Site-archief
Poëziebus 7
Edith de Gilde
.
Normaal vandaag op zondag de dichter van de maand (Jules Deelder) maar omdat ik deze week d(een deel van) de Poëziebusdichters in het zonnetje zet verschuift Deelder naar morgen. Dichter Edith de Gilde werkte als schrijfcoach in de jaren ’00 en was in dezelfde periode redactrice van Meander. Ze is nu bestuurslid van de Haagse Kunstkring, afdeling letteren, theater en film.
Gedichten publiceerde ze in tijdschriften, bloemlezingen, bibliofiele uitgaven en poëziekalenders. Ze heeft ook eigen bundels gepubliceerd zoals ‘Zeilschip Zondag’ uit 1998 en de tweetalige bundel Verloop / Verlauf met vertalingen in het Duits van Hans v.d. Veen uit 2011. In 2012 is in de Haagse Kunstkring haar bundel ‘Vleugels van cement’ gepresenteerd, deel 20 in de reeks Verse Voeten van De Witte Uitgeverij.
Als stadsgenoot koos ik voor een gedicht van haar hand over Den Haag.
.
Als zwijgen
Huilen in Den Haag: stel je geen tranen voor.
Het is een bed tegen een muur geschoven.
Dat afgepaste knikje in de lift.
Thuiszitten in stof van weken
en dan uitgaan in je nette pak.
Het zijn de hoofden in de rijen voor je.
Huilen in Den Haag is krap bemeten,
is naar een feestje gaan omdat het hoort.
Zeggen dat het goed gaat, dat je
weer eens op huis aan moet, we bellen!
Het krijsen uitbesteden aan een meeuw.
.
Liedje voor de pijn
Jan Willem Otten
.
Schrijver/dichter Jan Willem Otten heeft een veelzijdig oeuvre opgebouwd van poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen, beschouwingen en essays. In 1973 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Een zwaluw vol zaagsel’ waarna hij nog elf dichtbundels publiceerde. Van 1989 tot 1996 was hij redacteur van ‘Tirade’.
Voor zijn poëzie ontving hij de Reina Prinsen Geerligsprijs, de Herman Gorterprijs en de Jan Campertprijs. Uit zijn bundel ‘Eerdere gedichten’ uit 2000 het gedicht ‘Liedje voor de pijn’.
.
Liedje voor de pijn
.
Een mevrouw loopt door de gang
met in een zilveren kom haar plas.
.
Zij zingt in zich zelf
van de pijn van vannacht
zo waaiend verwoestend
dat zij zich moest krimpen
tot iets van niks, tot pluisje
drijvend op die wind.
.
Het woei niet weg
het woei niet mee
is niet verpletterd
maar bestaat nog steeds
ook nu de pijnwind ligt.
.
Straks wordt zij zwaar
en bang voor nieuwe wind
voor splijten als een eik.
.
Maar hedenmorgen is zij
vederlicht. O bleef ik zo,
voor altijd zonder wil,
.
zingt de mevrouw op onze gang.
Haar zilveren kom spoelt zij nu om.
.
Geen uitweg
Ewa Lipska
.
Ewa Lipska (1945) is een Pools dichter, columnist. Daarnaast was ze redacteur van de poëzie sectie Literaire uitgeverij (1970-1980), directeur van het Pools Instituut in Wenen (1995-1997), lid van de Poolse en de Oostenrijkse PEN Club, stichtend lid van de Vereniging van Poolse Schrijvers (1989) en lid van de Poolse Academie van Wetenschappen.
In 1967 debuteerde ze met de bundel ‘Gedichten’ en sinds die tijd publiceerde ze vele bundels, won ze vele literaire prijzen en was ze regelmatig te zien en te horen op literaire festivals in Europa en de Verenigde Staten. Daarnaast werden veel van haar teksten op muziek gezet. In vertaling van Esselien ’t Hart hier het gedicht ‘Geen uitweg’ uit 1990.
.
Geen uitweg
.
Dit is dat hotel. Deze kamer.
Het bed waarin zij hebben geslapen.
De roze magnolia’s hangen nog in de kast.
Zij hebben bijna de hele stad met liefde besmet.
Mensen vielen elkaar in de armen.
Meisjes hingen mannen om de hals
als namaaksieraden.
In de wisselkantoren
werden kussen gewisseld.
Men stierf niet meer.
De lijkwagen vervoerde pasgehuwden.
Ambtenaren lazen de gedichten van Ronsard.
Censors schrapten de horizon.
Corrigeerden het uitzicht uit het raam.
Midden op het marktplein werd
Feest der liefde van Watteau opgehangen.
Uit luidsprekers klonken
de liederen uit Dichterliebe van Schumann.
De dieren kregen vleugels aangemeten
in de vorm van harten.
De terreur der liefde regeerde het stadje.
Weigeraars werden in de afgrond gestort.
Was het mogelijk dat zij niet wilde liefhebben?
