Site-archief

Het is warm in de hivemind

Maxim Garcia Diaz

.

Op dit blog reageerde Ariel Alvarez op mijn vraag om dichters op verzoek, met ‘Maxime Garcia Diaz’. Aan dat verzoek ga ik nu voldoen.

In 2021 debuteerde de Nederlands-Uruguayaanse Maxime Garcia Diaz (1993) met de bundel ‘Het is warm in de hivemind’. Deze bundel maakte heel wat los bij poëzie-lezend Nederland. De Poëzie van Garcia Diaz is zo anders dan wat onder poëzie werd verstaan. De uitgeverij schrijft hierover:

‘Het is warm in de hivemind’ is een weerspannige en opstandige bundel, een revolutie van vele gezichten. Een internet dat alleen op papier had kunnen bestaan, omdat het gulzig die papieren grenzen wil verleggen, gretig wil botsen met wat ogenschijnlijk onwrikbaar vaststaat. Het is een bundel die zich naar een onzuiver, ambigu, radicaal meerstemmig, meertalig en meervoudig lichaam beweegt. Naar een “wij de generatie, wij het politieke collectief, wij de meisjes.” En dat doet vanuit woede, pijn en verdriet, maar ook vanuit “de hang om iets open te rijten.”

Zelf zei Garcia Diaz over haar debuut: “Ik was aan het spelen, having fun,” vertelt Maxime Garcia Diaz. “Maar ik kon die reactie van mijn meelezer begrijpen. Voor mij voelde het ook niet als een herkenbaar gedicht. Maar was dat erg? Kan een Wikipedia-citaat over een scheikundig element bestaan in een Nederlandstalig gedicht? Leeft een URL nog op papier? Mogen al die roze kleurtjes en taartemoji’s wel of is dat too much, hysterisch of aanstellerig? Al die vragen speelden, en tegelijk besefte ik dat dat precies was wat ik wilde.”

De bundel werd lovend ontvangen en bekroond met de C. Buddingh’ prijs voor het beste poëziedebuut. Garcia Diaz had al werk gepubliceerd in De Revisor, Deus Ex Machina, Samplekanon, De Internet Gids, Yes The Void en De Optimist. Ze studeerde Cultural Analysis aan de Universiteit van Amsterdam. In 2019 won ze het NK Poetry Slam.

Persoonlijk hou ik wel van poëzie die de grenzen opzoekt, vernieuwd en tegelijkertijd begrijp ik de poëzieliefhebbers die van deze soort modernistische poëzie weinig tot niets begrijpen. Het is de ontwikkeling van de taal, van de poëzie, en soms schuurt die (daarin herken ik me in de woorden van Daniel Dee dat poëzie moet schuren) maar er schuilt ook schoonheid in wat nieuw en anders is. Niet voor niets probeer ik ook in dit blog de rafelranden van de poëzie te behandelen en te beschrijven. Uit de bundel koos ik voor het lange gedicht ‘Original Innocence’ waarin alle hierboven genoemde elementen uit haar poëzie naar voren komen.

.

Original innocence

.

diep in het systeemgeheugen

klopt een zacht en half vergeten orgaan

er staan onzuivere taken aan de horizon

.

de geschiedenis verslond een tweelingzusje in de baarmoeder

een geboren winnaar, al drieduizend jaar ☾ maar fantoomlichamen

zijn altijd al bestand geweest tegen burgeroorlogen, familiedrama’s

.

a lawyer for the prosecution heard of a human chimera in new england

.

de geschiedenis droomt dat zijn tanden uitvallen

zijn psychiater zegt dat hij bang is om iets kwijt te raken

(vaste grond onder de voeten, vanzelfsprekendheid)

de geschiedenis heeft anxieties en dat is onbekend terrein

soms ruikt hij verdampend kwik, een vleugje

.

in 1953 a human chimera was reported in the british medical journal

found to have blood containing two different blood types

her twin brother’s cells living in her body

.

kwikzilver is reukloos de geschiedenis begrijpt het ook niet

steeds vaker ziet hij onmogelijkheden ☾ normaal

weet de geschiedenis alles zijn lichaam

een doorgrondelijke machine zijn hersenen

grijs en glanzend

.

the dead twin is compressed

into a flattened, parchment-like state

known as fetus papyraceus

.

