Categorie archief: Gedichten in de openbare ruimte

Gedichten bij kunst

Kunstroute Schuytgraaf

.

In 2022 is de komst van de kunstroute in Schuytgraaf, een nieuwe wijk in Arnhem, aangekondigd. De route zou vijf kunstwerken die speciaal voor de wijk worden gemaakt tellen. Het afgelopen jaar heeft Productiehuis Plaatsmaken in Arnhem, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de route, gewerkt om de locaties van de kunstwerken met de kunstenaars Arash Fakhim, Larissa Esvelt, Femke Herregraven, Keiko Sato en Rob Voerman en in samenspraak met de Gemeente Arnhem te bepalen.

En nu is het zover. Niet alleen zijn de kunstwerken gerealiseerd maar er is ook iets moois aan toegevoegd: Gedichten. Dichters Maarten Buser, Marije Langelaar, Francis Nagy, Roos Marijn Peperkamp, Tim Lenders, Marieke Polderdijk en Willem van Zadelhoff, werd gevraagd een gedicht te schrijven om vervolgens geplaatst te worden op nutshuisjes die in een halve cirkel door de wijk staan met in die cirkel op verschillende plekken de kunstwerken.

In totaal zijn tien gedichten geplaatst (elke dichter 1 gedicht, van Marije Langelaar maar liefst 4 gedichten). Ik koos voor het gedicht 1. ‘De Schutgraaf’ van Maarten Buser (1991).

.

De Schutgraaf

.

Wat krijg je als je een boerderij

binnenstebuiten aantrekt?

Opa’s van oma’s, oma’s van opa’s,

.

waar ze woonden kromp uiteindelijk

tot een krijttekening van stenen

Eerst was dat nog spannend: geen betere

.

bewaker dan de grond; straks de Romeinen,

Batavieren, ijstijd, maar iedereen wil thuis

slapen. Een leeg veld is monumentaal

.

door wat er onder ligt, blijft leeg: het gat

in het lusje van de wijk die als een jas

in het landschap is gelegd

.

Gedicht van Maarten Buser

Kunstwerk van Rob Voerman

Beeldgedichten

TYYYPOëzie

.

De reizende tentoonstelling TYYYPOëzie (die te zien was tot en met november 2022) was een samenwerking tussen Graphic Matters en een aantal dichters te weten Lisette Ma Neza (samen met graficus Jasmine Roemendael), Maud Vanhauwaert (samen met graficus Jelle Jespers), Hind Eljadid (samen met letterontwerper Kristyan Sarkis), Joost Oomen (samen met graficus en letterontwerper Pieter Boels), Jonathan Griffioen (samen met Team Thursday) en Elianne van Elderen (samen met graficus) Aleksandra Samulenkova.

De tentoonstelling toonde de ontmoeting tussen woord en beeld, taal en typografie. Met de beroemde visuele dichtbundel ‘Bezette Stad’ van schrijver Paul van Ostaijen en kunstenaar Oscar Jespers als inspiratiebron, die in 2021 honderd jaar oud was. De tentoonstelling met experimentele beeldgedichten reisde langs steden in Vlaanderen en Nederland.

Hieronder de beeldgedichten van Maud Vanhauwaert, Hind Eljadid, Jonathan Griffioen, Elianne van Elderen, Lisette Ma Neza en Joost Oomen. Geen blogpost zonder gedicht daarom hier het gedicht ‘Banlieue’ uit Nagelaten gedichten van Paul van Ostaijen.

.

Banlieue

Zand
overweg
rachitisch hofje   begonias   baanwachtersdochter
arme hand   draaien
     een winkel ligt aan d’overzij
           met dorre dingen
                   suiker
En
   een herberg huwt bruideenzaam
   hoekhuisdroefheid
   IN DE VROEGE MORGEN
Zand wordt
avond zwalpen lauwte
in orgeltonen ontraderen
                    tijdswet
Zand wordt avondruiken
en milieu voor danstent
                   grauw op grauw
Valt dor suiker op zand
                                   late kinderen   droef en zat
Grand   Caroussel   galopant   à   vapeur
Acetyleenlampen
           schitteren
                    kleuren
                            slap
                                                  Banlieue sterren glimmen klein en vuil
Orgel pauseert
            teringvreugde
zweet bronst pijn
           Mond kust zandlippen
                                                  droog

.

Lies Van Gasse

Visioen 21.4

.

