Site-archief
Maand van de geschiedenis
Leo Vroman
.
Oktober is sinds enige jaren alweer de maand van de geschiedenis. Dit jaar is het thema van deze maand geluk. Het leek me een uitdaging daar een gedicht bij te vinden. Ik ben uiteindelijk uit gekomen bij Leo Vroman (1915 – 2014) en de bundel Psalmen en andere gedichten uit 1995. Het gedicht dat ik koos is getiteld ‘Ja wie niet’ en gaat over reïncarnatie en het geluk dat we geen herinnering hebben aan vorige levens (mijn interpretatie).
.
Ja wie niet
.
Haast elk is in een vorig leven
beslist Cleopatra geweest
en enkelen waren eerder even
een huisdier of uithuizig beest
.
maar wie schiet nog het jaar te binnen
dat wij raderdiertjes waren
of wier, te weerloos om te paren
te popelen laat staan beminnen?
.
En toch als in die eerste dagen
twee algen heel dicht samen lagen
ontblootte hij die toen nog zweeg
.
of al geleerd had eerst te vragen
een bult van louter zelfbehagen
en barstte in haar leeg.
.
Een hond achter de liefde aan
Ander liefdesgedicht
.
Yehuda Amichai ( 1924 – 2000) was een Israëlische dichter. Amichai wordt beschouwd door vele, zowel in Israël als internationaal, als Israëls grootste moderne dichter. Hij was ook een van de eerste om te schrijven in het alledaagse Hebreeuws. Hij werd bekroond met de Shlonsky Prijs (1957), de Brenner Prijs (1969), Bialik Prijs (1976), en de Israël Prijs (1982). Hij won ook internationale poëzieprijzen: De Malrauxprijs (1994) International Book Fair (Frankrijk), De Golden Wreath Award (1995) in Macedonië, International Poetryfestival en nog veel meer.
Amichai’s poëzie behandelt kwesties uit het dagelijks leven maar ook filosofische kwesties zoals de betekenis van leven en dood. Zijn werk wordt gekenmerkt door zachte ironie en originele, vaak verrassende beelden. Net als veel seculiere Israëlische dichters worstelt hij met het geloof. Zijn gedichten zitten vol verwijzingen naar God en religieuze ervaringen. Hij werd beschreven als een filosoof-dichter op zoek naar een post-theologisch humanisme. Maar hij schreef ook bijzondere liefdesgedichten zoals ‘Een hond achter de liefde aan’ uit ‘Aan de oever der wijde zee, Zeven Hebreeuwse dichters van nu’ uit 1988.
.
Een hond achter de liefde aan
.
Nadat je me had gelaten
heb ik een speurhond laten ruiken
aan mijn borst en aan mijn buik. Hij
zal zijn neusgaten vullen en eropuit gaan
om je te vinden.
.
Ik hoop dat hij je zal vinden en dat hij
de ballen van je minnaar zal verscheuren
en zijn pik zal afbijten,
of tennminste dat hij mij tussen zijn tanden
je kousen brengt.
.
Brief
Elisabeth Eybers
.
In het boek ‘Kon uit de dood ik die éne doen keren’ uit 1998, las ik een gedicht van de Zuid Afrikaanse dichter Elisabeth Eybers (1915 – 2005). Ik publiceerde al eerder een gedicht van haar hand ‘Die moeder’ op 8 maart van dit jaar. Ook dit gedicht ‘Brief’, oorspronkelijk verschenen in ‘Versamelde gedichte’ in 1995, is van een schoonheid door de taal van Eybers en het Afrikaans. Voor degene die het Afrikaans wat minder macjtig zijn ook de Engelse vertaling (met dank aan John Irons).
.
Brief
.
Moenie die dood verdink, moenie hom vrees:
sy medelye trek ’n vlammekring
om alles wat ooit skoon of teer mog wees
dat geen bederf nog daar kan binnedring.
.
Maar vrees die lewe met sy donker lis,
sy breeksug en sy onverskilligheid:
jou stil geluk, jou stil vertroue is
vir hom in die verbygaan ’n klein buit
.
om vir die aardigheid en met een hou
half ingedagte neer te kap om jou
te herinner dat jy klein is en hy groot.
.
As daar iets is, volkome en onbesmet,
wat kan gered word sal die dood dit red:
daar is geen deernis soos die van die dood.
.
Letter
.
Do not suspect death, do not show him fear.
his pity draws a ring of fire round all
that might be delicate or lovely here
and holds decay off as a shielding wall.
.
Fear life instead with his dark artifice,
indifference and his destructive quest:
your quiet trust, your quiet happiness
for him in passing are as though in jest
.
at one swift blow to hew down some small prey
half absent-mindedly as if to say
remember you are small and he is great.
.
If anything, unsullied, undepraved,
is savable, then death will see it saved:
and death’s compassion none can emulate.
.
Ik ben een god
Annie M.G. Schmidt
.
