Site-archief
Stadsdichters
In Nederland (en België)
.
Nederland kent vele stadsdichters. Om precies te zijn waren het er vorig jaar 50. Volgens mij zaten daar ook dorpsdichters bij maar voor het gemak (waarom ook niet) houden we het op stadsdichters. Nederland telde op 1 januari 2013 precies 408 gemeenten. Dat wil zeggen dat maar 12,3% van de Nederlandse gemeenten over een stadsdichter beschikt. In Vlaanderen is het aantal inmiddels gegroeid naar 5 (van 3).
Wat is eigenlijk een stadsdichter? Stadsdichters zijn dichters die officieel door een college van burgemeester en wethouders zijn benoemd. Hun taak is meestal een aantal gedichten schrijven over de gemeente of over activiteiten en gebeurtenissen in de gemeente. Dat varieert van een paar gedichten per jaar tot maandelijks een gedicht. Sommige stadsdichters hebben daarnaast de rol van aanjager. In hun functie van stadsdichter mogen of moeten ze de inwoners van de gemeente kennis laten maken met poëzie of activiteiten op het gebied van de poëzie.
De stadsdichter van Hengelo, Fred van de Ven heeft nu voorgesteld om te komen tot een instituut voor stadsdichters. Zo’n instituut zou dan aanbevelingen kunnen doen aan de colleges: over het aantal gedichten dat geschreven zou kunnen worden, over de publicatie en over de vergoeding. Want in de regel is het liefdewerk, oud papier.
In 2005 werd de eerste stadsdichtersbundel ‘De stad en ik’ uitgegeven door uitgeverij Kontrast, onder redactie van Gerard Beense (Stadsdichter van Lelystad) gevolgd door ‘Verzen van verbondenheid’ in 2008 en ‘Stadsdichters bijeen’ in 2009 tijdens de 5e stadsdichtersdag in Lelystad. Inmiddels is de 9e stadsdichtersdag geweest in Lelystad, georganiseerd door de stichting Poëtikos, met een stadsdichtersgedichtenwedstrijd, dus volgend jaar het tweede lustrum.
De winnaar van deze wedstrijd was stadsdichter van Hengelo Lowie Gilissen met het gedicht ‘Amsterdam’.
.
Amsterdam
Nabij gehei dreunt, dreunt, dreunt,
in een dwingend ritme
als van een metronoom.
Op die doffe beat houden trams
met hun triangeltringtingtinggetinkel
en ssschurend sssnerpen
van weerbarstig wentelende wielen
helemaal geen maat.
Opgevoerde brommers overstemmen
met knalpijphard geknettterrrr
en passant moeiteloos
nerveuze claclaxons van schildpadtrage taxi’s.
Doppleriaans nadert met steeds meer nadruk
de viertonige ta-ti-ta-ta sirene
van een slalomambulance.
Te midden van deze ongeorkestreerde kakofonie
staat een straatmuzikant op zijn viool
een ti-ta-ti-ta partita van Bach te spelen,
alsof al die helse herrie om hem heen niet bestaat.
En warempel,
ik denk dat ook,
één hemels ogenblik.
.
Pik in ’t is winter
Albert Donk
.
In de serie (bijna) vergeten dichters vandaag Albert Donk (1929). De Rotterdammer Donk publiceerde een aantal dichtbundels (Vogels van steen, Ontroerend is dit alfabet, De doos van het gedicht) en verhalenbundels. Hij was docent aan de pedagogische academie en schreef teksten voor de NCRV schoolradio. In 1973 publiceerde hij bij De Beuk in Amsterdam Pik in ’t is winter.
Uit deze bundel het gedicht Een vrouw is … (1)
.
Een vrouw is … (1)
.
Een vrouw is een hele uitstalling
een marktkraam vol begeerlijke zaken
zelfs een steentje in haar schoen
weet ze nog charmant te verkopen
zelfs een sliertje haar verkeerd
of een zakkende kous
wekt de toeschouwer tot eetlust
.
’t is goed zaken doen met vrouwen
hoewel,
soms geven ze alles voor niets
zonder restricties gratis
aan een platzakke koper
.
en sta je met geld in je hand
raar op je eenzame neus te kijken
.
(bijna) vergeten dichters
Nieuwe categorie
.
Iedereen die van poëzie houdt kent wel een dichter, overleden of nog levend, waar nauwelijks of geen interesse meer in is. Een (bijna) vergeten dichter. Bijna, want anders zou je niet op de naam of het gedicht kunnen komen. Als ik in mijn boekenkast kijk staan daar dichtbundels van dichters die je nooit ergens tegenkomt, niet in verzamelbundels, niet op gedichtenwebsites, nergens en die toch de moeite waard zijn.
Voor al die (bijna) vergeten dichters ga ik een klein maar fijn podium ter beschikking stellen. Heb je zelf een dichter waarvan je vindt dat deze nog eens een extra podium verdient? Ken je een gedicht van een (bijna) vergeten dichter die je nog eens in het zonnetje wil zetten?
Mail dit dan door aan mij op woutervanheiningen@yahoo.com
Ik zal met enige regelmaat (bijna) vergeten dichters aan de vergetelheid ontrukken in deze nieuwe categorie. Vandaag beginnend met de dichter Mea Strand.
Mea Strand werd geboren in 1924 en uit haar bundel Orion (De windroos, Amsterdam 1956) het gedicht ‘Ik zag’.
.
Ik zag
.