Bij de Nacht van de Poëzie sprak ik Lies Van Gasse (1983). Zij is samen met Lotte Dodion, Ruth Lasters, Cleo Klapholz en Yves Kibi Puati Nelen stadsdichter van Antwerpen. Van haar kreeg ik een bidprentje. Maar niet zomaar een bidprentje. Het betreft hier een bidprentje met een gedicht en een tekening van Lies voor de Antwerpse Begijnhoftuin. Op 21 april 2024 (zie de titel van het gedicht) werd de Begijnhoftuin omgedoopt tot het Hofje der Poëten. Het dient als bede om de stilte en de geschiedenis van deze tuin te bewaren en publiek toegankelijk te houden.

De bijzondere boomgaard, de symbolische bloemenpracht, de beelden van Aäron  en Melchisedek vertellen elk hun verhaal. Daarom moet deze stiltetuin gekoesterd blijven. Daarnaast is de Begijnhoftuin een toevluchtsoord voor dichters en denkers als Peter Holvoet-Hanssen en Diane Broeckhoven en verder terug in de tijd proto-stadsdichter Hadewijch van Antwerpen.

Op de dag van de opening en de omdoping tot Hofje der Poëten werd het gedicht ‘Visioen 21.4’ van Lies Van Gasse onthuld. Hieronder kun je het gedicht lezen.

.

Visioen 21.4

.

Ik ga zitten in het stil, het bloeiende stil
met tegenover mij beelden, profeten
die gremelen achter mijn lichtend scherm,
die mij uit vele vensters een vis toewerpen, broden,
die begrijpen wat een ander verstaat,

,

mijn hoofd dat licht geeft in het smalle donker,
mijn gedachten, soms zo weinig van gewicht,
mijn ogen, vastgeklit in mazen.

.

Hier zit ik, het stil, het zich herhalende stil,
een ruimte van takken en gras, een groene kapel
vol oude stenen monden.

.

De kussentjes van de kweeperen zingen.
Stille ogen zorgen voor een stille geest.
We worden gelikt door dromen

.

en rondom mij groeit een kamer
die we zacht moeten noemen,
die we, mossig en moerbei en peren,
die schors waaruit zij al eeuwen zingt,

.

die stem die mij aankijkt, een duister
– ze wordt nu met andere ogen gelezen
en op dunne pootjes loopt ze achter ons aan.

.

De stem wordt een stem in een stem.
De vrouw in de vrouw wordt een andere vrouw.

.

Haar haar zingt een lied. Ik zing een lied
en er zijn hier geen poorten, geen spijlen.

.

Museum Vaals

Gedicht op een ‘muurtje’

.

Afgelopen zondag was ik bij museum Vaals, een bijzonder museum met 600 beelden van heiligen, broeders en andere religieuze figuren uit de katholieke kerk. Deze beelden zijn van eind 19e eeuw tot halverwege de 20ste eeuw gemaakt en opgesteld in een voormalige kerk. Deze kerk werd in de tweede wereldoorlog getroffen door een Amerikaanse bom en na de oorlog opnieuw opgebouwd. Voor wie van bijzondere en ook wel gekke musea houdt een absolute aanrader.

Behalve een levensgroot beeld van Jezus bij de ingang als een soort van Delftsblauwe superman staan er in de tuin van het museum ook verschillende beelden. Eén ervan is ietwat vreemd in de zin dat het eigenlijk niet bij de rest hoort. Het is geen beeld van een heilige, geen piëta, geen engel of kruisbeeld maar een soort modern beeld met een gedicht erop van een mij onbekende dichter. Dat gedicht wil ik hier met je delen evenals een paar foto’s van het museum.

Inmiddels weet ik via Jac Ques dat het gedicht uit de Hebreeuwse Bijbel komt en wel uit het boek Job, vers 7-10 en vers 23-24.

.

Zie ik schreeuw moord

maar ik krijg geen antwoord.

Ik roep om hulp maar er is geen recht.

.

Mijn pad heeft hij versperd –

ik kan niet verder –

over mijn banen

heeft hij duisternis gelegd.

.

Hij sloopt mij rondom – daar ga ik –

heeft als een boom

uitgerukt mijn hoop.

.

Wie geeft ooit dat

mijn beweringen worden beschreven –

wie geeft dat ze worden vastgelegd

.

in een boekrol?

Met een stift van

ijzer en lood – voor altijd

uitgehouwen in de rots!

.

Charlotte Van den Broeck

Voor Ward Zwart

.

