Auteursarchief: woutervanheiningen
Twee uitspraken over poëzie
Herman de Coninck
.
Wanneer ik voor mijn boekenkast sta valt mijn oog regelmatig op ‘de gedichten’ van Herman de Coninck. Ik blader dan meestal door deze dikke bundel en lees er wat gedichten uit. En een enkele keer, zeker wanneer ik al enige tijd niet meer over deze fantastische dichter heb geschreven dan plaats ik hier een gedicht van hem. Zo ook vandaag. Uit het hoofdstuk ‘Nagelaten gedichten’het gedicht ‘Twee uitspraken over poëzie’.
.
Twee uitspraken over poëzie
.
Poëzie is niet noemen, maar
wat bijen na uren rondzoemen
boven dahlia’s, of Glenn Gould over partituren
.
valszingend, er naast neuriënd, meenemen.
Wat een vrouw van verte weet
die ramen heeft staan zemen.
.
Maar poëzie is ook een poes die over een toets of tien,
voorzichtig, van een piano is gelopen
en omkijkt: heb je dat gehoord, heb je me gezien?
.
Gouden munt
Tj. A. de Haan
.
Op 30 november van het vorige jaar schreef ik over de bundel ‘Album van de Indische poëzie’ en ik plaatste uit die bundel een gedicht van de dichter Tj. A. de Haan. https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/11/30/indische-poezie/ Ik schreef toen ook dat ik niks had kunnen vinden over deze dichter. Niet lang daarna kreeg ik een reactie van de zoon van Tjaarda Aldert de Haan (want dat is de volledige naam van de betreffende dichter) dat hij wel meer informatie kon verstrekken over zijn vader. Deze Aldert Willem de Haan heb ik aan de telefoon gesproken en ik heb inmiddels heel wat informatie over een bijzonder mens en dichter, die ik hier met jullie wil delen. Aan de ene kant omdat Tjaarda Aldert de Haan een bijzonder mens en dichter was maar ook omdat dit voor mij de kracht van een blog weergeeft. Het feit dat mensen lezen wat ik schrijf en daarop reageren is voor mij altijd een enorme stimulans geweest om door te blijven gaan met hetgeen ik het liefste doe; schrijven over poëzie. Of dat nu is om me te verbeteren (typefouten, grammaticale fouten, inhoudelijke fouten, stuur ze me alsjeblieft toe, het helpt mij en de lezer) maar ook inhoudelijke reacties over dichters, omstandigheden, bundels, stromingen, reacties zijn altijd zeer welkom.
Aldert Willem de Haan vertelde mij dat zijn vader, geboren in Nederlands Indië en als arts opgeleid, bij de marine officier-arts was. Tjaarda Aldert de Haan (1909-1984) was geboren in Makassar op Celebus (zijn vader was rechter in Makassar en had in Leiden het Adatrecht of ongeschreven recht gestudeerd dat in Nederlands Indie gold). In 1935 wordt hij vanuit Nederland uitgestuurd op een marineschip voor 4 jaar naar Nederlands Indië. Dan wordt het oorlog en de kruiser (de Java) waarop hij werkt, wordt door de Japanners tot zinken gebracht in de slag om de Javazee. Hijzelf is op dat moment gelegerd aan wal en in 1942 wordt hij krijgsgevangen genomen. Hij wordt te werk gesteld in een kamp in Thailand bij de aanleg van de Burma-spoorweg. Hij was daar actief vanwege zijn eed als arts aan Hippocrates. Hij werd bij de Japanse artsen gewaardeerd over zijn kennis van tropische ziekten waar ze geen weet van hadden en erg angstig van waren. Hij is zelfs bij afwezigheid van daartoe geschikte officieren een keer kampcommandant geweest.
Aan het einde van de oorlog op 3 mei 1946 wordt het gezin van Tjaarda naar Nederland gerepatrieerd. Tjaarda Aldert de Haan schreef altijd al veel verzen. Bij bijzondere gelegenheden zoals bruiloften, Sinterklaas en geboortes maar ook vrije verzen zoals over zijn tijd in Indië. Tijdens zijn leven publiceert hij drie dichtbundels. Twee in eigen beheer: ‘Zilveren fluit’ (1964) en ‘Gouden munt’ (1975) en ‘Mnémosyné, sprekend verleden’ bij uitgeverij Moesson in Den Haag in 1981. Mnémosyné is een dochter van Uranus en Gaea en een Titanide. Zij is volgens de voorstelling der Griekse fabelleer, de vormster van het menselijk verstand, inzonderheid van het geheugen, welk geestvermogen voor de kennis der schrijfkunst zo bijzonder belangrijk was. (bron: colofon van de dichtbundel).
