Site-archief

Het betekend zelf | een reis

Albert Schaalma

.

In een kringloopwinkel in Assen kocht ik de bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ uitgegeven door De Beuk in 1986. Nu zal de naam Albert Schaalma weinigen beklend in de oren klinken. En toch is hij sinds 2000 een der 1300 leden der Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Schaalma (1943) was tot 1986 vooral actief als klarinettist en saxofonist in de jazz muziek, hij speelde zelfs op het North Sea Jazzfestival in Scheveningen. Vanaf 1986 verschijnen zijn gedichtencycli in tijdschriften, in bundels zoals bijvoorbeeld het boek Rondreis (2000) en in bloemlezingen. In 1992 verkreeg hij de tweejaarlijkse Masereelprijs voor Poëzie voor zijn cyclus ‘Het gindse’.

Albert Schaalma was bevriend met de bibliofiele drukker Menno Wielinga uit Bedum, die aldaar uitgeverij Exponent runde. Samen initieerden ze de serie Koppelteken-edities, waarbij eigentijdse Groninger grafiek gekoppeld werd aan moderne poëzie. Schaalma emigreerde in het begin van de 21ste eeuw naar Frankrijk. Hij woont in Aigurande in Midden-Frankrijk. Schaalma was medewerker aan onder meer DW&B en De Revisor. In 1988 verscheen ‘Op mijn schreden terug | naar huis’ in 1989 ‘De woorden zelf | de dingen’ en in 1992 ‘Een reis in de spiegel | de expeditie’.

Over de dubbele titels van zijn bundels zegt Schaalma in een interview in de Poëziekrant jaargang 17 in 1993: “In die dubbele titels zit wat mij bij het schrijven altijd bezighoudt: de dualiteit die een eenheid moet worden, omdat ze dat altijd al is: ruimte | tijd, binnenkant | buitenkant, gedicht | ding, dichtheid | openheid enzovoort.” De bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ kent een cyclisch verloop, van ochtend tot avond, van heenreis tot afscheid. Het is een structurele dichtbundel in de letterlijke zin van het woord. Hierover zegt hij: “Ik schrijf ‘als vanzelf structurerend, dat geldt voor bijna al mijn bundels.”

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Museum’ omdat de aankoop van de bundel meteen na mijn bezoek aan het (Drents) museum was.

.

Museum

.

Ziehier, uw in zichzelf gekeerd domein.

Temidden van uw stille coniferen

moet ik dit alles transformeren

zo, dat dit letterlijk  mijn paradijs zal zijn.

.

Daartoe dien ik dit helder pad te gaan,

beschroomd, met open handen,

om aan het einde klaar te staan

voor het beloofde uit aller landen.

.

En ziet, zoals ik alles vond.

Ik wandel heilig in u rond

van eeuwigheid in eeuwigheid.

En ben verloren en gebenedijd. Altijd.

.

sabel

Lize Spit

In een kringloopwinkel in Stadskanaal kocht ik de bundel ‘De Branie’ 2016 Dichters in de Prinsentuin. Nu heb ik een paar keer getracht een plekje in de Prinsentuin te bemachtigen, hoewel ver van mijn woonplaats een mooie plek om voor te dragen uit eigen werk, maar blijkbaar kon mijn werk de organisatoren niet bekoren want een aantal keren kreeg ik te horen dat men al vol zat of ik kreeg niks te horen (behalve dat ik niet uitgenodigd zou worden). Het is niet anders, jammer want ik draag dit festival een warm hart toe.

