Site-archief

De wrede gek

Maarten Biesheuvel

.

Op de website van Frank Verhallen ‘Gedicht Gedacht’ https://www.frankverhallen.nl schrift de auteur over liedjes, gedichten en cabaret. In zijn archief dat inmiddels een aantal jaren omvat, is veel moois te lezen, vaak nog voorzien van een duiding of wat extra informatie. Zo kwam ik via zijn website op het gedicht dat J.M.A. (Maarten) Biesheuvel schreef in zijn laatste bundel uit 2018 met (vooral) korte verhaaltjes ‘Verhalen uit het gekkenhuis’. Zoals wel vaker ben ik altijd weer verrast wanneer ik lees dat ook schrijvers van proza en verhalen (soms) gedichten schrijven. In het geval van Maarten Biesheuvel was dit zeker het geval. Omdat het zo’n bijna hartverscheurend en vooral heel Biesheuveliaans stuk tekst is wil ik dit graag hier delen.

.

De wrede gek

.

Ik zat in een
cel in een gekkenhuis
ik was naakt en
woog nog maar een veertje
de deur kierde een keer
ik kroop – lopen kon ik niet –
naar buiten
in de cel naast mij
bromde een gek
Godverdomme
ze hadden hem
zijn kunstbeen
afgenomen
Krukken had hij niet
behendig ving hij
een vlieg
en rukte hem
een, twee, drie, vier, vijf!
De gek rukte de vlieg vijf
poten uit, zo handig
zo wreed
toen liet hij hem
weer vliegen
en zei
Zó zak!
jij één poot
ik één poot
Verbaast het u
lezer, dat ik naar mijn
cel terug kroop
en daar op mijn brits
in snikken uitbarstte?

.

Palletgedichten

Papendrecht

.

Eind oktober 2018 werd langs de Merwede een gedicht geschreven in zwarte letters op een pallet aangebracht aan de achterkant van een groot verkeersbord voor de scheepvaart, daar waar Merwede noord en Oude Maas te samen komen. De titel ‘Merwede’ verwijst naar de rivier waarover de schepen varen en was een initiatief van Jan van Wijngaarden. In december 2018 kwam daar een gedicht bij , pallet twee met de titel ‘Noord’ van schrijver/dichter Fred van Os over het verderop gelegen strandje De Noord.

De makers van de eerste twee palletgedichten riepen plaatsgenoten op om ook een gedicht op een pallet te schrijven. Er was voldoende plaats voor meer van deze vorm van low buget poetry zoals de initiatiefnemers het noemen. En al snel werd dit opgepakt door Wim Schut en inmiddels hangt ook pallet drie aan het Aviolandapad waarbij de dichtregels als titel dragen ‘Rivier’.

Door het palletgedicht te plaatsen op de achterkant van een scheepvaartbord, hoopt Van Wijngaarden geen afbreuk te doen aan het beeldenpark en het uitzicht over de rivier.  Hij hoopt dan ook dat wandelaars even stil staan om de gedichten te lezen. Er staan daar trouwens nog meer grote verkeersborden voor de scheepvaart. Op de achterkant is plaats voor nog meer palletgedichten.

.

4 x 5 = 8

Christiaan Abbing

.

Als het gaat om versvormen is er een grote variëteit te vinden. Ik heb al vele malen geschreven over verschillende versvormen (te vinden onder de categorie Versvormen). Toen ik echter de versvorm 4 x 5 = 8 tegen kwam moest ik onwillekeurig denken aan Pippi Langkous. Op zichzelf had er nog best een relatie kunnen zijn tussen de twee want de versvorm 4 x 5 = 8 is laat in de 20ste eeuw ontstaan. We spreken hier eigenlijk over een vierregelig rijm, schema BBBB in pentameter. Het binnenrijm A schuift elke keer een jambe op. De oneven regels van een 4 x 5=8 beginnen met één versvoet en krijgen er telkens één bij. De even regels vullen de vijftallen aan. Regel 1 kan een trefwoord zijn, maar dit is niet verplicht.