Deze bundels zijn nergens meer te krijgen. Van de dochter van Tjaarda Aldert de Haan, mevrouw A.M. Schermer – de Haan heb ik een exemplaar van ‘Gouden munt’ gekregen (waar ik heel blij mee ben) en de bundel ‘Mnémosyné’ heb ik in bruikleen gekregen. Uit deze laatste bundel heb ik gekozen voor het gedicht ‘Het spoor’ omdat ik denk dat dit gedicht gaat over een gebeurtenis die de dichter terug voert naar de tijd die hij doorbracht bij de bouw van de Burma-spoorweg.
.
Het spoor
.
Een treurwilg in zijn wintertooi
Zo koud, zo ijzig en zo mooi
Een bruine brug boven donker ijs
Daaronder diepten, zwart en grijs
Een tintelende zon aan een blauwe lucht
In de vroege morgen, geen enkel gerucht
.
Maar zij is des nachts hier voorbij gekomen
Een metgezellin uit mijn bange dromen
.
Ik zag het gebeuren in mijn droom
Een schrijdend fantoom bij de witte boom
En ten teken dat zij daar werkelijk was
Een duidelijk spoor in beijzeld gras
Een spoor dat eensklaps een einde vond
Bij verblekende maan in de morgenstond
.
Zij is hier vannacht voorbij gedreven
Op zoek naar mijn hart, op zoek in mijn leven
.
En nu in de morgen, geen enkel gerucht
Een vriendelijke zon aan de blauwe lucht
Daar vlak bij de boom. het eind van een spoor
Dat plotseling zich in het niets verloor
Of lijkt dat maar zo en is het bedrog
En zijn het mijn eigen schreden toch
.
er blijven geheimen om niet te doorgronden
De stille getuigen, aan tijd gebonden
.
Zij sloeg mij daarheen, een tijdelijke brug
En ik ging op weg, maar keerde weer terug.
.
Epigram voor Chet Baker
Frank Koenegracht
.
In de bundel ‘Rock ‘n’ Roll klinkende gedichten’ uit 2003 zijn door Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze 62 gedichten bijeengebracht over muziek. Over allerlei soorten muziek, niet slechts over Rock & Roll. In deze bundel staat het gedicht ‘Epigram voor Chet Baker’ van Frank Koenegracht dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘Zwaluwstaartjes’ uit 1994.
.
Epigram voor Chet Baker
.
Wat huilen die twee toch.
Er zit iets ongebrokens in hun huilen.
Nee dat vind ik niet.
Het is een soort vliegeren, geen
huilen, ze huilen niet.
Het spijt me maar ze huilen wel.
.
Liplezer
Vacuüm en ozon
.
De Vlaamse Yves Coussement (1978) studeerde voor ingenieur-architect aan de Universiteit Gent. Hij is designer, beeldend kunstenaar, videokunstenaar en dichter. In 2004 debuteerde hij met de bundel ‘Vacuüm en ozon’ bij Meulenhoff | Manteau. De bundel ‘Vacuüm en ozon, gedichten’ is opgebouwd uit gedichten zonder titel omrand door woorden en teksten die ogenschijnlijk een verband hebben met de gedichten maar na intensievere lezing soms volledig willekeurig zijn en soms heel nadrukkelijk wel bij het gedicht passen. Daarbij komt dat de bundel horizontaal gelezen moet worden. Allemaal heel kunstzinnig maar het komt de leesbeleving niet echt ten goede. De gedichten in de bundel zijn echter wel de moeite waard. Zoals het titelloze gedicht dat begint met het woord liplezer.
.
liplezer.
.
steeds ten dienste van de monoloog
met een verstopte tong.
.
leren lispelen houdt geen steek.
misschien wel de anatomie van gestotter.