In 2021 publiceerde Charlotte Van den Broeck (1991) de bundel ‘Aarduitwrijvingen’. In deze bundel staat het gedicht ‘Voor Ward Zwart’. De Antwerpse illustrator en striptekenaar Ward Zwart (1986-2020) was bevriend met Charlotte en maakte met haar de bundel ‘Cosmos, Texaco’ (2020). Zwart maakte potlood- en houtskooltekeningen bij haar gedichten. Naar aanleiding van zijn plotseling overlijden (hij nam zijn eigen leven) schreef ze dit gedicht.

Charlotte Van den Broeck leerde Ward Zwart kennen in Watou waar ze samen een muur gemaakt en geïllustreerd hebben (met een gedicht van haar hand). Peter Verhelst vroeg haar of ze een gedicht voor Ward wilde schrijven dat in Watou aangebracht kon worden. Zelf zegt ze daarover: “Het leek me het enige zinvolle dat er kon gebeuren, dat een gedicht voor hem op die plek terugkeert.”

.

Voor Ward Zwart

.

welke dag is het vandaag, de hele dag al wist de datum zich
uit waar geworden vrees, een haas schiet uit de struiken, de schuwe roerdomp
duikt in het riet

we moeten ons behoeden voor de opmars van goudjakhalzen in het oosten van het land
we moeten melding maken van de olieblauwe vlek op het papier, eronder

liggen de lege straten
we wandelen vanop de rug gezien en daar volstaat het
om te schoppen tegen de peilloze somberte, een kopstoot

tegen het sip, je vertelt het verhaal van het stokstaartje
dat werd opgenomen in een groep vosmangoesten en stelt me gerust:
in geen van beide soorten heeft de leeuw interesse

en op dagen dat de leeuw bijt
is hij van zeefdrukinkt en houtskool, voor het afscheid

hadden we elkaar een glimp van wilde tapirs beloofd wetende
dat de kans klein is, dat tapirs
tegenover ons geen enkele verplichting bezitten, maar we hebben tijd

en theekoeken en tijdens het wachten
bedenken we een naam voor de onbekende boom die binnenkort
voor het eerst in duizend jaar zal bloeien

we noemen hem ‘de slaappalmveer’
terwijl ik het neerschrijf, ga jij alvast op zoek

.

Roosterpoëzie

Norbert De Beule

.

Tijdens mijn bezoek aan de Permeke bibliotheek in Antwerpen viel mijn oog op een rooster naast een boom op het plein waaraan de bibliotheek ligt. Het bleek geen gewoon rooster maar een rooster met daarin een gedicht van Norbert De Beule (1957). Toen ik verder keek bleken er meer van dit soort roosters op het plein te liggen. De gedichten zijn geplaatst bij de heraanleg van het De Coninckplein. Antwerpen Boekenstad selecteerde regels uit de boomgedichten van het stadsdichtersproject ‘Bomenstad’ van Peter Holvoet-Hanssen.

Norbert De Beule debuteerde als dichter  in 1987 met de dichtbundel ‘Rockoco’, een aflevering van Quarant-Dash? – Tijdschrift voor literaire scherpzinnigheid, dat al na één jaargang ophield te bestaan. Hierna volgde verschillende bundels als ‘Yelle!’ (2003), ‘Ebdiep’ (2006), ‘Boekhouder van het Rusteloze’ (2009) en ‘Tri ti tiii’ (2013) welke werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs. Ook schreef De Beule meerdere poëzieprogramma’s voor scholen.

Op het Coninckplein in Antwerpen staat dus een gedicht van hem zonder titel (al lijkt het ‘de populier’ te heten als ik de plek op Straatpoëzie.nl geloven mag).

.

De populier waarop

de beroemdste glimlach

doordringt verzamelde

maar liefst tweehonderd

jaarringen die de boom

van binnenuit verlichtten

vandaar die groteske

uitstraling

.

Gwij Mandelinck

Erfenis

.

Afgelopen week overleed de Vlaamse dichter en geestelijk vader van Poëziezomers van Watou Gwij Mandelinck (1937-2024). Mandelinck was een pseudoniem voor Guido Haerijnck. Zijn pseudoniem kwam van de rivier de Mandel die te Wakken in de Leie vloeit. Paul Snoek zou hem hebben opgedragen een pseudoniem te kiezen, omdat die één vissennaam in de Vlaamse literatuur wel genoeg vond. Op zoek naar wat achtergrond informatie kwam ik erachter dat we niet alleen op dezelfde dag jarig waren maar ook nog eens hetzelfde beroep hebben uitgeoefend (bibliothecaris). Gwij Mandelinck  heeft samen met zijn vrouw in het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw het, toen nog ingeslapen, dorpje Watou in de Westhoek van Vlaanderen op de poëtische, Belgische en internationale kaart gezet.

