Site-archief
Neeltje Maria Min
Wak
.
Neeltje Maria Min (1944) haar eerste gedichten werden gepubliceerd onder het pseudoniem Sophie Perk, verwijzend naar Jacques Perk in 1964 in het Nederlands cultureel en literair tijdschrift De Gids, twee jaar later gevolgd door enkele gedichten in het literair tijdschrift Maatstaf. Haar eerste bundel ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’, uit 1966 was met een oplage van 7000 exemplaren meteen een groot succes. Haar gedichten daarin gaan over liefde en dood en over de verhouding tussen ouder en kind.
Haar vijfde en vooralsnog laatste bundel verscheen in 1995 en was getiteld ‘Kindsbeen’. Uit deze bundel, die in 1996 de publieksprijs won komt het titelloze gedicht waarbij ik meteen een beeld had. Een beeld dat je tegenwoordig steeds minder vaak te zien krijgt namelijk een wak in het ijs met in dat wak een obstakel dat door het ijs gevangen is.
.
Een toegetakeld wak,
een hinderlaag van ijs.
Het tabernakel geeft
niet prijs wat het heeft ingelijfd.
.
Waar roestig ijzer schrijft,
waar tekening begint
van lijn en hapering,
houdt wind de adem in en snijdt.
.
Hier is het wachten op:
Het einde van de tijd,
een kilte die ontdooit,
de dag waarop hij vleugels krijgt.
.
Levensavond van een drummer
Bert Voeten
.
Misschien komt het omdat ik mijn hele leven al een voorkeur voor drummers en percussionisten heb gehad of omdat ik zelf percussie speel of omdat ergens bij mij thuis op de kast ook nog een paar stokken liggen, maar het volgende gedicht van Bert Voeten trof me. Met liefde en compassie geschreven het gedicht ‘Levensavond van een drummer’ uit de bundel ‘Een bord bekijken’ uit 1966.
.
Levensavond van een drummer
.
Zijn trommen
-twee grote, vier kleine, twee
tom-toms, bongo’s etc.- heeft mijn
vader (78) al lang van de hand gedaan
.
maar niet zijn stokken
want zijn techniek houdt hij bij
op een schijf meubelplaat
met een middellijn van 15 cm
en, toegegeven,
ik ben jaloers op zijn beat.
.
Misverstand
Menno Wigman
.
Al eerder besteedde ik aandacht aan de poëzie van Menno Wigman (1966). Wigman publiceerde vanaf 1984 verschillende bundels, hij publiceerde poëzie in bladen als Vrijstaat Austerlitz, Zoetermeer, Optima, Maatstaf, De Tweede Ronde, Millennium, Payola, Bunker Hill, De Zingende Zaag, Passionate en De Gids en hij ontving voor zijn werk de A. Roland Holst-Penning (2015) en de Jan Campert-prijs (2002) voor ‘Zwart als kaviaar’. Naast dichter is Wigman vertaler en samensteller van bloemlezingen.
Uit de bundel ‘Zwart als kaviaar’ uit 2001 het gedicht ‘Misverstand’.
.
Misverstand
.
Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,
.
een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en ’s nachts – een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpesten ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets
.
wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.
.
Droef het zwieren; een recensie
Niels Landstra
.
Al eerder schreef ik een recensie over een dichtbundel van Niels Landstra (1966), dichter uit Breda. Toen over zijn bundel ‘Nader en onverklaard’. Inmiddels staat Niels aan de vooravond van de publicatie van zijn 4e bundel met als titel ‘Droef het zwieren’ bij uitgeverij Oorsprong.
Ik kreeg deze bundel te lezen voordat hij publiekelijk het licht ziet (zoals bij zijn voordracht op 25 september op het podium van Ongehoord! in Rotterdam, zie hiervoor onder de categorie Ongehoord!) met de vraag of ik er een recensie over wilde schrijven.
Nu was zijn vorige bundel mij bijzonder bevallen dus ik heb hier graag in toegestemd. De nieuwe bundel bevat 32 gedichten en deze zijn geschreven in een zware periode in zijn leven. En dat is in de gedichten, de titels van de gedichten en in de hele sfeer van de bundel te herkennen. Dat zou kunnen betekenen dat het een zware bevalling is om de bundel te lezen maar dat is geenzins het geval.
