Site-archief
Endre Ady
Verwant van de dood
.
Endre Ady (1877 – 1919) was een Hongaars dichter die zijn poëzie in een volkse stijl schreef en wiens werk sterk beïnvloed werd door dichters als Charles Baudelaire en Paul Verlaine. In zijn gedichten maakte hij vaak gebruik van het Symbolisme en thema’s als God, Hongarije en het gevecht tot overleven.
Ik ken Endre Ady als dichter al sinds 1998 toen ik voor de eerste maal de bibliotheek in Hatvan bezocht. Deze Hongaarse zusterstad van Maassluis heeft haar bibliotheek vernoemd naar deze beroemde Hongaarse dichter. Het is een heel normale zaak in Hongarije om bibliotheken naar beroemde schrijvers en dichters te noemen, heel anders dan in Nederland waar dat naar mijn weten nog nooit is gedaan.
In vertaling zijn er een aantal gedichten van Endre Ady verschenen waaronder het gedicht ‘Verwant van de dood’ in vertaling van Ankie Peypers uit 1969.
.
Verwant van de dood
.
Ik ben een verwant van de dood
en bemin de vluchtige liefde.
Ik houd ervan haar te kussen
die weggaat.
.
Ik houd van de zieke rozen
vrouwen die verwelkend
verlangen naar zonovergoten kwijnende
najaarstijd.
.
Ik houd van de trieste uren,
van hun spokende, wenkende roep.
.
Van de grote dood, de weerspiegeling
van de heilige dood.
.
Ik houd van hen die wenen,
ontwaken, verre reizen doen.
Van de kilbeijzelde ochtend
boven het veld.
.
Van de gelatenen die versagen,
van tranenloos verdriet en vrede.
Gelatenheid, de haven voor wijzen,
dichters, misdeelden.
.
Ik houd van hen die ontgoocheld zijn,
die kreupel, in de val gelokt,
niet meer geloven; van de bedrukten:
van de wereld.
.
Ik ben een verwant van de dood
en bemin de vluchtige liefde.
Ik houd ervan haar te kussen
die weggaat.
.
Lozenges
Gedichten in vreemde vormen
.
In 1965 gaf Colleen Thibaudeau een alleraardigst boekje uit met de intrigerende titel ‘Lozenges’. Om daar maar mee te beginnen; een Lozenge (◊) is een ruitvormig leesteken dat nog maar weinig gebruikt wordt. De lozenge werd vroeger wel eens gebruikt om spaties aan te geven bij woorden waar onduidelijk was of deze aan elkaar hoorden of niet. In de huidige spelling is dit niet meer nodig.
Colleen Thibaudeau (1925 – 2012) was een Canadees dichteres en schrijfster van korte verhalen die in veel tijdschriften en magazines gedichten publiceerde. Behalve ‘Lozenges’ publiceerde ze nog de bundels ‘Ten Letters’ (1975), ‘My Granddaughters Are Combing Out Their Long Hair’ (1977), ‘The Martha Landscapes’ (1984), ‘The “Patricia” Album’ (1992) en ‘The Artemesia Book’ (1991).
Het boekje ‘Lozenges’ staat vol met gedichtjes in de vorm van een object en heeft dit ook als titel. Voorbeelden zijn een kroon, een trein, een hockeystick en een pop.
Hieronder twee voorbeelden van een ballongedicht en een kaarsgedicht.
.
Voor het hele boekje on-line ga je naar http://colleenthibaudeau.com/lozenges-poems-in-the-shape-of-things/
En wat dan?
Jotie T’Hooft
.
Het verhaal van Jotie T’Hooft (1956 – 1977) is bekend, op de middelbare school ernstige aanpassingsproblemen; door zijn zwakke resultaten, opstandige karakter en zijn onhandelbaar gedrag van meerdere scholen gestuurd zocht hij zijn heil in drugs, literatuur, poëzie en muziek. Op zijn 14e was hij al verslaafd. Op zijn 17e ging hij op kamers wonen in Gent, verdwaalde daar nog verder in het drugsmilieu en deed hij een mislukte zelfmoord.
Zijn ouders namen hem terug naar zijn geboorteplaats Bevere. Daar brak een periode van relatieve rust aan. In 1975 trouwt Jotie met zijn nieuwe liefde Ingrid Weverbergh. Zijn schoonvader, directeur van uitgeverij Manteau, bezorgde hem niet alleen werk als lector bij deze uitgeverij, maar zorgde er ook voor dat zijn eerste bundel ‘Schreeuwlandschap’ in 1975 gepubliceerd werd.
