Site-archief

De zwerver

Joseph von Eichendorff

.

Sommige bundeltjes lijken op het eerste oog niet heel aantrekkelijk of de moeite waard. In het geval van ‘Het jaar van de heer’ Gedichten voor het kerkelijk jaar, bewerkt door Gabriël Smit uit 1954 lijkt dit op het eerste oog zeker zo. Toch ben ik wat gaan bladeren en lezen in dit bundeltje van uitgeverij Het Spectrum en je gelooft het of niet (wel aardig in dit verband) er staan zomaar enkele gedichten in die heel de moeite waard zijn.

Ja, de meeste gedichten gaan over bijbelpersonages, religieuze feesten en psalmen maar zo nu en dan vond ik toch iets dat wat verder ging dan alleen het kerkelijke. Zo kwam ik het gedicht ‘De zwerver’ tegen van Joseph von Eichendorff.

Joseph Karl Benedikt Freiherr von Eichendorff  (1788 – 1857)was een Duits schrijver en dichter uit de Romantiek. Op Wikipedia staat te lezen:  Eichendorff verwerkte in zijn vertellingen een aanzienlijke hoeveelheid gedichten, die hij later bundelde, en het zijn deze die hem zijn grote roem brachten. De kracht van zijn poëzie zit voornamelijk in zijn eenvoud; zijn gedichten beschrijven altijd de natuur op evocatieve wijze. Deels is het een melancholisch heimwee naar het slot uit zijn jeugd, deels is het een transcendente zoektocht naar God. Aan alle geschriften van Eichendorff ligt een onbuigzaam, welhaast geborneerd vasthouden aan het oorspronkelijke en mystieke katholicisme ten gronde; hij achtte de verwatering van de fundamenten van de godsdienst verantwoordelijk voor de teloorgang van het romantische ideaal. Eichendorff staat reeds enigszins op het eind van de Romantiek; hij kondigt de overgang naar het realisme aan.

Gabriël Wijnand Smit (1910-1981) de samensteller van deze bundel was dichter, prozaïst, journalist, toneel- en jeugdboekenschrijver  en vertaler. Hij gold als een van de bekendste katholieke dichters.

.

De zwerver

.

Kom troost der wereld, stille nacht,

hoe stijgt gij van de bergen zacht,

de wind rust vol erbarmen.

Alleen een schipper waakt aan ’t stuur,

zingt over zee van ’t avonduur

en Vaders havenarmen.

.

Al wolken snel de jaren gaan

zij laten mij hier eenzaam staan,

geen wil nog van mij weten.

Alleen uw zegen bracht mij thuis

als onder ’t wonder boomgeruis

ik peinzend was gezeten.

.

O troost der wereld, stille nacht,

de dag ontstal mij al mijn kracht,

de verre branding monkelt…

Laat mij hier rusten van mijn nood3totdat het eeuwig morgenrood

het stille bos doorfonkelt.

.

In mijn gedicht

Peter WJ Brouwer

Struinend door mijn boekenkast kom ik de bundel ‘Brief aan wie niet bestaat’ tegen van Peter WJ Brouwer uit 2016. Peter heeft nog maar zeer recent een roman geschreven en gepubliceerd ‘Het oog van de kraanvogel’ maar ik ken Peter vooral van zijn poëzie. Peter is naast schrijver en dichter ook vertaler en theatermaker. Hij studeerde Duitse Taal- en Letterkunde en publiceerde regelmatig poëzie in bloemlezingen, en tijdschriften als Het Liegend Konijn, Poëziekrant, Extaze en Meander.

Ik herinner mij Peter vooral van het programma ‘Over leven met Brel’ dat hij samen met Michael Abspoel (de stem van Man bijt hond) maakte en waaruit zij samen een aantal stukken deden tijdens een optreden van Ongehoord! in de Jacobustuin in 2015 en daarvoor in 2011 op het reguliere podium van Ongehoord!

Ik kocht destijds de bundel ‘Brief aan wie niet bestaat’ en ik wil hier graag nog eens een gedicht uit deze bundel plaatsen met de titel ‘In mijn gedicht’.