Hier een voorbeeld van Christiaan Abbing getiteld ‘Bij de plaszak van de NS’ over de introductie van de plaszak in treinen (Sprinters) zonder WC in 2011 (die overigens in 2018 weer werd afgeschaft).

.

Bij de plaszak van de NS

.

Gemak
Is wat de Sprinter node mist:
’t Toilet ontbrak
NS verzon een list
Maar voor vertrek al sprak
De machinist:
‘Zeg op, wie heeft hier naast de zak
Gepist?’

.

Eenzame uitvaart

Maarten Inghels

.

Maarten Inghels (1988) is een Vlaamse dichter die van 2016 tot 2018 stadsdichter was van Antwerpen. In die periode schreef hij het gedicht ‘Bij de eenzame uitvaart van een man die een boom wilde zijn’. De eenzame uitvaart is een literair en sociaal project waarbij dichters eenzaam gestorvenen begeleiden naar hun laatste rustplaats. Het gedicht werd geschreven door de dichter van dienst (in dit geval Maarten Inghels) bij de uitvaart van meneer P.V.d.W. Hij was een zwembadbouwer van beroep, maar leed aan het einde van zijn leven aan psychische problemen. Hij dacht hij een boom was.

.

Bij de eenzame uitvaart van een man die een boom wilde zijn

.

Een boom te willen zijn
Om in huizen binnen te kijken

Bijvoorbeeld in een kantoor in een Frans hoekgebouw
Het verlangen een Frans hoekgebouw te zijn
Waarin een ambtenaar naar zijn gaatjesmaker staart
Een gaatjesmaker te zijn en gratis lucht te drukken

De gedachte het verlangen een kantoorartikel te zijn
O de wens een voorwerp van gesprek te zijn
Een nuttige bijzaak te zijn

Een envelop zijn met iemands naam op

Een kartonnen doos met uitnodigende flappen
Het verlangen te worden gevuld

De gedachte een telefoon
Te zijn tegen vochtige oren
Vast te worden gehouden
Intieme praatjes te horen

De gedachte het verlangen een deelnemer

De gedachte het verlangen een kopieerapparaat te zijn
De billen van een kantoorbediende te printen
In een donkere bureaulade te liggen
Elk denkbaar moment onverwacht vastgegrepen te worden

Een nietmachine te zijn om dingen tussen je benen te klemmen

Of het verscheurende verlangen een liniaal te zijn
De werkelijkheid ijken aan mijn onbuigzame karakter
Een houvast worden

Het verlangen in zee
Smeltende zon te zijn

Ergens anders ter wereld weer boven te komen

De gedachte het verlangen een boom
Om bloot te worden en opnieuw te beginnen

.

Vanmorgen werd ik opgebeld

Ester Naomi Perquin

.

Dichter Ester Naomi Perquin (1980) debuteerde in 2007 met de bundel ‘Servetten halfstok’. In 2017 werd ze voor twee jaar benoemd tot Dichter des Vaderlands. In 2018 werd de Herman de Coninckprijs aan haar toegekend en ze ontving voor haar bundels meerdere literaire prijzen. In 2019 schreef Perquin het Boekenweekgedicht ‘Moeder’. Uit haar bundel ‘Namens de ander’ uit 2009 komt het proza-achtige gedicht ‘Vanmorgen werd ik opgebeld’. 

 

Vanmorgen werd ik opgebeld

.

Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
– kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen –
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)

Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor het zelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.

Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij ’s ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:

Richard? Ja hoor. Die is boven.

Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?

Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we – helaas –
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.

Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?

Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.

Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.

U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
heb ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.

(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)

Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.

Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.

.

Paleidokopus

Drager Meurtant

.