In 2016 werd een bundel uitgebracht, een bloemlezing waarin meer dan 40 dichters zijn bijeengebracht met een gedicht. Onder hen bekende namen en een aantal dichters waar ik niet eerder (en ook nooit nader meer) van gehoord had. En er staat een gedicht ‘sabel’ in van de Vlaamse schrijver Lize Spit (1988) waarvan ik even vergeten was dat ze ook poëzie schrijft. Dat doet ze zeker niet meer nadat ze doorbrak met haar roman ‘Het smelt’ in 2016. En hoewel ze poëzie publiceerde in onder andere Das Magazin, De Gids en de Poëziekrant lijkt het erop dat haar dagen als dichter achter ons liggen. Daarom hier het gedicht ‘sabel’ uit deze bloemlezing.

.

sabel

.

de buurman duwt zijn hond

de leiband strakgespannen als een sabel

de grasmaaier trekt de man die zijn ogen sluit

zo recht mogelijk achter zich uit

.

hier kan men hoogstens te pletter

lopen tegen lakens die maar niet drogen

op de hoek van het kerkhof ligt een café

daar zitten mensen te zitten

tot ze ergens anders te laat kunnen komen in hondenlevens

is er zeven keer minder tijd maar honden geven nooit de indruk

tenzij ze konijnen ruiken

.

duwen heeft veel weg van trekken

als het aan tegenovergestelde kanten plaatsvindt

.

zij die aan het kerkhof zitten bier drinken lijden waarschijnlijk

aan te weinig

fantasie bijvoorbeeld wat als de avond valt en onze hoofde

van onze rompen scheidt

.

Muggen en hommels

Roos Rebergen

.

In 2022 schreef ik over de bundel ‘Liefde‘ gedichten samengesteld door Tjitske Jansen (1971) die eind 2021 werd gepubliceerd. Een fijne bundel waaruit ik een gedicht koos van Roos Rebergen (1988). Het gedicht ‘Ruimte’ werd genomen uit haar debuutbundel ‘Ik ben al 11 jaar geen 16 meer’.  En laat ik die bundel nu pasgeleden weer, of eigenlijk voor de eerste keer, in handen hebben. In de bibliotheek van Rotterdam, waar ik even wat tijd over had, kwam ik de bundel tegen. Een bijzondere bundel want de enige bundel die ze heeft gepubliceerd (Roos is dan ook vooral muzikant, je zou haar vooral kunnen kennen van haar band Roosbeef) en vol voorbeelden van haar bijzondere manier van met taal spelen.

Een eerste gedichtje dat ik tegen kwam bestaat uit twee zinnen waarbij de tweede zin uit één woord bestaat dat golvend van de regel loopt, dat kan ik hier niet nadoen maar het is als volgt:

.

de muggen pakken ons werk en onze vrouwen af

K L O O T H O M M E L S

.

Een tweede gedicht is het gedicht ‘blijven’ waarin een onderwerp wordt aangesneden dat voor veel mensen herkenbaar zal zijn. Een voorbeeld dat niet in het gedicht voorkomt is bijvoorbeeld wanneer een bepaald liedje op een begrafenis of uitvaart wordt gespeeld. Dan blijft zo’n liedje, door de emotionele lading die erbij komt kijken, voor altijd aan die gebeurtenis plakken. Maar er zijn meer voorbeelden zoals Roos in ‘blijven’ beschrijft.

.

blijven

.

jij zet iets op en we luisteren samen

naar wat we beiden goed kennen

maar los van elkaar

het is niet ons liedje

dat hebben we niet

daar ben ik mee gestopt

het café moet een café blijven

het strand moet een strand blijven

die straat moet een straat blijven

ik wil er altijd naar toe kunnen

wat er ook gebeurt

ik kom nog steeds graag in oostende

ik kan nog steeds there she goes my beautiful world horen

ik hou nog steeds van de schelde

ik wil triestig van een film worden omdat het een zielige film is

en niet omdat ik die met jou heb gezien

je mag het niet afpakken

wil je me dat beloven?

.

Troost je

Yousra Benfquih

.

