Site-archief

Geen dag zonder liefde

Ed. Hoornik

.

De winter vind ik een uitgesproken jaargetijde voor liefdesgedichten met een randje. Dat kan een randje nostalgie zijn, een donker randje, spijt, verdriet, zolang het maar geen vrolijk en opgetogen liefdegedicht is. In de onvolprezen bundel ‘Geen dag zonder liefde’ Honderd jaar Nederlandse liefdespoëzie uit noord en zuid, uit 1994, staat een mooi voorbeeld van zo’n gedicht van dichter Ed. Hoornik (1910-1970) met als veelzeggende titel ‘Eenzaamheid’. Dit gedicht verscheen eerder in ‘Verzamelde gedichten’ uit 1972.

.

Eenzaamheid

.

We ruilden plechtig de ringen;

ik hoorde mij trouw beloven.

Gij waart mij reeds vreemdelinge,

toen we langzaam de kerk uitschoven.

.

Al geloofde ik het soms even,

als ik in uw armen verstilde,

nooit werd mee uitgedreven

de eenzaamheid, die ik niet wilde.

.

Tweelingen schiepen mijn dromen,

eender als druppelen water.

Geen zal de avond doorkomen:

elk is alleen, vroeger, later…

.

gdzl

Het verlorene zal ik zoeken

Thomas Graftdijk

.

Thomas Graftdijk (1949 – 1992) was medeoprichter van het tijdschrift Soma en in 1974 van De Revisor. hij trad op als vertaler van het werk van Elias Canetti, Hermann Hesse en Rainer Maria Rilke. Postuum verschenen van hem nog vertalingen van het werk van Friedrich Nietzsche, Sigmund Freud, Thomas Mann en Franz Kafka. Daarnaast was hij dichter maar als zodanig is hij wat in de vergetelheid geraakt.

Hij publiceerde drie dichtbundels ‘Lachend op de achterste rij’ in 1970, ‘Treurarbeid’ in 1977 en ‘Positieve helden’ in 1980. Werk van Graftdijk werd gepubliceerd in onder andere Maatstaf, De Revisor, Raster en De Gids. Uit Raster 26 uit 1983 het gedicht ‘Het verlorene zal ik zoeken’.

.

Het verlorene zal ik zoeken

.

Het verlorene zal ik zoeken

in dit nevel-leven dat ik veins met zwak belichaamd zelf

in de vermoeide natuur, die ik ophef met mijn zachte

erts

.

Het verlorene zal ik zoeken

in het hoofd met jaarringen om de koeieogen

dat ik vrees in de donkere spiegels van mijn bankroet

.

Valsemunter, reeds bevroedend het verdwenene in de

toekomst

reeds in tijdnood redde ik het vuil dat eenzaam brandt

en gaf niet op de wil een weerlicht in de nacht te

scheppen, terwijl ik op mijn arrestatie wachtte

.

Kindse boer die van de bossen en de wolven

droomde, vrijend om de zuiverheid

ondanks het nut dat ik in honderd bevlekkingen

wou telen, voltrokken aan de mannequins van mijn

begeerte

Ondanks hun deeg dat goed was om mijn kiespijn te

verzachten

hun knutselen dat ik als kunst verstond:

illusies te proberen het vergeefse

te betrappen het verzuimde, te horen langverstomde

ruzies

in het geritsel van de telefoon (haarscheurtjes

in de samenzwering tegen mijn persoon)

te dulden de paniek, naakt en onherstelbaar

van mijn voldongen zoon

.

Ziehier mijn zaligheid: in nooddruft het verlorene

te vinden, te vullen het gemis van groot wit ding

mijn schulden uit verboden bron te voldoen

(de bloedpis van een vis, uitmiddelpuntig

zwemmend om een eiland van ellende)

en me te verzoenen met de legende

.

Dat mijn vorst zal komen op een dag

.

O wereldwijze, in solovlucht galopperend

op de valwind

van bevrijdende herinneringen.

.

2015-10-11-15-31-42

Moeder en muze

Ed. Hoornik

.

Na een post over gedichten over vaders kan een gedicht over de moeder natuurlijk niet uitblijven. Ed. Hoornik schreef een prachtig gedicht over de moeder en de muze.

