Site-archief
Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld
Een recensie
.
Hoewel ik de bundel ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ van Alja Spaan (1957) al enige tijd in huis heb (ik mocht de presentatie doen van de bundel in Alkmaar) was ik er nog niet toe gekomen om de bundel aandachtig van voor naar achter te lezen. Door de feestdagen en drukte had ik wel enkele gedichten gelezen maar voor een recensie is het belangrijk alles en in chronologische volgorde te lezen. Dat doet een lezer tenslotte ook. Inmiddels heb ik de bundel gelezen (zelfs tweemaal) en waar de uitgever in de voorflap heeft afgedrukt dat het hier een complexe moeder-dochter-relatie betreft waarin veel melancholie en schoonheid schuilt, wil ik mijn recensie anders beginnen.
In het tweede gedicht in de bundel ‘aanspraak’ staat misschien wel het hele verhaal van deze, liefdevolle bundel, mag ik wel zeggen. Dit gedicht begint met de regel ‘Door erover te schrijven verandert het /perspectief’. Want dat is wat Alja in deze bundeling van geschreven herinneringen doet. Het perspectief van de chique, afstandelijke, beheerste moeder laten kantelen naar een liefdevolle, intelligente, warme en emotionele moeder. Naar een persoon die altijd al aanwezig was, maar door opvoeding en conventies, dat tot op hoge leeftijd in een ‘keurslijf’ had weten te verpakken. Een keurslijf dat aan allerlei kanten liet doorschemeren wat eronder zat, maar pas op hoge leeftijd zich volledig aan de dichter/dochter openbaarde.
Alja blikt terug op gelukkige momenten met haar moeder (bijvoorbeeld in het gedicht ‘intrek nemen’) waarin ook haar vader enige keren om de hoek komt kijken. In deze gedichten klinkt regelmatig bijna achteloos hoe haar moeder was, hoe haar moeder een mening had over hoe het hoort. Door regels als ‘We hoesten niet, we gapen niet, we zitten keurig rechtop'(uit ‘drie afleveringen’) of ‘Ik zou wit moeten dragen zoals mijn huid en daar / niet moeten blijven zitten’ of ‘De foto van de boerderij met de bomen zoals die nu niet meer gemaakt worden’. Of ‘De punt van mijn schoen is vies, mijn mama knijpt in mijn arm’. Ogenschijnlijk terloopse tussenzinnetjes maar hiermee schept Alja een tijdsbeeld, een opvoeding, liefdevol maar duidelijk volgens de regels.
En dan begint het loslaten en verbinden. Het loslaten van de herinneringen van de moeder, een proces dat iedereen met een ouder of grootouder die ging dementeren of erger zal herkennen. En tegelijkertijd het verbinden met die ‘nieuwe persoon’ die een andere kant laat zien. Een kant die minstens zo mooi en liefdevol is. Dat is precies wat Alja in deze bundel doet en laat zien.
Ik moest bij het lezen onwillekeurig aan mijn oma en vader denken. Hoe zij de alledaagse realiteit hadden verruild door een nieuwe realiteit, waarin ineens heel veel nieuw was. De vragen, vaak herhaald, de behoefte aan bevestiging, de voorzichtige angst en de behoefte aan fysiek contact; weten dat je nog bestaat. Al deze facetten komen terug in de gedichten van Alja en altijd op de zo herkenbare manier beschreven die ik ken uit haar dagelijkse gedichten en haar eerdere bundels. Altijd in vaste strofen van 2,3 of 4 regels met uitzondering van de laatste bijna prozagedichten of korte verhalen aan het einde van de bundel. Maar zelfs dan, zou je die in stukken van 3 of 4 regels knippen dat zijn ze nog onmiskenbaar Alja.
