Categorie archief: Bibliotheken

Gwij Mandelinck

Erfenis

.

Afgelopen week overleed de Vlaamse dichter en geestelijk vader van Poëziezomers van Watou Gwij Mandelinck (1937-2024). Mandelinck was een pseudoniem voor Guido Haerijnck. Zijn pseudoniem kwam van de rivier de Mandel die te Wakken in de Leie vloeit. Paul Snoek zou hem hebben opgedragen een pseudoniem te kiezen, omdat die één vissennaam in de Vlaamse literatuur wel genoeg vond. Op zoek naar wat achtergrond informatie kwam ik erachter dat we niet alleen op dezelfde dag jarig waren maar ook nog eens hetzelfde beroep hebben uitgeoefend (bibliothecaris). Gwij Mandelinck  heeft samen met zijn vrouw in het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw het, toen nog ingeslapen, dorpje Watou in de Westhoek van Vlaanderen op de poëtische, Belgische en internationale kaart gezet.

In 1980 begon hij met het festival Watou Poëziezomer. Samen met zijn vrouw trokken ze grote dichters naar deze uithoek van België. In eerste instantie dichters uit de lage landen maar al snel ook dichters van over de hele wereld. Het festival trok al snel veel bezoekers uit voornamelijk België en Nederland. Ze kwamen voor de kunst en voor de poëzie. Door dit festival dat twee maanden per jaar allerlei activiteiten rond kunst en poëzie bood, onderging het dorp zelf ook een verandering. Zo zijn er inmiddels een Hugo Clausplein, een Paul Snoekstraat en en Rutger Koplandstraat. Ook een aantal kunstobjecten en muurbeschilderingen bleven bewaard en dichter Eddy van Vliet liet zijn as uitstrooien in Watou.

In 2008 stopte Mandelinck met de Poëziezomers in Watou. Financieel was het niet meer rond te krijgen. Hij probeerde een doorstart in Brugge onder de naam Kunstenfestival Watou. Zelf verhuisde ze naar Aartrijke (bij Gent) en hun huis in Watou werd het Huis van de Dichter, een schrijfresidentie waar dichters een tijdje kunnen werken. Naast zijn werk voor de poëzie in Watou en daarbuiten was Gwij Mandelinck ook dichter. In 1962 debuteerde hij met een in eigen beheer uitgegeven bundel ‘De Wake’ waarna nog vele bundels zouden verschijnen, de laatste in 2014 ‘Lotgenoten’.

Voor zijn letterkundige werk ontving hij verschillende keren prijzen zoals de Maurice Gilliamsprijs en de Guido Gezelleprijs. Uiteraard ben ik op zoek gegaan naar een gedicht van Mandelinck en dat heb ik gevonden in Maatstaf jaargang 41 uit 1993. Het gedicht is getiteld ‘Erfenis’ en ik koos het omdat de erfenis van Gwij Mandelinck er een is van bijzondere betekenis.

.

Erfenis

.

Nu het ouderpaar is uitgedragen, weegt wat
hangen bleef er zwaar; de kalk rondom de spijkers
brokkelt op de grond. Zij die gewicht aan onze
dagen gaven lijken nu te zweven in het rond.
.
Elkaar de stofjes uit de ogen sparend erven wij dit sterven;
uitvergroot in wat de doden samen waren zullen ons de maten
van hun deuren nauwelijks een doorgang laten. Nog voor
de grendels uit de handen schuiven, sluiten wij ons buiten.
.
.

Na de liefde

Dirk von Petersdorff

.

In mijn fotoalbums op mijn telefoon kwam ik een foto tegen die ik nam in 2018, in Stuttgart – Europaviertel, in de Stattbibliothek aldaar. Ik was daar met een groep mensen allen werkzaam in bibliotheken in Nederland en tijdens een rondleiding was ik op zoek naar de poëziecollectie. Blijkbaar was ik getroffen door een omslag en vervolgens een gedicht dat ik in een bundel las dat ik er een foto van nam. Het gaat hier om het gedicht ‘Nach der Liebe’ van de dichter Dirk von Petersdorff uit de bundel ‘Die liebenden Deutschen’645 entflammte Gedichte aus 400 Jahren.

De Duitse literatuurwetenschapper, schrijver en dichter Dirk von Petersdorff (1966) woont hij in Jena , waar hij werkt als hoogleraar moderne Duitse literatuur aan de Friedrich Schiller Universiteit. Na het Liliencron-lectoraat (1999) en het poëzielectoraat Mainz (2009) bekleedde hij in 2013 samen met Hans Magnus Enzensberger (1929-2022) het poëzielectoraat Tübingen.