Ed. Hoornik (1910 – 1970) behoorde tot de Amsterdamse school. De Amsterdamse school was een verzameling dichters die een ironische, cynische of opstandige kijk op de dagelijkse werkelijkheid laten blijken in hun gedichten. Dit was dan vaak een reactie op de, in hun ogen, hoogdravende en onwezenlijke poëzie van hun voorgangers van voor 1937. Andere dichters van de Amsterdamse school waren Maurits Mok, Jac. van Hattum en Gerard den Brabander.

Aanvankelijk was het werk van Ed. Hoornik sociaal-kritisch. Zijn latere werk is sterk getekend door zijn ervaring als overlevende van concentratiekamp Dachau en heeft daarom vooral de confrontatie met de dood als thema. Naast gedichten schreef hij ook toneelstukken, romans en essays.

Uit zijn bundel ‘De erfgenaam’ uit 1940 het gedicht over de moeder en de muze.

.

Moeder en muze

.

Zij vond de melk nog in de stenen beker

en ’t ei, dat hij gepeld had laten staan;

altijd onrustig, ook al deed hij zeker,

was hij gekomen om weer weg te gaan.

.

Hem nawuivend liet zij de hand traag zinken,

en hield zich in, terwijl hij sneller ging,

alsof in hem een sterk nieuw lied ging klinken,

waarin hij wraak nam op haar liefkozing.

.

Geen moeder kan de dichter muze wezen,

al drinkt hij aan haar borst ’t Verlangen in;

geen moeder kan hem van de waan genezen

een God te zijn tussen de mensen in.

.

erfgenaam

ed-hoornik

Morgen is het jouw beurt

Gedichten van het Griekse verzet

.

In 1967 werd door Griekse kolonels een staatsgreep gepleegd. In de periode daarvoor was er veel politieke onduidelijkheid en er werd zelfs al rekening gehouden met een staatsgreep van links of rechts. De nieuwe militaire junta liet iedereen arresteren met linkse of vermeende linkse sympathieën. Onder de gearresteerden bevonden zich invloedrijke politici, zoals vader en zoon Papandreou, maar ook gewone burgers verdwenen achter de tralies of werden naar de Griekse eilanden in de Middellandse Zee gedeporteerd. Van ruim 480 communisten werd het staatsburgerschap afgenomen. De componist Theodorakis werd in augustus 1967 gearresteerd wegens het oprichten van een “communistische” verzetsbeweging.

Tijdens het bewind werd er door vele linkse partijen en groepen buiten Griekenland actie gevoerd tegen de junta. In 1973, een jaar voordat de junta werd afgezet en de weg naar democratie werd ingezet, verscheen er bij Van Gennep in Amsterdam de bundel ‘Gedichten van het Griekse verzet’. In deze bundel worden twee periodes belicht; Deel 1 voor de staatsgreep (1936 – 1967) en deel 2 na de staatsgreep (1967 – 1973).

Waar in deel 1 vooral dichters aan de orde komen die tegen de Duitse bezetters ageerden, gaat het in deel 2 over dichters en schrijvers die vervolgd werden om hun linkse ideeën en idealen.

Dit boek kwam destijds tot stand op initiatief van de PAM (ΠΑΜ, Patriotisch Antidictatorisch Front) in Nederland en werd geïllustreerd door Varda Raz met typische jaren zeventig houtdrukken (denk ik).

Mikis Theodorakis (1925)  was tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in het Griekse verzet, en werd gevangengenomen en gemarteld. Hij was ook actief tijdens de Griekse Burgeroorlog van 1944 tot 1949.

In 1967 na de staatsgreep ging Theodorakis ondergronds, en stichtte het “patriottisch front”. Met decreet Nr. 13 werd het verboden om de muziek van Theodorakis te spelen en te beluisteren. Hij werd gearresteerd en daarna verbannen. Later werd hij geïnterneerd in een concentratiekamp te Oropos. Dankzij een internationale campagne waarin onder anderen Dmitri Sjostakovitsj, Leonard Bernstein, Arthur Miller en Harry Belafonte actief waren, werd hij in 1970 vrijgelaten, maar uit Griekenland verbannen.