Alja beschrijft wat ze meemaakt met haar moeder, haar diepste gevoelens en beschouwingen van een (het) leven. De gedichten zijn afwisselend terugblikken op hoe het vroeger was, melancholisch maar op een mooie herkenbare manier geschreven, en op de momenten met haar moeder thuis en in het tehuis. Juist deze gedichten zijn zo herkenbaar en zullen veel lezers als troostrijk ervaren. Mij in ieder geval. Ik denk dat ik nog het meest heb genoten van haar beschrijvingen van hoe om te gaan met de dingen ‘die er niet zijn’. Het onverwachte, het geconfronteerd worden met zaken die er niet zijn of bestaan maar er wel degelijk zijn in het hoofd van haar moeder. De creativiteit en fantasie die je nodig hebt om zaken ‘recht te trekken’, haar bij je te houden en het comfort te bieden om rustig met elkaar verder te kunnen. In deze gedichten (‘oponthoud’ en ‘vrij gekomen plekken’) excelleert Alja als geen ander, of ik moet zeggen zoals ik haar ken. Haar vermogen om situaties zo te verwoorden dat het allemaal eenvoudig lijkt terwijl het juist zo moeilijk is.
Of zoals haar vader zegt in het gedicht ‘zij die vrij zijn’: ‘het is niet mogelijk besluit hij even later, elke dag iets nieuws te schrijven’. Dat is het echter wel, dat bewijst Alja elke dag opnieuw. In deze bundel waarin ze een klein monument opricht voor haar moeder, lees ik alle facetten van Alja haar dichterschap terug. Haar gevoel en liefde voor taal, haar creativiteit, haar inlevingsvermogen, haar liefde en scherpe blik, haar vermogen om de lezer van haar poëzie mee te nemen in een wereld die ze voor je schept en waarin het behaaglijk en welkom vertoeven is.
.
aanspraak
.
Door erover te schrijven verandert het
perspectief. Allereerst is het handschrift
ontoegankelijk voor derden.
.
Vervolgens selecteert de intuïtie slechts
dat wat uitvergroot relativeert, belachelijk
maakt of weinig interessant.
.
Daarna is dat wat tussen de regels staat
alleen beschikbaar voor het geoefend
en onvermoeid oog. Lezend
.
denk ik alleen maar dat het steeds niet
is wat ik bedoelde. Schrijvend weet ik
het zeker. Ik zag mijn
.
mama fietsen in de nacht met wapperende
jaspanden en op haar snelle rode fiets,
de banden gevaarlijk dun. Zij
.
lachte voluit. Iets in me wilde opspringen,
mijn fiets pakken en meegaan. Zij ging
aan mij voorbij, niets bewoog.
.
Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld
Alja Spaan
.
Gistermiddag was de presentatie van de achtste bundel alweer van Alja Spaan (1957) getiteld ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’. De bundel, uitgegeven door de onvolprezen uitgeverij P uit Leuven, vond plaats in de Alkenaer in Alkmaar. Ik mocht, daarvoor gevraagd door Alja, het programma presenteren en uiteraard heb ik daar met veel plezier in toegestemd.
Het programma bestond uit voordrachten van bekende namen als Margreet Schouwenaar, Pom Wolff en Helle van Aardenberg. Er was muziek, gedichten van bekende Nederlandse dichters op muziek gezet, van Rob van der Plas, er was een uitreiking van het eerste exemplaar, een signeersessie, een boekentafel van uitgeverij P een gezellige drukte en liefde voor poëzie bij iedereen in de volle zaal.
In ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ zijn gedichten opgenomen die Alja schreef over haar moeder. Een ontroerende en complexe moeder-dochter relatie, waarin veel schoonheid en melancholie schuilt. De gedichten werden al jaren geleden geschreven maar dankzij uitgeverij P zijn ze nu gebundeld. De dichters die hun gedichten voordroegen in het programma waren met zorg uitgekozen want alle drie gingen juist in op het thema moeder-kind.
Uiteraard zal ik ergens binnenkort een recensie van deze bundel op dit blog plaatsen maar nu alvast een voorproefje getiteld ‘de liefste’.
.
de liefste
.
Mijn moeder zegt er is niemand meer en
dat ze allemaal dood zijn en dat zelfs mijn
.
vader zo afwezig is de laatste tijd, ze kan
niet naar huis en ze verliest
.
deze omgeving en waar woon jij, vraagt ze,
woon jij nog ergens?
.
