Site-archief

Poëziebordeel

Vlaanderen

.

Via Facebook (Lies van Gasse) kwam ik terecht bij de website http://www.poeziebordeel.be/.

Wat is Poëziebordeel? Het Poëziebordeel plaatst dichters, of beter gezegd, hun stoute alter ego’s, in het weelderige interieur van een bordeel en presenteert hen als courtisanes van het woord. In privé-lezingen geeft elke dichter van lichte zeden zijn of haar meest intieme delen – woorden – bloot in de schemerzone van gedempt licht, sofa’s en chaises longues. Intussen vermaakt een bohémien volkje van dansers, zangeressen en muzikanten de wachtende klanten. Kortom: performance art in een liederlijk totaalconcept. Poëzie gedrenkt in een wellustige avond.

Drijvende kracht achter Poëziebordeel zijn Ineke van Nieuwenhove, Michaël Vandebril en Carmen de Vos.

Ineke (47) is journaliste en manager van het het Gentse fenomeen Kenji Minogue,een Belgische popgroep die electropop met kitsch, humor en absurde West Vlaamse teksten brengt. De naam Kenji Minogue is een West-Vlaamse woordspeling (“ken jij me nog”), net als de artiestennamen van de twee leden; Fanny Willen (“van niet willen”) en Conny Komen (“kon niet komen”).

Michaël Vandebril (42) is dichter en organisator en leidt sinds 2002 de stedelijke dienst Antwerpen Boekenstad. Hij is stichtend lid van de literaire organisatie VONK en zonen en hij maakt deel uit van de redactie van literair tijdschrift Deus ex Machina.

Carmen de Vos (47) is fotografe. Ze maakt vreemde bedenksels en fotografeert die op oude vervallen film. Ze omhelst de fout, de verkleuring, de onscherpte en houdt ervan om binnen de beperkingen die haar materiaal oplegt, het best mogelijke beeld te creëren.

Het Poëziebordeel heeft geen vaste standplaats maar trekt van evenement naar evenement. Zo was het gezelschap te zien op de poëzienacht te Brugge en op het kasteel in Gent en komt men op 8 en 9 november in Antwerpen.

.

PB

 

PB1

 

PB2

 

PB3

 

pbLogo_Bordeel

 

Claus

Hugo Claus (1929 – 2008)

.

Hugo Claus was was een Vlaams dichter, kunstschilder, filmmaker en roman- en toneelschrijver. Hij was de meest bekroonde auteur uit het Nederlands taalgebied. In  50 jaar werd hij 46 keer gekroond. In de loop van zijn lange carrière schreef Claus duizenden gedichten, meer dan 20 romans en vele toneelstukken. Zijn meest bekende meesterwerk is Het verdriet van België uit 1983.

In totaal publiceerde hij tussen 1947 en 2004 in totaal 75 dichtbundels. In de vuistdikke bundel Hugo Claus ; Gedichten 1948 – 1993 staat een overzicht van gedichten uit 27 bundels. ruim 1100 pagina’s uitgegeven door de Bezige Bij in 1994.

Uit deze bundel een gedicht ‘Een kwade man’.

.

Een kwade man

.

Zo zwart is geen huis

Dat ik er niet in kan wonen

.

Zo wit is geen morgen

Dat ik er niet in ontwaak

Als in een bed

.

Zo waak en woon ik in dit huis

Dat tussen nacht en morgen staat

.

En wandel op zenuwvelden

En tast met mijn nagels

In elk gelaten lijf dat nadert

.

Terwijl ik kuise woorden zeg als:

Regen en wind appel en brood

Dik en donker bloed der vrouwen

.

claus

 

Uit: Een huis dat tussen nacht en morgen staat, 1953

Hoekkamer

Clara Haesaert

.

Vandaag wil ik een vrouwelijk Vlaamse dichter Clara Haesaert belichten. En wel om de volgende reden. Toen ik informatie over haar las waarin stond dat ze zich professioneel inzette voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken scoorde ze als mens al punten bij me, toen ik op zoek ging naar haar poëzie was het duidelijk; ik ging een blogpost over haar schrijven.