.
en wanneer al het overbodige is ingeslikt
wordt alle verloren moeite gevleid.
.
applaudisseert de verliezer binnensmonds.
en vervelt dan de autocue.
.
Ooteoote
Website over poëzie
.
De website http://ooteoote.nl, vernoemd naar Jan Hanlo’s legendarische klankgedicht, is een literaire website met het zwaartepunt op poëzie. Ooteoote houdt graag de vinger aan de pols van projecten waarin literatuur en andere disciplines allianties met elkaar aangaan. Zo besteden ze aandacht aan beeldende kunst, muziek, film en multimedia, waarin de literaire tekst een (hoofd)rol speelt. Tot slot fungeert Ooteoote als een podium waarop bekende schrijvers en aanstormende talenten hun gedichten, vertalingen, korte verhalen, columns, romanfragmenten, interviews, opinies en essays kunnen publiceren.
Ooteoote bevat bijdragen van onder andere Remco Ekkers, Dean Bowen, Erik Lindner, Edwin Fagel en Marije Koens. Een mooi voorbeeld van de creatieve manier waarop Ooteoote kijkt naar poëzie wordt geleverd door Vicky Francken. Zij heeft met een collage techniek een beeldgedicht gemaakt dat bestaat uit gevonden teksten, foto’s en beelden. Het beeldgedicht bestaat uit twee delen.
Het eerste deel bestaat uit een plaatje van een man met een hoed en handschoenen aan die naar ons kijkt. zijn hoofd en borst worden grotendeels aan het oog onttrokken door hangende takken van een boom. Het lijkt erop dat het waait.
Het tweede deel is in alles het tegengestelde. Het plaatje heeft strakke rechte zijkanten, waar het eerste plaatje rafelig uitgescheurd is. In plaats van een zoveel mogelijk bedekte man toont het twee vrouwen in bikini. De vrouwen springen van een rots af in het water. Niet in een ontsnappingspoging, zoals in een film of serie, maar puur voor het plezier, zoals op vakantie, onbezorgd.
Met de teksten in de foto collage wordt deze afbeelding een intrigerend beeldgedicht.
.
Wacht … woorden
Anneke Brassinga
.
De kern van het werk van dichter, prozaïst, essayist en literair vertaler Anneke Brassinga (1948) bestaat volgens Piet Gerbrandy (uit een bericht uit 2015) uit (v)echtlust, geestige dwarsheid en grondeloze melancholie. Paul Demets schrijft over haar in ‘Awater’ uit 2011 dat ze allerlei onheil raakt dat met vergankelijkheid gemoeid is in haar poëzie, maar dat dat bij haar een soort dragelijke lichtheid krijgt. Anneke Brassinga wordt gezien als postmodernistisch dichter maar zelf rekent ze zich tot de surrealisten. Hoe het ook zij, haar werk wordt breed gewaardeerd. Zo kreeg ze voor haar werk de Martinus Nijhoff Vertaalprijs (1978, niet door haar geaccepteerd), de VSB Poëzieprijs 2002 voor de bundel ‘verschiet’), de Constantijn Huygens-prijs (2008) en de P.C. Hooft-prijs (2015), voor haar poëtisch oeuvre.
In 1987 debuteerde Brassinga met de bundel ‘Aurora’ en haar laatste bundel ‘Het wederkerige’ dateert alweer van 2014 . In 1991 verscheen van haar hand de bundel ‘Thule’, uit deze bundel het gedicht ‘wachtwoorden’.
.
Wachtwoorden
.
Ik had me zo geoefend in het wachten
dat ik schrok toen er iemand kwam;
ik had nog nooit van hem gehoord
herkende hem op het eerste woord
zodat ik aan geen wachten dacht.
Twee gorilla’s, Lust en Vraatzucht,
bewaakten van bovenaf de poort;
in een schip gecamoufleerd met lakens
voeren wij de stad in, onder hen door.
Gesloten bleef de tas met taarten,
al jaren uit mijn mond gespaard,
nooit was er tijd, nooit tijd te over
om aan uitstel te ontkomen.
Wij zijn nu zo geoefend in het wachten
dat als een kind het bij ons hoort.
.
Foto: Serge Ligtenberg
De koffer
John Ashbery
.
