Incident
.
Once riding in old Baltimore,
Heart-filled, head-filled with glee,
I saw a Baltimorean
Keep looking straight at me
.
.
Vanaf deze plek wil ik iedereen heel hartelijk bedanken voor de vele en vriendelijke felicitaties, ik voelde mij, mede hierdoor, zeer jarig.
De afgelopen week was ik in Parijs en bezocht daar de fototentoonstelling van de beroemde Amerikaanse fotograaf Irving Penn (1917 – 2009). Een prachtige tentoonstelling waar ik onder andere de foto die Penn nam van de dichter W.H. Auden (1907 – 1973) nam. Meteen kwam bij mij het idee op om weer eens een gedicht van deze grote dichter te plaatsen en daarom vandaag het gedicht ‘Happy Ending’ uit 1929.
.
Soms kom ik associatief ertoe om dichters te gaan lezen of herlezen. Zo hoorde ik gisteren iets over Parlando (een voordrachtstechniek) op de radio en dat deed me denken aan Armando.
Armando (1929) is een zeer all round artiest en kunstenaar; beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker. Armando is zijn officiële naam; zijn geboortenaam, het pseudoniem zoals hij het noemt, bestaat voor hem niet meer. Hij heeft zijn oorspronkelijke naam in het register van de burgerlijke stand laten vervangen door Armando, een Italiaanse versie van de naam Herman, die hij te danken heeft aan zijn Italiaanse grootmoeder. Betekenissen als ‘zich wapenend’, zoals de literaire analisten in zijn naam zien, zijn dus toevallig. Armando ontving vele (ook literaire) prijzen. Zelf ziet hij zijn werk als ‘Gesamtkunstwerk’, waarvoor zijn ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van Kamp Amersfoort de basis vormen.
Veel van zijn gedichten spelen zich af of verwijzen naar de oorlog, zo ook het gedicht ‘Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.
.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
u overschat mij
ik ben radeloos ik was een ander
geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand
.
.
De Vlaamse dichter en jeugdboekenschrijver Jan Vercammen (1906 – 1984) is zo’n dichter die redelijk snel uit het collectief geheugen van mensen aan het verdwijnen is. In Nederland was zijn dichterschap al weinig bekend maar ook in Vlaanderen nemen nieuwe namen zijn plaats in, in het literaire landschap. Daarom past zijn dichterschap prima in de categorie (bijna) vergeten dichters.
Jan Vercammens dichtdebuut was de bundel ‘Eksode‘, uit 1929. Vanaf zijn ‘De parelvisscher‘ uit 1946 wordt zijn werk religieus-humanistisch genoemd, met de liefde en de dood als belangrijke thema’s, daarvoor had zijn poëzie eerder een katholiek karakter. Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits, Italiaans, Spaans en Russisch, meerdere gedichten werden op muziek gezet. Daarnaast schreef hij ook jeugdverhalen en kinderpoëzie.
Jan Vercammen was redactiesecretaris van ‘De Tijdstroom’ (1931-1935), redacteur van ‘De Gemeenschap’ (1935-1941) en ‘De Schakel’ (1936-1940). Hij was lid van de Raad van Beheer van de Kultuurraad voor Vlaanderen (1959-1976), erevoorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.
Uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1976 het gedicht ‘Ophelia’, (de geliefde van Hamlet die verdronk) uit Hamlet van Shakespeare.
.
Ophelia
.
Ophelia, wit licht diep in het water
en de verukkelijke wonde van uw mond.
Uw duistre woorden werden dierbaar later
wanneer ik plotseling hun zin verstond.
.
Gij ziet het licht niet, want uw open ogen
zijn afgesloten met de schaduw van de dood,
o duisternis in hun verzonken bogen.
Ik was het leven dat gij duizelig ontvloodt.
.
De tijd beweegt zich traag als vinnen
van zilvervissen en ontstellend bloot.
Ophelia, nog moet ik u beminnen,
wit licht, verlokking tot de dood.
.
.
Het is alweer even geleden dat ik een liefdesgedicht plaatste. Daarom vandaag het titelloze gedicht van Ed Leeflang uit zijn bundel ‘Op Pennewips plek’ uit 1982. Ed Leeflang ( 1929 – 2008) was enkele jaren actief als journalist, studeerde Nederlands en gaf les in Zeeland en in Amsterdam. Als leraar besteedde hij veel aandacht aan het poëzieonderricht.
Hij begon met het schrijven van liedjesteksten en vertaalde kinderboeken uit het Engels.
Al schreef hij al heel lang poëzie, vanaf zijn vijtiende, toch publiceerde hij pas op zijn vijftigste gedichten. Dieren en de natuur in het algemeen, vooral die van het voormalige Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland, spelen een belangrijke rol in zijn poëzie. Ook zijn ervaring als leraar vinden we terug in zijn gedichten zoals ook onderstaand voorbeeld.
.
Ze is zo groot, zo warm, zo zonnig.
Ze haalt haar wijsheid uit een land
waar vuilnisbakken zijn beverfd met bloemen;
’s zomers zeilt zij op haar houten ledikant.
–
Haar lach vliegt zeer omslachtig
als een fazant bijvoorbeeld door het lokaal,
zo kleurig ook; zij houdt van allemaal
en niemand is alleen gelaten.
Zij kan niet haten.