Tijdens zijn verbanning was hij een onvermoeid voorvechter van de strijd tegen het kolonelsregime, hij gaf honderden concerten en werd zo een boegbeeld van het verzet.

Na de val van het kolonelsregime kwam hij terug naar Griekenland, naast zijn muzikale werk ging hij in de politiek, en was meermalen lid van het Griekse parlement en was van 1990 tot 1992 minister in de regering van Konstantinos Mitsotakis.

In de eerste periode na de staatsgreep zat Theodorakis ondergedoken in een kelder en schreef hij aantal liederen. Hij zette ze op band met als enige muzikale ondersteuning het kloppen van zijn hand op een tafel. Ze werden naar het buitenland gesmokkeld en later op plaat gezet. In het gedicht ‘In het geheim spreken de bergen’ hebben de laatste twee zinnen betrekking op de verzetsorganisatie PAM.

.

In het geheim spreken de bergen (krifa miloune ta vouna)

.

In het geheim spreken de bergen tot elkaar,

in het geheim ook de steden:

de Hymettos tot de Parnis

en Kokkinia met Tavros.

.

Zo groot als de zee is, zo groot is ook mijn verlangen,

zo breed als de golven zijn, zo breed ook mijn zuchten.

.

In het geheim spreken ook de mensen,

in het geheim de jongens,

overdag lopen ze en ’s nachts zingen ze.

.

Ik roep de jeugd van Mei op,

ik roep ook de arbeiders;

een diepe oceaan te worden

en alle kolonels te verzwelgen.

.

In jouw hart, Athene,

heb ik mijn stem geplant,

ik ben het front,

ik roep de patriotten op.

.

morgen

Camera Obscura

Adriaan Morriën

.

In de kringloopwinkel kocht ik weer een paar mooie bundeltjes. Een ervan is de ‘Dichters omnibus’ de 16e bloemlezing uit 1970. Ik had al een aantal van deze omnibussen uit de jaren ’60 maar dit exemplaar nog niet. In deze omnibus veel dichters die ik ken maar ook een aantal onbekenden. Een dichter die ik wel ken is Adriaan Morriën.

Adriaan Morriën (1912 – 2002) debuteerde in 1939 met de bundel ‘Hartslag’. Hij werkte na WO II vooral aan vertalingen, literaire beschouwingen en recensies voor onder andere Het Parool. Daarnaast werkte hij bij het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Hij was betrokken bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren. Als redacteur van een aantal literaire tijdschriften (onder andere Tirade), beoordeelde hij manuscripten. Ook was hij adviseur van de uitgeverijen G.A. van Oorschot en De Bezige Bij. Een aantal belangrijke schrijvers, onder wie Harry Mulisch, Gerard Reve en W.F. Hermans en de dichter Hans Lodeizen, werden door hem ‘mede-ontdekt’. Ook vertaalde hij verschillende Franse schrijvers.

Voor zijn vertalingen ontving hij in 1962 de Martinus Nijhoff-prijs en voor de dichtbundel ‘Oogappel’ kreeg hij in 1988 de Herman Gorterprijs. Uit de bundel ‘Het gebruik van een wandspiegel’ uit 1968 (en dus uit de Dichters omnibus) het gedicht ‘Camera Obscura’.

.

Camera Obscura

.

Door je grote pupillen

zou ik mijn hand willen steken

om op de tast te zoeken naar

de beelden die je van me bewaart.

.

Ik zou mijn eigen aanblik voelen

en weten waar ik  je heb aangeraakt,

waar ik nog warm ben in je

en waar ik al ben afgekoeld.

.

img_5722

Geluk is mogelijk

Nog eentje dan

.

Omdat ik het toch niet kan laten nog een gedicht(je) van Remco Campert, een gedicht dat ik als advies aan iedereen zou willen meegeven; ‘Geluk is mogelijk’. Uit de bundel ‘Betere tijden’ uit 1970.

.

Geluk is mogelijk

.

Sla het telefoonboek open

kijk nou, allemaal namen

en elke naam een nummer, een adres-

.

word gelukkig, als je kan!

.

betere tijden

Lichtval

Mark Boog

.

