Site-archief
De hinde
Francesco Petrarca
.
Ik vond het wel weer eens tijd voor een liefdesgedicht en dus trok ik de bundel ‘De liefste, onsterfelijke liefdesverzen’ maar eens uit mijn kast. Deze bundel is samengesteld en vertaald door Paul Claes en bevat dichters die “eeuwig verliefd zijn, verliefd op hun beminde en op de taal, maar nog het meest op de liefde zelf”.
In deze bundel beroemde dichters uit alle tijden zoals Sappho, Dante, Keats, Hölderlin, Beaudelaire, Rilke, Yeats, Pessoa en vele anderen. Ik koos voor het gedicht ‘De hinde’ of zoals het in het Italiaans heet ‘Canzoniere CXC’ en ik heb zowel het origineel als de vertaling overgenomen.
.
De hinde
.
Een blanke hinde zag ik op het groen
met gouden horens onder een laurier
verschijnen bij de dubbele rivier,
terwijl de zon rees, in het guur seizoen.
.
Zo zoet verheven was dit visioen,
dat ik elk werk liet varen om het dier
te volgen, als een vrek die met plezier
zijn zwoegen opgeeft om een vondst te doen.
.
‘Raak mij niet aan,’ stond op haar sierhalsband
geschreven met topas en diamant,
‘Mijn heer heeft mij in vrijheid laten gaan.’
.
Reeds zag ik hoe de zon in ’t zenit scheen
-mijn ogen waren moe, maar niet voldaan-
toen ik in ’t water viel, en zij verdween.
.
Canzoniere CXC
.
Una candida cerva sopra l’erba
verde m’apparve, con duo corna d’oro,
fra due riviere, all’ombra d’un alloro,
levando ’l sole, a la stagione acerba.
.
Era sua vista sì dolce superba,
ch’i’ lasciai per seguirla ogni lavoro;
come l’avaro, che ’n cercar tesoro,
con diletto l’affanno disacerba.
.
Nessun mi tocchi — al bel collo d’intorno
scritto avea di diamanti e di topazî —
libera farmi al mio Cesare parve.
.
Et era ’l sol già vòlto al mezzo giorno;
gli occhi miei stanchi di mirar non sazî,
quand’io caddi ne l’acqua, et ella sparve.
.
Met de dood speel je niet
Zuidamerikaanse gedichten
.
In 1996 publiceerde uitgeverij de Prom de bundel ‘Met de dood speel je niet, Zuidamerikaanse gedichten’. Wouter Noordewier stelde de bundel samen en vertaalde gedichten van dichters uit Argentinië, Chili, Cuba, Nicaragua, Peru, El Salvador, Uruguay en Mexico (dat geografisch gezien natuurlijk niet in Zuid Amerika ligt maar ik begrijp de keuze).
Rond 1900 ontstond er overal in Zuid Amerika na eeuwen van kolonialisme en het daarbij volgen van het kolonialiserende land, een nieuwe vorm van poëzie. Waar voorheen de poëzie nationalistisch was en romantisch zonder oorspronkelijkheid was deze nieuwe poëzie juist modern, internationaal georiënteerd en thema’s waren de wetenschap, de industrie en de metropool (zoals bijvoorbeeld Buenos Aires, Sao Paulo en Mexico stad).
Opvallend bij deze nieuwe vorm van poëzie was ook dat ze heel symbolistisch was, irrationeel en surrealistisch. Het was poëzie zonder rijm, metrum en leestekens.
Voorbeelden van dichters zijn bekende als Jorge Luis Borges uit Argentinië en Mario Benedetti uit Uruguay. Het aardige van deze bundel is dat er juist ook minder of redelijk onbekende dichters is vertegenwoordigd worden. Zo had ik van het merendeel nog nooit gehoord. En dat is ten onrechte. De bundel staat vol bijzondere gedichten. Van de heel korte gedichten van Guillermo Boido (Argentinië, 1941-2013) als:
.
Poëzie is niet te koop
want
niet te koop
.
Tot de poëzie van Nicanor Parra (Chili, 1914 – 2018) van wie ik het gedicht ‘Rituelen’ heb uitgekozen. Dit gedicht en deze dichter had ik uitgekozen uit de bundel om er vervolgens achter te komen dat hij afgelopen 23 januari (op mijn verjaardag) op 103 jarige leeftijd was overleden. Parra heeft zich altijd als “antipoeta” verklaard, wat betekent dat hij de pompeuze wijzen van andere dichters wilde verwerpen. Na lezingen zei hij, “Ik trek alles wat ik gezegd heb weer in”. Parra beschouwde het leven als zinloos en had geen boodschap, door vele critici werd dit als literaire zelfmoord beschouwd en toch is zijn invloed op andere, jonge dichters groot. Zo heeft zijn gedichtenbundel ‘Poemas y antipoemas’ grote invloed gehad op de beatgeneratie. In 2011 kreeg Parra de Cervantesprijs voor zijn hele oeuvre.