Mij wordt weleens gevraagd waar ik de inspiratie vandaan haal om elke dag een blog te schrijven. Vaak is dat door het lezen van poëziebundels (ik heb er genoeg), poëzietijdschriften, berichten over poëzie, nieuws of actualiteiten of simpelweg wanneer ik ergens tegen een gedicht aan loop (letterlijk of figuurlijk). De leukste manier echter om op een onderwerp, dichter of gedicht te komen is door het browsen (zonder doel rond bewegen) op Internet. Tik een paar onwaarschijnlijke zoektermen in, voeg daar poëzie, gedicht, dichter, poetry of poem aan toe en je staat verteld van waar je allemaal mee geconfronteerd wordt. Een andere manier is ditzelfde te doen maar dan op afbeeldingen te kijken.

Dit is precies waar ik de inspiratie en de inhoud van mijn blog vandaan heb. Ik stuitte op de website sampol.be (Samenleving en Politiek) en daar las ik over de Zomerreeks 2021: Samenleving en Poëzie. In de Zomerreeks werd het woord gegeven aan dichters (in samenwerking met het Poëziecentrum in Gent) en werd hen gevraagd te reflecteren over de samenleving. Maar liefst 45 dichters hebben gehoor gegeven aan deze oproep en van hen (vrijwel allemaal Vlaamse dichters en een enkele Nederlandse dichter) werd een gedicht opgenomen op de website.

De gedichten lezend koos ik voor een gedicht van Yousra Benfquih. Haar naam kende ik van haar voorgenomen deelname aan de tour van de Poëziebus in 2017 (die toen door omstandigheden voor haar niet doorging). Yousra Benfquih (1988) is mensenrechtenjuriste en werkt aan de universiteit Antwerpen aan een doctoraat over gelijkheid in het onderwijs. Daarnaast is ze ook een getalenteerd en gelauwerd schrijfster en ‘spoken word’ artiest. In haar poëzie speelt Benfquih met het delicate evenwicht tussen humor en ernst en tussen ongemak en ontroering. Ze stond al op uiteenlopende podia – van de Arenbergschouwburg tot Bozar – en werkte samen met talrijke organisaties zoals Amnesty International Vlaanderen en Passa Porta. Het gedicht op Sampol.be is getiteld ‘Troost je’.

.

Troost je

.

In het weiland waarin je slaapt
verwijl je niet lang genoeg om oude
dromen op te rakelen, een ouder lied

nochtans kende je het uit het hoofd,
er ontbreken noten, eeltloze vingers ook
om je frons glad te strijken, de geschiedenis

slaapt om jouw ogen, is niet meer
dan een rimpel, wimpel, deken dat de wind
doorlaat, je mond en ogen rafelende koudegaten

van een huis zonder dak: je huid,
je wenkbrauwen de dekveren
van op aarde onbeholpen albatrossen:

het liefst wil je bidden,
geluidloos huiswaarts scheren
maar het is lang wachten

op het keren van de wind, troost je,
hoog in de lucht heb je geen woonst
nodig, troost je, geen brood of bad,

en ook aan de koude zijn je botten
vast gewend geraakt,
dus troost je,

het keren van de wind duurt lang
maar slapen mag je hier vannacht.

.

Mythen en stoplichten

Alara Adilow

.

Ik lees de bundel  ‘Mythen en stoplichten‘ uit 2022 van Alara Adilow (1988). Haar debuutbundel waarmee ze in 2023 de Herman de Coninckprijs voor poëzie 2023 en de C. Buddingh’ prijs voor het beste debuut won. Wat betreft poëzie is het daar, tot op heden bij gebleven. In 2025 verscheen wel van haar hand de roman ‘Kijk es naar al dat licht’ die qua thematiek aansluit bij haar poëziedebuut; vrouwelijkheid, lichamelijkheid en de grenzen van gender, seksualiteit, het verlangen naar transformatie en metamorfose, identiteit en queerness.