☿☿☿

.

weilanden onder de zeespiegel

de witte wieven ☾ korengeesten

daal af naar een vergeten wortelstelsel

het is tijd om weer te leren

kronkelen, weilanden onder

een fonkelende spiegel

.

ik ben een geest geworden en zo

heb ik de geschiedenis overleefd

perkamentachtig

..

hoe de beeldwit verandert in de dertiende eeuw

’s nachts dode zielen begraaft

niet kan slapen, dwaallichtje

.

maar fantoomledematen kunnen niet breken

de onsterfelijkheid van ectoplasma

.

er bestaat ook een duistere vorm

die de korenhalmen afsnijdt en zo zorgt

voor vreemde figuren in het korenveld

het wezen is polymorf

.

al drieduizend jaar voel ik het dansen op mijn graf

.

☿☿☿

.

de lijkengeur van de eenentwintigste eeuw

de vleesvliegen arriveren, abject grijs

.

dit is mijn kleine en kinderlijke verzet

tegen een regime van verstaanbaarheid

methodologie van de aasgier

.

these are my materials, exposed

in all their impurity ♡

.

☿☿☿

.

a chimeric mouse with its offspring; note pink eye

.

dit mes is niet subtiel genoeg

deze tanden niet prehistorisch

genoeg

.

de xenofeministen schrijven

we want neither clean hands

nor beautiful souls,

neither virtue nor terror.

we want superior forms

of corruption

.

dit is een duistere meisjesgeschiedenis

dit is een arsenaal aan fantoomwapens

.

de geschiedenis pulkt aan zijn wondkorstjes

met elke seconde die wegtikt wordt hij verdrietiger ☾ het lichtroze

van zijn nagelriemen en de huidschilfers onder zijn nagelrandjes

een afbrokkelend heden ☾ als zijn psychiater de thee inschenkt

begint de geschiedenis kinderlijk

en schokkerig te huilen

.

een haperende machine

een verwrongen tweelingzusje

aaseter, dwaallichtje, herrijst uit de ruïne

van een doodgeboren eeuw

het kwik verdampt

.

op een dag wordt de geschiedenis wakker

zacht en angstig

en is niet langer alleen in zijn lichaam

.

Adriaan van Dis

Dutchwife

.

Adriaan van Dis (1946) is natuurlijk bekend als schrijver van romans, zijn televisieprogramma ‘Hier is …. Adriaan van Dis’, Zomergasten en als lees- en boekenambassadeur. Wat minder mensen weten is dat hij ook dichter is. Zo publiceerde hij een aantal dichtbundels waarvan ‘Morfine’ de laatste was in 2019 (samen met beeldend kunstenaar Berend Strik).

In de bundel ‘Album van de Indische poëzie’ uit 2014, samengesteld door Bert Paasman en Peter van Zonneveld, is ook een gedicht van zijn hand opgenomen getiteld ‘Dutchwife’. Dit gedicht komt uit zijn bundel ‘Totok twee’ uit 2008 (‘Totok’ deel 1 komt uit 1998).

.

Dutchwife

.

elke morgen sjouwt een jongen

bundels lange stelen

naar de boom onder mijn raam

oren in zachtgroene knop

sedap malam – nachtgeur

loom deinend op zijn schouders

.

oude beelden rollen  uit hun slaap

twee kussens zie ik, lang en rond

de guling

donzen worst om je vogel in de tropen koel te houden

dutchwife zeiden we thuis

.

onder de boom

snijdt de jongen

emmers vol

sedap malam op maat

steel voor steel

.

elke middag

raapt een vrouw

de afgevallen knoppen

handenvol

sedap malam

half open in de warmte van haar schoot

.