De taal van Niels Landstra laat zich niet één, twee, drie kennen, je moet zijn taal, zijn zinnen zorgvuldig lezen. Zijn woordkeus, zinsopbouw en poëtische kracht is verrassend en creatief. Ondanks het leed, de beslommeringen en het verdriet in de onderwerpen van de gedichten valt er veel te genieten. Een enkele keer heb ik de zinnen hardop moeten lezen wat mij hielp bij het begrip van de teksten. Soms ook valt Niels in de val van wat ik het gebruik van ‘grote woorden’ noem. Zo komen bijvoorbeeld woorden als galgenmaal en hongernood in het gedicht ‘Voedselbank’ mij wat hoogdravend over.
Toch schaadt dat op geen enkele manier de intentie van de dichter of het gedicht. Tussen de vaak schrijnende gedichten komt de ‘oude vertrouwde romantische’ Niels om de hoek zoals in een gedicht als ‘Bloemenzee’.
In de bundel graaft Niels in zijn ziel (of doet aan soul searching wat eigenlijk een betere omschrijving is) alsof het schrijven van deze gedichten therapeutisch was (wat misschien ook wel zo is), zonder overigens meelijwekkend of zieleknijperig te worden.
De bundel eindigt hoopvol met het gedicht ‘Laatste werkdag’ waarin de slotzinnen zijn:
In de stad zijn nog wereldwijs / de zwervers, die geenzins dralen / zij hebben elke dag een laatste werkdag.
Ik heb uit deze bijzondere bundel gekozen voor het gedicht ‘De kapeltuin’.
.
De Kapeltuin
.
Op het ruisen dat zwiert door de populieren
in bronzen mozaïeken van licht, deinen
zonnebloemen reikhalzend mee als betoverd
door een lofzang die zich over hen ontfermt
.
en de harten roerde van Spanjaarden, Fransen
en de verloren mof. In de hof glanzen
vleugeltjes van insecten bij de waterpomp
warrelen koolwitjes in stille triomf
.
om de goudsbloemen die door hun bladerkronen
gedragen soezen in de schemer, een pastel
van rood en koper dat doopt de percelen
van H.H. Maria/Dymphna’s en haar kapel
.
in het slotstuk van de nacht. Een oplaaiend
houtvuur warmt groentesoep en schildert een fietsje
oranje, bergt de kleine eigenaresse
een bloem uit de tuin in haar slapende hand.
.
Kopland op tafellaken
Gedichten op vreemde plekken
.
In mijn nimmer aflatende zoektocht naar gedichten op vreemde en bijzondere plekken kwam ik onderstaande tegen. Een gedicht (of in ieder geval een deel van een gedicht) van Rutger Kopland op de zijkant van een tafellaken.
het tafellaken wordt verkocht op Klets.nu en is bedrukt met een witte boom. In de boom staan woorden van dankbaarheid die de samenwerking weergeven waar nu een einde aan kwam (het tafellaken is gemaakt in opdracht).
Het tafellaken is gemaakt van rood linnen in combinatie met een toile du jouy stof.
Het gedicht van Rutger Kopland is getiteld ‘Onder de appelboom’en verscheen in zijn bundel ‘Onder het vee’ uit 1966.
.
Onder de appelboom
Ik kwam thuis, het was een uur of acht
en zeldzaam zacht voor de tijd van het jaar.
De tuinbank stond klaar onder de appelboom.
Ik ging zitten en ik zat te kijken
hoe de buurman in zijn tuin nog aan het spitten was.
De nacht kwam uit de aarde
en blauwer wordend licht hing in de appelboom.
Toen werd het langzaam weer te mooi om waar te zijn,
de dingen van de dag verdwenen voor de geur van hooi,
er lag weer speelgoed in het gras
en ver weg in het huis lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot onder de appelboom.
En later hoorde ik de vleugels van ganzen in de hemel,
hoorde ik hoe stil en leeg het aan het worden was.
Gelukkig kwam er iemand naast mij zitten,
om precies te zijn jij was het
die naast mij kwam onder de appelboom,
zeldzaam zacht en dichtbij voor onze leeftijd.
.
Thelonious Monk
Simon Vinkenoog
Simon Vinkenoog (1928-2009) was schrijver, dichter en voordrachtskunstenaar. Hij begon op 21 jarige leeftijd het blad literaire blad ‘Blurb’ dat samen met ‘Braak’ van Remco Campert en Rudy Kousbroek aan de wieg stond van wat later de Vijftigers werden. In 1950 debuteerde hij met de bundel ‘Wondkoorts’en publiceerde daarna nog 50 werken.