Van een vaste lezer van dit blog, die ook regelmatig reageert op mijn stukjes, Drager Meurtant ontving ik een aantal bundeltjes waar ik bijzonder blij mee ben. Niet in de laatste plaats met de bundel ‘Paleikokopus’ van Drager Meurtant zelf (De naam Drager Meurtant is een anagram). Gedrukt door drukkerij Libertas Pascal in Utrecht. In deze prachtig vorm gegeven bundel staan 55 gedichten in het Nederlands en in het Engels (een enkele in het Duits en sommige alleen in het Engels) die horen bij evenzoveel foto’s van assemblages, collages, schilderijen en grafieken van zijn hand.

Drager Meurtant voelde na 35 jaar als dierenarts/onderzoeker actief geweest te zijn de sterke behoefte zich meer kunstzinnig te uiten. Primair via assemblages maar dus ook via andere kunstvormen zoals bijvoorbeeld de poëzie. Dat Drager een voorliefde en fascinatie had voor Dada wist ik al maar hij laat zich ook inspireren door vertegenwoordigers van de CoBrA beweging en Jóan Miró evenals door kunstenaars als David Smith en Joseph Cornell. Invloeden van deze kunstenaars zie je terug in de foto’s van assemblages in de bundel.

Maar niet alleen de foto’s in deze bundel zijn zeer de moeite waard, de gedichten zijn dat zeer zeker ook. Gedichten die serieus zijn maar ook humor bevatten en soms tot in het absurde zoals in het gedicht ‘Toen Miro Beuys trof’.

.

Toen Miro Beuys trof

.

“Op de dag, dat Jóan Miro Joseph Beuys trof

was er niemand

op het strand, behalve ik.

.

Beiden waren ingenomen met de installatie

durf ik stellen.”

.

In een ander gedicht komt (wellicht) zijn bijzondere levensvisie naar voren.

.

Pensioen

.

“OK mensen, na zoveel jaar

slecht-gehumeurde types te hebben verdragen

met veel te veel pretentie

gekoppeld met gebrek aan gevoel, heb ik me

teruggetrokken.

Geen TV, mobieltje, of lap-top.

Als je me wilt zien, dan één voor één graag

en met bericht vooraf, tenminste twee dagen

tevoren,

zodat ik enkele voorzorgen kan treffen.

De hond heeft geen naam / maar des te meer

tanden.”

.

Paleidokopus is een mooi vormgegeven bundel waarin veel te genieten valt. Meer informatie over het werk van Drager Meurtant vind je op https://meurtant.exto.org.

Varkens

Les Murray (1938 – 2019)

.

Op 29 april jongstleden overleed de Australische dichter, bloemlezer en criticus Les Murray. Van 1963 tot 1967 werkte hij als vertaler bij de Australian National University. In 1971 staakte hij zijn werkzaamheden als ambtenaar in Canberra om zich volledig aan de poëzie te wijden. In 1965 debuteerde hij met de bundel ‘The Ilex tree’ waarna er nog vele zouden volgen. In 2015 verschenen nog twee bundels van zijn hand en in 2018 verschenen zijn ‘Collected poems’. Deze ‘Australia Bush Bard’ en gedoodverfde Nobelprijskandidaat was populair bij een brede groep lezers van intellectuelen tot boeren. Hij werd (tijdens zijn leven) door de National trust of Australia niet voor niets benoemd tot een van de 100 levende schatten van Australië.

In 2013 vertaalde Maarten Elzinga gedichten van Murray en stelde een bundel samen van deze gedichten met als titel ‘De planken kathedraal’. Uit deze bundel het gedicht ‘Varkens’.

.

Varkens

.
We waren op het zere cement met z’n allen.
Niet door de lichtgloed verwarmd. We slurpten geen brij
onder die paal waar de bliksem aan vast zit.
Geen melk met biggeschijt om ons op te geilen.
Wij toen in koele godenstront. We vraten knap.
We wroetten in struikgewasgangen naar smakelijk rot.
We waren toen allemaal neukers. En dik, hm? Reten
de hond die teelballenbijter open en schransden hem nat.
We schoven het zompe cement van rivieren omlaag.
We snurkten de grond hol, laafden een worp, knorden.
Hielden nooit op met groeien. We woelden, we snoven
en lieten het lot begaan, tot de heuvelruggen ons waren
met zwaar verborgen hoeven. Of borstelig, met melk.
We kenden niks toen van japende messen of waterstraal-dreun.
Niet het vreselijk bliksemsnijdend geschreeuw verderop.
De klappen van verbrand water. Dit gevoel van al weg zijn
hier op geen plek met onze koppen op ondersteboven.
.
.