Geboren in 1924 was Clara Haesaert na haar studie werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur (kom daar tegenwoordig nog maar eens om, ministeries met zulke ronkende namen). In die functie zette ze zich dus in voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken.

Op 29 jarige leeftijd debuteerde ze als dichter met de bundel ‘De overkant’ waarna er nog 8 bundels volgden. Haar laatste bundel ‘Voorbij de laatste vijver’ verscheen in 1995. Ze was medeoprichtster en redacteur van het tweemaandelijkse tijdschrift ‘De Meridiaan’ tijdschrift voor kunst en letteren, en oprichtster van Internationaal Kunstcentrum Taptoe in Brussel. Tot slot was ze mede-stichtster van de “Middagen van de Poëzie” en van het Haiku-centrum voor Vlaanderen in Overijse.

Naast de Basiel de Craeneprijs voor haar gedicht ‘de Man’ in 1952 , de Mathias Kempprijs voor Poëzie voor haar bundel ‘Medeplichtig’ in 1984 en ‘Het gulden boek voor Verdiensten bewezen aan het Boekwezen’ in 1991 werd ze in 2001  bevorderd tot Officier in de Leopoldsorde.

Uit jaargang 8 van De Brakke Hond uit 1991 het gedicht Hoekkamer van haar hand.

.

Hoekkamer

Het gulden boek voor verdiensten bewezen aan het boekwezen, bibliotheken, jeugdboeken,

1.
Je loopt levend door mijn gedachten,
je handen bewegen,
je knippert met de ogen.
Ik ben dood, zei je toen, die avond,
zeven jaar geleden.
Nu hoor ik je stem, verdrietig,
ik zie je stappen, voorovergebogen.
Toch loop je elk ogenblik, veerkrachtig,
lachend en pratend door mijn gedachten.
2.
Op een dag liep ik met een vriend door het bos.
Een groot bos vlakbij de grootste stad van het land.
Het was februari, ik hoorde een ijsvogel zingen.
Op het smalle wandelpad lag een dun laagje sneeuw.
3.
In deze hoekkamer rees de vraag:
waarom de stem verheffen,
waarom met woorden treffen.
Waarom het ondoordachte:
steeds de sterkere, de onverstoorbare te lijken,
waarom geraffineerd de meedogenloze spelen.
In het schild voor het ongeluk geboren:
onloochenbaar merkbaar in ogen en stem,
koele tegenstrijdigheid in zien en horen.
.
Clara
Met dank aan dbnl.org en Wikipedia

Facebookproject

David van Reybrouck

.

Afgelopen zondag als Zomergast bij het gelijknamige programma van de VPRO, vandaag met een gedicht op dit blog. David van Reybrouck is behalve dichter, cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver van proza en theaterteksten uit Vlaanderen. Een veelzijdig man, zo is hij de oprichter van het Brussels dichterscollectief, bezieler van de G 1000, een burgertop, over de taalgrenzen heen, die 1000 Belgen liet overleggen voor een betere democratie in België, voorzitter van de PEN Vlaanderen en winnaar van verschillende literatuurprijzen waaronder de Libris geschiedenis prijs en de AKO literatuurprijs.

In februari 2011 startte hij een Facebookproject rond het collectief vormgeven van een gedicht, vertrekkende van een willekeurig gekozen zin uit een krantenartikel. Op de startzin voor de nieuwe constructie: ‘Het waren eenzame kilometers tussen Ieper en Brussel’ kwamen 110 reacties. De eindredactie bleef bij de initiatiefnemer. Hieronder het resultaat van dit project en een gedicht van zijn hand.

.

In alle vroegte

het waren eenzame kilometers

tussen Ieper en Brussel

het was stil alleen de tijdgeest sprak

op de radio sprak een man in tongen

de donkere rit werd een moeilijke

puzzel

ontbinding onveiligheid hevig

verlangen

ik vreesde dat het slijk zou schreeuwen

om zoiets als een veldrit

op zondagnamiddag

kilometers lang ben ik

gesteven wegen natriumrood

verlicht duizenden strepen niets

naderde zelfs niet in meters

de nacht die zal breken

de opgaande hoofdstad

vuurrode longen

ja we zijn er om te vertrouwen

van skyline naar zeespiegel

van aarde naar beton

en eenzaamheid stuwt voort weekt los

de wind jaagt het hout kraakt

een vlucht lijsters nee spreeuwen

wijzigt van lijn

soms had ik gelukkige gedachten

fluwelen zetels koffie snijbloemen

antiek

langs het water stonden paarden

rechtopstaand te slapen

daar lag mijn grond daar lag de pijn

.

