Site-archief
Laatste bezoek
Erik Menkveld
.
Afgelopen zondag was ik door Louis van London gevraagd, samen met een groot aantal andere dichters, voor te dragen bij De Groene Fee in de kloostertuin aan de Oranjeboomstraat in Breda. Het was een heel fijn weerzien met een aantal dichters, met Louis maar vooral het gegeven dat we eindelijk weer eens konden voordragen voor publiek was, ondanks het miezerige weer en de kou, voor alle dichters reden tot een heel positieve beleving.
Rinske Kegel, Peter Goossens, Mandy Eggerding, Katelijne Brouwer, Rachelle Hardes, Azar Tishe, Yanni Ratajczyk Monique Wilmer-Leegwater, Amal Karam en nog een aantal dichters maakten van deze middag een bijzondere middag. Tijdens de voordrachten zag ik mijn koffiebekertje langzaam verworden tot een vrijplaats van slakken en naaktslakken. Ik moest hier meteen weer aan denken toen ik het gedicht ‘Laatste bezoek’ van Erik Menkveld las in ‘Verzamelde gedichten’ uit 2015.
Erik Menkveld (1959 – 2014) was dichter, romancier en criticus. Tussen 1987 en 1998 beheerde hij onder andere het poëziefonds van uitgeverij De Bezige Bij. Van 1998 tot 2002 was hij organisator en programmamaker bij Poetry International in Rotterdam. Van 2000 tot 2007 was hij redacteur van het literaire tijdschrift Tirade. In 2003 en in 2012 was hij jurylid van de P.C. Hooftprijs, en in 2003 ook van de VSB Poëzieprijs. Sinds 2009 was hij actief als poëzie-recensent voor De Volkskrant.
Menkveld debuteerde als dichter in 1997 met de bundel ‘De karpersimulator’. Voor deze bundel kreeg hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Ook werd hem de C. Buddingh’-prijs toegekend, die echter niet werd uitgereikt omdat hij op dat moment werkzaam was bij Poetry International (die de prijs formeel organiseerde). Zijn Oeuvre is klein doordat hij al op 54 jarige leeftijd overleed aan een hartstilstand, hij liet drie dichtbundels na en in 2015 werden dus zijn verzamelde gedichten uitgegeven. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Laatste bezoek’.
.
Laatste bezoek
.
De slak op haar oor
liet geen woord meer door.
.
mijn stem ternauwernood:
geruis en gekrijs. Meeuw
.
die binnenvloog, zichzelf
aan flarden fladderde
.
in dat oude, dove hoofd.
Tot ik maar zweeg en zij
.
haar ogen weer sloot,
al minder door lakens
.
omspoeld en onverhoeds heden.
Misschien een kleine hand
.
nog in haar hand, het verre
lichten van een kus op haar wang.
.
Meer is er niet van mij
met haar verdwenen.
.
Gedichten voor mannen
Kwukel
.
De gedichten in deze bloemlezing illustreren de stadia van een mannenleven. dat lees ik achterop de bundel ‘Gedichten voor mannen’ uit 2014. Meteen denk ik dat de titel verkeerd gekozen is, het zou moeten zijn ‘Gedichten over mannen’ maar dat is het dus niet. Dat is ook meteen mijn enige bezwaar tegen deze bloemlezing over de eerste verliefdheid, de eerste keer, voetbal en hechte vriendschappen, relaties en ontrouw, vaderschap, ouder worden en de dood.
Samenstellers Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens hebben voor uitgeverij Marmer een aardig overzicht opgesteld van gedichten over allerlei zaken rondom het man zijn. Overigens is er ook een uitgave van diezelfde uitgeverij met de (misleidende) titel ‘Gedichten voor vrouwen’ En denk nu niet dat in de bundel ‘Gedichten voor mannen’ louter mannelijke dichters zijn vertegenwoordigd, er staan ook volop gedichten van vrouwelijke dichters in.
