Site-archief

Klein

Bart Moeyaert

.

In 2003 debuteerde de Vlaamse schrijver van kinderboeken Bart Moeyaert (1964), als dichter, met een waar kleinood getiteld ‘Verzamel de liefde’. Ik schreef al eerder over deze mooie bundel vol liefdespoëzie. Hierna zou hij nog in 2008 ook nog de bundel ‘Gedichten voor gelukkige mensen’ uitbrengen, 18 gedichten over het leven in de stad Antwerpen die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen in de periode 2006-2008.  In 2023 verscheen een keuze van zijn liefdesgedichten, samengesteld door Ester Naomi Perquin, getiteld ‘Dat alles over liefde gaat’. Het wachten is op nieuw werk van zijn hand, en dan bedoel ik poëzie, want voor mij is Bart Moeyaert een van de beste dichters van (liefdes-)poëzie die er is.

Uit zijn debuutbundel komt het gedicht ‘Klein’. Hiermee bewijst Moeyaert dat ook andere onderwerpen dan alleen de liefde bij hem in goede handen zijn. In dit gedicht liet Moeyaert zich inspireren door de rechten van het kind. In 2001 verscheen het gedicht ‘Klein’ op de zijgevel van Het Paleis aan de Meistraat in Antwerpen. Overigens staat in Het Paleis ook nog een gedicht van Ted van Lieshout.

.

Klein

.

Een stoel heet een stoel,

een deur heet deur.

Dat is voor het gemak.

Maar wat een blad is

voor een vrouw

is voor een mus een dak.

Een raam heet raam.

Een huis heet huis.

Maar wat een spel is

voor een man

is voor een kat een muis.

Wat van zichzelf

het meeste zwijgt, is klein.

Een kind heet zo,

maar dat zegt niets.

Een woord is maar een woord.

Daar ding ik niet op af.

Wat een kuil is

voor een mens

is voor de dood een graf.

Tijd is zoiets als lucht,

en mensen zijn geen wijn.

Niemand wordt beter

met de jaren

dus klein verklaren

heeft geen zin.

Begin bij het begin

en leef dan

net als iedereen

eenvoudig

been voor been.

.

Wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Maureen Ghazal

.

Op de dag dat ik in het Volkskrant magazine een bijzonder leesbaar artikel en interview lees met Wim Pijbes, directeur van de stichting Tussen Droom en Daad van de familie Van der Vorm, een stichting die kunst en cultuur wil bevorderen in Rotterdam, loop ik in de kringloopwinkel tegen de bundel ‘Lockdown’ gedichten voor een ongewone tijd, aan. Toen in 2020 de wereld in de ban kwam van Corona, kwam deze zelfde stichting met het idee om jonge Rotterdams woordkunstenaars te vragen woorden te vinden voor de leegte, voor hun beleving van de stilgevallen stad. Droom en Daad werkte hierin samen met Poetry International en uit deze samenwerking kwam de bundel ‘Lockdown’ als resultaat.

In de bundel zijn gedichten opgenomen van Dean Bowen, Simone Atangana Bekono, Wessel Klootwijk, Frank Keizer, Maureen Ghazal, Derek Otte, Elten Kiene, Mariana Hirschfeld, Tomáš de Paauw en Elfie Tromp. Uit deze gedichten koos ik het gedicht van Maureen Ghazal (1995), getiteld ‘Wanneer ik terugkom veeg ik stof af’, waarin een stadsbewoner naar het platteland trekt en heimwee heeft naar de stad.

 

Wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Aangezien mijn stadskamer niet geschikt is voor isolatie
– zelfs in isolatie zoeken we naar ruimte om gedachten aan te hangen –
vertrek ik naar de polder

rond de polder hangt een stilte
die ik niet gewend ben in mijn oren
echoot een fossiele stadsruis

de weken waaien geruisloos in elkaar over
Rotterdam vervaagt tot schim ik ben bang een gezicht
te verliezen de details ervan

rond mijn oren daalt de stilte in
ik vraag een huisgenoot straten te vangen in geluid
en ontvang per mail een zwijgende opname

de stad beweegt lineair aan de polder
de polder aan het land het continent
de aarde pauzeert

boven mij hoor ik het universum zuchten
ik maak van de gelegenheid gebruik te vragen
onder welke coördinaten ik mij in de toekomst bevind
het universum zucht harder met moeite
pauzeer ik mijn vooruitdenkend lichaam

in mijn polderbed beeld ik me mijn levenloze stadskamer in
stof dat zich dik rond meubels legt

vanuit een afgezonderd lichaam reis ik verder
naar mistige plekken ik tast ogen af, een mond, oren
tot ik de stad in handen heb

wanneer ik terugkom veeg ik stof af

.