–
Op het bord zij waaren en hij hete;
ze is er voor het zijn, niet voor het weten,
naar kennis heeft ze nooit gedorst.
Ze is zo groot, zo warm, zo zonnig;
ze geeft straks heel de klas de borst.
.
.
De Duitse schrijver, dichter, vertaler en redacteur Hans Magnus Enzensberger (1929) is een wereldberoemde Duitse auteur die ook onder het pseudoniem Andreas Thalmayr publiceerde. In de bundel ‘A thing of beauty’ die Menno Wigman en Rob Schouten samenstelden, en die een verzameling van de bekendste gedichten uit de wereldliteratuur bevat, is een gedicht opgenomen van Enzensberger met de titel ‘in het leesboek voor de bovenbouw’. Dit ironisch bedoelde gedicht verscheen in 1957. Voor de liefhebbers van poëzie in de oorspronkelijke taal hier het gedicht in het Duits en in de vertaling van Martin Mooij.
.
Ins Lesebuch für die Oberstufe
Lies keine Oden, mein Sohn, lies die Fahrpläne:
sie sind genauer. Roll die Seekarten auf,
eh es zu spät ist. Sei wachsam, sing nicht.
Der Tag kommt, wo sie wieder Listen ans Tor
schlagen und malen den Neinsagern auf die Brust
Zinken. Lern unerkannt gehn, lern mehr als ich:
das Viertel wechseln, den Paß, das Gesicht.
Versteh dich auf den kleinen Verrat,
die tägliche schmutzige Rettung. Nützlich
sind die Enzykliken zum Feueranzünden,
die Manifeste: Butter einzuwickeln und Salz
für die Wehrlosen. Wut und Geduld sind nötig,
in die Lungen der Macht zu blasen
den feinen tödlichen Staub, gemahlen
von denen, die viel gelernt haben,
die genau sind, von dir.
.
In het leesboek voor de bovenbouw
.
Lees geen odes mijn zoon, lees de dienstregelingen:
die zijn secuurder. Rol de zeekaarten op
voor het te laat is. Wees waakzaam, zing niet.
De dag zal komen dat ze weer lijsten op de deur
plakken en nee-zeggers tekens op de borst
verven. Leer onherkenbaar te gaan, leer meer dan ik:
van buurt te wisselen, van pas, van gezicht.
wees vertrouwd met het kleine verraad,
de dagelijkse, morsige redding. Bruikbaar
zijn de encyclieken om vuur aan te steken,
de manifesten: om boter in te pakken en zout
voor de weerlozen. Woede en geduld zijn nodig
om in de longen van de macht te blazen
het fijne dodelijke stof, gemalen
door degenen die veel hebben geleerd,
die zeker zijn, van jou.
.
.
Rudy Kousbroek (1929 – 2010) was was dichter, journalist, vertaler en essayist (hij ontving in 1975 de P.C.Hooftprijs voor essayistiek). Samen met auteurs als Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Hugo Claus behoorde hij tot de groep der Vijftigers. Met Remco Campert gaf hij het tijdschrift ‘Braak’ uit. Kousbroek ontving voor zijn essayistisch werk vele prijzen maar zijn poëzie mag er ook zeker zijn.
Uit zijn bundel ‘Dierentalen en andere gedichten’ uit 2003 het gedicht ‘Nietsvermoedend’.
.
Nietsvermoedend
Daarnet passerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je de bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
.
.
.
Er zijn veel dichters. Heel veel dichters. Als je bloemlezingen bekijkt dan staan er soms dichters in van eeuwen her. Dat betekent dat het arsenaal aan dichters voor iemand die over poëzie schrijft (zoals ik) enorm is. Dat is één van de redenen dat ik, een tijd geleden alweer, begonnen ben met de rubriek (bijna) vergeten dichters. Veel van de dichters die heden te dage niet meer gelezen worden zijn namelijk nog steeds zeer goed leesbaar.
Een goed voorbeeld van zo’n (bijna) vergeten dichter is wat mij betreft J.P. Guépin (1929 – 2006). Tijdens zijn studie klassieke letteren aan de universiteit van Amsterdam was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Hij promoveerde op een onderwerp uit de Griekse godsdienstgeschiedenis: De tragische paradox.
Guépin was dan ook een groot pleitbezorger van de Neolatijnse poëzie, waarvan hij veel vertalingen maakte. De Neolatijnse poëzie zijn gedichten die zijn geschreven in het Latijn in de periode vanaf de renaissance.
In het gedicht’Ik word als jij’ komt deze voorliefde niet zozeer naar voren. Het gedicht komt uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1984.
.
Ik word als jij
.
‘ik word als jij, we gaan elkaar vertrouwen,
kom bij me, kijk naar mij, ik naar jou,
mijn armen om je schouders, jij de jouwe,
ik voel hoe jij, jij hoe ik van je hou.’
.
‘Ik word als jij, als we in elkaar vergroeien,
ik proef mijn zoen, jouw zoen is nu mijn zoen,
mijn hand jouw buik, jouw buik mijn hand doet gloeien,
wat ik ook doe met jou zal jij weer doen.’
.
Nu woest maar kalm, dan opgewonden klaar,
gefluister, schreeuwen, en doodstil een poosje,
heel knus als lepeltjes in een klein doosje.
.
Zo gaan we op in elkaar,
wij met zijn tweeën weten hoe dat kan:
de man wordt telkens vrouw, de vrouw wordt man.
.