Iemand trachtte een rede te houden maar het sloeg nergens op.
Een ander had een misdaad op het puntje van zijn tong.
De ratten verlieten massaal de stad
zonder om te kijken naar het vuurwerk.
Men danste juist op het verplichte bal.
En alleen zij wisten al dat
een stap vooruit de dood betekende
en een stap achteruit slechts moord.
.
Zijwaarts springen
Een recensie
.
Van Méland Langeveld kreeg ik de bundel ‘Zijwaarts springen’. Een bundel die op een bijzondere manier tot stand kwam, maar daarover straks meer. Méland Langeveld is (tekst)schrijver, redacteur en dichter. Langeveld deed meerdere malen mee met de Turing gedichtenwedstrijd. Zes gedichten in deze bundel eindigden hoog in de Turingprijs ranglijst. Gedichten uit de edities van 2012, 2013 en 2014 en ongetwijfeld zal ook dit jaar zijn naam niet ontbreken op de ranglijst (als hij weer meedoet) want zijn poëzie heeft een heel eigen toon.
Uit eerdere besprekingen van zijn gedichten door de Turingprijs redactie: “Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar heen, vooral als er een vergelijking wordt gemaakt tussen een vader die lispelt en meubelen die praten.”
Maar ook: “zeer ontroerende, beeldende beschrijving van de relatie tot een dementerende ouder. Nergens wordt dit gedicht zeemzoet – wat met een gevoelige thematiek niet gemakkelijk te vermijden is.”
De verwachtingen voor lezing waren dan ook hoog gespannen bij mij. Dan als eerste de bundel. Deze is een gevolg van het feit dat Langeveld in de zomer van 2015 de eerste prijs bij de door uitgeverij aquaZZ georganiseerde gedichtenwedstrijd, won.
Als prijs werd deze bundel uitgegeven. Mooi vormgegeven door Angélique Kersten en opgedragen aan Leonie en Roos. De bundel is ingedeeld in zes hoofdstukken met titels als: Huilend leeg landschap’, ‘Sleetse loper naar het avondland’ en ‘Lepe ogen van de melancholieke koe’. Dit zijn mijns inziens willekeurig gekozen titels, ik heb tenminste geen directe link kunnen vinden met de gedichten die na de hoofdstuktitels volgden en de titel van een desbetreffend hoofdstuk. Overigens vind ik dit totaal geen probleem, misschien zie ik iets over het hoofd, misschien zijn het slechts vehikels om enige structuur aan te brengen in de bundel.
Uit deze titels komt al naar voren wat voor soort dichter Méland Langeveld is, wat ik een bijvoeglijke naamwoordendichter zou noemen. Dat is overigens zeker niet altijd een negatieve connotatie. In het geval van Langeveld zeker niet. Juist door de ongebruikelijke manier van toepassen. Voorbeeld: ‘Het vochtig ruisen van rul water’, ‘Fris gewassen sneeuw’ en ‘onverschillige regen’. Juist door het gebruik van dit soort ongebruikelijke combinaties van bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden is het lezen van deze bundel een plezier.
De gedichten zijn dan weer heel ‘down to earth’ en even later weer volledig ontspoord (op een positieve manier). Hierbij speelt de fantasie van de dichter een belangrijke rol. Voor de ervaren poëzielezer valt er veel te genieten maar ook voor de minder ervaren lezer zijn de gedichten zeer te genieten (ik heb de proef gedaan!). Een bundel die ik kan aanraden kortom.
Ik heb voor het gedicht ‘Stilte’ gekozen omdat dit voor mij heel duidelijk illustreert wat Langeveld kan.
.
Stilte
.
Vandaag rouwt de treurwilg paars
haar takken reiken tot aan
het somber, vileine water
haar lijzige bladeren
ruizelen in de schrale wind
.
voor even toont ze me een grimas
speelt met haar uitgerekte schaduw
aaibaar groen in nevelslierten omhuld
.
tijd is verzonnen door verlangen
lauwwarm water laat me erin wiegen
schudt me wakker
in fluisterend geschreeuw
.
zwalkend licht zindert uit de verte
drijft weg in ’t cadans van het getij
verstarring voorgoed doorbroken
.
in spraakloze taal ademt ze
zonder te ademen
.
ISBN: 978 94 91897 50 4
86 pagina’s, prijs € 13,95
Smoking poets
Advice to a young poet
.
Pat Nolan (1943) is een Canadees dichter die bijna zijn hele leven lang woont in het noorden van California. Hij is behalve dichter ook uitgever, redacteur en vertaler van poëzie. Zijn werk is gepubliceerd in tijdschriften, magazines in de VS, Azië en Europa en is verschenen in verschillende bloemlezingen. In totaal publiceerde Nolan al meer dan een dozijn titels.