Ik koos in dit geval wel voor een gedicht van een mannelijke dichter en wel voor het gedicht ‘Kwukel’ van Jaap Robben (1984) uit zijn bundel ‘Als iemand ooit mijn botjes vindt’ uit 2012.
.
Kwukel
.
Ik ben niet bijzonder,
daar ben ik aan gewend.
.
Ik kan geen truc
die niemand kent.
.
In de stilte van mijn hoofd
bewaar ik geen geheim
dat mij de moeite maakt.
.
Voor mij bestaat zelfs geen recept
omdat mijn vlees naar lucht en water smaakt.
.
Misschien moet ik maar hopen
dat een mensenhand na duizend jaar
een paar botjes van me vindt en zegt:
‘Ik weet niet wat het is geweest,
maar dit was zo te zien
een heel bijzonder beest.’
.
Klipdrift
Serge van Duijnhoven
.
Ik wist dat dichter en performer Serge van Duijnhoven (1970) dichtbundels met CD’s heeft uitgegeven. Zo besprak ik in 2014 al de bundel/Cd ‘Vuurproef’ https://woutervanheiningen.wordpress.com/2014/02/24/dichters-dansen-niet-2/ na digitaal nader kennis te hebben gemaakt met Serge (na een bijzonder optreden bij de poëzieavonden van Daniel Dee in Walhalla in Rotterdam). ‘Vuurproef’ is het derde deel van een trilogie, waar ‘Bloedtest’ (2003) en ‘Klipdrift’ (2007) deel 1 en 2 waren.
En nu ben ik ook in bezit van deel 2 ‘Klipdrift’, gescoord in een kringloopwinkel in Brabant. Ook ‘Klipdrift’ is een uitgave van Dichters dansen niet dat naast Serge bestaat uit DJ Fred dB (Fred de Backer 1967). Zij treden sinds 1999 met veel succes op in binnen- en buitenland onder de naam ‘Dichters dansen niet’ wat ook de naam is van de roman over het leven van een groepje jonge schrijvers (1995) dat ik destijds, toen het uitkwam al kocht en las.
Opnieuw een bundel met gedichten en de CD voor de ‘overall experience’ die Serge en Fred bieden. Opnieuw een overrompelende ervaring. Uit de bundel koos ik het gedicht ‘ctrl alt delete’ .
.
ctrl alt delete
.
de oersprong is het oor
& in den beginne was het woord
.
om van de eisprong maar te zwijgen
we krijgen het koud
.
zijn al oud in onze jongste dagen
vragen nergens om
.
behalve einde
of een koude start
.
een nieuw begin
cut the crap
.
stilte zal komen
avond zal vallen
.
er is geen weg meer heen
geen weg meer terug
.
het venster klapt de toekomst dicht
elke tak torst duizend bladeren
.
aaneen
.
Wat ik zou willen afschaffen
Laura Ranger
.
Toen mijn jongste dochter een jaar of 8 was kwam ze op het idee om, net als haar vader, gedichten te gaan schrijven. Niet zo vreemd voor een jong meisje (of jongen, zelf was ik een jaar of 13) maar wat mij trof was de toon van haar poëzie. Ik noem het hier expres poëzie want haar gedichten waren verrassend goed, sprankelend en ideeënrijk. Aan de vorm mankeerde hier en daar nog wel wat en ook de rijm in haar gedichten was soms wat gezocht maar ze had talent. Ze heeft er verder niets mee gedaan en dat is natuurlijk prima maar ik moest eraan denken toen ik het bundeltje ‘Laura’s gedichten’ onder ogen kwam van Laura Ranger.
