Site-archief
Toeristiese aangelegenheid
Gust Gils
.
De Vlaamse dichter Gust Gils (1924 – 2002) uit Antwerpen was een van de oprichters van het bekende avant-gardistische tijdschrift ‘Gard Sivik’. Ook was hij redacteur van het Nederlands literaire tijdschrift ‘Podium’ dat heeft bestaan van 1944 tot 1969.
Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord “partituur” bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een “auditief” karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde “verbosonische” experimenten.
Gust Gils kreeg voor zijn werk onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Oeuvreprijs van de Vlaamse Gemeenschap.
Van zijn hand een mooi licht absurdistisch gedicht.
.
.
Toeristiese aangelegenheid
onmogelijke belichting.
kriskras.
vierkante middeleeuwse overblijfsels
(volgens beschrijving) van een stad,
onder de voet. dalen. meters diep in keihard
verdikt verleden.
achttien zijn wij
– het lampje meegeteld nabij het hangmat
waarlangs de gids met sleutels en ketens
als laatste nu naar beneden klautert.
Uit: ‘Een plaats onder de maan’ uit 1965.
.
Met dank aan Wikipedia en gedichten.nl
Vader en moeder
Marnix Gijsen
.
Ik wil de komende tijd wat meer aandacht besteden aan Vlaamse dichters. Aan de ene kant omdat het Vlaams taalgebied vele zeer goede dichters heeft voortgebracht die (wellicht) in Nederland wat minder bekend zijn en aan de andere kant speciaal voor mijn Vlaamse lezers.
Vandaag twee gedichten van Marnix Gijsen. Ooit bezat ik het verzameld werk van Marnix Gijsen. Hoewel ik getracht heb het te lezen vond ik (vooral) zijn proza erg taai. Ongetwijfeld kwam dat deels omdat de taal van Marnix Gijsen (1899-1984) nogal zwaar is en formeel. In zijn poëzie vind ik dat al veel beter leesbaar. Hoewel wat ouderwets zijn de gedichten over zijn vader en moeder zeer de moeite waard.
.
Mijn vadertje
.
Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid.
Hij had den zwaren last op zich geladen,
een eerlijk man te zijn
in woord en daad.
Dat is het schone, dwaze kwaad
waar, na ons Here Jezus Christus,
de sterkste man aan ondergaat.
Zijn oog was rustigblauw; een verre zee.
Zijn woord van blijheid soms plotse fusee
in stalen nacht.
Hij lachte rood en zoende onverwacht
mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.
De hoge schepen die de Schelde droeg,
hij wist hun laden vast en schoon te sturen.
Hij had hun namen lief,
om mee te spelen – als een kind naïef;
Karatchi, Pantos, Calcutta,
lijk schoon koralen.
Hij wist de haven; heimwee en verdriet,
bij vroegen morgenmist
en in den avond onder luid en rauw sirenenlied.
Hij heeft de bossen van zijn jeugd bemind.
Hij kende bomen lijk wij mensen kennen.
Hij wist de winden en den oogst,
en wou mijn hand aan ‘t ruw bedrijf des jagers wennen.
Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid.
Hij had de goede liefde tot de still’en ware dingen.
Onder de schaduw van een dorpse kerk
ligt zijn sobere zerk.
Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.
Zijn rode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.
.
Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen
.
Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen.
Zij was geen heilige vrouw, zij was een vrouw,
met al haar deugden, zwakten en aarzelingen,
vaak onberekenbaar doch steeds zich zelf getrouw.
Een werkslaaf en een slavendrijver heel haar leven,
die nooit kon vragen – altijd bereid te geven –
hard voor zich zelf en die van anderen verwachtte
dat z’even taai en dapper zouden zijn in daden en gedachten.
Een vrouw vol donker vuur en kracht, vol vlugge, vinnige spot,
misprijzend voor de vrouwen, opkijkend naar den man,
noch duldzaam noch gelaten, steeds meester van haar lot,
die dronk, van haar beperkt bestaan, het onderst uit de kan.
Trots op haar zonen maar te trots om toe te geven
dat zij haar naam glorie en luister hadden bijgezet.