Schrijver en dichter Mark Boog (1970) debuteerde  in 1995 als dichter in het tijdschrift ‘De Appel’. Daarna was hij actief in een schrijverscollectief dat onder meer het tijdschrift ‘Mondzeer en de Reuzenkreeft’ uitgaf. In 2000 verscheen zijn eerste dichtbundel ‘Alsof er iets gebeurt’, waarmee hij de C. Buddingh’-prijs won. In 2006 won hij de VSB Poëzieprijs voor zijn bundel ‘De encyclopedie van de grote woorden’.

Boog publiceert bovendien in literaire tijdschriften als ‘Hollands Maandblad’ en ‘De Gids’. Zijn werk wordt gekenmerkt door een combinatie van alledaagsheid en wanhoop. Dit geldt zowel voor zijn taalgebruik als voor zijn onderwerpskeuze.

Uit zijn debuutbundel het gedicht ‘Lichtval’.

.

Lichtval

.

Als ineens de zon de schaduwen

opzij veegt naar de verste hoeken van de

kamer, kijken we op maar zeggen niets.

,

Ik buig me naar het stof, neem af,

jij strekt een been om naar de keuken te gaan.

De richting staat elegant gecomponeerd

lichtval te verdragen.

.

Over de tafel hangt een gesprek.

We hebben het verlaten,

we bewegen ons nu schuchter door het huis,

de gevangenis van het schilderij ontwijkend.

.

Het is te mooi hier om waar

te zijn, we ontkennen dat – we leven nog.

.

Boog

alsof

Agony

Giuseppe Ungaretti

.

Ik heb nog niet vaak over Italiaanse dichters geschreven maar daar komt vandaag verandering in. Geen gedicht in het Italiaans, sorry liefhebbers die ook Italiaans lezen, maar vertaald in het Engels. In een boekhandel in Londen kwam ik een vuistdikke bundel tegen met vertaalde hedendaagse Italiaanse dichters. Ik heb er een paar opgetekend en die wil ik vandaag met je delen.

Giuseppe Ungaretti (1888 – 1970) werd geboren in Alexandrië in Egypte als zoon van een immigrant die had meegewerkt aan het Suez Kanaal. In 1912 verhuisde hij naar Frankrijk om te studeren aan het Collegè de France en de Sorbonne. Daar leerde hij kunstenaars kennen als Guillaume Apollinaire, Pablo Picasso, Giorgio de Chirico, Georges Braque, en Amedeo Modigliani.

In 1921 verhuisde hij naar Rome waar hij voor de Gazzetta del Popolo begon te schrijven. Tijdens een congres van de Pen Club in Brazilië ontving hij een uitnodiging voor de functie van docent van de Italiaanse taal en literatuur aan de universiteit van San Paulo. In 1942 keerde hij terug naar Italië waar hij docent werd aan de universiteit van Rome van hedendaagse Italiaanse literatuur. In 1956 heeft hij de ‘Grand Prix International de Poesie’ gewonnen.

Zijn gedichten zijn kort en vertonen een grote eenvoud en zeggingskracht. Hij voelde zich sterk beïnvloed door Petrarca en Leopardi met name door de zang en de maat, en beoefende enige tijd het vrije vers. Al vroeg maakt hij kennis met de Franse symbolisten. Dit heeft Ungaretti ertoe gebracht om de typische techniek van verduistering over te nemen.  “Ware poëzie moet een duistere manier van onthulling hebben” zo zei hij eens. De techniek beschikt over alle mogelijkheden om het enkele woord meer vrijheid te geven, door middel van afschaffing van interpunctie, stilistische isolatie of met een compositie van puntdicht.

Belangrijke modernistische thema’s in de poëzie van Ungaretti zijn de ballingschap, de versplintering van het ‘ik’-personage, de reis of zoektocht naar een belofte of een antwoord in de wereld of de natuur. En hoewel hij zich tot het fascisme aangetrokken voelde en zich ook aansloot bij het fascisme in 1942 is hiervan in zijn werk niets terug te vinden.

Patrick Creagh en Kevin Hart vertaalde de onderstaande gedichten in het Engels.

.

Eternal

.

Between one flower picked and the other given

the inexpressible nothing

.

Agony

.