Entree naar de hemel

Niels Landstra

.

In 2018 verscheen bij uitgeverij U2pi in de reeks OPEN de nieuwste dichtbundel van Niels Landstra getiteld ‘Entree naar de hemel’. Toen ik de achterflap las schrok ik een beetje. In heel grote woorden waarin de superlatieven de boventoon voeren wordt het werk van Niels beschreven. Onnavolgbaar, adembenemend, duizelingwekkend, grenzeloos, zo ken ik Niels niet echt. Nu kan het zijn dat hij deze tekst niet zelf heeft geschreven maar het zette me wel even op een verkeerd spoor. De gedichten in de bundel zijn namelijk een veel betere weergave van wie Niels is en wat hij kan. En dichten kan hij. Opnieuw een bundel waarin je mee wordt genomen in zijn leven, de dingen die hij meemaakt, ervaart en ziet. Prachtige gedichten, vaak met een wat zware kijk op de dingen, zoals voor wie hij liefheeft (zijn dochters), zijn internetdates (schrijnend) en de gedichten over zijn leven (wat meer beschouwend).

Ondanks de soms niet zo rooskleurige kijk op de wereld van Niels heb ik deze bundel toch met veel plezier gelezen, niet alleen door de onderwerpen die Niels beschrijft en behandeld maar zeker door zijn taal, zijn poëtische manier van de dingen zien en weergeven zoals bijvoorbeeld in de reeks gedichten ‘Saluti a tutti’I t/m V.  “Bleef haar naam vanouds in de kroeg nagalmen / in een koor geslaakt met die Italiaanse groet / op de laatste wankeling van gast of feeststoet / de schittering van een ster in de ramen”

Dat Niels de humor in zijn poëzie ook een plekje weet te geven blijkt voor mij uit het gedicht ‘De gelukkige asceet’.

.

De gelukkige asceet

.

Op een maartse rommelmarkt zag hij haar voor

het eerst. Oude mascara, een wilde blik

een gebeeldhouwde mond, rommelig gestift

,

desolaat tegen een marsepeinen decor

van wolken, boven haar henna geverfd haar

een schittering witblauw maanlicht. Wankelbaar

. 

maar grif kreeg hij het gefikst: tegen betaling

ging ze mee, hij bespeurde geen aarzeling

toen hij het palet van haar verschijnen verwierf

.

en met de dame zielsalleen naar huis toe zwierf

het portret ophing boven zijn bed vertrouwd

zij jong en fris bleef. de asceet gelukkig oud.

.

Al met al is de bundel ‘Entree naar de hemel’ opnieuw een mooie bundel vol zeer lezenswaardige gedichten geworden, mooi uitgegeven en laat je door de tekst op de achterflap vooral niet afschrikken of weerhouden de inhoud tot je te nemen. Want dat laatste is zeker de moeite waard.

.

Jana Arns

Twaalf ribben

.

Opnieuw een dichter op verzoek, dit keer op verzoek van Luce Rutten. De Gentse Jana Arns (1983) is muzikant (dwarsfluit), fotograaf en dichter. Met haar debuut ‘Status: het is ingewikkeld’ uit 2016 won zij de prijs Letterkunde Oost-Vlaanderen 2017. Haar tweede bundel ‘Nergens in het bijzonder’ verscheen in februari 2018 . Ze publiceerde in De poëziekrant, Deus ex Machina, Gierik & NVT, Meander, Het Gezeefde Gedicht, Het Liegend Konijn en won de eerste prijs van de Literaire Prijzen Stad Sint-Truiden (2018) én Literatuurprijs Zeist (2018). Ze was ook meermaals genomineerd voor de Melopee poëzieprijs. Enkele gedichten werden opgenomen in de bloemlezing ‘De 100 beste Nederlandstalige gedichten’ van de VSB Poëzieprijs uitgegeven door De Arbeiderspers 2018.