Dichter over dichter

Cees Nooteboom voor Hugo Claus

.

In de bundel ‘Zo worden jaren tijd’ Gedichten 2022-1955 (grappig detail, de nieuwste gedichten stonden als eerste in de bundel, de vroegste als laatste) van Cees Nooteboom (1933) uit 2023 staat een In memoriam Hugo Claus (1929-2008). Een gedicht waarin Nooteboom de dichter Claus memoreert. De twee dichters kenden elkaar lang en goed.

In april 1983 gingen Cees Nooteboom en Hugo Claus twee dagen lang in gesprek met elkaar. Het duo wandelde langs plekken in Kortrijk die een rol spelen in Claus’ ‘Het verdriet van België’ om er de werkelijkheid te toetsen aan die van de roman. BRT-radioman Bob de Groof nam in 1983 de gesprekken tussen Cees Nooteboom en Hugo Claus op. Het resultaat werd een radioreeks van 4 keer 43 minuten, die destijds werd uitgezonden in het Radio 2-programma Het Vertoon. Een podcast avant la lettre.

Niet zo verwonderlijk dus dat Nooteboom een gedicht aan de herinnering van Hugo Claus schreef. Op de website atelierpoesia.it met vertaalde poëzie kwam ik ook nog eens het betreffende gedicht ‘Avond’ tegen in een Italiaanse vertaling ‘La sera’. De Nederlandse variant (het origineel dus) komt er op deze website wat beroerd af (veel typo’s en weggelaten letters). Voor allen die het Italiaans machtig zijn dan wel als moedertaal hebben voeg ik die versie hier toe.

.

Avond

   in memoriam Hugo Class

De blauwe stoel op het terras, koffie, avond,

de euforbia reikend naar afwezige goden,

vol heimwee naar de kust, alles een alfabet

van geheime verlangens, dit is zijn

laatste gezicht voor het duister,

 

het floers in zijn hoofd. Hij weet,

verdwijnen zullen de vormen van woorden,

in zijn kelk alleen nog maar droesem,

de lijnen niet meer verbonden

 

die vroeger gedachten waren,

hier komt geen woord meer

dat waar is. Vergruisde grammatica,

bewogen beelden zonder brug,

 

van de wind het geluid

maar niet meer de naam,

iemand heeft het gezegd

en de dood lag op tafel,

 

een trage bediende, wachtend

in de gang, dom lachend,

bladerend in zijn krant

met ontzinde berichten.

 

Dit alles weet hij, de euforbia,

de blauwe stoel, de koffie op het terras,

de dag die hem langzaam omwikkelt

en dan met hem wegzwemt,

een zachtmoedig dier

 

met zijn prooi.

.

La sera

in memoria di Hugo Claus

La sedia blu nel bar all’aperto, il caffè, la sera,
l’euforbia che protende verso gli dei assenti,
con tanta nostalgia della costa, tutto è un alfabeto
di desideri nascosti, questa è la sua
ultima immagine prima delle tenebre,

il velo sul suo viso. Lo sa,
le forme delle parole scompariranno,
nel suo calice solamente la feccia,
le linee che prima formavano pensieri

non connetteranno,
qui nessuna parola sarà più
vera. Una grammatica frantumata,
immagini mobili senza un appiglio,

del vento solo il rumore
ma è scomparso il nome,
qualcuno l’ha detto
e il morto giaceva sulla tavola,

un inserviente stanco, mentre aspetta
nel corridoio, ride come uno stupido,
sfogliando il giornale
pieno d’inutili notizie.

Lui sa tutto, l’euforbia,
la sedia blu, il caffè al bar all’aperto,
il giorno che lento l’ha avvolto
e poi se n’è nuotato via insieme a lui,
un animale mansueto

con la sua preda.

.

Voorheen boer

Bernlef

.