Laura Ranger, een meisje uit Nieuw-Zeeland, begon op haar zesde gedichten te schrijven die al snel de aandacht trokken van haar ouders, haar onderwijzers, en uiteindelijk van een bekende uitgever. Ze won een belangrijke prijs, haar gedichten verschenen in tijdschriften en Bill Manhire koos één van haar gedichten voor zijn bundel ‘100 New Zealand Poems’. Gotwit (Random House) zag er iets in en publiceerde een kleine bundel van haar gedichten. In minder dan 6 maanden was haar bundel de bestverkochte bundel aller tijden in Nieuw Zeeland, meer dan twintig weken stond ze bovenaan in de Nieuw-Zeelandse boekentoptien. Volwassenen met verstand van poëzie wreven hun ogen uit van verbazing dat zo’n jong meisje zulke poëzie kon schrijven.
Op zoek naar hoe het Laura nu vergaat ben ik niet veel verder gekomen dan dat er in een verzamelbundel uit 2020 een gedicht van haar is opgenomen uit 2014 (ze was toen al volwassen) maar blijkbaar is het succes van haar allereerste gedichten nooit meer geëvenaard. In 1997 kwam er bij De Bezige Bij een vertaling van haar bundel uit ‘Laura’s gedichten’ in een vertaling van Guus Middag en Gerrie Bruil. Ik koos voor het gedicht ”Wat ik zou willen afschaffen’ dat ze op achtjarige leeftijd schreef..
.
Wat ik zou willen afschaffen
.
Ik zou de grasmaaiers
willen afschaffen
dan kon ik rennen
en gaan liggen en me verstoppen
in het hoge gras.
.
Ik zou het huiswerk
willen afschaffen
en misdadigers
vooral moordenaars.
.
Ik zou de slaap
willen afschaffen.
Ik zou ringetjes rond
mijn ogen doen
dan gingen ze nooit meer dicht.
.
Alles mag je worden
Erik Menkveld
.
Erik Menkveld (1959 – 2014) was dichter, romancier en criticus. Hij studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na zijn studie werd hij redacteur van uitgeverij De Bezige Bij waar hij onder andere het poëziefonds beheerde. Van 1998 tot 2002 was hij organisator en programmamaker bij Poetry International in Rotterdam. Daarna was hij vooral actief als zelfstandig schrijver.
Van 2000 tot 2007 was hij redacteur van het literaire tijdschrift Tirade en in 2003 en 2012 was hij jurylid van de P.C. Hooftprijs, in 2003 ook van de VSB Poëzieprijs. Sinds 2009 was hij actief als poëzie-recensent voor de Volkskrant. In 2014 kwam aan zijn leven een veel te voortijdig einde toen hij stierf aan een hartstilstand.
In de bundel ‘Schapen nu!’ uit 2001 van Erik Menkveld staat een bijzonder gedicht. Het gedicht ‘Alles mag je worden’ is bijzonder in de zin dat, toen ik het las ik steeds dacht, en nu gaat hij in het gedicht zeggen dat je ook dichter kan worden (vooral na de tweede strofe) . Aan de ene kant voelde ik daarbij een zekere teleurstelling en aan de andere kant vond ik het juist ook wel goed dat hij de functie van dichter niet noemde. Het is hoe dan ook een mooi gedicht van een bijzondere dichter.
.
Alles mag je worden
.
Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.
.
Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of –
als je leven ingewikkeld loopt –
.
gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddenstoelenfotograaf,
.
pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen…
Behalve ongelukkig. Beloofd?
.
totaal witte kamer
Gerrit Kouwenaar
.
Op verzoek van dichter Hans Franse deel ik vandaag een gedicht van Vijftiger Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) hier met jullie. Volgens Hans een van de mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Het gedicht komt uit de gelijknamige bundel ‘Totaal witte kamer’ uit 2002. Volgens Kamiel Choi, Nederlandstalige schrijver van poëzie, essays en satirische vertellingen (1979) zou ‘witter dan samen betekenen dat het witte de essentie van ‘samenheid’ teniet doet. Samen kun je nooit volmaakt wit zijn, we zijn samen bij de gratie van leesbaarheid, van “taal en teken” in het jargon van Kouwenaar.