Von Petersdorff presenteert in zijn essays en poëzie een alternatief voor een manier van denken die wetten formuleert van Schiller tot Adorno en enkele esthetische uitdrukkingen tot “de enige legitieme antwoorden op de hedendaagse situatie” verklaart. Dit ontleent hij aan Hegels lezingen over esthetiek: Er wordt aangenomen dat er geen vastigheid meer bestaat in de beschrijving van de wereld die bindend is voor alle leden van een samenleving, en dat kunst geen objectieve inhoud meer kent en daarom gebruik kan maken van alle gebieden van het leven en verschijnselen. Dergelijke kunst (en dus ook poëzie) kan alles vertegenwoordigen “waarin de mens het vermogen heeft om thuis te zijn” (Hegel).

Ik heb me afgevraagd of wat Von Petersdorff beschrijft ook opgaat voor zijn eigen poëzie. Daarom hier het gedicht in het Duits en in mijn vertaling. Oordeel zelf zou ik zeggen.

 

Na de liefde

Jij op het balkon, ik kijk naar je
zo heerlijk loom,
omdat alles
is veranderd.
Lang t-shirt,
dat op de dij valt,
waar de huid begint,
is de wereld,
zachte aandriften,
ik lig daar en rook –
licht in de holte van je hals,
dat is het ook.
En ik zie het
Vezelwolken drijven rond
uit het niets
alles mag blijven.
Jij op het balkon,
rook in het ongewisse –
pols fladdert
hier waar ik woon.

 

Nach der Liebe

.
Du auf dem Balkon, ich seh dir zu
so selig-matt,
weil alles
sich geändert hat.
Langes T-Shirt,
das am Schenkel fällt,
wo die Hautbeginnt,
ist die Welt,
Sanfte Triebe,
ich lieg da und rauch –
Licht in der Halsmulde,
das ist es auch.
Und ich seh
Faserwolken treiben
out of the blue
alles kan bleiben.
Du auf dem Balkon,
Rauch in der Schwebe –
Puls flattert nach
hier wo ich lebe.

.

De natuur, een tweeluik

Stella Bergsma

.

Rond Oud en Nieuw was ik in Groningen in het Forum, de nieuwe bibliotheek/theater/museum/horeca/etc. in de binnenstad naast de Martinitoren. Omdat het niet regende, wat in die maanden ( december / januari) een bijzonderheid was, ging ik naar het dak. Op het dak heb je een mooi uitzicht over de hele stad.

Daarna ging ik, zoals altijd wanneer ik in een bibliotheek ben, op zoek naar de poëzieafdeling. Nu weet ik dat die daar uitstekend is, maar liefst vier kasten vol poëziebundels met in de directe nabijheid een fijn bankje, waar ik ging zitten lezen.

Ik las daar onder andere in de bundel ‘Meesterwerk voor de prullenbak’ van Stella Bergsma (1970). Ik herinner me nog goed dat ik het gedicht ‘De natuur, een tweeluik’ las en meteen moest denken aan wat ik even daarvoor had gedaan. Precies wat ze in dit gedicht beschrijft. En hoewel ik met de roltrappen naar boven was gegaan en het gebouw net geen 10 verdiepingen telt, gaat dit gedicht helemaal op voor de situatie daar. Ik maakte van dit voorval een aantekening en vergat die vervolgens. Totdat ik hem afgelopen week weer tegen kwam. Daarom hier dit gedicht.

.

De natuur, een tweeluik

.

I

Ik heb uitzicht nooit begrepen

met een glazen lift ga je tien verdiepingen

om het zelfde te zien als op de grond

wat een mooi uitzicht verzuchten de mensen

ze kijken naar waar ze vandaan kwamen

maar dan van een afstand

waarom doet men zo duur over afstand.

.

II

Krekels lopen elkaar voortdurend te bellen

maar niemand neemt op

en vogels zingen absoluut niet

ze krassen steeds hetzelfde riedeltje

schril door je kater.

.

 

Voor een vijfjarige

Fleur Adcock

.

Ik ben aan het lezen in de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry International 1970-1984’ samengesteld Remco Campert, Jan Eijkelboom, Joke Gerritsen en Martin Mooij en gepubliceerd in 1984. Ik verbaas me over de beroemde namen van dichters die in de loop der jaren Poetry International hebben aangedaan. Ik weet natuurlijk wel dat dit het geval is maar als je dan door de bio- en bibliografieën van al die dichters bladert is het toch wel heel bijzonder.