Lezend in ‘Mythen en stoplichten’ vallen me een paar dingen op. Adilow neemt geen blad voor de mond, zaken worden benoemd, soms schaamteloos en dan weer heel poëtisch. Er staan twee kwatrijnen in de bundel (een gedicht of een strofe van een gedicht van vier versregels en twee rijmklanken waarbij het rijmschema meestal a-a-b-b is maar andere schema’s zijn mogelijk zoals in het geval van de kwatrijnen in de bundel die een rijmschema hebben van a-b-c-a en a-a-b-a ) en die vallen een beetje uit de toon bij de andere vrije gedichten. Adilow gebruikt in haar poëzie vele vormen en opvallend is dat ze met name in het laatste hoofdstuk stukken tekst ̶d̶o̶o̶r̶h̶a̶a̶l̶t̶. Dat heeft als gevolg dat je de tekst gewoon kan lezen maar weet dat de dichter dit heeft verwijderd. Wat een vervreemdend effect heeft op hetgeen je leest, alsof je in het hoofd van de dichter meegaat in het ontstaan van het gedicht. Tot slot viel mij op dat de woorden mythe en vooral de stoplicht(en) meerdere malen in de gedichten voorkomen maar dat dan weer in de eerste hoofdstukken.

In de bundel is er dus genoeg om je over te verbazen, van te genieten, iets van te vinden en een kijkje te krijgen in het hoofd en de ideeën van Adilow als dichter. Ergens las ik dat de poëzie van Adilow werd vergeleken met die van Rutger Kopland (NRC) en die vergelijking snap ik wel al is de poëzie van Adilow wat mij betreft wat rauwer en heeft het meer een rafelrandje. In een recensie op Meander schrijft Maurice Broere dat de redactie van de bundel wel wat zorgvuldiger had mogen zijn. Het voorbeeld van een grammaticale misser is in de 5e druk (die ik lees) inmiddels netjes gecorrigeerd (tweede zin van de eerste strofe). Goed dat daar in ieder geval aandacht voor is. Uit de bundel koos ik het titelgedicht.

.

Mythen en stoplichten

Het lichaam gehuld in tijdelijkheden
wordt nagejaagd door een ziel
in een donkere zaal gevuld met kabaal van een verleden.

In de verte wieken zwaluwen over bergtoppen. Er klotst een beek
langs koele, groene stroken, er zit geen dak op deze herberg.
Ik wring mijn hart uit: regen, donderwolken, syntax
gebroken wetten, trage jazzmuziek.

Wat zal de argumenten van mijn wonden weerleggen?

Dwalend door die lange straat, met al die gezichten
alle kostuums die ik droeg, de mannen aan wie ik valse namen gaf
en de vrouwen waartegen ik loog uit schaamte.

Er is geen vuur in poëzie.
Ik heb er lang naar gezocht, gezocht naar vuur en hamers.
Ik vond enkel weerspiegelingen in troebelheid
daar kun je geen vestiging van scheppen.

Ik vond in poëzie een wentelen uitdijend, een gevoel van ontspruiten.
Alsof ik een gewas was in taal. Alsof ik meer was dan een kist
vol vertogen opgeborgen in een lichaam.

.

piepkleine alien

Bo Vanluchene

.

Op zoek naar nieuwe dichters kom ik steeds opnieuw verrassingen tegen. Zo ook dit keer. Ik las op de website Aanlegplaats een stuk over haar en vervolgens ben ik op zoek gegaan naar meer informatie. In Stillmagazinen 9, akte van berouw, een uitgave van de KU Leuven, las ik het volgende: Bo Vanluchene (1988) studeerde journalistiek en schreef voor (bijlages van) De Morgen, Het Laatste Nieuws en De Standaard Avond om uiteindelijk te landen bij Het Nieuwsblad. Daar schreef ze enkele jaren de column ‘Bo luistert af’ in de weekendbijlage, werkt ze met veel plezier bij het online team en coördineert en schrijft ze film- en serierecensies. Daarnaast houdt ze zich graag bezig met poëzie. Bo woont in Antwerpen, maar haar hart klopt in Londen, de stad van musicals, queer (nacht)leven en haar partner Jamie.