’s avonds

bloeit wit en hard

een nachtgeur op mijn gulling

koel koel rij ik door de nacht

.

.

Sedam malam = geurende nachtbloem
Gulling = rolkussen

.

Familie gebiedt

Lucas Hirsch

.

Dichter en schrijver Lucas Hirsch (1975) schreef vijf dichtbundels. Zijn laatste bundel ‘Wu Wei eet een ei’ verscheen vlak voor de lockdown bij De Arbeiderspers. Hij is een van de bedenkers van de literaire app Puzzling Poetry welke in 2018 werd aangevuld met de kinderversie: Puzzling Poetry Schatkist. Hij geeft workshops en organiseert literaire evenementen en steeds regelmatig voor de klas om over zijn schrijver- en dichterschap te vertellen.  Van 2013 tot 2017 was hij huisdichter van Museum De Hallen, museum voor moderne en hedendaagse kunst in Haarlem. In 2022 verscheen ‘Shotgun Wedding’ in het jaar na de moord op zijn beste vriend Derk Wiersum, de strafrechtadvocaat die in 2019 op de stoep voor zijn huis in Amsterdam werd doodgeschoten. Daarnaast publiceerde hij sinds 2002 in veel literaire tijdschriften, zoals De Revisor, Tzum, Parmentier, DWB, Gierik&NVT, Deus Ex Machina en Krakatau.

In 2006 debuteerde Hirsch met de bundel ‘familie gebiedt’. Coen Peppelenbos schreef op zijn Literatuurlog:  “Aan de vorm van de gedichten moet je wel wennen. Hirsch laat hoofdletters en interpunctie weg, hij maakt zinnen niet af, gebruikt soms alleen woordgroepen en zet die naast elkaar zodat je als lezer gedwongen bent de gedachten van de dichter te reconstrueren.” Uit deze bundel nam ik het titelgedicht.

.

familie gebiedt
.
zwaai maar even nu het nog kan
je nadert een gevarenzone
.
het werkwoord familie gebiedt
er klare taal te spreken
.
een goed gebruik in deze negorij
.
we staan bepakt en bezakt
gereed om binnen te treden
.
eerst inspecteren we de contreien
op misvattingen
.
de einder spieden we af op
wegspringende gewoontes
.
er graast een zus
er blaat een zoon
.
we staan de band te woord
zoals gewoonlijk net iets te nauw

.

Nu het nog licht is

Tom van Deel

.

Betty van Rijk stelde voor om het gedicht ‘Dit moment’ van Tom van Deel hier te plaatsen in het kader van dichter op verzoek. Omdat ik dit gedicht al plaatste op 9 juni 2021 zal ik vandaag een ander gedicht van Tom van Deel hier plaatsen. Van Deel (1945-2019) was dichter en literatuurcriticus. Van Deel was van 1969 tot 2008 literair recensent van het dagblad Trouw. Ook was hij een van de oprichters van het literaire tijdschrift De Revisor, waar hij tot 1981 redacteur was. Van 1971 tot 2006 was Van Deel docent moderne Nederlandse letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam.

Van Deel debuteerde in 1969 met de bundel ‘Strafwerk’ waarna nog vele andere dichtbundels zouden volgen. In 1987  ontving hij de Jan Campert-prijs voor zijn bundel ‘Achter de waterval’. Ik heb dus voor een ander gedicht gekozen en wel het titelgedicht van de bundel ‘Nu het nog licht is’ uit 1998.

.

Nu het nog licht is

 

Nu het nog licht is zou ik graag
een ander willen zijn, een haas
die zich een hoed opzet en man wordt.
Door de spiegel wil ik gaan, raadsels
van aangezicht tot aangezicht
bezien, en weten dat ik niet alleen
een haas ben maar in ’t licht van deze
spiegeling een man met hoed, een ander
dan men kent, niet bang voor jagers
of voor strikken, mijn eigen jager zelfs
mijn eigen strik verschijnt daar
in het licht als man met hoed.