Iedereen kent Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995) en voor wie haar niet kent; ook jij kent haar of één van haar liedjes, teksten of boeken. Deze voormalig bibliothecaresse, dichter en schrijfster van verzen, liedjes, boeken, toneelstukken, musicals en radio- en televisiedrama is niet alleen in Nederland wereldberoemd maar ook buiten ons land bekend. Een gedicht dat ze schreef in 1938, niet voor kinderen en duidelijk als gedicht, is vooral door de eerste zin erg bekend. Ook bij mij. Voor een ieder die wel de erste zin kent maar ook graag eens de rest van het gedicht leest hier ‘Leeszaal’ destijds verschenen in het tijdschrift ‘Opwaartse Wegen’.
.
Leeszaal
.
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
maar in de bibliotheek een volontair
die hunk’rend op een baantje zit te wachten
en boeken uitleent met een zeker air.
Ik lever geestlijk voedsel aan mevrouwen
die binnenkomen en alleen maar van
de allernieuwste liefdesboeken houwen,
“maar niet zo’n engerd als die Wasserman”.
Ik loop met stapels boeken rond te sjouwen
en plak een etiket op Gorters Mei.
Och, als nu juffrouw Jansen eens ging trouwen,
dan kwam er eindlijk eens een plaatsje vrij.
Ik ben het niet alleen, die staat te wachten
en achter me staat nog een hele rij.
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
maar niet zo heel veel in de maatschappij ..
.
De koffieclub
Yahya Hassan
,
In een kringloopwinkel kwam ik de bundel van Yahya Hassan tegen. In mijn herinnering was hier bij publicatie nogal wat om te doen. Ik kocht de bundel en thuis zocht ik het op. De Deense Yahya Hassan (1995), zoon van Palestijnse vluchtelingen, schreef deze bundel in 2013 op 18 jarige leeftijd. Toen hij 13 was kwam hij in een jeugdinternaat terecht waar hij een grote belangstelling voor literatuur ontwikkelde. Dostojevski, de Deense dichter Michael Strunge en in het bijzonder het autobiografische werk van Karl Ove Knausgård waren zijn inspiratiebronnen.
Zijn dichtbundel werd lovend en als vernieuwend ontvangen en maakte veel discussie los over de migratiepolitiek in Denemarken. Van de bundel werden meer dan 100.000 exemplaren verkocht.
De dichtbundel is een aanklacht tegen zijn ouders maar ook tegen moslimimmigranten in het algemeen, die volgens hem met de Koran in de hand alles doen wat die Koran verbied. Met een virtuoos gevoel voor ritme en klank, rauwe en pure woorden, en bijzondere taalvondsten vertelt Hassan zijn verhaal. De vertaling is gedaan door Lammie Post-Oostenbrink.
Het gedicht ‘De koffieclub’ gaat over een ervaring in het jeugdinternaat.
.
De koffieclub
.
Op alle afdelingen van Solhaven
hangt een nummer op het prikbord
dat de groepsleiders kunnen bellen
als ze zelf de gemoederen niet kunnen sussen
dan komt er assistentie van de directeur
en andere boeren komen aandraven
en als iedereen klappen heeft gehad en naar zijn kamer is
gestuurd
drinken ze koffie
boven blanco formulieren voor gebruik van geweld
.
Autoroute du soleil
Elly de Waard
.
Van mijn dochter kreeg ik voor Vaderdag de fijne bundel ‘Op reis’ de mooiste reisgedichten onderweg. Ik ben gek op verzamelbundels rond een thema, daar staan vaak gedichten in die je nergens anders meer leest (naast vaak gedichten die je overal leest maar dat terzijde). In deze Rainbow Pocket uit 2009 kwam ik het gedicht ‘Autoroute du soleil (A7)’ tegen van Elly de Waard. Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘Het zij’ uit 1995 en bracht mij even terug naar de lange autoreizen over deze bekende route van Lyon naar Marseille.
.
Autoroute du soleil (A7)
.
Waar
kantige bergen oprijzen
.
uit de nevelige verten
en wolken van gouden brem
.
zijn neergeslagen in de berm –
de averechts stijgende
.
puntcipressen de indruk van
vulkanen bevestigen
.
en een ongebreidelde hitte
zwavelt er de lucht – alleen
.
tussen toppen en als wolken
daaronder te liggen, rots-
.
klauwen, bavianekoppen
en te verlangen naar alle verre
.
en onbekende jonge vrouwen
omgeven door majoraan
.
waarvan de blaadjes in het gele
hangende gras groen overeind
.
zijn blijven staan en die gaan
geuren als we ze aanraken, als
.
we ze kneuzen – de zo zacht
behaarde die weer zijn zoals
.
nabije en bejaardere
vrouwenwangen
.
Als wat wij zagen
Dichter van de maand april
.