.
Rituelen
.
Telkens
Als ik na een lange reis
.thuiskom
Is het eerste wat ik doe
Vragen wie er dood is:
Ieder mens is een held
Gewoon omdat hij sterfelijk is
En helden zijn ons de baas.
.
En als tweede
.of er gewonden zijn
Pas daarna,
.niet dan na dit
Begrafenisritueeltje,
mag ik leven van mezelf:
Ik sluit m’n ogen om beter te zien
En zing vol wrok
Een liedje uit het begin van de eeuw.
.
Vos onder ijs
Dichter van de maand januari
.
Vandaag koos ik als gedicht van de dichter van de maand januari Ingmar Heytze het gedicht ‘Vos onder ijs’ dat ik las in de dikke verzamelbundel ‘Het grote dieren gedichten boek’ uit 2007 samengesteld door Guus Luijters. Dit gedicht verscheen eerder in o.a. ‘Alle goeds’ uit 2001.
.
Vos onder ijs
.
Deze winter, bij het schaatsen:
vos onder ijs.
Twee glazen ogen keken op
.
alsof hij zo omhoog zou springen
met open bek
als het plotseling zomer werd.
.
Ik vlucht voor honderd boeren.
Water breekt.
Ik zwem mij langzaam dood.
.
Mijn laatste woorden zijn gedacht
ik kan niet meer
en spreken gaat niet hier.
.
Het is eenzaam. Aan deze kant.
Van het papier.
Het is zo eenzaam hier.
.
De klimmer, een berg
Sander Koolwijk
.
Poëzie hoeft niet altijd heel ingewikkeld te zijn, hoogdravend of doorwrocht, poëzie kan ook helder en duidelijk zijn. Wanneer je het leest weet je waar het over gaat. Dan is het idee, of de manier van opschrijven wat het interessant maakt. In de bundel ‘Op reis’ de mooiste reisgedichten voor onderweg, samengesteld door Henk van Zuiden, uit 2009 en uitgegeven als Rainbowpocket, staat zo’n gedicht.
Van Sander Koolwijk is het gedicht ‘De klimmer, een berg’ opgenomen dat eerder verscheen in ‘Bergstraat 55’ in 2002 bij Sillen Media Projecten.
.
De klimmer, een berg
.
Aan het einde van de vlakte
staat een berg, een hoge berg.
.
Voor de berg
staat een persoon, een klimmer.
.
Bovenop de berg
staat niemand.
.
Maar dat komt nog wel, want
voor de berg
.
staat een klimmer.
.
Wat ik graag zie
Anton Korteweg
.
Ik kreeg van Ons Erfdeel vzw een foldertje toegestuurd met de aankondiging dat dichter Anton Korteweg een bloemlezing had samengesteld met vijfentwintig duetten van gedichten en schilderijen in een soort Musée imaginaire (een papieren museum zoals Ted van Lieshout het ooit noemde). In deze bloemlezing gedichten van bekende dichters (o.a. Hugo Claus, Judith Herzberg, Ida Gerhardt, Ingmar Heytze en Vasalis) en schilderijen van ook niet de minste (Rembrandt, Vermeer, Renoir, Gauguin etc.). Aan de omvang en de zorg die aan deze bundel is besteed (voor zover je dat uit een folder kan opmaken) lijkt de aanschafprijs van €35,- me legitiem.
Door deze folder ben ik weer werk van Anton Korteweg gaan lezen. Anton Korteweg (1944) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap te Leiden. Hij was enige tijd leraar Nederlands, wetenschappelijk medewerker Moderne Nederlandse Letterkunde te Leiden en vervolgens sinds 1979 hoofdconservator van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te ‘s-Gravenhage. In die periode heb ik nog contact met hem gehad als lid van het comité van aanbeveling van het Nationaal Documentatiecentrum Maarten ’t Hart.
Zijn poëzie werd aanvankelijk gekenmerkt door de beschrijving van kleine alledaagse gebeurtenissen en de melancholische gevoelens waaraan deze appelleren. Daarbij speelt de ironisering van deze gevoelens een rol die bereikt wordt door dubbelzinnig taalgebruik en toespelingen op verheven onderwerpen in een alledaagse context. Naast zijn eigen dichtwerk was Korteweg poëzierecensent en verzorgde hij al eerder verschillende bloemlezingen.
.
Uit zijn bundel ‘In handen’ uit 1997 het volgende gedicht.
Wat ik graag zie
.
Wachtend voor ’t stoplicht, in ’t halfdonker nog,
op het Bevrijdingsplein, half acht, zag ik,
een vrachtwagen van Domomelk langsdenderen
met op de frisse flanken het bericht
dat, ingang heden, eindelijk het verschil
tussen houdbaar en lekker is verdwenen.
Ik ben niet jong meer, maar toen na een poosje
het dan toch tot me doorgedrongen was:
wij, jij en ik, we mogen ons elkaar
weer laten smaken, waarom ben ik toen
zo hard ik kon niet naar je terug gefietst?