Toen ik in de bundel ‘Bernlef voorgoed, gedichten 1960-2010’ uit 2012 zat te lezen bleef ik hangen bij een gedicht uit de bundel ‘Brits’ uit 1974. Dit gedicht ‘v/h boer’ dat toch alweer 50 jaar oud is, had zomaar vandaag de dag geschreven kunnen zijn. J. Bernlef (1937-2012) bleek toen al een vooruitziende geest te hebben. Nu weet ik niet of het boerenbestaan toen ook al aan verandering onderhevig was, waarschijnlijk wel want Bernlef begint zijn gedicht niet voor niets met ‘in zijn nieuwe functie / leverancier van landschap’, maar het is verrassend actueel.

Bernlef blijft voor mij hiermee een dichter om te blijven lezen. Hoewel gelouterd en met allerlei literaire prijzen overladen, verdwijnt zijn naam langzaam naar de achtergrond. Ten onrechte vind ik en daarom alleen al doet het me deugd hier vandaag dit bijzondere gedicht te delen.

.

V/H boer

.

In zijn nieuwe functie

leverancier van landschap

productieleider van een

genummerd akkerpark

.

De aren bijgepunt, met de eg

wat sierlijke patronen, de mest-

hoop in het verlengde van het hek gelegd

.

’s Middags de koeien laten loeien

de schaapjes aangekleed en

niet vergeten naar het ei te kijken

.

’s Avonds spot aan zodat tractoren

‘net enge beesten lijken’, het graan

op mensen wuivend in een zaal

.

In bed een kaartje bij zijn

vrouw gekocht, slaapt hij

heel erg voorzichtig in

.

Om vier uur zal hij wakker worden

zijn dummy buitenzetten

de band met stalgeluiden aan

.

Maar nu, nu slaapt hij nog

diep in het holst van zijn denken

groeit hij uit tot een

knoert van een boer.

.

Naima El Bezaz

Arjan Peters

.

In de bundel ‘Belvedère’ van Arjan Peters uit 2021 lees ik een gedicht met als titel ‘Naima El Bezaz’ en onmiddellijk gaan mijn gedachten terug naar 2010 (dat heb ik even moeten opzoeken) toen haar roman ‘Vinexvrouwen’ werd gepubliceerd. Dat deed destijds nog al wat stof opwaaien.

Al eerder had Naima El Bezaz (1974-2020) van zich laten horen. Na haar debuut als schrijfster in 1995 met de roman ‘De weg naar het noorden’, verscheen haar tweede boek, ‘Minnares van de duivel’  in 2002. Die roman bevatte expliciete erotische passages. Een Marokkaans-Nederlandse schrijfster die openhartig over seksualiteit schrijft.  Het kwam haar op bedreigingen te staan waarover ze zelf zei: “Ik ben een vat vol vooroordelen. Ik ben uitgesproken. Mijn bek is te groot en ik ben te direct”.

Haar roman ‘Vinexvrouwen’ over haar pogingen te wennen aan het burgerlijke leven in een nieuwbouwwijk, waar veel buurtbewoners ook ongelukkig zijn, las ik als ik destijds nadat ze was geïnterviewd op televisie, wat op mij veel indruk maakte. Zelf opgegroeid in een van de allereerste Vinex-wijken eind jaren ’60 was ik vooral heel nieuwsgierig hoe zij daarover schreef. Ik las het boek en realiseerde me dat er in de loop van de tijd wel een en ander veranderd was.

Naima El Bezaz worstelde met depressies en maakte in 2020 een einde aan haar leven. Arjan Peters interviewde haar destijds in de Bijenkorf en blijkbaar maakte ook dit interview veel indruk, getuige het gedicht dat hij erover schreef en waarin onderdelen van haar leven terug te lezen zijn.

.

Naima El Bezaz

.

Uitzinnig van blijdschap was je in de Bijenkorf

waar ik je interviewde tussen panty’s en lingerie

over je dubbele Zaanse satire

de middelmaat met gein bestrijden

leek een werkzaam medicijn

.

als het mij slecht ging, nee maar echt,

kon ik altijd bij jou terecht, zou ik dat

nooit vergeten? Het was dit, of een postzegel

in de hoofdstad, verzuchtte je in je drive-in woning

in de verfoeide wijk Westerwatering

.