Het drugsmisbruik bleef echter en in 1977 verlaat Ingrid Jotie en pleegt hij uiteindelijk zelfmoord door een overdosis cocaïne te nemen.
Jotie T’Hooft is in de eerste plaats een neoromantisch dichter en de thema’s in zijn werk zijn dan ook de thema’s uit de deze stijlperiode: het onvervulbare verlangen, de spanning tussen ideaal en werkelijkheid, de droom, het ontvluchten van de werkelijkheid, het verlangen naar zuiverheid. De belangrijkste thema’s bij Jotie T’Hooft, zijn die zaken die een rechtstreekse vlucht vormen voor het bestaan: druggebruik, dood en zelfmoord, erotiek en seks.
Het oeuvre van Jotie T’Hooft is door zijn dood op jonge leeftijd beperkt (tijdens zijn leven verscheen nog ‘Junkieverdriet’ en meteen na zijn dood ‘de laatste gedichten’) maar nog steeds wordt zijn werk verkocht en gelezen.
Uit de bundel ‘Schreeuwlandschap’ het gedicht ‘En wat dan?’.
.
En wat dan?
.
Op een dag zal ik weg zijn en
wat dan? Verdwenen zonder een
teken te geven of te nemen en
het puin dat ik achterlaat is
niet langer lachwekkend.
.
Want wie zoals ik nooit heeft
gebouwen laat niets achter dan
verwachting en verwarring en
wat dan?
.
Wellicht in uw herinnering zal ik
stollen verstijven, niet lang meer
blijven maar verbleken tot verleden
en wat toen? Te doen?
‘Het was waar’ zult gij zeggen ‘hij speelde
met woorden als geen ander maar wat
heeft dat te betekenen’. Zo bleek zal
ik zijn.
.
In u…
.
en wat dan…?
.
Jotie en Ingrid
Geranium
Hans Vlek
.
Uit de fijne bundel ‘Voor wie dit leest, Proza en poëzie van 1950 tot heden (1977) een gedicht van Hans Vlek. Hans Vlek (1947) Dichter en kunstschilder organiseerde popconcerten, schreef artikelen over popmuziek en literatuur en veroorzaakte enige commotie in Maastricht, waar hij bij een poëzie-manifestatie in de schouwburg naakt optrad. In de jaren zeventig verbleef hij enige tijd in psychiatrische klinieken. Vlek was medewerker van onder andere Tirade en De Gids en redacteur van Manifest. Het gedicht Geranium verscheen in zijn bundel Zwart op wit.
.
Geranium
.
Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium
.
Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.
.
Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel!
.
Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.
.
Hond met bijnaam Knak
Jan Hanlo
.
Bij de kringloopwinkel kocht ik een paar mooie poëziebundels voor een habbekrats waaronder ‘Voor wie dit leest, proza en poëzie van 1950 tot heden’. Nu is heden een betrekkelijk begrip daar dit boekje uit de Salamanderreeks (nummer 306) gepubliceerd werd in 1977. Het papier is al behoorlijk bruin maar de gedichten in de bundel, samengesteld door Kees Fens, zijn er niet minder door geworden.
Uit deze bundel een gedicht van Jan Hanlo (1912 – 1969) met de intrigerende titel ‘Hond met bijnaam Knak’.
.
Hond met bijnaam Knak
.
God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak
.
Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak
.
Jotie T’Hooft
Vlaamse dichters
.
Als ik de Vlaamse dichters behandel mag een van de belangrijkste en bekendste dichters Jotie T’Hooft natuurlijk niet ontbreken. Op veel te jonge leeftijd (21) overleden aan een overdosis cocaïne, heeft Jotie T’Hooft toch een aantal belangrijke dichtbundels gepubliceerd. Nog is de nagedachtenis aan T’Hooft niet minder geworden. Elk jaar wordt door Jong Groen Oudenaarde veel aandacht besteedt aan het leven en werk van Jotie T’Hooft .
Zo is er elke twee jaar (sinds 2008) een Jotie T’Hooft poëzieprijs voor jong en oud (mijn oudste dochter is ooit genomineerd voor de prijs van de jonkies).Maar er worden ook hommageavonden georganiseerd en men ijvert ervoor om zijn graf als funerair erfgoed te bewaren en te beschermen.