Hoe dan ook is het een bijzonder gedicht en om Hans (en waarschijnlijk velen) een plezier te doen hier het gedicht.
.
totaal witte kamer
.
Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
.
dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later
.
en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar
.
dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –
.
Agenda hier
Rechtse poëzie
.
Hoewel ik de naam van Wout Waanders (1989) ken, en ik al het een en ander van hem heb gelezen (bijvoorbeeld via Meander in de recensie van ‘Parkplan’ zijn bundel uit 2020 https://meandermagazine.nl/2020/12/wout-waanders-parkplan/ ) ben ik toch iets nieuws te weten gekomen over hem, of eigenlijk twee dingen.
Allereerst het feit dat Wout Waanders lange tijd aandacht heeft gegeven aan stiftgedichten (en deze ook heeft gemaakt https://woutwaanders.nl/blog/wat-zou-u-doen-32 al lijkt het erop dat hij hiermee gestopt is). Maar stiftgedichten hebben altijd mijn interesse, ik heb er op dit blog onder de categorie Gedichten in vreemde vormen verschillende geplaatst.
Ten tweede het feit dat hij de geestelijk vader was van de vermakelijke website ‘De losse armpjes’ en dan met name de categorie ‘Rechtse poëzie’. Toen ik dit las was mijn interesse meteen gewekt want wat is in hemelsnaam Rechtse poëzie? Volgens de uitleg op de website: Rechtse poëzie is poëzie die inspeelt op de behoefte van de consument. En dan met name de digitale behoefte. Het is namelijk flink balen als je na een fijne zoekopdracht niet op de site komt waar je moet wezen. Daarom: poëzie geschreven naar aanleiding van de Google-zoektermen die naar deze blog hebben geleid.
In wezen dus een vorm van ready mades maar dan anders. Op de website https://woutwaanders.wordpress.com/ die sinds 2017 niet meer is geactualiseerd (de Rechtse poëzie categorie eindigt zelfs al in 2014) staan ook zijn stiftgedichten tot en met 2017. Maar de tien voorbeelden van wat Wout als Rechtse poëzie ziet zijn ook meer dan de moeite waard en zeker een bezoekje waar. Hier volgt van een voorbeeld van deze veelzijdige dichter getiteld ‘agenda hier’ dat tevens de zoekterm was, al schrijft hij erbij dat hij zich ook heeft laten inspireren door de twee zoektermen die hier direct op bleken te volgen: ‘kijharde porno’ en ‘porno keiharde’.
.
agenda hier
.
in de winkel van eva kon je terecht
voor agenda’s, sigaren, porno
of een huilbui
.
ik stormde de winkel van eva binnen
maar de winkel was die dag
van eigenaar Schouten
.
hij mompelde dat hij met mijn liefdesproblemen
weinig aan kon – wel had hij
agenda’s, sigaren, porno
.
Juni
Bijna vergeten dichter
.
Leo Ross (1934-2014) werd geboren in Zwartsluis. Op het gymnasium in Middelburg leerde Ross de drie jaar oudere Guus Vleugel kennen, de latere dichter Guus Valleide. In 1951 ging hij studeren in Amsterdam. Hij sloot toen een hechte vriendschap met Willem Wilmink, jaargenoot (als Neerlandicus) en dispuutgenoot. Hij werd toen Lektor für niederländische Philologie aan de Universiteit van Münster, Westfalen.
Voor zijn ontwikkeling belangrijke reizen maakte hij in 1965 en 1966 naar Griekenland; hij leerde Grieks uit een Duitse grammatica. In 1969 keerde hij terug naar Amsterdam als docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit in 1994, gezamenlijk met collega-Neerlandicus Rob Delvigne.
In 1982 maakte hij deel uit van de jury voor de prestigieuze (Belgische) Europese literatuurprijs, toen een Griekse schrijver bekroond werd. In de PEN maakte hij zich verdienstelijk als lid van de werkgroep Writers in prison.