En dat haar fiets verkocht is maar dat ze
fietsen wou, ze kon met mij mee, dacht ze
.
en met lange nagels prikt ze in mijn vel
en dan opeens telt ze zachtjes, bijna
.
neuriënd de bolletjes op mijn trui die ik
zeker stuk voor stuk,
.
knikt ze, heb opgenaaid, van jou geleerd,
zeg ik dan maar en zij
.
dat verzin je maar wel dat mooie dingen
maken een manier is
.
om thuis te komen, denk ik, of om niets te
verliezen.
.
Moederdag
Neeltje Maria Min
.
Op zoek naar een geschikt gedicht voor Moederdag kwam ik in de bundel ‘Kindsbeen’ van Neeltje Maria Min (1944) uit 1995 een gedicht tegen zonder titel dat over een moeder gaat en waarbij op de een of andere manier meteen aan mijn moeder moest denken. Waarschijnlijk door de eerste twee zinnen. Maar ik denk dat elke moeder dit gevoel herkent.
En wanneer ik dan ook nog zo’n prachtig ‘vergeetwoord’ lees (ze beidt haar tijd wat ‘ze wacht haar tijd af’ betekent) dat ik me herinner uit mijn studietijd (ik las het elke dag op de klokkentoren van de Beurs van Berlage wanneer ik naar de Frederik Muller Akademie liep) dan is de keuze snel bepaald.
.
Vanavond is ze oud en moe.
Een man had haar iets aangedaan.
Ze weet niet eens meer wat en hoe.
Ze wacht en wachtend geeft ze toe:
haar zonen hebben nooit bestaan.
.
-Hem ogen toebedacht die klaar
staan om haar terug te zien. Hem van
een mond voorzien die praat en lacht.
De zekerheid van zijn besluit. –
.
Ze ziet zich in de ruit weerkaatst.
Ze beidt haar tijd. Het vuur gaat uit.
Ze wacht het af te wachten uur.
.
Op deze plaats sluit draad voor draad
de mousseline van haar gewaad.
.
Moedermomenten
Sylvie Marie
.
Over moeders zijn bijna net zoveel gedichten geschreven als over de dood, de liefde en de poëzie zelf (vermoed ik). Een dankbaar onderwerp voor veel dichters. Of het nu gaat over moeders en zoons, moeders en roken, de moeder de vrouw of de moeder als muze (en zo kan ik nog wel even doorgaan) veel moeders zijn bezongen in gedichten. Er zijn zelfs bloemlezingen gemaakt met louter gedichten over moeders.
Ik schrijf dit omdat ik in de bundel ‘Zonder’ uit 2009 van Sylvie Marie (1984) een gedicht lees dat anders is, dat nu eens niet over een moeder is geschreven vanuit een soort van verering maar dat is geschreven zonder gene en mededogen. Het gedicht ‘Moedermomenten 10’ lijkt een soort aanklacht te zijn tegen een overheersende moeder. Er zijn overigens inderdaad 10 moedermomenten beschreven die eerder verschenen in Het Liegend Konijn, jaargang 6 uit 2008.
.
Moedermomenten 10
.
Malle Maria
Ronelda Sonnet Kamfer
.
Ronelda Sonnet Kamfer (1981) wordt gezien als de meest vooraanstaande Zuid-Afrikaanse dichter van haar generatie. Voor haar debuut ´Nu de slapende honden´ uit 2008 ontving ze de Eugène Marais-prijs. Hierna publiceerde ze de bundels ´Santenkraam´ in 2012 en ´Mammie´ in 2017. Haar werk verscheen in Bunker Hill en Nuwe stemme 3 (een keuze uit hedendaagse Afrikaanse poëzie samengesteld door Antjie Krog en Alfred Schaffer). In Nederland trad ze in 2010 op tijdens het Winternachtenfestival.Over haar debuut werd het volgende geschreven: De gedichten van Ronelda S. Kamfer zijn genadeloos eerlijk. In een wereld vol geweld, armoede en drugsmisbruik, houdt de jonge dichteres zich manmoedig staande en schrijft ze met een ironische, maar daarom niet minder aangrijpende toon over haar omgeving én zichzelf.
In haar tweede bundel, ‘Santenkraam’, schrijft ze over Skipskop, een vissersdorpje dat in de jaren tachtig ontruimd werd door de apartheidsregering. Mensen werden weggerukt uit hun vertrouwde omgeving en overgebracht naar een onbekende plek. Kamfer geeft hun in deze bundel een stem. Haar persoonlijke gedichten, over haar verslaafde vriend, haar vader die haar moeder mishandelde, en over haar onmacht na het overlijden van haar grootvader, zijn schrijnend.