.

In mijn gedicht

.

Je las jezelf in mijn gedicht, je las

rug, wang, ding

.

mijn hand die jou dichtdeed was daar ook

.

onder mijn lucht las jij, mijn grasland

werd in een oogwenk door jou bevolkt

.

er waren er meer die afreisden

om mijn nachten te bezoeken, de sterren te zien staan

.

te verzuchten

dat het zo is gegaan

.

jij zei enkel: ik vergeef je niets

behalve dan in jouw gedicht, daar ben ik immers

.

achter je

rug

wang, ding

.

Als je niet gaat stemmen

Babs Gons

.

Op 17 maart is het zover, dan zijn de verkiezingen voor de tweede kamer. Vanaf het allereerste moment dat ik mocht stemmen (volgens mij was het toen ik 18 was, de provinciale verkiezingen) heb ik altijd bij elke verkiezing die er was gestemd. Omdat het kan en omdat ik het belangrijk vind dat het kan. Er zijn steeds minder landen op deze wereld waar er een democratische rechtstaat is, waar mensen hun leven geven om hun stem te laten horen. Daarom zal ik altijd bij elke verkieizng mijn stem laten horen.

Babs Gons (1971) denkt er volgens mij net zo over. In 2018 bij de gemeenteraadsverkiezingen schreef ze er het gedicht met als beginzin ‘Als je niet gaat stemmen’ over. Mocht je nog twijfelen, lees dit gedicht zou ik zeggen.

Babs Gons is spoken-word-artiest, schrijver, columnist, theatermaker en docent creatief schrijven.  Gons  is de dochter van een Nederlandse moeder en Afro-Amerikaanse vader, Ze studeerde Talen en Culturen van Latijns-Amerika. Eind jaren negentig zag zij in New York jonge mensen optreden die tekst en performance samenbrachten. Die stroming vond zij zo fascinerend dat zij in eigen land Spoken word-activiteiten ging organiseren. Haar gedicht ‘Polyglot’ is het Boekenweekgedicht 2021.

.

Als je niet gaat stemmen
Zeg het dan zo zachtjes
Dat Nelson Mandela het niet kan horen
Laat hem met eeuwige rust
Als je niet gaat stemmen
Wees dan alsjeblieft zo discreet
Dat onze voorouders
Zich niet roeren in hun graf
Als je niet gaat stemmen
Laat het 1919 niet horen
Laat Suze Groeneweg het niet horen
Laat Aletta Jacobs met rust
Laat het bloeden op de stenen
In de straten van
Selma en Montgomery
Het niet horen
Laat het zand van Transvaal met rust
Martin Luther King, hij mag het niet weten
Sojourer Truth mag het niet horen
En onder geen beding
Laat de mannen achter de tralies
Van de statistieken het horen
Daar waar de stembiljetten niet worden bezorgd
Mogen ze er niets van weten
Daar waar ze de stemlokalen nooit zullen bereiken
Door de kogels en de bommen
De afstand en de armoe
De dictator en het geloof
De kleur en de klasse
Laat ze het niet horen
Ssshhhtttt

.

 

De poëzie van Dali

Metamorphosis of Narcissus

.

De Spaanse schilder Salvador Dali (1904 – 1989) kent natuurlijk iedereen: met werken als La persistència de la memòria, De hallucinogene toreador, De brandende giraf, Soft Construction with Boiled Beans (Premonition of Civil War) en natuurlijk The Persistence of Memory (met de smeltende klokken). Daarnaast maakte Dali vele beelden en andere objecten waaronder de Mae West Sofa (waar ik een gedicht over schreef dat je hier https://www.deoptimist.net/2012/09/vers-in-de-etalage-17/  kunt lezen).

Wat niet heek bekend is bij de meeste mensen is dat Salvador Dali ook schreef. Zo schreef hij maar liefst twee autobiografieën (The Secret Life of Salvador Dali en Diary of a Genius), een boek over proces en techniek van het schilderen (50 Secrets of Magic Craftsmanship) en een (vrij ondoorgrondelijke roman (Hidden Faces).

