Site-archief

Whatsappgedicht

Sylvie Marie

.

In het meest recente nummer van Deus Ex Machina (177) staat een bijzonder en nieuw fenomeen. Naast de door algoritmen gestuurde flarfgedichten staat er ook een Whatsappgedicht. In dit geval geschreven door Sylvie Marie (1984). Sylvie Marie debuteerde in 2013 met de bundel ‘Speler X’ waarna nog vier dichtbundels volgden.

Maar in Deus Ex Machina dus een Whatsappgedicht wat in feite een nieuwe vorm van een readymade is. Het gedicht kwam tevoorschijn in Whatsapp. Sylvie Marie hoefde daarvoor slechts de woordsuggesties te volgen. Alleen het eerste woord koos ze zelf: Een. Voor het vervolg kon ze telkens een keuze maken uit drie door de app zelf aangereikte woorden. Er werd niets aan de tekst gewijzigd, ook geen hoofdletters. Voor de leesbaarheid zijn wel enkele enters en witregels toegevoegd.

Je weet nu hoe het moet, dus maak er zelf eentje zou ik zeggen. Hier is haar Whatsappgedicht.

.

Een gezicht omzwachteld

Tot gedicht

.

Natte klei vol vingervegen

Zo zijn ook mijn gedachten

Over jou

Nog niet af

En best wel een zootje

.

Het water aan elkaar gekleefd

Knisperende ritselgolven rollen

Over mij heen

Zwaar zand word ik

Tenen persen zich een weg naar beneden

.

De wolken zijn slagroom

De wereld is een toetje

Het heelal een patisserie

.

Niet de macht over de nacht zal de mens uiteindelijk troosten

Wel het besef van zijn lach overdag

.

Mijn zoon kan een tijger zijn.

En nog moeilijk af te wassen ook

.

Op de trein terug naar de bomen

schudden wuiven dansen

en ik vraag me af of er wel twee soorten perfectie kunnen bestaan

ik vrees dat ik moet doorwandelen

de kast heeft geen deur

het hart is van de kast

en alleen van de kast

.

Brief uit Rotterdam

Mischa de Vreede

.

Schrijfster Mischa de Vreede (1936 – 2020) schreef vele romans, autobiografische boeken, kinderboeken en poëzie. En opnieuw een schrijfster waarvan ik ontdek dat ze ooit debuteerde met een poëziebundel. In 1957 debuteerde De Vreede als dichteres in het driemansbundeltje ‘Morgen mooi weer maken. In 1959 ontving zij de Herman Gorterprijs (voorheen Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam) voor het gedicht ‘Een jong meisje droomt’ uit de bundel ‘Met huid en hand’ (poëziereeks De Windroos) uit 1959.  In 1968 verscheen een tweede bundel ‘Binnen en buiten’. Na een selectie uit deze twee bundels die in 1985 verscheen onder de titel ‘In plaats van praten’ verscheen uiteindelijk pas in 2001 een laatste dichtbundel met de titel ‘Zeestenen’.

In haar debuutbundel ‘Met huid en hand’ staat het gedicht ‘Brief uit Rotterdam’. Een gedicht uit een tijd toen er nog wel eens een brief geschreven werd (wie doet dat nog, wie ontvangt er nog weleens een brief?).

.

Brief uit Rotterdam

.

vrienden

waar ik mij bergen moet

weet ik niet

.

nacht

wordt het hier nooit

ontoegankelijk

blijft de hemel

blauw

.

in de wonden

van de stad

staat een koud soort water

.

redt mij

.

Vincent van Meenen

Vlaams dichter

.

Vincent Van Meenen (1989) is schrijver van drie romans, theatermaker, maker van audioverhalen voor o.a. KIFKIF en radio Klara en dichter. In 2014 studeerde hij af aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Daarna maakte hij twee jaar theater met vluchtelingen in Athene. In 2012 won hij WriteNow! en in 2016 verscheen zijn debuutroman ‘Licht en geluid’. Sinds 2017 woont en werkt hij in Antwerpen. Als doctoraal onderzoeker is hij verbonden aan Universiteit Antwerpen/Koninklijk Conservatorium en Academie voor Fijne Kunsten Antwerpen.