.

Doe het toch maar

Babs Gons

.

Dichteres Babs Gons (1971) is vanaf september van dit jaar twee jaar lang Dichter des Vaderlands. Zij volgt in die functie Lieke Marsman op. Het selectiecomité voor de Dichter des Vaderlands noemt Gons „een dichter die bevlogen en betrokken woorden weet te geven aan wat er leeft in deze tijd, in een samenleving die zij vol overtuiging bij de poëzie betrekt”.

Gons is schrijver, performer, theatermaker en schrijfdocent. Ze treedt regelmatig met haar poëzie op  in binnen- en buitenland, op festivals en literaire evenementen in onder meer Zuid-Afrika, Sudan, Curaçao en Brazilië.

In 2018 schreef ze naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen het gedicht ‘Als je niet gaat stemmen’, dat ik een zeer krachtig gedicht vind. In 2019 stelde ze ‘Hardop’ samen, de veelbesproken bloemlezing van Nederlandse spoken-word-poëzie. Ze ontving voor haar werk meerdere onderscheidingen, waaronder in 2018 een Black Achievement Award in de categorie Kunst en Cultuur. In 2021 schreef ze het Boekenweekgedicht ‘Polyglot’.

In 2021 kwam haar debuutbundel uit getiteld ‘Doe het toch maar’ waarmee ze haar naam vestigde. En nu is ze dus verkozen tot Dichter des Vaderlands. Uit deze bundel het gelijknamige (titel) gedicht.

.

doe het toch maar
zeg dat maar tegen jezelf
op die momenten dat je niet meer weet
waar je het voor doet
waarom je soms weken, maanden
soms zelfs jaren
aan het kauwen bent op een mond vol klank
waarom je zoveel moeite doet
om de beelden uit je hoofd te vertalen
en verhalen te vertellen
die zich door je huid
een weg naar buiten dringen
doe het toch maar
moet je af en toe in de spiegel fluisteren
als je ziet hoe de late avonden
de gebogen houding
de eenzaamheid
de felle lampen en
slecht geventileerde kleedkamers
hun sporen achterlaten op je lijf
op je huid van je gezicht
hoe je je keer op keer begeeft onder het oordeel
van een ieder wiens ogen
blijven haken achter wat ze zien
een ieder
die maar de behoefte voelt
iets van je te maken en te vinden
en dat hartgrondig te delen
met de rest van de wereld
doe het toch maar
ook al lachen ze je kunst uit
bezuinigen ze je werk weg
vinden ze je een linkse hobby
vinden ze dat je maar normaal moet doen
doe het toch maar
schrijft dat voor jezelf op een briefje
als de verleiding groot is om iets te gaan doen
waarvan je zeker weet dat je
volgende maand de huur kan betalen
en je zoon straks kan gaan studeren
doe het toch maar, herhaal het tegen jezelf
als je je weer eens realiseert
dat je de wereld nooit zal kunnen veranderen
met een handvol kunstzinnige gerangschikte zinnen
geen oorlog zul je ermee beslechten
geen hart zal door jou niet breken
je zal de eenzaamheid van de buurvrouw
niet kunnen wegschrijven
en de rot ziekte van een geliefde niet genezen
wat is het dan in hemelsnaam waard?
doe het toch maar
ook nadat je tot bloedens toe
op de deuren hebt geklopt die dicht voor je blijven
bouw je eigen huizen
wacht niet tot ze je uitnodigen
vier je eigen feestje
doe het toch maar
klim maar uit bed op die ochtenden dat
de vermoeidheid je hoop en ledematen lam legt
ook als je denkt dat de wereld je niet lijkt op te merken
en nog minder zitten wachten
op jou en je verhalen
vertel ze toch maar
doe het gewoon
want ergens weet je
dat dit het enige is waardoor je
in vrede met jezelf en de wereld kan leven

.