Het voorlaatste gedicht in april van de dichter van de maand Neeltje Maria Min is het gedicht ‘Als wat wij zagen’. Door de afbrekingen een misschien in eerste instantie wat minder toegankelijk gedicht maar na een tweede en derde lezing wordt het vanzelf duidelijk. Uit de bundel ‘Kindsbeen’ uit 1995 dit gedicht.
.
Als wat wij zagen
.
Als wat wij zagen in de mouw
van die tot vod gedragen,
die visgraat, die nederige
vermomming van mijn moeder,
die waar geen knoop meer
aan zat maar toch sloot,
die oude grijze in zich-
zelf gekeerde winter-,
zou onze toekomst zijn:
zo duister en bekend,
zo splinternieuw.
.
Nooit wacht er een man op een vrouw
Neeltje Maria Min
.
Het gedicht van de dichter van de maand april, Neeltje Maria Min, is dit keer het gedicht ‘Nooit wacht er een man op een vrouw’ uit de bundel ‘Kindsbeen’ uit 1995.
.
Nooit wacht er een man op een vrouw
Nooit wacht er een man op een vrouw.
Een man gaat naar zee of hij vecht
of hij komt in een afgrond terecht.
Mannen gaan altijd weg.
Op een balkon speurt een vrouw,
de hand aan haar slaap,
de horizon af: Komt hij gauw?
De wacht zet zich voort
op luchthaven, kade, perron
en bij de gevangenispoort.
Eerlijk, het wachten viel licht
als hij terug is waar het begon.
Ze vertrouwt het vertrouwde gezicht.
Haar zeeman, haar dief, haar soldaat,
haar dappere ontrouwe lief
die het niet helpen kon.
.
In de avond
Aleksej Poerin
.
Geboren in Leningrad, ontwikkelde Aleksej Poerin (1955) zich na zijn studie scheikunde als dichter, essayist en literair criticus. Als dichter treedt hij in de voetsporen van Annenski, Mandelstam en Koesjner. Hij oogstte veel lof met de cyclus ‘Eurazië’uit 1995, een lyrische studie van het leven in militaire dienst. Uit ‘Optima’ uit 1997 het gedicht ‘In de avond’ in een vertaling van Hans Boland.
.
In de avond
.
Steek maar een ‘Herzegovina Fleur’ op, drink je cognac
om je op te warmen, kijk naar het zwarte, harige zwerk,
sneeuwhopen achter mica, al bijna tot aan het dak,
allerlei zilvergehaltes, aardewerk van elk merk.
.
Ga je dan naar de slaapzaal, trek je schapenvacht aan,
voel je een beeldje worden, tinkend, het vriest dat het kraakt,
lippen die smaken naar mint, cilinders van adem slaan
tegen de grond stuk, wat een geluid van scherven maakt.
.
In de tv met zijn melkwit scherm een viskom met ijs.
Kleumend en sidderend. Koortsdromen, Zweeds of Noors ge-ijl.
Hier vindt je dus het Walhalla – blauwogige, hitte, gehijs.
De kapitein Gordejtsjik is strontzat. Geen enkel heil.
.
Is het een wonder, zo’n rotzooitje, onder zijn gezag?
Tegen een muur breekt een fles, er wordt iemand opgejaagd.
Opvoeden kan hij ze toch genoeg, de godganse dag?
Is het misschien de monotonie van de drank, die knaagt?
.
Loop dan maar door naar het meer met de kapotte pomp
en de verwarmingsketel, adem de smerige damp;
niemand zal weglopen, in deze vorst, naar de zomp,
voel je gezond als een visje in een drabbige zwamp.
.
.
Neeltje Maria Min
Wak
.
Neeltje Maria Min (1944) haar eerste gedichten werden gepubliceerd onder het pseudoniem Sophie Perk, verwijzend naar Jacques Perk in 1964 in het Nederlands cultureel en literair tijdschrift De Gids, twee jaar later gevolgd door enkele gedichten in het literair tijdschrift Maatstaf. Haar eerste bundel ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’, uit 1966 was met een oplage van 7000 exemplaren meteen een groot succes. Haar gedichten daarin gaan over liefde en dood en over de verhouding tussen ouder en kind.
Haar vijfde en vooralsnog laatste bundel verscheen in 1995 en was getiteld ‘Kindsbeen’. Uit deze bundel, die in 1996 de publieksprijs won komt het titelloze gedicht waarbij ik meteen een beeld had. Een beeld dat je tegenwoordig steeds minder vaak te zien krijgt namelijk een wak in het ijs met in dat wak een obstakel dat door het ijs gevangen is.
.
Een toegetakeld wak,
een hinderlaag van ijs.
Het tabernakel geeft
niet prijs wat het heeft ingelijfd.
.
Waar roestig ijzer schrijft,
waar tekening begint
van lijn en hapering,
houdt wind de adem in en snijdt.
.
Hier is het wachten op:
Het einde van de tijd,
een kilte die ontdooit,
de dag waarop hij vleugels krijgt.
.