Modaal plus lelijk is een straf, dat vond ik

toch ook? Vervolgens, theatraal: ‘Dit is mijn graf.’

Wat jou in onveiligheid gevangenhield,

meer dan de dwang van geloof of gedrag,

dat Meknès of eten met vork en mes,

.

het dreigement van die enge vent, de hoge flat

in het Alphen van je jeugd, waar je terug was

toen het jou slecht ging, maar dan echt, zonder

uitzinnig zicht op het hemelgewelf –

was het leven zelf.

.

Het begin van de wereld

Kunst kijken

.

Poëzie komt en gaat in vele verschillende verschijningsvormen. Van ultrakort tot ellenlang, van super serieus tot hermetisch, van lyrisch tot humoristisch. Ik hou van alle vormen door wat ze te bieden hebben. Het is vooral de verscheidenheid die me aantrekt. Het is als met je lievelingseten, heel erg lekker maar je wil je ook niet elke dag je lievelingseten eten, dan gaat het je snel tegenstaan. In de verscheidenheid aan poëzie is humor een lastige. Wanneer wordt het cabaret of melig en wanneer blijft het poëzie die een glimlach op je gezicht tovert? Drs. P, C. Buddingh’ en vele light verse dichters, er zijn genoeg voorbeelden van dichters die een lichte toets vermengen met humor in hun poëzie.

Een voorbeeld van een dichter die dit als handelsmerk heeft is Nico Dijkshoorn. Jarenlang huisdichter van De Wereld Draait Door, maar in mijn boekenkast al vertegenwoordigd met de bundel ‘Daar schrik je toch van: De eerste 1000 gedichten’ onder pseudoniem uitgebracht als P. Kouwes in 2008. In 2012 verscheen ‘Dijkshoorn kijkt kunst’ een bundel met gedichten gemaakt bij kunstwerken uit het Kröller-Müller Museum. Voor dit museum stelde hij een succesvolle audio-rondleiding samen. Hij schreef nieuwe teksten bij kunstwerken en sprak die zelf in. Deze audio-rondleiding is ook als boek, met de afbeeldingen van de kunstwerken bij de gedichten, verschenen. Hieronder twee voorbeelden van hoe een gedicht bij een kunstwerk, in dit geval ‘Het begin van de wereld’ van Brancusi uit 1924, en ‘Grasgrond’ van Vincent van Gogh uit 1887, ook humoristisch kan zijn.

.

Het begin van de wereld

.

ik was 5 jaar

mijn nichtje was 6

samen aten wij

ei

eerst luisterden wij naar ei

het tikken tegen de bodem van het pannetje

een wanhopige dans zonder armen en benen

.

oma liet

ons ei schrikken

met koud water

eieren zijn bang van alles

boter

lepeltjes

messen

.

daarna volgde

het eten

het volmaakt simultaan ei eten

mijn nicht de witte buitenkant

ik de gele binnenkant

toen wist ik het nog niet

maar nu wel

een eitje delen

dat doe je niet zomaar

met iedereen

.

Grasgrond

.

de nieuwe broek

onverwacht gestoei

het glijden op

je rechterknie

en dan al

je moeder horen

,

dat gaat er dus

nooit meer uit

je wordt bedankt

.

Een jonger vrouw

Ankie Peypers

.

Pas geleden las ik in de Volkskrant een artikel over de mentale gezondheid van jongeren. Zo piekert bijna de helft van de vrouwelijke middelbare scholieren en is er een toename van vrouwen onder de dertig die zich melden bij de spoedeisende hulp. Ergens anders las ik dat jonge vrouwen na de Coronacrisis vaker naar de huisarts gingen met depressieve gevoelens, angstklachten en angststoornissen. Zelfs het gebruik van antidepressiva onder jonge vrouwen is enorm toegenomen. Jonge vrouwen “durven” eerder aan de bel te trekken als het minder gaat. Meisjes ervaren meer druk om te presteren. Ze stellen hoge eisen aan zichzelf, waar jongens deze hoge eisen vooral aan de mensen in hun omgeving stellen. En zoals verschillende onderzoekers ook zeggen, zijn sociale contacten voor vrouwen nog belangrijker.