.

Alara Adilow

Verval

.

Alara Adilow (1988) won afgelopen week de Herman de Coninckprijs voor poëzie 2023. In 2019 stond Alara al in de finale van de NK Poetry Slam. In 2022 won ze de El Hizjra Literatuurprijs, werd ze geselecteerd voor een residentie voor de queergemeenschap in Museum Arnhem en verscheen haar debuutbundel ‘Mythen en stoplichten’ waar dus nu de Herman de Coninckprijs voor poëzie is toegekend.

Alara is queer schrijfster van Somalische afkomst. Alara is een pseudoniem, ze koos deze naam omdat het in het Turks  waterfee betekent, iemand die dingen mooi maakt, en omdat het de naam van een Nubische koning was. Over haar achternaam zegt ze: “Ik wilde een buitenlandse naam, een buitenlandse achternaam. Ik heb toen voor een Ethiopische naam gekozen, van een favoriete spoken word artiest. Mijn naam is een hectische poging om een land te redden en geparafraseerd: mijn naam is een voertuig, een vliegtuig dat mij naar de aarde vervoert die ik nooit heb kunnen voelen”.

Uit de bundel ‘Mythen en stoplichten’ koos ik het gedicht ‘Verval’.

.

Verval

Tussen de morgen en een lichaam.
Neerslag, een windvlaag, een kopergroen lintje in de berk.

In het donker lijkt de wijk een verwonde ruimte,
alsof zij zelf is mishandeld en daarom niet beter weet
dan ons te behandelen zoals ze doet.

Met een hand aan de lantaarn
hangt een dik wijf met wit haar in haar blote kont te schelden.
Haar linkerhand vol vettig licht van duizenden mannen zonder glorie.

Ik zit in een hoekje te luisteren,
moet pissen als fuck,
dat wijf ziet mij
hurken in mijn roze minijurk,

mezelf aan het ontlasten.

Een vos snuft aan een leeg sardineblik bij de overvolle afvalbak.
Ik druk mijn wang tegen de muur aan.

Weet je nog toen wij in bed lagen als twee luizen
in het blonde haar van de economie.
Jij zong voor mij, je had een valse stem.

Je zag al snel in dat ik niet de juiste was om eeuwig lief te hebben.
Ik ben al vaak bedrogen en ik lieg zelf ook vaak genoeg.

Heb delen van mijzelf verkocht,
Ik wil glimmende dingen bezitten.

.

Naar de pomp

Lévi Weemoedt

.

Dat de light verse dichter Lévi Weemoedt (1948) goed is in grappige verzen, al dan niet voorzien van een dubbele bodem of lichte maatschappijkritiek, dat is denk ik wel bekend. Maar dat hij ook gevoelige liefdesverzen schrijft is misschien minder breed bekend. In de bundel ‘Gezondheid!’ die gepubliceerd werd in 2019 staat het liefdesgedicht ‘Naar de pomp’ waarin Weemoedt zijn (jeugd)verliefdheid op Sandra Bak beschrijft. Of deze Sandra Bak echt is of een fictief persoon doet er eigenlijk niet toe, het is een mooi liefdesgedicht.

.

Naar de pomp

.

Blond haar en een roodzwart ketelpak:

o, Sandra met die slang die zij in je stak!

Daar spoot zij benzine mee bij je naar binnen.

Dat werkte zó prikkelend op onze zinnen.,

.

dat het één na het andere jongenshart brak

bij dat Texaco-station. Van Sandra Bak.

Waar is zij gebleven? Waar ging zij heen?

Stapte zij in een auto? Bleef zij alleen?

.