In 1977 staat Poetry International in het teken van de koffer, symbool van het reizen. Naast de gebruikelijke poëzie en dichters uit vele landen is er een tentoonstelling van oude reiskoffers. In 1977 staat de Amerikaanse dichter John Ashbery op het podium in Rotterdam. Ashbery (1927- 2017) werkte van 1955 tot 1965 voor The New York Herald Tribune in Parijs als kunstcriticus. Na zijn terugkeer in de Verenigde Staten werkte hij als docent Engels en was hij ook daar kunstcriticus. Ashbery was een avant-gardistisch dichter.
Ashbery’s vroege werk werd sterk geïnspireerd door door het werk van Auden, alsook door de obscure Franse surrealistische dichter Pierre Martory. Later werd zijn werk steeds meer modernistisch. In de jaren zestig verkeerde hij in avant-gardistische kringen, met wereldwijd de aandacht trekkende kunstenaars als Andy Warhol en John Cage.
Ashbery’s werk kenmerkt zich door vrije, spontane associatie, waarbij zijn gedichten meestal nauwelijks een echt onderwerp kennen. Hij kan heel vaag en poëtisch zijn over concrete alledaagse dingen, waarbij hij regelmatig de parodie als stijlmiddel gebruikt. Een overkoepelend thema is de relatie tussen chaos en het bewuste menselijk denken en met de kunst in zijn algemeenheid. Hoewel Ashbery vaak beweerd heeft voor een groot publiek te willen schrijven, geldt veel van zijn werk als moeilijk toegankelijk, niet in de laatste plaats door de semantische en linguïstische experimenten in zijn werk.
Uit zijn bundel ‘The double dream of spring’ uit 1970 het gedicht ‘The task’ en in een vertaling van Peter van Lieshout, ‘De taak’.
.
De taak
.
Ze maken zich klaar om opnieuw te beginnen:
Problemen, een nieuwe wimpel aan de vlaggemast
in een voorspelde romance.
.
Rond de tijd dat de zon laag boven het
Westelijk halfrond haar stralen vlijt, de kermis echoot,
Dringen de vluchtende landen onder andere namen bijeen.
Leegte neemt de plaats van vreugde in, en Ieder moet vetrtrekken
Weg, ver weg in de stokkende nacht, want zijn lot
Is vruchteloos terug te keren uit het licht
Voorgetoverd door verstrijkende tijd. Slechts
Luchtkastelen waren het, doorkneed in de kunst het verleden
Te grijpen en met pijn te beheersen. En de weg ligt open
Nu om regelrechtschapen te handelen in deze tijd
Verterende dichtheid waarin hij ooit leerde ademen.
.
Kijk eens naar de rommel die je gemaakt hebt,
Zie eens wat je hebt gedaan
Maar als dat dat al spijt mocht zijn raakt het nauwelijks
De kinderen die na het eten buitenspelen.
Belofte van kussens en meer in de nacht die straks valt.
Ik ben van plan hier wat langer te blijven
Omdat dit enkel ogenblikken zijn, ogenblikken van inzicht,
En omdat getast en gereikt nog moet worden,
Naar uiterst en vurig verlangen dat wegsmelt
Ondertussen, als afstand onder pelgrimsvoeten.
.
The task
.
They are preparing to begin again:
Problems, new pennant up the flagpole
In a predicated romance.
.
About the time the sun begins to cut laterally across
The western hemisphere with its shadows, its carnival echoes,
The fugitive lands crowd under separate names.
It is the blankness that follows gaiety, and Everyman must depart
Out there into stranded night, for his destiny
Is to return unfruitful out of the lightness
That passing time evokes. It was only
Cloud-castles, adept to seize the past
And possess it, through hurting. And the way is clear
Now for linear acting into that time
In whose corrosive mass he first discovered how to breathe.
.
Just look at the filth you’ve made,
See what you’ve done.
Yet if these are regrets they stir only lightly
The children playing after supper,
Promise of the pillow and so much in the night to come.
I plan to stay here a little while
f’or these are moments only, moments of insight,
And there are reaches to be attained,
A last level of anxiety that melts
In becoming, like miles under the pilgrim’s feet.
.

