En hij schreef poëzie. Het beste voorbeeld daarvan is ‘Matamorphosis of Narcissus’ uit 1937. Deze bundel/ gedicht (wat het precies is is me nog niet helemaal duidelijk) is geschreven bij één van zijn beroemdste schilderijen met diezelfde titel. Dalí was altijd omringd door poëzie en dichters, aangezien zijn vrouw Gala eerder getrouwd was geweest met Paul Eluard, een gerespecteerd dichter in zijn tijd. En eerder waren Dalí en de iconische dichter Federico Garcia Lorca zeer goede vrienden en klasgenoten aan het San Fernando Institute of Fine Arts in Madrid; hun creatieve energie voedde zich met elkaar.

Op zoek naar de tekst heb ik onderstaande gevonden. Of dit het volledige werk is of slechts een fragment is me nog steeds niet helemaal duidelijk, als iemand me daar meer over kan vertellen graag.

.

 

 

 

 

De laatste van de beatgeneratie

Lawrence Ferlinghetti

.

Afgelopen maandag overleed op 101 jarige leeftijd Lawrence Ferlinghetti (1919-2021) de laatste dichter, schrijver die nog leefde uit de tijd van de befaamde beatgeneration. In 1953 begon Ferlinghetti in San Francisco, samen met Peter D. Martin (uitgever van het magazine ‘City Lights waar Ferlinghetti in debuteerde als dichter), die zich na twee jaar terugtrok, de fameuze City Lights Bookstore, die snel uitgroeide tot een trefpunt voor avant-gardistische schrijvers.

Hij werd er uitgever van de Pocket Poet Series waarmee hij de toen nog sterk controversiële ‘beatpoëzie’ van bijvoorbeeld Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Gregory Corso stimuleerde. Als lid van de poëziebeweging San Francisco Renaissance debuteerde Ferlinghetti in 1955 met de bundel ‘Pictures from the Gone World’. Net als in ‘A Coney Island of the Mind’ (1958) en ‘Starting from San Francisco’ bevat deze bundel gedichten die primair bedoeld zijn om in het openbaar gelezen te worden, vol retoriek en herhalingen, vaak begeleid door jazzmuziek, een soort spoken word poetry avant la lettre.

Zijn gedichten spelen sterk in op de actualiteit, nodigen uit tot discussie en roepen op tot persoonlijke stellingname. Een voorbeeld hiervan is zijn tegen Richard Nixon gerichte satire ‘Tyrannosaurus Nix’. Mede door het publieke karakter krijgt Ferlinghetti wel het verwijt dat zijn poëzie clichématig is en gericht op effect.

Ook vertaalde hij poëzie uit het Frans, onder wie Jacques Prévert. Veel werk van Ferlinghetti werd op muziek gezet door vooraanstaande popartiesten, onder wie Roger McGuinn en Bob Dylan. Ferlinghetti bleef tot op hoge leeftijd actief schrijven en schilderen. Zijn laatste bundel ‘Poetry as an insurgent art’ verscheen in 2007.

Uit zijn bundel ‘How to paint sunlight’ uit 2001 komt het gedicht ‘The changing light’.

.

The Changing Light

.

The changing light at San Francisco

is none of your East Coast light

none of your

pearly light of Paris

The light of San Francisco

is a sea light

an island light

And the light of fog

blanketing the hills

drifting in at night

through the Golden Gate

to lie on the city at dawn

And then the halcyon late mornings

after the fog burns off

and the sun paints white houses

with the sea light of Greece

with sharp clean shadows

making the town look like

it had just been painted

But the wind comes up at four o’clock

sweeping the hills

And then the veil of light of early evening

And then another scrim

when the new night fog

floats in

And in that vale of light

the city drifts

anchorless upon the ocean

.

Ik droomde

Anna Blaman

.