Dat hoorde zo, zij zou het nooit vergeven
hebben, ware het niet zo geweest, want d’ijzeren wet
van haar geweten was arbeid en ambitie. Bij dagen
was zij stug en bot, dan weer een ruisende fontein
van dartle woorden, scherp’herinneringen, bij vlagen
licht ontroerbaar, lijk een kind dat niet redelijk kan zijn.
Bijna een eeuw heeft het geduurd vooreer zij weigerig ontdekte
dat haar broos lichaam niet meer luisterde naar haar stalen wil,
tot zij doodmoe de wereld losliet en haar povere leden strekte.
Zo werd het grote vuur dat ze geweest was, op een gure
winteravond, eindlijk kil.
.
Last
Leonard Nolens
.
Leonard Nolens (1947) is één van de belangrijkste levende dichters uit Vlaanderen. Nolens is een romanticus, schrijft vaak over de liefde en over manieren om aan de identiteit te ontsnappen. Hij publiceerde sinds zijn debuut in 1969 (Orpheushanden) meer dan 20 dichtbundels en een groot aantal dagboeken. Leonard Nolens won vele Vlaamse en Nederlandse poëzieprijzen.
In 2004 werd ‘Laat alle deuren op een kier’ gepubliceerd bij uitgeverij Querido. Ruim 800 pagina’s poëzie, een dik verzameld werk met gedichten uit zijn werk tot dan toe. Uit deze mooie uitgave het gedicht ‘Last’ uit de bundel ‘Geboortebewijs’ uit 1988.
.
Last
.
De blootgewoelde uren liggen wakker.
De splinternieuwe dag is geen gezicht –
Een blinde middag vol intieme nederlagen,
Een avond die verdwaalt en niet de straat op durft.
.
De nacht is doof, een blauwe pot vol sterren,
Een holle bol waarin een lichtjaar circuleert
Van dagen zonder nummer, weken waken, maanden
Zonder je lippen en namen en handen van ons.
.
Kom maar gauw, ik heb me morgen nodig.
Je bent het raadselboek waarin mijn leven past.
Wat word je zwaar, ik kan je niet meer dragen.
Kom maar. Kom maar gauw. En haal je van mij af.
.
Krantenvrouw
Marnix Gijsen
.
De laatste weken valt me iets op als ik in het dashboard van dit blog mijn statistieken bekijk. Al een paar keer is het aantal bezoekers uit Vlaanderen groter dan het aantal bezoekers uit Nederland. Nu probeer ik mijn aandacht van onderwerpen niet te kijken naar landen of herkomst maar ik weet dat veel Vlaamse vrienden dit blog graag en vaak bezoeken. Als dank daarvoor een gedicht van de beroemde Vlaamse schrijver/dichter Marnix Gijsen (1899 – 1984).
.
De krantenvrouw
De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
een even wrak en nutteloos gerucht.
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol donker gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.
.
Uit: Het Huis, 1925
.
Met dank aan Meander.
Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis
Dichteressen uit Vlaanderen en Nederland
.
Uit de bundel Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis, de bundel met de beste poëzie van 40 dichteressen uit Nederland en Vlaanderen van uitgeverij Passage uit 2000, een gedicht van Vera Beerten. Vera Beerten (1957) publiceerde in diverse tijdschriften zoals ‘Diogenes’ en ‘Deus ex Machina‘. Beerten verleende haar medewerking aan verscheidene poëziemanifestaties waaronder ‘De Nachten van de Poëzie’ in Antwerpen, waar zij woont.
.
Finestrat
.
We lagen in een bed van middagzon
Uit elk verband
Uit elke geschiedenis verbannen.
.
Vogels vliegen op uit ons verstand
De huid die om ons heen zat, loste.
We vloeiden uit en over in elkaar
Werden zee, zwommen zonder handen.
.
En op het voor ons uitverkoren strand
Stonden engelen op wacht
Met toeters, wimpels en bellen.
.
Pol de Mont
Vlaams dichter Pol de Mont (1857-1931)
.
Via de website van Gaston D. Haese kwam ik terecht op de site met gedichten van de Vlaamse dichter Pol de Mont. Ik had nog niet eerder van deze dichter gehoord maar ik las een gedicht op de website die ik graag met jullie deel.