 

De kruik

 

– Voor Agnès –

Jezelf zo schikkend als was ik een bad,
hoofd onder kin, rug langs mijn buik
spoel je aan in zilver en kwik.

Lig nu stil. Langzaam laat ik het water
lopen. De kruik kleedt je uit
in het helderste wit. Je hals van email,
je schouder die schatert van licht.

Sluit je de ogen, je haar wordt een wier.
Vind ik een vorm voor water dat loopt?
Het wuift en wacht, een onweer op zee,
je oogleden blijven gesloten.

.

david_van_reybrouck_spreker_g1000_5

Met dank aan Wikipedia en gedichten.nl, foto: readmylips.be

Jotie T’Hooft

Vlaamse dichters

.

Als ik de Vlaamse dichters behandel mag een van de belangrijkste en bekendste dichters Jotie T’Hooft natuurlijk niet ontbreken. Op veel te jonge leeftijd (21) overleden aan een overdosis cocaïne, heeft Jotie T’Hooft toch een aantal belangrijke dichtbundels gepubliceerd. Nog is de nagedachtenis aan T’Hooft niet minder geworden. Elk jaar wordt door Jong Groen Oudenaarde veel aandacht besteedt aan het leven en werk van Jotie T’Hooft .

Zo is er elke twee jaar (sinds 2008) een Jotie T’Hooft poëzieprijs voor jong en oud (mijn oudste dochter is ooit genomineerd voor de prijs van de jonkies).Maar er worden ook hommageavonden georganiseerd en men ijvert ervoor om zijn graf als funerair erfgoed te bewaren en te beschermen.

Jotie T’Hooft wordt wel eens het wonderkind van de jaren zeventig genoemd.

Hij werd geboren op 9 mei 1956 in Bevere, bij Oudenaarde, net zoals zijn voorouders. Van jongs af aan was hij opvallend taalvaardig, las en schreef hij veel. Omwille van zijn druggebruik en rebels karakter deed hij bijna alle scholen van Oost-Vlaanderen aan. Hij werkte in het antiekatelier van zijn oom, als nachtwaker en als lector bij uitgeverij Manteau. Waar hij ook was, wat hij ook deed, steeds bleef hij schrijven. In 1975 huwde hij uit liefde met Ingrid en verscheen zijn eerste bundel “Schreeuwlandschap”. Voor zijn tweede bundel “Junkieverdriet” (1976) kreeg hij de prestigieuze Reina Prinsen Geerligsprijs. Jotie T’Hooft werd op korte tijd een literair fenomeen. Zijn belangrijkste thema’s zijn: druggebruik, dood, erotiek, het onvervulbare verlangen, de spanning tussen ideaal en werkelijkheid, de droom, het ontvluchten van de werkelijkheid, het verlangen naar zuiverheid,…

Voor hij de kans kreeg van zijn verslaving af te geraken, overleed hij op 6 oktober 1977 aan een noodlottige overdosis. Na zijn leven verschenen nog bundels met onuitgegeven werk. Dat dit prille oeuvre nog steeds wordt gelezen en heruitgegeven toont aan dat het een tijdloze herkenbaarheid bevat. Jotie’s oom Rik verzorgt nog steeds zijn sobere graf op de begraafplaats in de Dijkstraat te Oudenaarde. Je treft er nog geregeld attenties van bewonderaars aan. Jotie wandelde zelf graag over deze begraafplaats.

.

Playmate of the month
.
Naakt in een strandstoel,
Benen tomeloos gespreid –
De wond ontbloot
Waarin men glijdt –
 .
Foutloos lichaam fel belicht:
Hoe komt het, madame
Dat ik als een gordijn uw vlees oplicht
Alsof uw naaktheid niet volstond
 .
Om onder het verhit gezicht
Te vinden, wat ik altijd vond:
Een schedel, eens vergaan zó licht,
En ’t grijnzen van een tandeloze mond.
jotie_brosse1_web
 
Met dank aan http://www.jotiepoezieprijs.be/ en http://www.dbnl.org

Toeristiese aangelegenheid

Gust Gils

.