In 1951 publiceerde Vinkenoog de roemruchte bloemlezing ‘Atonaal’, die geldt als het eerste publieke manifest van de Vijftigers, die zich atonale dichters noemden. Uit de verzamelbundel ‘Eerste gedichten 49-64’ het gedicht ‘Thelonious Monk’.
.
Thelonious Monk
Dit is een straat in parijs
met een arabier in de zon
die langzaam slenterend werkeloos
loopt te zijn een 1951-noordafrikaan
ting ting ting in de bleke zon
zonder geluid
.
dit onder water uitgesproken
vonnis ting ting ting
ternauwernood de oppervlakte rakend
en met een strofe in de franse taal:
je donnerais ma vie toute entière
pour un petit rire confus et obscène
.
herinnert aan de dierentuinapen
met mondbekken harige benen
en ronde gladde achterhanden
die gretig alle kleuren grijpen wit en zwart
ting ting ting
.
Uit: Eerste gedichten 49-64, 1966
Louis Paul Boon
Verzamelde gedichten
.
Louis Paul Boon (1912-1979) was een Vlaams schrijver van romans, novellen, cursiefjes, pornografie, kunst- en literaire kritieken en poëzie. Dat laatste is niet erg bekend, zelf kende ik Boon vooral van zijn romans, maar hij heeft een aantal malen gedichten geschreven voor met name mensen uit zijn familie en vriendenkring.
Wat ik ook niet wist, is dat Boon in 1979 een serieus kandidaat was voor de Nobelprijs voor de literatuur. Zijn bekendste roman De Kapellekensbaan was in 1972 in het Engels vertaald wat hem een grote bekendheid ook buiten het Nederlandse taalgebied bracht. Boon was uitgenodigd door de Zweedse ambassade voor een bezoek op 11 mei 1979, vermoedelijk om te horen dat hem de Nobelprijs was toegekend, maar de dag ervoor overleed hij aan zijn schrijftafel. De prijs wordt alleen aan levende schrijvers toegekend.
Boon ontving tijdens zijn leven al de Leo J. Krynprijs (1942), de Henriette Roland Holst-prijs (1957), de Constantijn Huygensprijs (1966) en de Multatuliprijs (1972).
Zoals gezegd schreef hij weinig poëzie. In 1980 werd door De Arbeiderspers en Em. Querido het boekje’Verzamelde gedichten’ uitgegeven met daarin 7 blokjes van een paar gedichten die hij voor anderen schreef (zijn zusje, zijn broer, een vriend). Hier volgt het eerste gedicht van drie) uit de bundel met de titel ‘Zo zal ik dan worden’ met als ondertitel ‘drie gedichten van een stilaan ouderwordend man’.
.
Zo zal ik dan worden
.
zo zal ik dan worden
stilaan een zich oudvoelend man
een bloem een gedicht op de lippen
en verder wat knutselend nog
aan luchtvervuiling en zo
.
zo zal ik dan worden
een propere oude man
als ons hondje dat niets mocht
in huis doen en zo doof
was geworden als een pot en zo
.
zo zal ik dan worden
met wat schorre stem verhalen
aan mijn kleinzoon over vroeger
de revolutie die we toen wilden
de sovjetrepubliek vlaanderen en zo
.
zo zal ik dan worden
en vragen naar mijn bril
en zoeken naar mijn stok
om op te steunen en zo
.
Dichtersomnibus, 12e Bloemlezing
Ida G.M. Gerhardt
.
In de jaren 60 van de vorige eeuw gaf Esso elk jaar een bloemlezing uit onder de titel Dichtersomnibus (ik schreef al eerder over deel 9) en gaf dit als nieuwjaarsgeschenk weg aan haar medewerkers (vermoed ik). Ik heb 6 exemplaren in mijn boekenkast en vandaag uit de 12e bloemlezing uit 1966 een gedicht van Ida G.M. Gerhardt. De gedichten in deze bloemlezing verschenen in het jaar 1964 en dit gedicht werd in het literaire tijdschrift Maatstaf gepubliceerd.
.
In de bergen
.
Achter de barre wand vandaan
verschijnt, een steengrauw stalactiet,
de ram. Hij daalt naar zijn gebied.
Haast raakt de vacht de voeten aan.
.
Oeroud, gelijkt hij een profeet:
Elia, in zijn vacht gekleed,
uit Tisbe over de Jordaan.
.
Asketisch, tot de strijd gereed.
.
Een die niet wijkt voor het geweld
maar nadert en de horens velt.
.






