In 1980 begon hij met het festival Watou Poëziezomer. Samen met zijn vrouw trokken ze grote dichters naar deze uithoek van België. In eerste instantie dichters uit de lage landen maar al snel ook dichters van over de hele wereld. Het festival trok al snel veel bezoekers uit voornamelijk België en Nederland. Ze kwamen voor de kunst en voor de poëzie. Door dit festival dat twee maanden per jaar allerlei activiteiten rond kunst en poëzie bood, onderging het dorp zelf ook een verandering. Zo zijn er inmiddels een Hugo Clausplein, een Paul Snoekstraat en en Rutger Koplandstraat. Ook een aantal kunstobjecten en muurbeschilderingen bleven bewaard en dichter Eddy van Vliet liet zijn as uitstrooien in Watou.

In 2008 stopte Mandelinck met de Poëziezomers in Watou. Financieel was het niet meer rond te krijgen. Hij probeerde een doorstart in Brugge onder de naam Kunstenfestival Watou. Zelf verhuisde ze naar Aartrijke (bij Gent) en hun huis in Watou werd het Huis van de Dichter, een schrijfresidentie waar dichters een tijdje kunnen werken. Naast zijn werk voor de poëzie in Watou en daarbuiten was Gwij Mandelinck ook dichter. In 1962 debuteerde hij met een in eigen beheer uitgegeven bundel ‘De Wake’ waarna nog vele bundels zouden verschijnen, de laatste in 2014 ‘Lotgenoten’.

Voor zijn letterkundige werk ontving hij verschillende keren prijzen zoals de Maurice Gilliamsprijs en de Guido Gezelleprijs. Uiteraard ben ik op zoek gegaan naar een gedicht van Mandelinck en dat heb ik gevonden in Maatstaf jaargang 41 uit 1993. Het gedicht is getiteld ‘Erfenis’ en ik koos het omdat de erfenis van Gwij Mandelinck er een is van bijzondere betekenis.

.

Erfenis

.

Nu het ouderpaar is uitgedragen, weegt wat
hangen bleef er zwaar; de kalk rondom de spijkers
brokkelt op de grond. Zij die gewicht aan onze
dagen gaven lijken nu te zweven in het rond.
.
Elkaar de stofjes uit de ogen sparend erven wij dit sterven;
uitvergroot in wat de doden samen waren zullen ons de maten
van hun deuren nauwelijks een doorgang laten. Nog voor
de grendels uit de handen schuiven, sluiten wij ons buiten.
.
.

Strandjutten

Straatdichter

.

De eerste keer dat ik Sjaak Kroes tegen kwam was in 2016 bij mij om de hoek op een hoek van de Frederik Hendriklaan. Sjaak zat daar toen nog gewoon achter een tafeltje met zijn typemachine, met aan de andere kant een stoel voor een ieder die wilde aanschuiven en voor wie hij dan een gedicht schreef. Inmiddels zijn we 8 jaar verder en heeft Sjaak Kroes zijn tafeltje en stoelen verruild voor een bureaufiets waarmee hij langs alle grote steden en door het land gaat, publiceert hij in eigen beheer poëziebundels en poëzieansichtkaarten.

Zijn laatste bundel ‘Liefjes van een straatdichter’ uit 2018 bevat naast de gedichten van Kroes ook verschillende illustraties van Martina Francone en is inmiddels al een paar keer herdrukt. Tegenwoordig schrijft Sjaak door het hele land, op bruiloften en partijen en op verzoek en in opdracht. Uit ‘Liefjes van een straatdichter koos ik het gedicht ‘Strandjutten’.

.

Strandjutten

.

Opgestoven zand rondom

prullenbakken, muntjes

als kersen op taarten

.

We braken golfbrekers

wat vastzat

griste je met een zakmes

.

Tractorsporen

waren geen aanwijzingen

voor vondsten

.

Het gonsde van de jutters

als het zand onder vlonders

braak werd gelegd

.

Wij keken met het blote oog

metaaldetectors logen

.