Samen met dichters Roel Richelieu van Londersele en Charles Ducal maakte ze de voorstelling ‘Het muzikale huwelijk’ en met dichters Frouke Arns en Astrid Arns vormt ze ‘Drie maal Arns en daarmee BASta!’.

Met het gedicht ‘Twaalf ribben’ won met ze de Literatuurprijs Zeist 2018

.

Twaalf ribben

.
Ons kind is bang voor suikerspinnen.
Het spiegelpaleis in haar hoofd is beslagen.
Zij is de schim binnen dit spookhuis.
Eten is hier hogere wiskunde
met rijstkorrels na de komma,
tafels gedekt met breuken.
Het model op de flatscreen juicht haar toe.
Samen snijden ze het brood van de korsten.
Lopen op eetstokjes over onaangeroerde borden.
Geen snoep in de gaatjes van haar tanden.
Zij is twaalf ribben,
aangelengd met water.
.
                                                                                                                                               Zelfportret : fotograaf Jana Arns

Banaliteit van de liefde

Peter Goossens

.

Al enige tijd ligt de nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Peter Goossens getiteld ‘Banaliteit van de liefde’ bovenop mijn stapeltje van nog te lezen dichtbundels. Afgelopen week had ik wat tijd om het te lezen en na ‘Als’ uit 2017 dat ook al de liefde al thema had (driehoeksverhouding) nu een bundel over de liefde in algemene zin. De achterflap vermeldt dat het hier empathische poëzie betreft en als men hier mee bedoeld dat de dichter zich weet in te leven in het leven en de gevoelens van de ander dan klopt dat denk ik wel, al had ik hier en daar het gevoel dat ik meer las over de dichter zelf dan over ‘de ander’. In het ene gedicht is de verteller heel duidelijk aanwezig (Schuinsmarcheerders) in een ander gedicht richt hij zich letterlijk tot de ander (De eeuwige minnaar) maar in alle gedichten gaat het over de relatie van de ene mens tot de andere en is de liefde in al haar facetten het thema.

In zes hoofdstukjes (totaal 28 gedichten) zijn de vaak wat langere gedichten ingedeeld. Vaak zijn het de minder aangename kanten van de liefde die Peter beschrijft (verlaten zijn, ontrouw, onvermogen lief te hebben) maar de inhoud is als steeds bij Peter interessant en nieuwsgierig makend. Soms is een gedicht vertederend en dan ineens heel recht voor zijn raap. Peter gebruikt grote woorden in zijn poëzie waardoor ik soms moeite heb met de geloofwaardigheid maar ik herinner mij dat ook in zijn eerdere werk dit het geval was en dat, tijdens een voordracht (hij stond eind december op het podium van Ongehoord!) dat (kleine) bezwaar helemaal wegvalt.

Ik heb voor het gedicht ‘Het klinkt als klatergoud in vallend water’ gekozen, juist omdat de titel en de inhoud van dit gedicht op gespannen voet lijken te staan. En omdat het in het begin een ongemakkelijk gevoel teweeg brengt (#metoo?) totdat je verder leest.

.

Het klinkt als klatergoud in vallend water

.

Ik weet nog de eerste klets op je billen,

wat een nieuwe ervaring.

Hoe je dan een prooi werd.

.

MIJN PROOI

.

Ik weet nog hoe mij lippen zich krulden,

hoe ik geduldig wachtte

voor de tweede klets

.

KLETS

.

Ik weet nog hoe je lichaam zich kromde

en een lange zuchtige kreun zich tussen je lippen ontsnapte.

Hoe je billen zich aan mij toonden

en je met iets meer ongeduld wachtte,

.

KLETS

.