Ik vind dit behoorlijk verontrustend. Al jaren is er sprake van een groei bij jongeren en jong volwassenen met burn-outklachten, zelfs in een mate dat de rijksoverheid er een campagne rondom begonnen is. Met de ‘Hey, het is oké’-campagne helpen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en SZW jongeren op weg om werkstress bespreekbaar te maken.

Ik moest hieraan denken toen ik in de bundel ‘Gedichten 1951-1975’ van Ankie Peypers (1928-2008) het gedicht ‘Een jonger vrouw’ las. Uiteraard heb ik het bovenstaande even nagezocht maar de inhoud van het gedicht sluit heel mooi aan bij de geconstateerde problemen en klachten van jonge vrouwen. Vooral de laatste zinnen van dit gedicht zijn spot on.

Ankie Peypers was dichter, schrijver en journalist. Ze debuteerde op achttienjarige leeftijd met de bundel ‘Zeventien’, met daarin zeventien jeugdgedichten. In 1951 verscheen haar officiële debuut ‘October’. Daarna verschenen gedichtenbundels, vertalingen en enkele romans. Als journalist werkte ze voor De Vlam en Het Vrije Volk. Peypers was medeoprichter van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus. Ze publiceerde regelmatig over de positie van vrouwen.

.

Een jonger vrouw 

.

In mij is een jonger vrouw dan ik

met lichter ogen en smaller handen.

Zij staat op kleine gespitste voeten

door mijn ogen naar buiten te zien.

Zij kijkt naar de dagen, naar licht en kleuren,

ziet alles verwonderd, ziet alles heel schoon.

Beiden verlangen we, dat zij kon spreken,

dat zij kon bewegen en leven en breken

de donkere, die om haar woont.

.

Ik heb nooit

Gerrit Kouwenaar

.

In de bundel ‘Gedichten die vrouwen aan het huilen maken’ uit 2015 (samengesteld door Isa Hoes) las ik een gedicht van Gerrit Kouwenaar (1923-2014) dat ik herkende maar nog nooit echt goed gelezen had. Ik weet niet of je dat herkent, dat je zinnen of woordcombinaties herkent maar niet precies weet waarvan. Dat had ik bij de eerste strofe van het gedicht ‘Ik heb nooit’ dat uit de bundel ‘Gedichten 1948-1978’ van Kouwenaar werd overgenomen.

Het gedicht werd door Merel Westerik gekozen omdat het gedicht haar ontroerde en een gevoel van troost gaf. Ze schrijft erbij: Kouwenaar zelf vond het overigens maar onzin als mensen troost proberen te zoeken in gedichten. In een documentaire zei hij daarover: ‘Als je daarnaar op zoek bent moet je maar naar de kerk gaan, naar een dominee, niet naar een dichter denk ik’. Ik begrijp wel wat Gerrit Kouwenaar bedoelde. Overigens denk ik dat mensen troost kunnen putten uit gedichten zonder dat ze op zoek gaan naar gedichten voor troost. Het is volgens mij een beetje zoals het troost vinden in herinneringen. Dat kan ook een gedicht zijn.

.

Ik heb nooit

.

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

ondertussen beet de kou mij
was de zon een dag vol wespen
was het brood zout of zoet
en de nacht zwart naar behoren
of wit van onwetendheid

soms verwarde ik mij met mijn schaduw
zoals men het woord met het woord kan verwarren
het karkas met het lichaam
vaak waren de dag en de nacht eender gekleurd
en zonder tranen, en doof

maar nooit iets anders dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

het regent ik drink ik heb dorst

.

Een heiden in een heiligdom

Daan Anthuenis

.

In de Verbeke foundation, een bijzondere kunstcollectie in Kemzeke, Vlaanderen, viel mijn oog in de museumwinkel op een klein boekje. Waarschijnlijk omdat het op A6 formaat was gedrukt (net als de MUGzines). Het betrof hier een poëziebundeltje van historicus, filosoof en dichter Daan Anthuenis (1943-2018) met de titel ‘Een heiden in een heiligdom’.

Anthuenis was in de jaren zeventig cultuurattaché en werd in de jaren tachtig ook schepen (wat wij wethouder zouden noemen) voor Cultuur in Sint-Niklaas, van 1983 tot 1988. Daarna was hij actief voor de SP in Sint-Niklaas, waarvan hij ook voorzitter werd. Hij werd ook nog voorzitter van het Cultureel Centrum in Sint-Niklaas.