.
Geboortestad Rotterdam
Dichter bij Rotterdam
.
Al eerder schreef ik over de bundel ‘Dichter bij Rotterdam’, een verzameling gedichten over Rotterdam, samengesteld door Meijer de Wolff in 1981. In deze bundel veel onbekende gedichten over Rotterdam en Rotterdamse zaken (Oude Binnenweg, de tram, Sparta, de Leuvenbrug, Boompjes, de Rotterdammer) van dichters waarvan de naam ons niet veel of niks meer zegt, van wat bekendere dichters ( J.H. Speenhoff) en van onbekende dichters (gedichten waar de naam van de dichter niet bekend is).
Van die laatste categorie wilde ik een gedicht hier delen. De dichter is onbekend maar het gedicht mag er zijn, in stoere taal, oud Hollands, uit een tijd dat het nog de verkeerde kant op leek te gaan met Rotterdam.
.
Geboortestad Rotterdam
.
Is dit mijn stad? – De welvaart is voorbij,
De schepen liggen rottend in de haven.
En door het touwwerk vliegen zwarte raven,
Het is gedaan met vloot en visscherij.
.
Waar is het volk van dit verlopen tij?
Men zag het vroeger langs de kade draven.
Het is vergeten nu of reeds begraven,
Prooi van zijn laatst, onheelbaar averij.
.
Voorgoed gedaan, vergeefs gekalefaat?
Daar ligt een schip waarop ‘Vertrouwen’ staat,
Ik zie een jongen, turend over ’t water.
.
Vertrouw, mijn stad: nóg stroomt de Maas voorbij,
En dit is sterker dan uw averij:
De trek naar zee, een jongensdroom voor later.
.
Dichter bij Rotterdam
G.J. Laan
.
In 1981 verscheen bij uitgeverij Futile een aardig boekje samengesteld door Meijer de Wolf, met als titel ‘Dichter bij Rotterdam’. In tegenstelling tot de ook niet onaardige bundel die een paar jaar geleden bij MUG books verscheen ‘Wij dragen Rotterdam’ in deze bundel geen hedendaagse dichters maar een overzicht van gedichten door de tijden heen over Rotterdam. Van de 16e eeuw tot de 20ste eeuw is er veel over Rotterdam geschreven in poëtische zin.
Wat opvalt zijn een aantal voor mij onbekende namen als C. A. Cocheret , W. Punt en B. Snel maar ook bekende (Rotterdamse) namen als Gerard Cox, Clara Eggink en J.H. Speenhoff, alsmede een groot aantal gedichten waar de dichter niet van bekend is. Een boek dat aan alle kanten rammelt (op het kaft staat M. de Wolff, op de titelpagina Meijer de Wolf bijvoorbeeld) met een rare bladspiegel maar dat maakt niets uit. Het is het levenswerk van deze de Wolf(f) en hij heeft een fraaie doorsnee van poëzie (hoge en lage) over Rotterdam bij elkaar gebracht.
Ik heb gekozen voor het gedicht ‘De Oude Binnenweg’ van G.J. Laan.
.
De Oude Binnenweg
.
Rond de Ouwe Binnenweg
draait ’t leven door.
Daar is geen sprake van hoge flats
of een groot glazen kantoor.
’n Biertje in ’n cafeetje,
bij de visman een vette bek.
Dan voel je je goed
en dan pas bruist je bloed,
Aan de Binnenweg is nog pret.
.
Die smalle Oude-Binnenweg,
’n stukje oud Rotterdam,
daar hoor je ’t orgel nog spelen,
in de kroeg zit ’n ouwe man.
Hij draait een zware Van Nelle
en bestelt weer een Ouwe Vlek,
want waar smaakt je borreltje lekkerder
dan aan de Ouwe-Binnenweg.
.
Ik ben bang voor de honger
Gedichten die mannen aan het huilen maken
.
Uit de fijne bundel, samengesteld door Nick Muller, ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ koos Arie Boomsma voor het gedicht ‘Ik ben bang voor de honger’ van Jan Arends (1925 – 1974).
Als motivatie waarom hij juist dit gedicht koos zegt Arie: Wat mij zo treft in het gedicht ‘Ik ben bang voor de honger’is de schaamte, dat het leven zo anders is gelopen dan gehoopt. Maar wat schuilt er toch veel schoonheid in mineur. het gedicht is om te grienen zo mooi.
.
Ik ben bang voor de honger.
.
Ik ben bang
voor de honger.
.
Ik heb vrees
voor honger.
.
Ik ben mijn leven bang
voor honger geweest.
.
Ik ben jong
en sterk geweest
en ik was er zeker van
dat er bloemen zouden zijn
vrouwen
een huis.
.
Dat ik de dingen zou beheersen
.
en misschien was dat ook zo geweest.
.
Maar ik ben altijd bang
voor honger geweest
en daarom ben ik dit geworden.
.