In het laatste nummer 2021/1 van Het Liegend Konijn staan een zevental gedichten van zijn hand. Hoewel er in dit tijdschrift staat dat hij nog geen dichtbundel heeft gepubliceerd gaf hij samen met wat vrienden al wel een geïllustreerde dichtbundel uit in eigen beheer. Van de 7 gedichten koos ik het laatstee uit zonder titel.

.

Ik ken de wereld niet. Ik ken de dertig

straten rond ons huis, en ik ken jou

een beetje, koffie-theetje, doof het licht.

.

Droom lief, droom lelie-lief, leg af de last,

het dagelijks verdriet. Slaap, slaap een brief.

Doorkruis de tropen, tijd, een eik. Verstuur

een rooksignaal, bericht uit een ommuurd

gebied met reuzenrad, klinkt daar muziek?

.

In schemertinten luister ik verliefd,

verzamel inktvis, echo’s, smeed een lied,

zet lijnen uit, vulkanen, kimono’s.

.

Het nieuwe doen

Paul van Capelleveen

.

De Nijmeegse dichter Paul van Capelleveen was enige jaren tegelijkertijd verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek en aan het Museum Meermanno, beide in Den Haag. Hij is auteur van een reeks boeken en artikelen, met name over boekgeschiedenis. Hij publiceerde ook essays en gedichten die deels in beperkte oplagen zijn verschenen. In 1992 werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs met zijn poëziedebuut ‘Altijd commentaar’ (winnaar werd Anna Enquist dat jaar met ‘Soldatenliederen’).

In 2004 verscheen van zijn hand de bundel ‘Laatste metamorfosen’ bij uitgeverij Meulenhoff. Op de achterflap van de bundel wordt hij omschreven als “de messenwerper van de Nederlandse poëzie, zijn dolken treffen zijn lieftallige assistente, de Muze, altijd recht in het hart. Zijn verrassende en expliciete regels zijn opgestapeld als muzikale variaties op een thema, vermomd als definitie of nieuwsfeit. Alles lijkt te berusten op de travestie van de vraag: wat wil de lezer? De lezer wordt voortdurend uit zijn tent gelokt en uitgedaagd om weerwoord te geven.”

Volgens mij heeft hier een copywriter met een reclameachtergrond zichzelf overtroffen in overdrive maar leesbaar is de bundel zeker. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Het nieuwe doen’.

.

Het nieuwe doen

.

Lees een gedicht, desnoods van mij.

Schrijf zomerbrieven. Evenaar

de poolnacht van een schone lei.

Niet, niet doen.

Voel je knoken,

doe wat je wilt – ik doe het ook.

Verwijder dagelijks smeerboel.

Niet, niet doen.

Maak je op voor de grote trek.

Doe je te goed aan het nieuwe jaar.

.

Als ik een vogeltje was

Clemens Brentano

.

Omdat het alweer even geleden is; tijd voor een liefdesgedicht. In dit geval van de 19e eeuwse Duiste dichter en schrijver uit de Romantiek, Clemens Brentano (pseudoniem van Clemens Brentano Wenzeslaus 1778 – 1842). Brentano, wiens vroege geschriften werden gepubliceerd onder het pseudoniem Maria, behoorde tot de Heidelberg-groep van Duitse romantische schrijvers, en zijn werken worden gekenmerkt door een overdaad aan fantastische beelden en door abrupte, bizarre uitdrukkingsvormen. Zijn eerste gepubliceerde geschrift was ‘Satiren und poetische Spiele’ (1800).

Richard Strauss zette zes gedichten van Brentano in ‘Sechs Lieder , Op. 68’ , in 1918, die ook bekend staan ​​als zijn Brentano Lieder. Naar het werk van Brentano wordt verwezen in Thomas Manns roman ‘Doctor Faustus’. Een cyclus van dertien liederen, gebaseerd op de gedichten van Brentano, wordt in het 21ste hoofdstuk vermeld als een van de belangrijkste vroege werken van de componist.