Een voorbeeld is het gedicht ‘Malle Maria’ een voorbeeld van Maria die terug verlangt naar het dorp waaruit ze verdreven werd. In een vertaling van Alfred Schaffer.
.
Malle Maria
.
Malle Maria die met de sleutel om haar nek
Malle Maria zonder een tand in haar bek
.
toen de maan zei middernacht is hier
dronk Malle Maria haar laatste bier
.
op met het paadje helemaal tot bij haar deur
op het trappetje verloor ze haar humeur
.
de maan keek weg en knipperde met zijn oog
een spookwind stak op terwijl ze vooroverboog
.
sleutel in het gaatje
de wind zoekt een maatje
.
toen opeens een ruk heel luid
en Malle Maria blies haar laatste adem uit
.
Anker Kruis Hart
Sofie Verdoodt
.
Schreef ik in 2022 nog “In 2014 debuteerde ze bij poëzieCentrum met de bundel ‘Doodwater’ en voor zover ik kan nagaan is het bij dit debuut gebleven.” over de Vlaamse dichter, filmprogrammeur en doctor in de Kunstwetenschappen Sofie Verdoodt (1983), inmiddels is er een nieuwe bundel van haar verschenen getiteld ‘Anker Kruis Hart’. Deze bundel staat in het teken van het afscheid. De liefdesrelatie is verbroken en daarmee hebben ook alle gezamenlijke verhalen en dromen van een toekomstig leven definitief afgedaan.
De anker, het kruis en het hart staan samen in de bijbel voor geloof, hoop en liefde. En dat zijn thema’s die in deze bundel naar voren komen. De bundel bestaat uit drie afdelingen of delen zo je wilt. In het eerste deel is er de liefdesbreuk die zijn sporen achterlaat. Herinneringen, het verlangen en het gemis, zo komen allemaal voorbij.
In de tweede afdeling is er de wisselwerking tussen het kind zijn en het ouder zijn. Het overlijden van een moeder en zelf moeder worden. In zekere zin gaan de gedichten in deze afdeling over verlies maar ook over loutering en vertrouwen in de toekomst.
In de derde afdeling tenslotte is de verteller, de dichter zelf moeder en in de gedichten in dit deel komen geloof, hoop en liefde in volle omvang aan de orde. In het slotgedicht ‘Ultima Thule’ komen de drie afdelingen bij elkaar. Thule of Ultima Thule was een benaming in de oudheid voor het ‘uiterste Noorden’, de uiterste grens van de bekende wereld.
.
Ultima Thule
.
Hoe we plat op de buik door het zonnestelsel kruipen,
geen terugweg meer in het kielzog van een hond
die de kruimels oplikt recht voor onze neus.
Dezelfde wetten gelden overal, ook sterren
zijn óf dwerg óf reus.
We noemen de grote beer en de kleine beer
alsof taal ze ooit kan temmen.
.
Ik ben zo één met jou in mijn verval.
Laat me het uniform van mens van je lichaam scheuren.
Laat me de zware helm van je schedel lichten.
Vergun me om je naar de uitgang te leiden.
Ik zal de stenen onder je voeten zacht kneden.
Ik zal de bochten op je pad met mijn blote handen rechten.
.
Als je door de deur stapt, weet dat we alle lichten aan laten in huis
en dat niemand zich te slapen legt tot je aangekomen bent,
daar waar je betekenis verschuift.
We bedekken onze oren wanneer je door de geluidsmuur breekt
met een onnoemelijke knal.
.
De woorden, de verhalen, het aanhoudende vechten,
mijn appél op het heelal.
Het gaat niet over mij maar over jou en jou en jou
maar over jou vooral.
.
Bram Vermeulen en John Donne
Gedichten over sterven en de dood
.