Jotie T’Hooft wordt wel eens het wonderkind van de jaren zeventig genoemd.
Hij werd geboren op 9 mei 1956 in Bevere, bij Oudenaarde, net zoals zijn voorouders. Van jongs af aan was hij opvallend taalvaardig, las en schreef hij veel. Omwille van zijn druggebruik en rebels karakter deed hij bijna alle scholen van Oost-Vlaanderen aan. Hij werkte in het antiekatelier van zijn oom, als nachtwaker en als lector bij uitgeverij Manteau. Waar hij ook was, wat hij ook deed, steeds bleef hij schrijven. In 1975 huwde hij uit liefde met Ingrid en verscheen zijn eerste bundel “Schreeuwlandschap”. Voor zijn tweede bundel “Junkieverdriet” (1976) kreeg hij de prestigieuze Reina Prinsen Geerligsprijs. Jotie T’Hooft werd op korte tijd een literair fenomeen. Zijn belangrijkste thema’s zijn: druggebruik, dood, erotiek, het onvervulbare verlangen, de spanning tussen ideaal en werkelijkheid, de droom, het ontvluchten van de werkelijkheid, het verlangen naar zuiverheid,…
Voor hij de kans kreeg van zijn verslaving af te geraken, overleed hij op 6 oktober 1977 aan een noodlottige overdosis. Na zijn leven verschenen nog bundels met onuitgegeven werk. Dat dit prille oeuvre nog steeds wordt gelezen en heruitgegeven toont aan dat het een tijdloze herkenbaarheid bevat. Jotie’s oom Rik verzorgt nog steeds zijn sobere graf op de begraafplaats in de Dijkstraat te Oudenaarde. Je treft er nog geregeld attenties van bewonderaars aan. Jotie wandelde zelf graag over deze begraafplaats.
.
Met dank aan http://www.jotiepoezieprijs.be/ en http://www.dbnl.org
Ik heb je liever
Hans Andreus
.
In de categorie liefdespoëzie vandaag een gedicht van Hans Andreus (1926 – 1977)
.
Ik heb je liever
.
Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet
.
Ik heb je liever dan vrolijkheid of regen,
liever dan de stilte van drie uur
in de rustig in- en uitademende nacht.
.
De meeuwen scheren overdag met hun vleugels
langs de blonde warme lucht.
De wilde bloemen staan te lachen
in het warme bad van de zon.
De zon danst zijn toch maar kleine rol
met zoveel overgave dat het heel
stil wordt, hier, in dit deel van het heelal.
.
Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet.
Liever dan vrolijkheid of regen,
liever nog dan ik heb je lief.
.
Uit: Gedichten 1948-1974, U.M.Holland, 1975
Iris
Laten we mijn lichaam delen
.
Uit de prachtige debuutbundel uit 2013 ‘Laten we mijn lichaam delen’ van Iris Brunia (1977) het titelgedicht.
.
Laten we mijn lichaam delen
om de week, afwisselend een weekend
Over halve dagen valt te praten
Mijn hemd deed ik bijna uit, hier, midden in het café
Gelukkig bedacht ik me, maar O die dag, dat ik te laat ben
wil je de notaris bellen?
Rond etenstijd kwam je binnen, we aten pannenkoeken met zeewier
Ik keek uit op het aquarium. Twee vissen treuzelden –
Een bubbelend in een boterhamzak, de ander lippen tuitend op haar af
botste, stuiterde kopje duikelend terug
Om te wennen zei de ober, anders gingen ze dood
De overgang zou te groot zijn
wennen? de dood?
Een pin van mijn kam schoot mijn nagelriem in. De rekening
Ik graaide in mijn tas
dus ja, ik bloed wel eens, maar ik vergeet
Bijna kregen we ruzie, omdat het aquarium klinkt als onze koelkast
Je wilde geen nieuwe zolang hij het deed, maar geluiden
kunnen ondraaglijk zijn
Ik las dat drie appels per dag goed zijn voor een gezond verstand
Je keek over je bril, slikte een hap weg, dat ik de boodschappen
dan niet moest vergeten
Ik begon maar weer over die vissen, dat ik me als ik een vis was
daar in het water niet thuis zou voelen, dat ik beter gedij
op plekken waar ik niet verwacht word
maar als ik naar je kijk ben ik er nog
en als ik glimlach beaam jij dat
.






