In 1943 publiceerde Bertus Aafjes de bundel ‘De toverfluit’ met de vertaling van een gedicht van Brentano en zo werd ‘Wenn ich ein Vöglein wär’ ‘Als ik een vogeltje was’.

.

Als ik een vogeltje was

.

Als ik een vogeltje was

En ook twee vleugels had,

Vloog ik u toe;

.

Wijl ik die niet bezit,

Weet ik niet hoe.

.

Ben ik ook ver van u,

‘k Ben in de slaap bij u,

En praat met u;

Doch als ik wakker schrik,

Alleen ben ik…

.

De klok slaat even vaak,

Als ik des nachts ontwaak

En aan u denk,

Omdat gij mij uw hart

Gaaft als geschenk.

.

Tom Lanoye

Wara Avatara (Vlammenzwijn)

.

Erotische poëzie kan heel direct zijn, omfloerst, beschrijvend of juist of heel subtiel verwijzend zijn. Net als elke andere vorm van poëzie eigenlijk. Tom Lanoye (1958) schreef in zijn bundel ‘In de piste’ uit 1987 het gedicht ‘Wara Avatara (vlammenzwijn). dat openhartig is en een beetje van al deze elementen in zich heeft. Wat Wara Avatara (of Vlammenzwijn) betekent heb ik niet kunnen achterhalen. In de informatica is een avatar (ook bekend als een profielfoto of userpic ) een grafische weergave van een gebruiker of het karakter of de persona van de gebruiker. Als je Wara leest als Ware dan zou je hieruit een idee kunnen afleiden: het ware karakter van de dichter. De term Vlammenzwijn daar heeft denk ik iedereen wel een idee bij in deze context.

Hoe dan ook, het gedicht spreekt voor zichzelf.

.

Wara Avatara (Vlammenzwijn)

.

Ik ga het hier niet

hebben over seks, dit is

tenslotte poëzie, maar ook

als ik loop of zwem of

mijn gespannen lichaam in

een spiegel zie, krijg ik het

zo warm. Het lijkt wel transpiratie

.

maar dan vooral vanbinnen.

In het diepst van mijn zinnen.

Het vervelende is wel, dat je je

daar moeilijk wassen kunt. Het

wordt er dan ook dierlijker en

natuurlijker met de dag. Maar dat kan

me eigenlijk niet schelen. Ik vind het

.

heerlijk zo, ik weet dat alles mag.

.

Dementie

Jean Pierre Rawie

.

Komende week worden er in twee bibliotheken (waar ik van weet) dementheken geopend. Een dementheek is eigenlijk een punt in de bibliotheek waar informatie en boeken te vinden zijn met informatie over dementie. Met de vergrijzing is dementie een steeds vaker voorkomende aandoening en door een dementheek te openen willen de bibliotheken ook op dit gebied mensen informeren en helpen. Het is geen toeval dat er dan (op 21 september) twee dementeheken worden geopend, het is dan namelijk Week van de dementie (21 tot en met 27 september).

Ik zal bij de opening van de twee dementheken een gedicht voordragen dat ik schreef toen mij vader tekenen van ouderdomsdementie ging vertonen, je kunt het gedicht hier lezen https://woutervanheiningen.wordpress.com/2015/07/06/nieuw-gedicht-42/

Dichter Jean Pierre Rawie (1951) heeft in zijn gedicht ‘Bejaardenhuis’ uit de bundel ‘De tijd vliegt maar de dagen gaan te traag’ uit 2012 hier ook over geschreven en dit gedicht wil ik hier, naar aanleiding van de week van de dementie, graag met jullie delen.

.

Bejaardenhuis

.

Ik ging ooit bijna elke dag

naar het bejaardenhuis, en zag

er telkens tegenop. Ik weet

niet of het haar genoegen deed

dat ik vaak kwam. Ik kwam gewoon.

Of zij nog wist dat ik haar zoon

was bleef onzeker, maar ze keek

mij aan of ik op iemand leek.

.

Het was een deftig huis. Zij had

een kamer met uitzicht, dat

ze koppig niet wou zien (ik wees

wel eens op iets, maar tevergeefs).