In de krant kijk ik altijd even bij de overlijdensberichten. Niet omdat ik bijzonder geïnteresseerd ben in wie er nu weer is overleden ( ik ken die mensen vrijwel nooit) maar om te kijken of en hoe er met poëzie wordt omgegaan in overlijdensberichten. Afgelopen zaterdag las ik twee berichten naast elkaar. Boven de een was een strofe van het lied ‘Testament’ van Bram Vermeulen (1946-2004) geplaatst. Boven de ander staat een strofe uit het gedicht ‘Sweetest love, I do not go’ van John Donne (1572-1631). Beide strofes gaan eigenlijk over het zelfde namelijk dat wanneer iemand sterft hij of zij niet weg is zolang ze niet worden vergeten. Het gedicht van Donne lees je hier.
Op de websites van verschillende uitvaartondernemingen kun je gedichten lezen die toepasselijk zijn voor allerlei overlijdens (vader/moeder, partner, kind, algemeen, zelfdoding, bij ziekte etc.). Maar er zijn zelfs zeer uitgebreide particuliere websites met heel veel gedichten om uit te kiezen of inspiratie uit op te doen. Dat zijn wel vaak wat oppervlakkige en soms wat pathetische verzen maar veel mensen voelen zich daar prettig bij. Ik hou erg van poëzie bij overlijdensberichten die slaat op de persoon die is overleden of die de voorkeur voor een dichter van de overledene weergeeft.
De keuze voor een gedicht van een 16e-17e eeuwse Engelse dichter (Donne) vind ik daarom heel bijzonder. De keuze voor de liedtekst van Bram Vermeulen heb ik vaker gezien. Omdat het een prachtige tekst is van Bram Vermeulen plaats ik de tekst hier helemaal.
.
Testament
.
Als ik dood ga, huil maar niet.
.
ik ben niet echt dood moet je weten
het is maar een lichaam dat ik achterliet
dood ben ik pas als jij die bent vergeten.
.
En als ik dood ga, treur maar niet
ik ben niet echt weg moet je weten
het is de heimwee die ik achterliet,
dood ben ik pas als jij dat bent vergeten.
.
En als ik dood ga, huil maar niet
ik ben niet echt dood moet je weten
het is het verlangen dat ik achterliet
dood ben ik pas als jij dat bent vergeten
dood ben ik pas als jij me bent vergeten.
.
De dag richt een standbeeld op
Remco Campert (1929-2022)
.
Op maandag 4 juli werd door uitgeverij De Bezige Bij, namens de familie bekend gemaakt dat dichter en schrijver Remco Wouter Campert is overleden. Remco Campert leerde ik kennen op de middelbare school waar ik ‘Tjeempie! of Liesje in luiletterland’ las. Ik was meteen verkocht door de sprankelende taal, de luchtigheid van zijn schrijven en wilde meteen meer van hem lezen. Dus las ik ‘Het leven is verrukkulluk’, ‘Liefdesschijnbewegingen’ en ‘Het gangstermeisje’en in de jaren die volgde nog verschillende van zijn verhalen en romans.
Pas later, toen ik me meer voor poëzie ging interesseren en poëzie ging lezen was één van de eerste bundels die ik aanschafte ‘alle bundels gedichten’ 1951-1970 in 1976. Daarmee was Remco Campert naast (toen) Jules Deelder de dichters waar ik diep van onder de indruk was. Nog altijd staat deze bundel daar in mijn boekenkast waar mijn poëzieverzameling begint naast de vroege bundels van Deelder.
Ik schreef vaker over Remco Campert, zijn poëzie vind ik nog steeds behoren bij de drie tot vijf dichters die ik noem, gevraagd naar mijn favoriete dichters. Inmiddels heb ik naast die eerste bundel (waarin zijn eerste 10 poëziebundels zijn gevat) meerdere poëziebundels van zijn hand. En nog steeds lees en herlees ik zijn gedichten. Zijn directe en schijnbaar eenvoudige taalgebruik herbergt vaak zoveel lagen. Zijn weemoedige en ironische toon is altijd vriendelijk en herkenbaar.
Campert werd bijna 93, een prachtige leeftijd (bijna net zo oud als zijn moeder Joeki Broedelet die ik ook nooit meer zal vergeten door haar legendarische optreden in een scene van van Kooten en de Bie als Jacobse en van Es, als twee Haagse tuinmannen in ‘Winterklaar maken van uw tuin’ , maar veel ouder dan zijn vader de dichter Jan Campert die op 40 jarige leeftijd de dood vond in een Duits concentratiekamp).