Ik zag er kwam een geur uit mijn hand
ik keek een handvol spiegeltjes
versplinterende zon of honderd brandglazen
sprongen mijn ogen in diamanten
elke scherf een grotere geur
en elke geur een zwaar woord
en elk woord een wond
en elke wond een wonderlijke kleurige haan
handpalm vrolijke wonderschelp
.
Uit: Nieuwe griffels schone leien (Bert Bakker, 1957)
Marcel Broodthaers
Dichter en kunstenaar
.
Op 19 april schreef ik al eens over Marcel Broodthaers, de Belgische dichter en beeldend kunstenaar (1924 – 1976) met het zijn gedicht Alles is ei. Vandaag een iets andere insteek. De vorm van de gedichten van Broodthaers. Hoewel hij als beeldend kunstenaar vele vormen heeft onderzocht is dit er een waar ik zelf erg van gecharmeerd ben namelijk een gedicht waar geen taal aan te pas komt.
Op Wikipedia staat: Hij verwierf bekendheid met surrealistische accumulaties, objecten en environments. Zijn werk is veelal triviaal, ironiserend en literair in zijn verwijzingen. Dat geldt zeker voor zijn werk Gedicht/Poem/Poème – Change/Exchange/Wechsel uit 1973 uit de collectie van het van Abbemuseum in Eindhoven.
Hier is sprake van een ‘gedicht’ in drie talen (NL, E, FR) waarin geen enkele bestaande taal of letter wordt gebruikt. De nummers in het eerste deel slaan op het aantal tekens boven de lijn. Bij de Change/Exchange/Wechsel is dit onduidelijker.
Marcel Broodthaers begon zijn carriëre als dichter. Zijn eerste vier bundels werden echter slecht verkocht en hij beschouwde zijn dichterschap daarmee als mislukt. Door beeldend werk als deze is hij echter nog altijd bekend.
.
Liefdespoëzie
Hans Andreus en RAU
.
Afgelopen zondag trad RAU op op het Ongehoord! podium in Rotterdam. Een prachtig optreden van Menno Smit (poëzie), Selma Peelen (gitaar en zang) en Johan Visschers (gitaar en zang) dat veel indruk maakte. Een van de nummers die ze brachten was een gedicht van Hans Andreus ‘Voor een dag van morgen’ op muziek gezet en gezongen door Selma.
Ik moest tijdens de uitvoering van het nummer en later tijdens het beluisteren van de CD denken aan een blogbericht dat ik hier plaatste op zaterdag 28 september over de nieuwe verzamelbundel van Arie Boomsma met als thema liefdesgedichten.
Hoewel het gedicht ogenschijnlijk gaat over de dood en naar ik heb begrepen nogal eens wordt gebruikt bij begrafenissen en crematies is het naar mijn mening een ultiem liefdesgedicht. In een verklaring van het gedicht op http://www.literatuur.comli.com/Andreus.htm bespreekt Dr. Fa Claes het gedicht en hij eindigt zijn betoog :
“De vraag is waarom precies een dergelijk gedicht zulke bijval heeft. Het is op de onmogelijkste ogenblikken geciteerd en voorgedragen, het heeft zelfs vaak op doodsprentjes gestaan. Het is moeilijk aan te nemen dat mensen zulke lage dunk van hun medemensen hebben dat ze die niet in staat achten om het leed van anderen te begrijpen. En niet zozeer hun leed, vooral hun liefde niet. Ze zouden je niet geloven. / Ze zouden niet willen geloven… met een sterke nadruk op willen. Waarom toch? Blijkbaar flateert het mensen te denken dat ze uniek zijn in hun liefde die zo volstrekt is dat niemand hen verstaat. Het is precies andersom, wie een beetje mens is verstaat het zonder enige moeite. Sommigen zien in deze wanhopige uitspraken de uiting van volstrekte verwarring waarin een mens verkeert bij het verlies van de geliefde. Zelfs dan blijft de negatieve toon het gedicht overheersen, de bittere smaak van – moedwillige? – miskenning van de medemens.”
Ik ben het niet eens met Claes, volgens mij is hier geen sprake van een miskenning van de medemens of een negatieve toon van het gedicht. Volgens mij wil Andreus met de laatste strofe van zijn gedicht zeggen dat mensen van nature geneigd zijn tot een zeker pessimisme (Hans Andreus lijkt het beste voorbeeld, zijn ouders scheiden op zeer jonge leeftijd, hij had op jonge leeftijd een psychische crisis en een kind van hem overleed op jonge leeftijd) maar dat er ook zoiets bestaat als echte onvoorwaardelijke liefde. Dat veel mensen dat niet zouden begrijpen is geen miskenning van de medemens of een negatieve toon in het gedicht, het is een verklaring van zijn onbegrensde liefde die hij extra aanzet door te wijzen op dit (menselijke) aspect.
Hoe dan ook oordeel zelf.
.
Voor een dag van morgen
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven
dat alleen maar een man alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.
.
.
De geluidsopname van RAU:
Septemberpodium Ongehoord!
Fotoverslag
.
Even kort wat foto’s van het septemberpodium van Ongehoord dat met meer dan 55 bezoekers zeer goed werd bezocht (en terecht, er was veel moois te beluisteren en te zien). Prachtige poëzie en muziek van RAU, mooie gedichten van Peter Kouwenberg, fijne samenzang van Valuemusicc, het warme stemgeluid van Rob Hilz en natuurlijk een aantal van de deelnemers aan de Ongehoord! gedichtenwedstrijd die hun gedicht mochten voordragen op het podium.
.






