Ik schreef al eens eerder over Anna Blaman (1905 – 1960) in een bericht over de Lonkende Leestafel, een bibliotheekproject van Probiblio, een Provinciale Steun Organisatie voor bibliotheken https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/03/22/anna-blaman/. Nu las ik afgelopen week iets meer over de achtergrond en het leven van deze intrigenrende dichter en schrijfste en wat bleek; ze had ooit als lerares Frans les gegeven aan bibliotheek-assistenten (wat ik zelf ook ooit ben geweest). Dat schept opnieuw een band.

Anna Blaman werd onder andere beïnvloed door het Franse existentialisme. Ze heeft een authentiek taalgebruik en volgens haar zijn erotische relaties per definitie ontoereikend. Ze probeert zoveel mogelijk de menselijke eenzaamheid in een liefdeloze wereld te doorgronden. Naast schrijver en dichter was ze medewerker van De Groene Amsterdammer en Het Vrije Volk, schreef ze teksten voor Wim Sonneveld en werkte ze als dramaturg en theaterlerares. Ze kwam openlijk voor haar lesbische geaardheid uit in een tijd waarin dat nog heel erg moeilijk en zeer ongebruikelijk was, waardoor ze een krijgshaftig boegbeeld werd voor de homoseksuelen.

Toen ik op zoek was naar een passend gedicht bij dit blogartikel kwam ik op de website van ensafh, een Fries literair internettijdschrift (of in het Fries: Frysk literêr ynternettydskrift) https://www.ensafh.nl/ Daar staat het gedicht van Anna Blaman niet alleen in het Nederlands te lezen maar ook in een oersetting (vertaling) van Minke Dooper in het Fries  en die wilde ik jullie niet onthouden. Het gedicht ‘Ik droomde…’ verscheen in een bibliofiel uitgegeven bundel met de titel ‘Ik droomde dat ik met haar in een duinpan lag’ uit 1991.

.

Ik droomde…

.

Ik droomde dat ik met haar in een duinpan lag
en eerst haar handen begroef en toen haar voeten
En toen ik haar geboeid en weerloos zag
begroef ik ook mezelf om haar weer te ontmoeten
.
De duinpan werd dieper dan de schoot der zee
en het zand liep op tot hoge golven
Ik dacht dat ze verdronk en ik dook mee
en stervend hervond ik me diep ingedolven
.
en leunend aan haar als het verdronken wier,
als tooi om haar borsten, zeedierwelpen,
en in haar oksels, wiergrotten, en dan ook hier —
haar dijen zijn uiteengeweken zeeschelpen.

.

Ik dreamde…

.

Ik dreamde dat ik mei har yn in dúnplak lei
En earst har hannen bedobbe en doe har fuotten
En doe’t ik har sa fêst en warleas seach
Bedobbe ik ek mysels om har wer te moetsjen

.

It dúnplak waard djipper as de skoat fan de see
en it sân rûn op ta wylde weagen
Ik tocht dat se ferdronk en ik doek mei
en stjerrend fûn ik mysels werom djip yngroeven

.

en leunend oan har as it ferdronken wier,
as fersiering om har boarsten, seeliuwkes,
en yn har earmsholten, wiergrotten, en dan ek hjir —
har billen binne stadich spjalten seeskulpen.

.

Drie choreografieën

Willy Roggeman

.

In een uitgiftepunt van boeken, die mensen over hebben en niet bij het oud papier willen gooien (zo’n kastje aan de muur met de zeer misleidende titel Minibieb, maar dit terzijde), vond ik een vuistdikke verzamelbundel van de Vlaamse dichter Willy Roggeman met de titel ‘De gedichten’ 1953 – 2002. Eerst was ik nog even in verwarring, omdat ik dacht dat het hier een andere Vlaamse dichter betrof die ik wel ken, maar meteen wist ik, nee dit is een naam van een mij onbekende dichter.

Willy Roggeman (1934) is een bijzondere man en dichter. Hij was actief als leraar aan het secundair rijksonderwijs en aan het hoger niet-universitair rijksonderwijs, aan het Hoger Rijskinstituut voor Technisch Onderwijs en aan het Hoger Rijksinstituut voor Handel en Administratie met Normaalleergangen, allemaal in Vlaanderen. Daarnaast was hij schrijver, dichter en jazzmuzikant.