Leo Ross debuteerde in 1952 in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures (PC) met een gedicht uit zijn gymnasiumtijd. De debuutbundel ‘L’Amour vert’ (1962) stond onder de invloed van Hans Lodeizen. Met groter ernst gaat in ‘Classics’ (1967) ook meer reflectie over de poëzie gepaard.
Hoewel Ross zijn eerste essays publiceerde in 1954/1955 (in Propria Cures), dus ongeveer tegelijk met zijn vroege gedichten, slaat hij in beide door hem beoefende literaire genres een opvallend verschillende toon aan: de poëzie is zonnig en vrolijk, de essays venijnig en agressief.
In 2003 in het ziekenhuis begon Leo Ross distichons te schrijven, tweeregelige gedichtjes naar het voorbeeld van het grafschrift van Vondel. Tot 2009 verschenen er vier bundels ‘tweeregels’. Ross publiceerde in verschillende literaire tijdschriften als De Revisor, De Gids, Hollands Weekblad en Maatstaf.
Uit ‘L’Amour vert’ komt het gedicht ‘Juni’.
.
Juni
.
Ik wil mijn best doen zoals bloemen
hun best doen, van mijn leven
wil ik iets stijlvols maken, een reuzeneik
voor een kleurige vogel
.
maar ik lig op een strand in de zon
met een jongen die zachtjes snurkt en
speel met de tijd als met zand, dijken
bouwend en tunnels gravend.
.
Het enige
Willy Spillebeen
.
Zo nu en dan loop ik de foto’s die ik in de loop van de jaren heb genomen nog eens door. Een enkele keer kom ik dan foto’s tegen waarvan ik helemaal vergeten was dat ik ze ooit heb genomen. Zo kwam ik foto’s tegen van de bundelpresentatie van de Vlaamse dichter en schrijver en vriend Hervé Deleu, de eerste winnaar van de Ongehoord! Gedichtenwedstrijd https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/10/14/presentatie-bundel-herve-deleu/ in zijn woonplaats Menen in Vlaanderen. Zoals je kunt zien heb ik van die presentatie een aantal foto’s gemaakt en geplaatst. Toch kwam ik nog een paar foto’s tegen die ik niet heb geplaatst toen. Een daarvan is een foto van een gedicht van plaatsgenoot van Hervé, Willy Spillebeen, die ook aanwezig was bij deze presentatie.
Willy Spillebeen (1932) is een Vlaams dichter en schrijver, zijn poëzie bezit een opvallende eenheid qua thematiek en levensbeschouwing. De sleutelbegrippen tot de gedichten keren terug in de romans en verhalen. De vaak sterk symbolisch geladen beelden uit zijn poëzie zijn ook terug te vinden in zijn proza en worden daar aangevuld met een naturalistische natuurbeschouwing.
De werken van Spillebeen kunnen worden gezien als een geschreven zoektocht die gaat van chaos naar orde, van verbrokkeling naar eenheid en van meta-fysieke twijfel naar een vrijzinnig geloof in de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens. Willy Spillebeen is een zeer veelzijdig mens. Zo was hij poëzie-recensent, redacteur van Dietsche Warande en Belfort, vertaler van poëzie, samensteller van poëziebloemlezingen, essayist, verzorger van literaire radiokronieken, jurylid van vele poëziewedstrijden, lid van allerlei commissies op het gebied van de letteren en ga zo maar door.
Op 14 december 2014 mocht ik Willy Spillebeen ontvangen op het podium van Ongehoord! in Rotterdam en daar maakte hij (zeker ook bij het jongere publiek) een bijzondere indruk op de aanwezigen https://woutervanheiningen.wordpress.com/2014/12/10/laatste-ongehoord-podium-van-2014/
Van deze bijzondere Vlaamse dichter en grootheid uit de Nederlandstalige poëzie hieronder het gedicht ‘Het enige’ op canvas dat ik destijds fotografeerde.
.