De Vlaamse dichter Gust Gils (1924 – 2002) uit Antwerpen was een van de oprichters van het bekende avant-gardistische tijdschrift ‘Gard Sivik’. Ook was hij redacteur van het Nederlands literaire tijdschrift ‘Podium’ dat heeft bestaan van 1944 tot 1969.

Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord “partituur” bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een “auditief” karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde “verbosonische” experimenten.

Gust Gils kreeg voor zijn werk onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Oeuvreprijs van de Vlaamse Gemeenschap.

Van zijn hand een mooi licht absurdistisch gedicht.

.

 

.

Toeristiese aangelegenheid

onmogelijke belichting.
kriskras.

vierkante middeleeuwse overblijfsels
(volgens beschrijving) van een stad,

onder de voet. dalen. meters diep in keihard
verdikt verleden.

achttien zijn wij
– het lampje meegeteld nabij het hangmat

waarlangs de gids met sleutels en ketens
als laatste nu naar beneden klautert.

Uit: ‘Een plaats onder de maan’ uit 1965.

.

gust gils

 

Met dank aan Wikipedia en gedichten.nl

Vader en moeder

Marnix Gijsen

.

Ik wil de komende tijd wat meer aandacht besteden aan Vlaamse dichters. Aan de ene kant omdat het Vlaams taalgebied vele zeer goede dichters heeft voortgebracht die (wellicht) in Nederland wat minder bekend zijn en aan de andere kant speciaal voor mijn Vlaamse lezers.

Vandaag twee gedichten van Marnix Gijsen. Ooit bezat ik het verzameld werk van Marnix Gijsen. Hoewel ik getracht heb het te lezen vond ik (vooral) zijn proza erg taai. Ongetwijfeld kwam dat deels omdat de taal van Marnix Gijsen (1899-1984) nogal zwaar is en formeel. In zijn poëzie vind ik dat al veel beter leesbaar. Hoewel wat ouderwets zijn de gedichten over zijn vader en moeder zeer de moeite waard.

.

Mijn vadertje

.

Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid.
Hij had den zwaren last op zich geladen,
een eerlijk man te zijn
in woord en daad.
Dat is het schone, dwaze kwaad
waar, na ons Here Jezus Christus,
de sterkste man aan ondergaat.

Zijn oog was rustigblauw; een verre zee.
Zijn woord van blijheid soms plotse fusee
in stalen nacht.
Hij lachte rood en zoende onverwacht
mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.

De hoge schepen die de Schelde droeg,
hij wist hun laden vast en schoon te sturen.
Hij had hun namen lief,
om mee te spelen – als een kind naïef;
Karatchi, Pantos, Calcutta,
lijk schoon koralen.

Hij wist de haven; heimwee en verdriet,
bij vroegen morgenmist
en in den avond onder luid en rauw sirenenlied.

Hij heeft de bossen van zijn jeugd bemind.
Hij kende bomen lijk wij mensen kennen.
Hij wist de winden en den oogst,
en wou mijn hand aan ‘t ruw bedrijf des jagers wennen.
Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid.
Hij had de goede liefde tot de still’en ware dingen.

Onder de schaduw van een dorpse kerk
ligt zijn sobere zerk.
Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.
Zijn rode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.

.

Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen

.

Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen.
Zij was geen heilige vrouw, zij was een vrouw,
met al haar deugden, zwakten en aarzelingen,
vaak onberekenbaar doch steeds zich zelf getrouw.

Een werkslaaf en een slavendrijver heel haar leven,
die nooit kon vragen – altijd bereid te geven –
hard voor zich zelf en die van anderen verwachtte
dat z’even taai en dapper zouden zijn in daden en gedachten.

Een vrouw vol donker vuur en kracht, vol vlugge, vinnige spot,
misprijzend voor de vrouwen, opkijkend naar den man,
noch duldzaam noch gelaten, steeds meester van haar lot,
die dronk, van haar beperkt bestaan, het onderst uit de kan.