To die like thirsty larks

beside the mirage.

.

Or like the quail

crossing the pounded beach

to die

in the first bushes because

it has lost the will

to fly.

.

But not to feed on grief

like a blinded finch.

.

Giuseppe_Ungaretti_(basco)

een twee drie ten dans

Eva Cox

.

Eva Cox (1970) is een dichter, prozaïst en vertaler, woont in Oostende, België. Op haar website schrijft ze over zichzelf en over haar leven tussen 1986 en 1999 het volgende:

“Zij woonde zelfstandig op zestien, ontvluchtte de middelbare school,stichtte een eenoudergezin, werkte als enquêtrice en tekenmodel, verkocht brood, opende een theehuis.”  Vanaf 1999 schrijft ze en was ze onder andere medewerker van Parmentier, De Brakke Hond, Revolver, Poëziekrant, Rottend Staal, Yang en DWB.

In 2001 won ze de eerste Vlaamse Poetry Slam. In 2004 debuteerde ze met de bundel ‘Pritt.stift.lippe’ in de Windroosreeks.  In 2009 verscheen bij De Bezige Bij ‘een twee drie ten dans’, een kleine stoet poëzie, (ultra)kort proza, vertalingen, pastiches, een duet voor één stem. Uit deze bundel het gedicht ‘Hand’.

.

Hand

Toen er een hand uit de kast stak, niet opdringerig, eerder
bijna verlegen, traag kantelend in het bleke licht, nam ik
een stoel en moest even gaan zitten. Ik overdacht het
bestaan, het ritme ervan, de pitloze weekte, en besloot de
hand niet weg te slaan. Sindsdien deel ik de tijd, mijn
kast en mijn leegte, en het is waar dat ik voor het eerst en
haast tot mijn spijt afhankelijk ben, maar ik blijf opgelucht
dat het een hand is en geen tong, god verhoede een tong,
of een neus, wat neuzen teweeg kunnen brengen, hoe men
er in lorren gehuld achteraan moet, nee een hand, lege
hand, glad, verlegen, traag kantelend in het harde licht,
op het ritme van de zon en wat uren.

.

Eva zwart wit k

Voordat

Ingmar Heytze

.

De in 1970 geboren Ingmar Heytze  studeerde Algemene Letteren in zijn geboortestad Utrecht, met als specialisatie Communicatiekunde. In 1997 debuteerde bij met ‘De allesvrezer’  (hoewel hij in 1989 al ‘Alleen mijn kat applaudisseert’ publiceerde bij Stichting Lift) en trad hij ook op tijdens de Nacht van de Poëzie en in het culturele seizoen 1999-2000 was hij de eerste “huisfilosoof” van het Utrechtse Centraal Museum.

In 2009 werd hij als eerste benoemd tot stadsdichter van Utrecht. Hij was stadsdichter tot 2011 en toen zijn termijn afliep is er geen nieuwe stadsdichter gekozen. Het Utrechts Dichtersgilde heeft het stadsdichterschap overgenomen.

Heytze schreef en publiceerde inmiddels 16 poëziebundels. Ook schreef hij proza en zijn een aantal van zijn gedichten in de openbare ruimte in de stad Utrecht te lezen. In 2008 ontving hij de tweejaarlijkse C.C.S. Crone-prijs en in 2016 de Maartenspenning.

Uit de bundel ‘Alle goeds’ uit 2001 het gedicht ‘Voordat’.

.

Voordat

.

Voordat ik me terugtrek

bij een vrouw

van rubber of papier

voordat ik niets meer klaarmaak

dan mezelf

wil ik bij jou zijn.

.

Voordat de laatste ronde ingaat

en mijn ziel is weggezwommen

in het glas, mijn zinnen

opgelost in drank,

wil ik bij jou zijn.

.

Voordat mijn gedichten

zijn verjaard tot voorbeeld

van het een of ander,

mijn talenten zijn vervallen

tot verzameld werk,

wil ik bij jou zijn.

.

Voordat het licht

uit mijn ogen sijpelt,

mijn huid verdort tot vel,

voordat ik al mijn goud

veranderd heb in lood,

wil ik bij jou zijn

tot de dood.

.

alle goeds