Ik kwam er jarenlang. De deur,

het trappenhuis, de gang. de geur,

herken ik met mijn ogen dicht.

Ik was haar zoon, ik deed mijn plicht.

.

 

Houston we have a problem

Lotte Dodion

.

De Vlaamse dichter, performer en polyvalent (veelzijdig, meer dan één waarde bezittend) teksttalent Lotte Dodion (1987) ken ik al sinds 2011 toen ze als jonge aanstormende dichter op het Ongehoord! podium stond in Rotterdam als (toen nog) Mander dichter. Een Meander dichter was een dichter die ons (van Ongehoord!) werd aangeraden om te programmeren omdat deze talentvol was.  Lotte was toen 24 en inderdaad een aanstormend talent.

Daarna was ze één van de Vlaamse dichters op de Poëziebus in 2015 en programmeerde Ongehoord! haar opnieuw in 2016 op de jubileum editie in de Jacobustuin in Rotterdam. In maart van dat jaar verscheen haar poëziedebuut ‘Kanonnenvlees’ bij uitgeverij Atlas Contact dat zeer goed werd ontvangen.

Haar werk verscheen in bloemlezingen en in literaire tijdschriften als Plebs en Gierik NVT. Ze treedt op, verzorgt workshops en is inderdaad een veelzijdig woordkunstenaar. De laatste jaren werkte ze voor Vonk & Zonen, een literair productiehuis dat naast eigen producties ook een gastvrij huis is voor plannen van dichters en dromers. Een jonge literaire organisatie die sterk inzet op nieuwe vormen om literatuur te presenteren.

Vanaf 1 september dit jaar is ze echter weer terug op haar oude plek, als freelancer in de letteren. Op haar website https://www.lottedodion.be/ is alles over haar werkzaamheden te lezen. Daar staan ook gedichten van haar hand waaronder het mooie maar wrange ‘Houston we have a problem’.

.

Veldwerk

Bernke Klein Zandvoort

.

Dichter Bernke Klein Zandvoort (1987) debuteerde in 2013 met de bundel ‘Uitzicht is een afstand die zich omkeert’ waarmee ze genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en waarmee ze de debuutprijs van ‘Het liegend konijn’ won. ‘Veldwerk’ is de tweede dichtbundel van Bernke Klein Zandvoort uit 2020. Op de achterflap staat te lezen: ze verzamelt gegevens over haar waarneming van de wereld. Ze neemt monsters van de blikken tussen mensen, ziet het verleden als iets wat voor ons ligt maar ook als een spookrijder door een gezicht kan trekken, ontleedt de gelaagdheid van haar eigen denken. Oordeel zelf aan de hand van het slotgedicht uit deze bundel.

.

hangend in het slot van een omhelzing
denk ik over wat er op en neer gaat in het woord elkaar

een woord waarin iets uit zwemmen lijkt te gaan
de ander tot een overkant maakt

met een lange arm over het water
trekt een magneet de veerboot naar de kade

spierkabels vertellen onophoudelijk aan mijn hoofd
uit welke lengtes ik besta en waar de shampoo van een onbekende
mijn neus komt inwaaien, me uit de achtergrond
van een ander leven laat ontstaan

overal waar ik ga deel ik mijn stad met stellen
in de roes van elkaar aangeraakt hebben
op onbekende plekken

omringen mij de algoritmes
die vlooiensprongen tussen hoofd en beeldscherm maken
wordt de zon gekaderd
door het bericht dat ze om elf uur zal verdwijnen

zo leef ik samen

met mijn dromen en hoe ze in die van iemand anders haken
met mijn moeder die elke ochtend wakend in me wakker wordt

op zonnige dagen loopt mijn schaduw met me mee
als mijn meest vreemde bezit

.

De idioot op het dak

Tjitske Jansen

.