Trots op haar zonen maar te trots om toe te geven
dat zij haar naam glorie en luister hadden bijgezet.
Dat hoorde zo, zij zou het nooit vergeven
hebben, ware het niet zo geweest, want d’ijzeren wet

van haar geweten was arbeid en ambitie. Bij dagen
was zij stug en bot, dan weer een ruisende fontein
van dartle woorden, scherp’herinneringen, bij vlagen
licht ontroerbaar, lijk een kind dat niet redelijk kan zijn.

Bijna een eeuw heeft het geduurd vooreer zij weigerig ontdekte
dat haar broos lichaam niet meer luisterde naar haar stalen wil,
tot zij doodmoe de wereld losliet en haar povere leden strekte.
Zo werd het grote vuur dat ze geweest was, op een gure
winteravond, eindlijk kil.

.

MarnixGijsen

Last

Leonard Nolens

.

Leonard Nolens (1947) is één van de belangrijkste levende dichters uit Vlaanderen. Nolens is een romanticus, schrijft vaak over de liefde en over manieren om aan de identiteit te ontsnappen. Hij publiceerde sinds zijn debuut in 1969 (Orpheushanden) meer dan 20 dichtbundels en een groot aantal dagboeken. Leonard Nolens won vele Vlaamse en Nederlandse poëzieprijzen.

In 2004 werd ‘Laat alle deuren op een kier’ gepubliceerd bij uitgeverij Querido. Ruim 800 pagina’s poëzie, een dik verzameld werk met gedichten uit zijn werk tot dan toe. Uit deze mooie uitgave het gedicht ‘Last’ uit de bundel ‘Geboortebewijs’ uit 1988.

.

Last

.

De blootgewoelde uren liggen wakker.

De splinternieuwe dag is geen gezicht –

Een blinde middag vol intieme nederlagen,

Een avond die verdwaalt en niet de straat op durft.

.

De nacht is doof, een blauwe pot vol sterren,

Een holle bol waarin een lichtjaar circuleert

Van dagen zonder nummer, weken waken, maanden

Zonder je lippen en namen en handen van ons.

.

Kom maar gauw, ik heb me morgen nodig.

Je bent het raadselboek waarin mijn leven past.

Wat word je zwaar, ik kan je niet meer dragen.

Kom maar. Kom maar gauw. En haal je van mij af.

.

Nolens,Leonard20121110-2536

 

nolens_5

Krantenvrouw

Marnix Gijsen

.

De laatste weken valt me iets op als ik in het dashboard van dit blog mijn statistieken bekijk. Al een paar keer is het aantal bezoekers uit Vlaanderen groter dan het aantal bezoekers uit Nederland. Nu probeer ik mijn aandacht van onderwerpen niet te kijken naar landen of herkomst maar ik weet dat veel Vlaamse vrienden dit blog graag en vaak bezoeken. Als dank daarvoor een gedicht van de beroemde Vlaamse schrijver/dichter Marnix Gijsen (1899 – 1984).

.

De krantenvrouw

De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
een even wrak en nutteloos gerucht.
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol donker gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.

.

Uit: Het Huis, 1925

.

Marnix Gijsen

Met dank aan Meander.

Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis

Dichteressen uit Vlaanderen en Nederland

.

Uit de bundel Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis, de bundel met de beste poëzie van 40 dichteressen uit Nederland en Vlaanderen van uitgeverij Passage uit 2000, een gedicht van Vera Beerten. Vera Beerten (1957) publiceerde in diverse tijdschriften zoals ‘Diogenes’ en ‘Deus ex Machina. Beerten verleende haar medewerking aan verscheidene poëziemanifestaties waaronder ‘De Nachten van de Poëzie’ in Antwerpen, waar zij woont.

.

Finestrat

.

We lagen in een bed van middagzon

Uit elk verband

Uit elke geschiedenis verbannen.

.

Vogels vliegen op uit ons verstand

De huid die om ons heen zat, loste.

We vloeiden uit en over in elkaar

Werden zee, zwommen zonder handen.

.

En op het voor ons uitverkoren strand

Stonden engelen op wacht

Met toeters, wimpels en bellen.

.

Vera

volmaakt