Roggeman werkte van 1953 tot 1976 aan een reeks boeken, die hij vanaf 1969 als een samenhangend, gesloten oeuvre opvatte, zijn ‘Opus finitum’. Van de 30 boeken waaruit deze reeks bestaat, zijn er 19 gepubliceerd. Van 1977 tot 2002 schreef hij zijn tweede opus onder de naam ‘Usque ad Finem’. De toon was reflectief en de schrijfdwang waaronder de werken in ‘Opus finitum’ geschreven werden, viel weg. Veel van dit werk werd nooit gepubliceerd. Van 2003 tot 2009 schreef hij zijn derde opus onder de naam ‘Post Opera Supplementa’. Hiermee sloot de auteur zijn literaire carrière af, al schreef hij in 2009-2010 nog 10 delen ‘Annex Documenta’ en 10 delen ‘Protocollen’.

Roggeman was redacteur van de tijdschriften ‘Tijd en Mens’ (1954-55), ‘Gard Sivik’ (1959-63) en ‘Komma’ (1964-68). Hij was ook criticus voor het dagblad ‘Vooruit’ (1955-1965). Zijn werk werd vele malen bekroond en Roggeman kreeg verschillende literaire prijzen voor zijn gedichten, essays en proza.

Wat mij meteen opviel toen ik in de bundel ‘De gedichten 1953-2002’ ging lezen, was dat zijn poëzie niet de toegankelijkste poëzie is die ik ken. In deze bundel zijn de drie genoemde opussen opgenomen die hij schreef tussen 1953 en het verschijnen van de bundel in 2004. Op de binnenflap van de bundel staat te lezen: In 1954 maakte Willy Roggeman zijn tijdschriftdebuut met een gedichtencyclus waarin Louis Paul Boon de opvolger van Paul van Ostaijen ontwaarde. Als centraal thema behandelen zijn werken allen het probleem van de artisticiteit. Roggeman ziet in de autonome kunst de enige mogelijkheid om aan de vulgaire, vormloze realiteit te ontsnappen. Het ‘Opus finitum’ bijvoorbeeld is moeilijk toegankelijk, omdat Roggeman geen concessies wil doen aan de lezer en zich vaak uitdrukt in een duister kunst-theoretische jargon. Dezelfde ervaring had ik bij het grootste deel van zijn werk in deze bundel.

In een recensie van de NBD staat over dit werk geschreven: “Die onwrikbare standvastigheid ( in zijn poëzie) hangt samen met het radicale modernisme dat de dichter voorstaat. Voor hem is literatuur een soort van laboratorium, waar alle onvermoede lagen van de taal worden aangeboord. Zijn verzen zijn dan ook pareltjes van zinsbouw, complexe beelden en samenstellingen, een veelheid aan betekenissen en betekenisraadsels, dat strak wordt samengebonden door een hechte formele structuur.” En: “Al die inspiratiebronnen worden in zijn werk, haast alchemistisch, versmolten tot een eigen taalcreatie. Het resultaat is een monumentale, maar tegelijk haast ondoorgrondelijke poëzie, waarbij ook de bedreven lezer algauw aan het duizelen gaat.”

En toch valt er veel te genieten als je de drang om meteen te begrijpen los laat en de taal die Roggeman gebruikt als op zich staande vorm van kunst tot je neemt. Verder zijn vele verwijzingen naar de meetkunde, wiskunde, de kunst en kunstwerken, muziek (klassiek en jazz) en het veelvuldig gebruik van Latijn en de Griekse mythologie (zijn inspiratiebronnen) in zijn werk opvallend. Zoals geschreven geen makkelijke poëzie maar ik heb uit het hoofdstuk ‘The Minimalist Encyclopedia’ het gedicht ‘Drie choreografieën’ gekozen dat volgens mij laat zien hoe Roggeman de taal benadert en toch goed leesbaar is.

.

Drie choreografieën

.