Afgelopen zaterdag was ik bij de Leidse PoëzieNacht georganiseerd door Fields of Wonder in De Burcht in hartje Leiden. Deze Poëzienacht (of eigenlijk avond) werd door Fields of Wonder gemaakt in samenwerking met stichting INDEX Poetry en stichting Leids Literair Landschap. Op deze avond kwamen Anton Korteweg, Dorien de Wit, Wout Waanders en Tjistske Jansen voordragen en de kandidaat stadsdichters droegen een gedicht voor. Paar opvallende dingen: de twee mannelijke dichters waren geblesseerd aan hun voet (Wout Waanders droeg voor gezeten in een rolstoel en Anton Korteweg bewoog) zich voort geholpen door twee stokken, het was een heerlijke ontspannen mooie nazomeravond en de sfeer was uitstekend. Naast serieuze poëzie viel er ook regelmatig te lachen om de gedichten en de voordrachten.

De presentator van dienst kondigde Tjitske Jansen (1971) aan met een verhaal over zijn eerste ervaring met Tjitske Jansen bij Festina Lente in 2001 waar ze de finale van deze Poetry Slam won. Daar hoorde hij haar voor het eerst het gedicht ‘ De idioot op het dak’ voordragen. Hij vroeg haar of ze dat wilde voordragen (waarschijnlijk niet zei hij erbij) maar Tjitske was zeer bereid om het gedicht voor te dragen en dat was voor mij een van de hoogtepunten van de avond. Daarom uit de bundel ‘ Het moest maar eens gaan sneeuwen’  uit 2003 het gedicht ‘ De idioot op het dak’.

.

De idioot op het dak

.

Ik vroeg de jongen op mijn werk – dat bestaat uit peperoni, melanzani en carciofi in de bakjes scheppen, kip en friet en gamba’s bakken, salades maken, enzovoort, ik deed de koude kant vandaag en hij de warme – of we na het werk wat gingen drinken. Na het werk gingen we wat drinken.

Er was een jongen die de Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren, een jongen die Chris heette, een jongen die later weer in Groningen ging wonen, er was een jongen die het woord wist voor de geur die hertenwijfjes afscheiden.

Diezelfde avond fietste ik, stomdronken, naar mijn ex. Even kijken of zijn fiets er stond. Die stond er. Eén keer aanbellen. Nog een keer aanbellen. Nog één keer. Ik herinner me wat hij me over stalkers heeft verteld: die moet je negeren. Ik wil niet dat hij mij negeert. Ik bel nog een keer aan. Heel lang.

Steeds als ik denk: nu laat ik de bel los, laat ik de bel niet los. Hij doet nog steeds niet open. Ik zoek waar ik beginnen kan met op het dak te klimmen. Een paar daken van zijn dak vandaan is een begin. Ik begin met op het dak te klimmen. Als ik drie daken heb gehad, ik ben er bijna,

gaat er een dakraam open. Een vrouw schreeuwt godverdomme, een mannenhoofd verschijnt. Ik heb nog nooit van zo dichtbij, vanuit dit perspectief, een mannenhoofd uit een dakraam zien steken, Ik zeg: Ik ben geen inbreker, ik zeg dat ik me schaam, ik vraag of hij vroeg op moet morgen.

De man geeft me geen kans verder te klimmen. Hij blijft met zijn hoofd uit het dakraam. Er gaat nog een dakraam open. Ik had nog nooit één mannenhoofd van zo dichtbij uit een dakraam zien steken, laat staan twee tegelijk. Zitten blijven! zeggen ze. Zitten blijven! Ik vraag me af of ik een strafblad krijg.

De politie is gearriveerd. Waar is hij? Hoor ik vragen. Het is een vrouw. Ik begeef me naar de dakrand om me te laten zien. Het is een soort optreden, maar dan van onderaf belicht. Er is ook een hond bij. Een labrador die op mijn ex lijkt. Die is ook blond.

Ik klim naar binnen door het dakraam van het eerste mannenhoofd. Ik sta op een zolder. Ik zie de vrouw die godverdomme riep, ik aai de hond, ik zeg: Sorry, sorry. Ik zeg:
Ik ben geen inbreker.

Iemand vraagt me hoe ik op dat dak gekomen ben. Iemand vraagt me waarom ik dit deed. Liefdesverdriet, zeg ik. Ja, zegt een politieman, uit liefdesverdriet kun je rare dingen doen. Hoe heet je? Vraag ik hem. Ik heet Paul, zegt hij. En waar woon je?

.