Ik begrijp van de informatie van Aanlegplaats dat ze zich daar inmiddels gevestigd heeft. En dat haar debuutbundel in februari 2026 wordt verwacht. Op 2 mei van dit jaar verscheen al een gedicht op de website van Meander van haar met de titel ‘de vampier & ik‘ uit de groepsbundel ‘De ogen van de uil‘ uit 2025, en in de bundel ‘Nog een lente‘ uit 2010 blijkt ook al een gedicht van haar opgenomen. In Het Liegend Konijn 2025/1 staan vier gedichten van haar hand. Uit deze gedichten koos ik het gedicht ‘de piepkleine alien in het piepkleine kamertje spreekt’.

.

de piepkleine alien in het piepkleine kamertje spreekt

.

ik ben een

piepkleine alien

die een lichaam bestuurt

vanuit een piepklein kamertje

.

vlakbij mij bonst een levensgroot hart,

hoor ik stromen en pompen en

geslik, de machine loopt

gesmeerd

.

als een binnenstebuiten poppenspeler kleed ik mijn mensenlijf aan

om op stap te gaan, hoe je in gepaste schoenen moet staan

heb ik allang geleerd

.

niemand weet dat ze eigenlijk praten

met mij, meesterbrein, misvormde miniatuur,

beeldschoon schepsel van het universum,

kruipkoning. garnaalgeneraal, vernielziel

.

soms fantaseer ik dat ik het hartklepje

open, eruit sluip, wie ik ben

zomaar kan zeggen,

.

maar ik ben een enorme alien,

dan moet ik de hele wereld

in de as leggen

.

Ertussenin

Moniek Wolters

.

Van een oud collega die ik geholpen heb met een aantal zaken in het afgelopen jaar kreeg ik als dank de bundel ‘Ertussenin’ uit 2022 van Moniek Wolters. De ondertitel luidt ‘Inspiratie voor de tussentijd bij veranderingen in werk en leven’. Het voorwoord is geschreven door de Rotterdamse dichter en spoken word artiest Derek Otte (1988). Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk want de bundel van Wolters bevat korte gedichten die in thematiek en vorm wel wat aan het werk van Otte doen denken.

De bundel is verluchtigd met illustraties van Jing Foon Yu. En hoewel het boek erop gericht is iedereen die in het tussengebied zit ( de tijd en ruimte tussen dat wat je kent en dat wat er gaat komen en misschien nog onbekend is) gereedschap in de vorm van gedichten en teksten te geven om hiermee om te gaan, kun je het boek ook als dichtbundel lezen. Een dichtbundel met een thema (omgaan met veranderingen).

In de bundel staan een soort luules, korte overpeinzingen met soms een knipoog en soms een diepere gedachte zoals bijvoorbeeld ‘De sprong wagen’

Hinkel

Stap

Spring

Maar er staan ook wat meer voldragen gedichten in. Ik koos voor het gedicht ‘Het moet wel spannend klinken’.

.

Het moet wel spannend klinken

.

Zou willen

dat ik in

het Engels kon

veranderen van vorm

.

Shape shifting

dat klinkt

zo enorm

stoer en avontuurlijk

.

zo ver

hier vandaan

.

Terwijl

veranderen van vorm

toch klinkt alsof

ik thuis een taartje

in de oven heb staan

.

Lyrisch van Rembrandt

Maria Barnas

.