Dubbelgangers op het schaakbord

verschillen slechts in de kleur

van de angst. Zij groeten elkaar

in de wurggreep van het zwijgen.

.

Glaskralen rondom de enkels

maken de dans nog niet. Voeten

van aarde, vingers van lucht bepalen

van beweging eenheid en breuk

.

Koordvlechten ontslaat de heilige

niet van de spreidstand op het midden.

De beelden nemen hun beloop, adem

staat stil in de val van de teerling.

.

De zwarte kat

Bulat Okudzava

.

Dat ik nogal onder de indruk ben van de bundel ‘Gezanten uit Alexandrië, Poëtische vignetten van macht en gezag, een bundel uit 1970 over dichters die in hun poëzie in verzet gaan tegen machthebbers en de macht, mag inmiddels wel duidelijk zijn. Ik schreef al over de bundel zelf en over het gedicht ‘Stalin’ van Osip Mandelstam, en vandaag dus weer een gedicht met een verhaal uit deze bundel.

Het betreft dit keer het gedicht ‘De zwarte kat’ van de Russische dichter, schrijver, muzikant, romanschrijver en singer-songwriter van Georgisch- Armeense afkomst Bulat Okudzhava (1924 – 1997). In de bundel staat in de inleiding van Co de Koning een opmerkelijk en zeer interessant stuk over dit gedicht dat Alexander Münninghoff (voormalig correspondent voor o.a. het NOS journaal in de Sovjet Unie) schreef over dit, door hem vertaalde gedicht.

“Tsjornyj Kot is de titel van het gedicht in het Russisch. Dit is van belang want de beginletters ‘Tsj’en ‘K’,  roept bij iedere Rus direct een begrijpelijke associatie op met de Tsjeka, het ‘Buitengewone Komitee’ dat de sinistere voorloper was van wat later de KGB werd genoemd. Tsjornyj Kot was ook het slangwoord voor de Tsjeka in die jaren. Maar tevens is het duidelijk dat met deze zwarte kat, die zijn glimlach in zijn snor verbergt en wiens gele ogen venijnig op de inwoners zijn gericht, niemand minder dan Stalin bedoeld wordt. De strekking is dan, dat Stalin zo machtig was, dat hij niet eens meer van zijn macht gebruik hoefde te maken om zijn onderdanen onder de duim te houden. In naam beschermt hij hen ( is hij de bewaker van de ingang) maar hij doet in feite niets dan zwijgend (en daarom des te dreigender, want ‘je moet echt niet vergeten dat zijn klauwen dodelijk zijn’) zijn deel opeisen dat iedereen hem dan ook huichelend ‘met een vriendelijk gezicht’ op een presenteerblaadje komt aandragen. ‘Toch’ dat wil zeggen ondanks het feit dat in Rusland alles veilig is (het huis heeft immers een afschrikwekkende bewaker) is het leven er niet vrolijker op geworden. Daar valt niets aan te doen, zelfs het aanbrengen van feestverlichting zal de steeds aanwezige schaduw van de Zwarte Kat niet kunnen verdrijven. De sinistere machthebber in optima forma, zoals je ziet.”

.

De zwarte kat

.

Bij ons hofje is een ingang

wel bekend als ’t “Zwarte Gat”.

Als bewaker van die toegang

hebben wij een zwarte kat.

.

Hij verbergt zichzelf in ’t duister

en zijn glimlach in zijn snor

en je hoort zelfs zijn gefluister

niet in ’t dagelijks kattenkoor.

.

Muizen doodt hij niet. Van ’t leven

worden zij niet meer beroofd.

Voor de worst die wij hem geven

heeft hij ons een kool gestoofd.

.

Zijn gele ogen zijn venijnig

op de inwoners gericht.

Daarom geeft elkeen het zijne

met een vriendelijk gezicht.

.

Muisstil zit hij daar te eten,

maar die kalmte is slechts schijn

want je moet echt niet vergeten

dat zijn klauwen dodelijk zijn.

.

Toch is om een duistere reden

ons leven thuis niet opgewekt…

Maar geld aan lampions besteden

heeft waarschijnlijk geen effekt.