Ze maakte op ’t laatst nog je voorruit schoon

en lachte dan naar je. Niets was meer gewoon

.

als je sling’rend van liefde de rijksweg opreed

richting een doel dat er niet meer toe deed.

.

Simpele dingen zeggen

Thomas Möhlmann

.

Dichter, redacteur, organisator en schrijfdocent Thomas Möhlmann (1975) debuteerde in 2005 met de dichtbundel ‘De vloeibare jongen’. In de jaren hierna publiceerde hij nog verschillende bundels zoals ‘Kranen open’ (2009), ‘Waar we wonen’ (2013), ‘Ik was een hond’ (2017), ‘Game of Poems’, Gedichten van IJs en Vuur, columns en gedichten samen met Ellen Deckwitz en Ingmar Heytze (2019). In 2021 verscheen ‘Dankbaar lichaam’ Een liefdesverhaal in gedichten (2021). Zijn werk werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, de Jo Peters Poëzieprijs en de Poëziester secundair onderwijs 2020, en bekroond met de Dunya Poëzieprijs en de Lucy B. & C.W. van der Hoogt-prijs.

In de poëzie van Möhlmann komt af en toe een personage langs genaamd Momo in verschillende gedaanten (jongen/meisje) en met verschillende beroepen. In de bundel ‘Dankbaar lichaam’ een liefdesverhaal in gedichten, is deze Momo terechtgekomen in een kleine, hechte gemeenschap. De bundel verhaalt over de liefde die zich tussen hem en een dorpsdochter ontvouwt, inclusief de dramatische gevolgen voor hem, haar, haar vader en de hele gemeenschap. Het verhaal wordt gedeeltelijk door omstanders en betrokkenen, en grotendeels door de twee geliefden verteld.

Wat opvallend is aan deze bundel is dat het een geheel is, de gedichten staan allemaal in dienst van het grote verhaal. Je ziet dat steeds meer bij dichters dat een bundel niet meer bestaat uit losse afzonderlijke gedichten die zich soms tot elkaar verhouden maar meestal niet, maar juist een afgerond verhaal proberen te vertellen als ware het een roman in dichtvorm. Toch zijn de gedichten in ‘Dankbaar lichaam’ wel los van elkaar te lezen en te genieten. Zoals het openingsgedicht ‘Simpele dingen zeggen’.

.

Simpele dingen zeggen

.

Dat je tussen aandrang en bevrediging

een pauze kunt inlassen, bijvoorbeeld

door taal, dat blaffen of ademhalen helpt

in dat soort dingen zeggen was hij goed

.

dat de maan en de zon elkaar op hopeloze

liefjes najagen, het licht op je onderarmen

valt als een mes, je glas halfvoller wordt

met elke slok, hij had er de woorden voor

.

het geeft niet als je stokt, het is niets, je

staat overeind met je mond vol tanden

je weet er geen draai aan te geven, geen

grap te bedenken die deze situatie redt

.

je staat overeind, bijvoorbeeld door taal

gewoon adem blijven halen, of blaffen.

.

 

Ten minste houdbaar tot

Jana Arns

.

Op de zeer leesbare website Neerlandistiek.nl las ik in een recensie van Marc van Oostendorp over de bundel ‘De spronglaag’ van Esther Jansma, dat recensenten zich tegenwoordig nogal vaak schuldig maken aan het uitleggen van een dichtbundel. Marc schrijft bijvoorbeeld: ” Voor zover een recensie bedoeld is om lezers te informeren of ze iets wel of niet moeten kopen, is het volkomen ongeschikt: detectives recenseer je toch ook niet door te vertellen wie het precies gedaan heeft? Zou het niet eerder moeten gaan over wat er nu zo mooi of zo goed is aan deze bundel? Brengt close reading – hoe zinnig die activiteit op zich ook is – ons daar ooit dichterbij?”