Remco Campert zal gemist worden en nog vele jaren gelezen en aangehaald worden. Een groot dichter en schrijver is overleden. Hij verdiend een standbeeld. Daarom, bij wijze van, wil ik hier zijn gedicht ‘De dag richt een standbeeld op’ uit zijn debuutbundel ‘Vogels vliegen toch’ uit 1951 met jullie delen.
.
De dag richt een standbeeld op
.
de dag richt een standbeeld op
van zwijgen
zwijgend wachten,
op alle hoeken van de stad
sta ik stil en staar
mijn ogen na die traag
traag uit het oog verdwijnen
.
ik kan de uren van wapperend wasgoed
niet in mijn handen houden
mijn vingers vallen terug
op het balkon van
niet eens meer zien
.
het kind wil weifelen
weifelen in de duisternis
die ik achter mij vermoed
maar er is de dag
een standbeeld vol zwijgen
.
welaan dan
het vers weer geschoeid
het verlies van jaren dichten
op de rug gepakt
ginds zijn dezelfde bergen
waarop ik weer de gedachten van
mijn voeten versplinteren zal
.
welaan dan
.
Tot ook ik verwaai
Peter Swanborn
.
Peter Swanborn (1963) ken ik al een aantal jaar, in 2016 was hij jurylid van de Ongehoord! Poëzieprijs en in 2017 was hij te gast als dichter bij het Zomerpodium van Ongehoord! in de Jacobustuin. Swanborn is via de geologie en de fotografie in de literatuur terechtgekomen. Sinds 1997 is hij als literair medewerker verbonden aan de Volkskrant. Zijn gedichten en artikelen verschenen o.a. in De Gids, Poëziekrant, De Zingende Zaag, Passionate en Tortuca.
In 2007 verscheen Peter Swanborns poëziedebuut, ‘Bij het zien van zijn lichaam’, in de Contrabas-reeks. Deze bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2007. Zijn poëzie is vertaald in het Engels, Duits, Frans, Spaans, Sloveens, Perzisch, Indonesisch en Japans.
In de bundel ‘Tot ook ik verwaai’ uit 2009 geeft hij een indringend beeld van wat dementie (van zijn moeder in dit geval) met een mens en zijn omgeving doet.
In heldere, eenvoudige bewoordingen beschrijft hij hoe het is om te beseffen dat je hersenen niet meer werken, om te weten dat je niets meer weet. De nachtmerrie van het dwalen door een vreemd huis waarvan iedereen zegt dat jij er woont. de schrik van het niet meer herkennen van mensen die zeggen dat ze je kinderen zijn.
De bundel is opgedeeld in drie delen. In het eerste deel wordt de beginnende dementie van de moeder beschreven. Ze is op dat moment nog in haar eigen woning.
In het tweede deel is de dementie gevorderd; de moeder is opgenomen in een verpleegtehuis. In het derde deel wordt er door de familie naar de dood van de moeder toegeleefd.
De thematiek van de bundel, de beschrijving van de voortschrijdende ziekteverschijnselen van dementie en de ontzetting over de aftakeling van de moeder, waren heel herkenbaar voor mij al is elke situatie uniek. Peter beschrijft het proces met veel empathie en mededogen zoals in het gedicht ‘Badkamer’.
.
Badkamer
.
Bibberend, smekend, doe ik het goed zo?
Zij, naakt na tachtig jaar, in een warme wolk
water. Ik, vol ongemak, zoekend naar een
antwoord, een houding, een handdoek.
.
Doe ik het goed zo? Hou je maar vast
aan die beugels. Die hebben we niet voor niets.
Hier heb je zeep. Nee, dat mag je zelf doen.
Kan je best of wil je dat een zuster?
.
En ik denk aan de keren dat zij, vroeger,
mij moest wassen, de badzaal. de zinken
bak, de ruwe doek langs mijn natte benen.
.
En de schrik bij eerste schaamharen,
nu moet je maar zelf. De ongrijpbare afstand
eindelijk verdwenen. Doe ik het goed zo?
.





