Hoewel hij vocht al jaren een vorm van kanker had, weerhield het hem er niet van om met een groot optimisme te leven en elke dag te omarmen. Als kunstkenner en filosoof bleef hij volop actief in het cultureel leven. Zo zette hij zich onder meer in voor artistieke projecten in de Verbeke Foundation. Daar organiseerde hij  ook ‘Het Feest van de Vriendschap’. “Een dag van dankbaarheid, voor zovele echte vrienden, de échte rijkdom van het leven”, omschreef hij dat initiatief. Ook bracht hij nog verscheidene poëziebundels uit. Het kleine bundeltje ‘Een heiden in een heiligdom’ is daar één van. Dat hij als dichter erkenning kreeg blijkt ook uit zijn deelname aan het Poëziepad Puivelde (een dorp in de gemeente Sint-Niklaas), een poëtische wandelroute van 13 kilometer waaraan ook dichters als Dirk van Bastelaere (1960), Lut de Block (1952) en Jana Arns (1983) deelnamen.

Uit het bundeltje ‘Een heiden in een heiligdom’ koos ik een gedicht zonder titel.

.

Hoe in godsnaam

kan een nijlpaard,

kan een neushoorn

een heuvel opklimmen?

.

Een os ja, dat lastdier

dat stenen sjouwt

en sjouwend sterft.

Of een draak die vliegt,

vuur- en waterspuwend,

dat kan .

.

Maar zwaargewichten

uit Afrika!

Niet.

.

Onrustig en ongemakkelijk

Erik Spinoy

.

Enige tijd geleden las ik een gedicht van Erik Spinoy. Het staat in de bundel ‘L’ en had de intrigerende titel ‘Kon dit veel langer straffeloos?…’. Al lezende voelde ik enige onrust en ongemak. Zonder het expliciet te benoemen (zoals een goede dichter betaamt zou ik zeggen) schetst Spinoy een beeld van een gevangene in een kale koude cel, naakt, in angst voor een afstraffing of erger. Dit is voor mij een mooi voorbeeld van een dichter in verzet. In dit geval, zo las ik in een samenvatting van de bundel, zoekt de dichter een antwoord op de vraag waarom de droom van broederlijkheid onder alle mensen, geen werkelijkheid is geworden. Staan we voortaan met lege handen in een cynische werkelijkheid zonder uitzicht.

Erik Spinoy (1960) is hoogleraar literatuur en culturele theorie aan de Universiteit van Luik, dichter en essayist. Hij debuteerde in 1985 met de bundel ‘Golden Boys’ waarna nog verschillende bundels verschenen van zijn hand als ‘De jagers in de sneeuw’ (1986), ‘Fratsen’ (1993), ‘Boze wolven’ (2002) ‘L’ (2004) en ‘Dode kamer’ (2011), dat bekroond werd met de Jan Campert-prijs. Zijn laatste dichtbundel dateert alweer uit 2015 ‘Nu is al te laat’.

In 2012 schreef Spinoy ook het Gedichtendagessay As/zteken. Spinoy was ook korte tijd redacteur van De Vlaamse Gids. Gedichten uit zijn bundels verschenen in voorpublicatie in allerlei Vlaamse en Nederlandse tijdschriften, waaronder R.I.P., Yang, Het liegend konijn, Dietsche Warande en Belfort en De Brakke Hond.

.

Kon dit veel langer straffeloos?…

Kon dit veel langer straffeloos?
Iets zette uit en broeide
en men voelde

dingen liepen uit de hand
dreven naar de rand en
gingen veel en veel
te ver

geruchten zwollen aan
van strovuur tot
uitslaande brand.

Honden blaften elke nacht
de maan scheen vol
doodsbleek
te rijp
als oude schimmelkaas.

Gisteren nog
de muren van de cel als door gezang
trompetgeschal slechts neergehaald

en goed
daar zat je dan:

ijskoud
naakter dan een rode slak
een dooier zonder schaal
een walnoot zonder dop

een brein dat weerzin wekt
zo zonder schedeldak
dat krimpt voor

de verwachte klap.

.