De echte vermogens

lagen aan de oppervlakte

.

 

Gedichten op bankjes

Gedichten op vreemde plekken

.

In 2010 begon ik de rubriek ‘Gedichten op vreemde plekken’ omdat ik een afbeelding tegen kwam van een gedicht in een toilet. Ik vond dat toen zo bijzonder maar ook grappig dat ik op zoek ging naar plekken waar je niet meteen een gedicht verwacht. En dat waren er nogal wat! In 2013 bereikte ik deel 100 van deze rubriek, waarna ik gestopt ben met tellen. Als je nu de rubriek in zijn geheel wil lezen ben je denk ik een dag bezig.

Ik denk dat ik eigenlijk alle vreemde plekken wel een keer heb behandeld (al weet je dat natuurlijk nooit, mocht je een echt bijzondere plek tegenkomen mail me deze dan), en daarom ben ik op Instagram een account begonnen met foto’s van lezers @meerovergedichten en later ook nog @struikeloverpoezie.

Als ik zo terugkijk krijg ik het idee dat vooral bankjes in de openbare ruimte populair zijn om gedichten op te plaatsen. Ik heb even een kleine steekproef gedaan en ben eens gaan zoeken op gedichten / poëzie op bankjes. Je weet niet wat je dan allemaal tegenkomt. In Ekeren, Amersfoort, Schalkwijk, Waspik, Purmerend, Berg en Dal, Halle-Zoersel, Amsterdam, Melle,  Denderleeuw, Apeldoorn, Delft, Leeuwarden en Nijmegen staan bankjes met gedichten of dichtregels, en zo kan ik nog wel even door gaan.

Uiteraard vind ik het een bijzonder goed idee om de buitenruimte op te fleuren of aan te kleden met openbare bankjes waarop je ook nog eens van poëzie kan genieten. Een charmant voorbeeld van zo’n bankje kwam ik een paar jaar geleden tegen in Belper (Peak district in Engeland). Slechts een regel was er in gekrast. Het bankje maakte deel uit van het Belper poëziepad. De regel luidt:

 

“I think that I shall never see

a poem lovely as a tree”

.

De regel komt uit het gedicht ‘Trees’ van Joyce Kilmer (1886-1918) uit ‘Poetry 2’, no. 5 (1915). Het volledige gedicht kun je hier lezen.

.

Trees

.

I think that I shall never see
A poem lovely as a tree.
A tree whose hungry mouth is prest
Against the earth’s sweet flowing breast;
A tree that looks at God all day,
And lifts her leafy arms to pray;
A tree that may in Summer wear
A nest of robins in her hair;
Upon whose bosom snow has lain;
Who intimately lives with rain.
Poems are made by fools like me,
But only God can make a tree.
.

Voor je het weet..

#21

.

Na het succes van de special van MUGzine, die in grote getale werd verspreid via bibliotheken in Noord- en Zuid Holland in januari tijdens de Poëzieweek, is het in maart alweer tijd voor de eerste reguliere editie van MUGzine in 2024. In deze 21ste editie staan gedichten van Sholeh Rezazadeh, Frans Terken, Bauke Vermaas en Yannick Moyson. De illustraties zijn dit keer van Danièle Knirim (@hier_vandaan op Instagram). Natuurlijk een kraakverse @L.uule en wie weet een nieuwe rubriek (under construction).

We beginnen 2024 met een nieuwe vormgeving, onze vormgever Bart van @Brrt.graphic.design maakt voor elk nieuw jaar dat MUGzine bestaat een nieuw ontwerp voor de omslag. Wil je zelf een keer een Luule inzenden? Dat kan, stuur je Luule naar mugazines@yahoo.com . Wil je de papierenversie van MUGzine elke keer op papier via de post ontvangen? Wordt dan jaardonateur.

Een van de dichters in #21, de Vlaamse dichter Yannick Moyson, was ook een van de deelnemende dichters aan het bijzondere project #Weesgedichten. Hieronder zijn gedicht en een foto van dit gedicht op het raam van Schepen (wethouder) Caroline De Meerleer van Aalst.

.

Wanneer het even niet meer gaat

sta dan stil voor een poos

haal adem, met je palm op je borst

tot net zoveel tellen die nodig zijn

om te voelen dat het klopt

Met de hand op het hart beloof ik je

dat je het allemaal even mag ondergaan

tot de zonsopgang je zinderend zin geeft

om te stralen als nooit tevoren

.