Hoewel ik denk dat enige uitleg in een recensie wel degelijk een functie kan hebben bij het begrijpen van een bundel voor de wat minder geoefende lezer, ben ik het wel eens met hem. Een recensie is toch vooral een mening op basis waarvan je een bundel denkt te gaan lezen of kopen (of lenen bij een bibliotheek). Ik begin dit stuk met deze verwijzing naar het artikel in Neerlandistiek omdat ik de bundel ‘Ten minste houdbaar tot’ van Jana Arns voor me heb liggen waarvan ik hoop dat de lezer, na lezing van dit stuk, zal denken; Ja, die bundel wil ik lezen of kopen (of lenen).

Jana Arns (1983) is dichter, muzikant, docent schrijven en een beetje fotograaf. In de bundel staan 5 zelfportretten. Na haar debuut ‘Status: het is ingewikkeld’ uit 2016, ‘Nergens in het bijzonder’ uit 2018, ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn’ uit 2019, ‘In welke vrouw ik leef’ uit 2021 is dit haar vijfde bundel.

De bundel bestaat uit een aantal hoofdstukken waarvan ik er een al kende. Suite Paternelle bevat een aantal gedichten die Jana schreef, verdichtte passages uit Suite Paternelle, een kameropera van Frank Nuyts. Vier van de 5 passages verschenen reeds in MUGzine #13. De andere gedichten uit de 6 hoofdstukken waren nieuw maar bij lezing van de gedichten moest ik regelmatig aan de woorden van Marc van Oostendorp denken. Het heeft geen zin om een uitleg te geven aan deze hoofdstukken, interessanter is het de taal van Jana Arns tot je te nemen. Want die taal is rijk, heel rijk.

Neem het gedicht ‘De nacht is een syncope’. De verwijzingen naar de nacht, het donker, hoe gedachten zich ontwikkelen tijdens de slaap of je juist uit de slaap houden, de elementen die de nacht omringen, in dit gedicht komen ze allemaal voorbij maar op een manier die niet alledaags is, of voorspelbaar maar speels, poëtisch, onverwacht. En in vrijwel elk gedicht neemt Jana Arns je mee in haar gedachtewereld, in haar hoofd vol fantasiebeelden, plakt ze moeiteloos fysieke zaken aan elkaar die op zijn minst creatief en soms absurd genoemd kunnen worden. Ze gebruikt in haar poëzie antropomorfisme; geeft dode zaken een leven en levende zaken zonder ziel een geestesleven, .

In haar Annie M.G. Schmidtlezing uit 2002 sprak Joke van Leeuwen over de term uitgesteld begrip. Ze zegt daarover: “Er is een soort denken waar nog niet altijd de goede woorden voor zijn, een soort begrijpen dat nog niet het soort is dat wij volwassenen meestal bedoelen als we vragen: begrijp je het wel?” Dat uitgestelde begrip lees ik terug in de gedichten van Jana Arns. En betekent dat dat haar poëzie onbegrijpelijk is? Nee, in tegendeel, maar door de rijkdom van de taal in haar poëzie is er sprake van een begrijpen zonder precies te weten. Zulke poëzie maakt nieuwsgierig naar meer en herlezen.

.

Coupe de Colruyt

.

We treffen elkaar in de wijnstreek van gang 1.

Twee onthouders met uitgeweken honger

en een blanco boodschappenlijst.

.

In het vriesvak talmen we quattro minuti.

Tongen kleven aan een fantasie uit ijs.

Tussen droogwaren rijst de verbeelding.

.

Bij de granaatappels plukken we

een laatste maal bijeen,

schuiven rookgordijnen open, want

,

thuis krijgt het bed nieuwe heupen

en nu eelt van het matras wordt geschraapt,

verschijnen jongere lakens.

.

Zo delen wij reeds maanden de rekening.

Soms kus je me in de hals van je glas.

Ik schenk telkens bij.

.

Beste meneer Bloem,

Selectie uit 20 jaar Mr. J.C. Bloemprijs

.

