

De hemel straalt als nooit tevoren

op waar der eeuwen bouw verdween-

de zomer heeft geen glans verloren,

de zon scheen zoals ze altijd scheen.

.

Men gaat in innerlijke afzondring,

herdenkend hoe het is geweest,

en vindt zichzelf tot zijn verwondring

geschokt veel minder dan bedeesd.

.

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen

boven vergankelijkheid en wee:

Een herder rust thans op de puinen

van Babylon en Niniveh.

.

paw

Nog maar een paar kleintjes

Uit mijn boekenkast

.

Omdat ik er zin in heb nog een paar mooie voorbeelden van (ultra) korte gedichtjes uit het bundeltje ‘Het kleinste gedicht’ De Favoriete ultrakorte gedichten van Nederland en Vlaanderen.

.

Het briesen van een paard…

.

‘Het briesen van een paard

onder mijn raam vannacht’

.

daar zou misschien een gedicht

in gezeten hebben.

(Bert Voeten)

.

Ekster

.

Hij is van boom tot grassen bezig

in dit landschap, als toerist.

Ik ben zijn camera,

ook op hem gericht.

(Robert Anker)

.

Closed

.

Muizenisisminimumeis

(Chr. J. van Geel)

.

geboorte

.

het wordt niet gehoord

noch gezien

hoe het leeft dat wat dood is

.

zoals wat werd verwekt

niet terstond wordt ontdekt

(Lucebert).

.

En tot slot, ik kon het niet laten, nog een van mezelf, niet uit de bundel.

.

In een notendop

.

Het zaadje dat ik plantte

en zorgvuldig water gaf

groeit nu naar de zon

maar steeds verder van mij af

(Wouter van Heiningen)

Dichters van vroeger

Van Hadewijch tot A. Roland Holst

.

Toen ik de bundel ‘Dichters van vroeger’ zag liggen bij de kringloopwinkel wist ik dat ik ‘m wilde hebben. Zo’n prachtig vormgegeven dikke bundel met zo’n 370 gedichten uit 8 eeuwen Nederlandse poëzie voor € 1,50, ik ben er blij mee. Omdat deze bloemlezing, samengesteld door Garmt Stuiveling,  zo’n groot tijdvak bestrijkt staan er vele dichters en gedichten in die ik niet ken. Sommige nauwelijks begrijpelijk (zoals ‘Alle Dinge’ uit Hadewijch), sommige in hoogdravende taal (zoals ‘Béranger’s vaarwel’ van Everhardus Johannes Potgieter) tot aan het prachtige ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot (terug te lezen op dit blog op 27 oktober 2012).

Ik koos voor het allereerste gedicht ‘Alle dinge’ uit Hadewijch en ‘Winter’ van C.S. Adama van Scheltema.

.

Alle dinge

.

Alle dinge

Zijn mi te inge,

Ik ben zo wijd:

Om een ongeschepen

Heb ik begrepen

In eeuwigen tijd.

.

Ik heb het gevaan.

Het heeft mi ontdaan

Widere dan wijd;

Mi es te inge al el;

Dat wette wel

Gi dies ook daar zijt.

.

 

Winter

.

Stiller, stiller, stiller zakken

Nacht en dagen om mij heen –

Als de sneeuw de dorre takken

Dekken zij ’t verleên.

.

Doch hun hout wacht, diep verborgen,

Menig, menig wederkeer,

En mij komt de jonge morgen

Nimmer, nimmer weer!

.

Wie gebloeid heeft en gedragen,

Houdt herdenking tot genoot –

Hij heeft God niet meer te vragen

Dan den stillen dood.

.

dvv