Pol de Mont werd geboren in Wambeek. Na zijn middelbare studies in het Frans te Ninove gevolgd te hebben, ging hij naar het Klein Seminarie in Mechelen. Hier was het dat hij zijn eerste gedichten schreef en in 1875 zijn eerste bundel ‘Klimoprankske’ liet drukken. Twee jaar later ging hij rechten studeren aan de universiteit van Leeuven. Samen met Albrecht Rodenbach stichtte hij hier ‘Het Pennoen’. In 1880 werd zijn, met de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Vlaamse Letterkunde bekroonde, bundel ‘Gedichten’ gepubliceerd.
Pol de Mont begon zijn carrière als leerkracht aan het atheneum in Antwerpen. In 1904 werd hij benoemd tot conservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Een jaar later was hij één van de stichters van het tijdschrift De Vlaamse Gids. In 1919 nam hij ontslag als conservator nadat hij in de pers beschuldigd was van activisme. Hij werd hoofdredacteur van de Vlaamsgezinde krant De Schelde. Enkele van zijn medewerkers daar waren Paul van Ostaijen en Alice Nahon.
Een lied van zijn hand (getoonzet door Jos. de Klerk) werd opgenomen in de liedbundel Kun je nog zingen, zing dan mee (eerste druk in 1906). Dit liedboek was zeer populair en werd de hele twintigste eeuw herdrukt. De eerste regels luiden: ‘Gaan wandelen dat staat ons aan’.
Hieronder het gedicht ‘Nog op mijn lippen’ uit de bundel ‘Zomervlammen’ uit 1922.
.
Nog op mijn lippen
.
Nog op mijn lippen gloeit,
door al mijn aadren schroeit
de kus, van uw lippen ontvangen…
Van zwoele moeheid hijgen nog
mijn longen, en reeds blaak ik toch
van nieuw en aldoor-nieuw verlangen.
.
Uw ogen zien mij aan…,
mijn ogen zien u aan…,
uw handen zoeken naar mijn handen…
Weer vlijt uw blonde hoofd zo teer
zich op mijn borst, en weer, wéér, wéér
mijn lippen op uw lippen branden.
.
Kan men dan dronken zijn
van zoenen als van wijn,
van zoenen, rood als rode bessen ?
0 wonneroes, zo godlik zoet !
0 vlammen in ’t verjongde bloed !
0 dorst, die ‘k, nooit gelest, wil lessen !
.
Met dank aan Wikipedia.
Klankenbos
Neerpelt (Vlaanderen)
.
In het Vlaamse Neerpelt is, in opdracht van Musica, Impulscentrum voor muziek, op 23 november een nieuwe klankinstallatie voor het Klankenbos geopend. De klankinstallatie is in de vorm van een klankwandeling, die te beluisteren is op de mobiele telefoon. Wat klinkt zal afhankelijk zijn van de geografische coördinaten van de wandelaar op dat moment. De klanken bestaan uit elektronische muziek en poëzie. Naast de app werd ook de bibliofiele dichtbundel ‘Curvices and Musicles’ van Rozalie Hirs en uitgegeven door Studio 3005 gepresenteerd.
Delen
De compositie Curvices bestaat uit tien delen en een interlude, welke corresponderen met de tien zones en een tussengebied binnen de gelijknamige soundapp:
A Six destinations (2013) duur 3’32″
B Aurora borealis (2013) duur 4’49″
C This singing of tongues (2013) duur 1’58″
D Ladders of escape (2013) duur 3’37″
E Too many snakes here (2013) duur 2’26″
F Climbing a small rock (2013) duur 3’01″
G Substance of memory (2013) duur 2’03″
H Proofs of love (2013) duur 3’40″
J Words roll into brightness (2013) duur 2’44″
K Lines of moving about desert, salt water, cities (2013) duur 1’30″
Interlude (2013) duur 17’32″
Het Klankenbos vindt je op de Dommelhof, Neerpelt, Toekomstlaan 5 in België.
Een voorbeeld van de poëzie van Hirs:
1.