Van een vriend kreeg ik, uit een nalatenschap, een paar dichtbundels. Een paar echt oude bundels maar ook een bundel uit 2006 met de titel ‘Lyrisch van Rembrandt’ twintig nieuwe gedichten naar de oude meester. Deze bundel, uitgegeven door het Rijksmuseum in Amsterdam in samenwerking met Poetry International en NRC Handelsblad, bevat twintig gedichten gemaakt bij de schilderijen van Rembrandt van Rijn (1606-1669). Het deed me denken aan de bundel ‘Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief‘, een bundel uit 1988 en samengesteld door Ton van Deel dat volgens een zelfde idee werd gemaakt.

In ‘Lyrisch van Rembrandt’ staan 20 gedichten van evenzoveel dichters. Vrijwel alle bekende namen leverde een bijdrage. Van onder andere Rutger Kopland, Anna Enquist, Eva Gerlach en Judith Herzberg. Maar ook een aantal dichters die je misschien niet meteen in dit rijtje bedenkt als Albertine Soepboer, Wim Hofman en Tsead Bruinja. Ook Maria Barnas (1973) schreef een gedicht met als titel ‘Uit een’ en wel bij het schilderij ‘Borstbeeld van een man in oosterse kleding’ dat Rembrandt rond 1635 schilderde.

.

Uit een

.

Hij liet zich het liefst in het donker

van een andere gedaante staan de schilder

.

de denker de verre de vreemde

een bedelaar met de gebaren

.

van een menigte. Ik beeld zijn ogen af

door ernaar te kijken en zijn ogen

.

zetten mij neer volgen me dwars

door een gedetailleerde kamer.

.

De gedachten die ik vastleg leggen mij vast

dwingen de wens af een ander te zijn.

.

Ik schrijf over mijzelf en over mijzelf

alleen terwijl wij ons in  uiteenlopende

.

gedaanten uiteen zien gaan.

.

Barkruk

Dag vijf

.

Vandaag als vakantiegedicht iets uit MUGzine. Ik schreef al eerder dat ik in opmaat naar een nieuw nummer van MUGzine (#28 verschijnt medio augustus) gedichten zal delen uit oudere nummers. Uit MUGzine #3 uit 2020 daarom het gedicht ‘Barkruk’ van de Vlaamse dichter Lies Jo Vandenhende (1988).

.

Barkruk

.

Ik kwam hier vandaag om mezelf te vinden

en achter te laten

in de constellatie die mensen vormen

met hun verdriet en de stad

die voor ze zichzelf kent

weer een ander is

waar gevels gezichten met beugels

we alles recht willen zetten

.

nooit is er iemand die zucht

dat ze niet meer te redden vallen

dat we onze façades zandstralen en doen alsof

de brandtrap een veilige uitweg

maar zelfs dan moet je durven springen

meestal zit er een meter tussen ons en de dingen

.

of ik tel het aantal nooduitgangen

of ik ga er met mijn rug heen zitten

.

 

Laatste liefde

F.I. Tjoettsjev

.

Vandaag met mijn ogen dicht een bundel uit mijn boekenkast gepakt en opp gevoel gezocht naar een dunne bundel (de dikke laten zich makkelijker pakken). Het is de bundel ‘Gedichten’ van de Russische dichter F.I. Tjoettsjev (1803-1873) uit het Russisch vertaald door Frans-Joseph van Agt uit 1988 en uitgegeven door stichting De Lantaarn. Het gedicht werd geschreven tussen 1852 en 1854.

Ik opende de bundel op pagina 19 en daar staat het gedicht ‘Laatste liefde’.

.

Laatste liefde

.

O hoe, nu reeds ons leven zwicht,

groeit liefdes’ tederheid en bekoren…

O gloei nu, gloei nu afscheidslicht

van laatste liefde en ochtendgloren.

.

De nacht heeft half al ingezet,

slechts ginds, in ’t Westen, blijft vuurgloed nog hangen,-

vertraag, levensavond, vertraag je tred,

betovering, duurt langer, langer.

.

Verkilt in aderen het bloed,

het hart blijft tederheid belijden…

Wat jij, o laatste liefde doet!

Je bent verrukking en wanhoop beide.

.