Samen met Heith Abbott, Mareen Owen en Michael Sowl is hij de oprichter van de Miner School of Haikai Poets. De Haikai no renga of Renku is een Japanse versvorm die uit de 16e eeuw stamt. Haikai wordt echter ook gebruikt als verzamelnaam voor Japanse versvormen als de Haiku, de Senryu, de Haiga en de Haibun.
Pat Nolan heeft echter ook een bijzonder aardig boekje uitgegeven met poëzie en tekeningen van rokende dichters (smoking poets). Uit de serie Smoking poets hier een aantal voorbeelden van W.H. Auden, André Breton en bij het gedicht van Pat Nolan de rokende dichter Dylan Thomas.
.
Zij
Bernard Dewulf
.
Voormalig stadsdichter van Antwerpen (2012-2014) Bernhard Dewulf (1960) is naast dichter ook redacteur, columnist en dramaturg voor theatergezelschap NT Gent. Dewulf publiceerde al gedichten in diverse literaire tijdschriften, voor hij debuteerde met de bundel ‘Waar de egel gaat’ in 1995. Sindsdien publiceerde hij naast gedichten ook theatrale vertellingen, lezingen, kunstbeschouwingen en essays.
Uit de bundel ‘Waar de egel gaat’ uit 1995 het liefdesgedicht ‘Zij’.
.
Zij
.
Wij doen ondeelbaar, hart aan hart,
maar slapen ieder onze nacht.
Haar lichaam ademt in mij voort
en binnen word ik weggedacht.
.
Woont daar iemand die bestaat
als zij zich sluit? Alles is
zo denkbaar in dit hoofd, ik
raak er niet in en niet uit.
.
Ik ken haar enkel in mijn armen,
zij houdt mij eeuwig op de tast.
Zij slaapt en wie is zij
die morgen weer in alles past?
.
Een minnend paar
Gust Gils
.
Gust Gils (1924-2002) was een Antwerps dichter en een van de oprichters van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik (vernoemd naar het gelijknamige jazz-café in Antwerpen) in 1954. Ook was hij redacteur van Podium, een Nederlands literair tijdschrift dat heeft bestaan van 1944 (opgericht in de illegaliteit in Leeuwarden) tot 1969.
Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord “partituur” bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een “auditief” karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde “verbosonische” experimenten.
Uit de bundel ‘Ziehier een dame’ uit 1957 het gedicht ‘Een minnend paar’.
.
Een minnend paar
.
een minnend paar man en meisje
identiteit onbekend
op een grijsgeregende morgen in een van de plattelandssteden
komen vreemd aan hun eind nl. zij vloeien
als twee vlakken natte waterverf in elkaar
.
liefde of toeval niemand weet het
.
stoffig en schraal als puin vindt men
de bewijsstukken (hun silhouetten) later
veel later
op een onverhuurde zolderkamer
.
Met dank aan wikipedia en gedichten.nl
Dubbele moraal
Versvorm
.
De versvorm ‘Dubbele moraal’ bestaat uit twee zesregelige gedichten naast elkaar met dezelfde rijmwoorden waarin het rechtse gedicht een tegenovergestelde bewering van het linkse bevat. Deze versvorm is bedacht door een redacteur van het het Vrije Vers http://www.hetvrijevers.nl/
Het rijmschema is ABAAAB en het metrum is vrij. Hieronder een voorbeeld van een dubbele moraal.
.
Dubbele moraal
Met dank aan https://sites.google.com/site/versvormen/ en http://peensblog.blogspot.nl/2013/08/dubbele-moraal.html
Het huis woont in mij
Peter Swanborn
.
Uit mijn boekenkast vandaag de bundel ‘Het huis woont in mij’ van Peter Swanborn. Swanborn is dichter, schrijft liedteksten, is literair medewerker van de Volkskrant en redacteur van Tortuca. Tortuca is een tijdschrift voor literatuur en beeldende kunst dat sinds 1997 in Rotterdam wordt uitgegeven. Ieder nummer van Tortuca bevat een afgewogen compositie van verhalen, gedichten, tekeningen, foto’s en schilderijen. (meer info op http://tortuca.com/).
Een aantal gedichten uit deze bundel verscheen eerder in Het liegende konijn, Liter, Poëziekrant Tirade en Tortuca. De bundel bevat 31 gedichten in 3 hoofdstukken en werd uitgegeven door uitgeverij Podium in 2013. Uit deze bundel het gedicht ‘Avond op het balkon’ uit hoofdstuk 3 ; Geen mens te zien.
.
Avond op het balkon
.
Op de daken wacht een bed van vuur. De wind veegt
door de binnentuin.Ik stap over de reling, laat me vallen
als word ik gedragen, via de vijver, een moment verloren
in een muggenzwerm, dan langs achtergevels steil omhoog
naar vlammen die gretig over de rand slaan. Mijn arm strekt,
mijn hand grijpt, als het hoofd, bezweet, om orde roept en ik
met een schok in mijn oude vorm tot stilstand kom.
.




