In 2001 werd voor de 1e keer de Mr. J.C. Bloemprijs beschikbaar gesteld door de gemeente Steenwijkerland waar dichter J.C. Bloem (1887-1966) de laatste jaren van zijn leven woonde. Sindsdien wordt de prijs elke twee jaar uitgereikt aan een dichter uit het Nederlandse taalgebied. Het geld is bedoeld (als aanmoedigingsprijs) voor een tweede bundel (Inleiding pagina 6). Dit laatste klopt niet helemaal, je zou denken dat het hier dus een prijs voor debutanten betreft maar een snelle check levert meteen al op dat niet klopt. Neem bijvoorbeeld Hagar Peeters die in 2005 de prijs kreeg voor ‘Koffers zeelucht’. Peeters debuteerde in 1999 met de bundel ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’. Een ander voorbeeld is Maria Barnas, winnaar van de prijs in 2009 met ‘Er staat een stad op’ uit 2007, terwijl zij als dichter debuteerde in 2003 met ‘Twee zonnen’.

Wanneer een dichter is genomineerd wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven op de persoon Bloem, zijn werk of een regel of titel uit zijn oeuvre. Niet alle dichters gaven hieraan gehoor. Van de gedichten die wel geschreven werden daaruit is een overzicht gemaakt (van dichters uit Nederland en Vlaanderen). Deze zijn in de bundel bijeengebracht samen met twee lezingen van Willem Thies over Bloem die rijk zijn aan zijwegen die je na lezing verder wil bewandelen maar de hoofdweg die hij kiest (het hart in het werk van Bloem en de betekenis, een analyse, van het gedicht ‘November’) is duidelijk analytisch en zeer verteerbaar.

De dichters die in de bundel zijn vertegenwoordigd worden geïntroduceerd middels een korte biografie, citaten, een overzicht van hun werk en iets over het gedicht dat is opgenomen. In de inleiding wordt de dichters die genomineerd zijn geweest voor de Mr. J. C. Bloemprijs en geen gedicht hebben aangeleverd gevraagd dit alsnog te doen. Alle genomineerden staan vermeld achterin de bundel. Men hoopt dat men zo een tweede (vermeerderde druk) van deze bundel kan uitgeven waarin meer genomineerde dichters staan.

Als ik kijk naar dichters die wel zijn genomineerd maar die geen bijdrage in de vorm van een gedicht hebben geleverd dan zijn dit niet de minste: Ilja Leonard Pfeijffer en Rodaan al Galidi (2003), Mark Boog (2005), Micha Hamel en Erik Jan Harmens (2007), Peter Swanborn (2011), Maud Vanhauwaert (2015) Maarten van der Graaff (2017), Daniel Vis en Charlotte Van den Broeck (2019) en Marieke Lucas Rijneveld (2021), en dit is nog maar een greep. Me dunkt dat je met gedichten van deze dichters een aardige (extra) bundel kunt vullen.

Desalniettemin staan er nog genoeg dichters van naam in deze bundel met een gedicht die deze bundel bijzonder de moeite waard maken. Zoals het gedicht van Sylvie Marie (1984) ‘Het leven zou zoveel leuker zijn’. Sylvie Marie werd in 2013 genomineerd met de bundel ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’.

.

Het leven zou zoveel leuker zijn

.

zonder aanmodderen, deze lamme sofa,

staren, sterren, altijd dat raam.

.

ik zocht het op ; er zijn geen wedstrijden,

noch is er een wereldrecord janken

en toch trekken we jassen aan

als zwachtels, slenteren we ons suf.

 

waarom kiezen we niet eens

voor de donder, vegen we met regen

nooit gewoon de vloer aan,

wie weet wat er dan komt aangewaaid?

.

ja, waarom hebben de tegels

waarop we onze schoenen slijten geen

namen als martha, albert, julia, roger ?

heel eenvoudig hinkelspel had dan gezegd

wie van wie moet houden.

.