Lines of movement. Mark six destinations of your
choice on a map of your choice. The destinations may
possess significantly different histories, ages,
numbers of inhabitants, and snackbars. Trace six
different paths of your choice from [here] to each
of the destinations, adding up to thirty-six different
paths. Add one more path connecting all six places,
preferably with the shortest possible distance, taking
into account unsurmountable obstacles such as mountains,
lakes. Buy one pair of new shoes. Pack your backpack.
With what? A tent, sleeping bag, gun?
.
De app kun je downloaden met deze QR-code.
Hill 60
Poëzie en WO 1
.
Hill 60 is een van de heuvels in de Westhoek van Vlaanderen (even buiten het dorp Zillebeke) waar in de eerste wereldoorlog verbeten is gevochten, ten koste van vele doden. De heuvel was dan weer in handen van de Engelsen, dan weer van de Duitsers. Een klein stukje niemandsland waarin de gruwelijke waanzin van de van de eerste wereldoorlog vier jaar lang voortduurde.
Op Hill 62 (een stuk verderop waar al net zo gevochten werd) ligt het Sanctuary Wood Museum waar de waanzin van deze oorlog op een bijzondere wijze is gedocumenteerd. Heel veel artefacten, zaken die zijn achtergebleven na WO 1 en spullen uit opgravingen zijn daar in een aantal ruimtes bij elkaar gebracht. Niet door een goed gedocumenteerd team van conservators maar door een aantal privé personen.
Dit bepaald een groot deel van het karakter van dit museum. In het museum staan een groot aantal dia-kastjes waarin heel veel dia’s waarop de oorlog in al zijn facetten te bekijken is. Dus niet alleen officiële foto’s maar juist veel foto’s van de gruwelijkheden, het oneindig lijkende maanlandschap waarop dit deel van Vlaanderen destijds nog het meest aan doet denken maar ook foto’s van ontredderde soldaten, doden tot aan een bijzonder aangrijpende dia van een dood paard in een boom!
Naast deze dia-kastjes dus ook veel uniformen, helmen, munitie, geweren en afbeeldingen (schilderijen en tekeningen). Tussen de enorme hoeveelheid spullen ontwaarde ik het onderstaande lijstje. Iets dat je in een ‘officieel’ museum nooit zou tegenkomen. Het is een getypt gedicht uit juni 1960 van Annie Littlewood uit Harrogate in Engelanmd. Waarschijnlijk is Annie een familielid van een soldaat die op Hill 60 is overleden of de geschiedenis heeft haar zo aangegrepen dat ze er een gedicht over heeft geschreven.
Dit is het gedicht.
.
Remembered at Hill 60
.
They are not dead
they rest in peace,
the men that lie
in yonder graves,
tis us that live
that wonder why
this precious waste of lives
must still exist,
Ah — they gave their lives
that we might live,
God rest their souls.
.
Joris Declercq
Haringe (naast Watou)
.
Ik was afgelopen weekend in Vlaanderen en daar in het plaatsje Haringe kwam ik, wandelend over de begraafplaats, de grafsteen tegen van Pater Joris Declercq (1921-1981).
Joris Declercq was behalve pastoor in Haringe, kunstenaar, verteller van streekverhalen en dichter. De kettingrokende Declercq lag aan de basis van de Kultuurgemeenschap en er kwamen kunsttentoonstellingen, orgelconcerten, openluchttoneel en andere manifestaties waarop nogal wat vreemden, waaronder heel wat Fransvlamingen afkwamen. Hij schreef boeken en heerlijke poëzie, hij deed volop mee aan carnaval en andere dorpsactiviteiten en na de mis ging hij graag een pintje drinken en dobbelen. Kortom een bijzonder man.
Dat zie je terug aan zijn grafsteen. De steen was al klaar toen Declercq nog leefde, zo wist hij zeker hoe zijn graf er uit zou komen te zien. alleen de datum van overlijden moest nog worden toegevoegd.
Op de grafsteen een voorbeeld van zijn poëzie.
.
E vrind is lik e stekkerdroad,
je kut dr an vaste roak’n;
en ojje were weg wult goan,
t doe zeer je los te moak’n.
.
Joris Declercq bij zijn grafsteen


