.

kleine tietjes

Ilja Leonard Pfeijffer

.

Een dichter waar ik regelmatig aandacht aan besteed, maar dan niet als dichter, maar als samensteller van de dikke verzamelbundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie (samen met Gert Jan de Vries) is Ilja Leonard Pfeijffer (1968). Deze dichter en schrijver is de laatste jaren voornamelijk in beeld als schrijver van zeer succesvolle romans als ‘La Superba’ en ‘Grand Hotel Europa’. Als dichter is hij bij het grote publiek minder bekend maar onder de liefhebbers en lezers van poëzie wel degelijk.

In 2008 verscheen de bundel ‘De man van vele manieren’ verzamelde gedichten 1998-2008 (uit zijn eerste vier bundels). In deze bundel staat het gedicht dat om verschillende redenen mij kan bekoren getiteld ‘kleine tietjes…’.

.

kleine tietjes…

.

kleine tietjes in een strak

regime van petieterigheid met een rokje

wat moet je ermee Ilja?

.

wil je haar soms downloaden

voor je collectie? o ze stapt al op

gelukkig maar

.

zwarte laarzen ook

.

je wilt niet thuis zijn en ook niet naar buiten

en in geen geval kinderen

.

ja rome ach rome

.

dat ligt ook steeds verder weg

.

Italiaanse dichter

Europa

.

Ik realiseerde me dat ik op dit blog eigenlijk weinig over Italiaanse dichters heb geschreven, toen ik de bundel ‘Olijven en zilveren populieren’ tegen kwam in een stapel boeken die al een tijd naast mijn bureau stond. Deze bloemlezing uit 1960 van de ‘Moderne’ Italiaanse lyriek werd in Den Haag uitgegeven door uitgeverij L.J.C. Boucher, ingeleid door Giacomo Prampolini en van Nederlandse vertalingen voorzien door Catharina Ypes.

In de bundel staat een overzicht van, in 1960, als modern geldende dichters uit Italië, dichters geboren tussen 1876 en 1924. Feitelijk dus in alle gevallen inmiddels overleden dichters. Een van de meest recent geboren en overleden dichters die vertegenwoordigd is in de bundel, is de dichter Franco Fortini (1917 – 1994). Naast dichter was Fortini schrijver, vertaler, essayist, literair criticus en marxistische intellectueel.

Van 1964 tot 1972 gaf hij les op middelbare scholen en vanaf 1976 bekleedde hij de leerstoel Literaire Kritiek aan de Universiteit van Siena . Gedurende deze periode had hij aanzienlijke invloed op jongere generaties die op zoek waren naar sociale en intellectuele verandering. Hij werd beschouwd als een van de belangrijkste intellectuelen van Italiaans Nieuw Links. Fortini werd geassocieerd met enkele van de belangrijkste Europese schrijvers en intellectuelen, zoals Sartre , Brecht , Barthes en Lukács en hij vertaalde werken van grote dichters, schrijvers en intellectuelen als Goethe , Brecht, MiltonProustKafka, FlaubertGide en vele anderen.

Als je dit rijtje zo ziet zal het niet verbazen dat een van de gedichten die is opgenomen in deze bundel als onderwerp en titel ‘Europa’ heeft. In een week waarin bekend is geworden of het Verenigd Koninkrijk Europa via een (no deal) Brexit gaat verlaten, leek me dit wel een passend gedicht.

.

Europa

.

Lang zullen wij door de ramen kijken naar de lichten en de losplaats

van een station in de nacht, waar een zwijgende menigte is

van slapenden en van doden uit andere winters.

.

De hand heeft de hand verloren en het voorhoofd is gezonken,

het hart heeft het trage hart verlaten. De schildwachten

lopen in de sneeuw voortdurend op en neer.

.

Verlaat ons niet, o slaap, de laatste schim van onszelf,

tot de dag verrijst die de gezichten wakker zal maken,

tot die zelfde dag schreeuwt, als hij de doden herkent,

.

en de ijskoude hand wordt bedekt met vurige tranen.

.