Uiteraard staan er tussen die vele dichters ook namen van dichters die ik niet ken, en juist die zijn vaak heel interessant. Zo bleef ik hangen bij een gedicht van Fleur Adcock (1934). Geboren in Nieuw-Zeeland maar al jaren verblijvend in Engeland. Wat ik heel leuk vind is dat ik op haar Wikipediapagina lees dat ze, naast het docentschap en haar carrière als dichter, ook bij verschillende bibliotheken heeft gewerkt als bibliothecaris. In 2006 won Adcock een van de belangrijkste poëzieprijzen van Groot-Brittannië, de Queen’s Gold Medal for Poetry , voor haar verzamelde werken, ‘Poems 1960–2000’. Ze was pas de zevende vrouwelijke dichter die de onderscheiding in 73 jaar ontving.

Adcocks poëzie houdt zich doorgaans bezig met thema’s als plaats, menselijke relaties en alledaagse activiteiten, maar vaak met een duistere wending aan de alledaagse gebeurtenissen waarover ze schrijft. En juist dat specifieke element, die duistere wending lees ik terug in het gedicht ‘Voor een vijfjarige’ of ‘For a five-year-old’ zoals het gedicht in het Engels is getiteld. Ik bleef bij dit gedicht hangen omdat het me deed denken aan een moeder, die zoiets ook zou kunnen denken of zeggen. Het gedicht is vertaald door Bob den Uyl.

.

Voor een vijfjarige

.

Een slak kruipt tegen het kozijn op

je kamer binnen, na een regennacht.

Je roept me binnen om te kijken, en ik leg uit

dat het onaardig zou zijn hem daar te laten:

hij zou op de vloer kunnen kruipen, we moeten voorkomen

dat iemand hem vertrapt. Je begrijpt het,

en draagt hem naar buiten, in koesterende hand,

om hem een narcis te laten eten.

.

Ik zie dan dat een soort vertrouwen je beweegt:

je tederheid wordt nog gevormd door woorden

van mij, die muizen heeft gevangen en vogels heeft geschoten,

van mij, die je poesjes heeft verdronken, die je

naaste verwanten heeft verraden, en die menig ander

de hardste waarheden heeft verteld.

Maar zo is het nu eenmaal: ik ben je moeder,

en we zijn aardig tegen slakken.

.

For a Five-Year-Old

.

A snail is climbing up the window-sill
into your room, after a night of rain.
You call me in to see, and I explain
that it would be unkind to leave it there:
it might crawl to the floor; we must take care
that no one squashes it. You understand,
and carry it outside, with careful hand,
to eat a daffodil.
.
I see, then, that a kind of faith prevails:
your gentleness is moulded still by words
from me, who have trapped mice and shot wild birds,
from me, who drowned your kittens, who betrayed
your closest relatives, and who purveyed
the harshest kind of truth to many another.
But that is how things are: I am your mother,
and we are kind to snails.

.

Voor je het weet..

#21

.

Na het succes van de special van MUGzine, die in grote getale werd verspreid via bibliotheken in Noord- en Zuid Holland in januari tijdens de Poëzieweek, is het in maart alweer tijd voor de eerste reguliere editie van MUGzine in 2024. In deze 21ste editie staan gedichten van Sholeh Rezazadeh, Frans Terken, Bauke Vermaas en Yannick Moyson. De illustraties zijn dit keer van Danièle Knirim (@hier_vandaan op Instagram). Natuurlijk een kraakverse @L.uule en wie weet een nieuwe rubriek (under construction).

We beginnen 2024 met een nieuwe vormgeving, onze vormgever Bart van @Brrt.graphic.design maakt voor elk nieuw jaar dat MUGzine bestaat een nieuw ontwerp voor de omslag. Wil je zelf een keer een Luule inzenden? Dat kan, stuur je Luule naar mugazines@yahoo.com . Wil je de papierenversie van MUGzine elke keer op papier via de post ontvangen? Wordt dan jaardonateur.

Een van de dichters in #21, de Vlaamse dichter Yannick Moyson, was ook een van de deelnemende dichters aan het bijzondere project #Weesgedichten. Hieronder zijn gedicht en een foto van dit gedicht op het raam van Schepen (wethouder) Caroline De Meerleer van Aalst.

.

Wanneer het even niet meer gaat

sta dan stil voor een poos

haal adem, met je palm op je borst

tot net zoveel tellen die nodig zijn

om te voelen dat het klopt

Met de hand op het hart beloof ik je

dat je het allemaal even mag ondergaan

tot de zonsopgang je zinderend zin geeft

om te stralen als nooit tevoren

.

 

Bubbel

Jonge stadsdichter

.

Den Haag heeft een nieuwe jonge stadsdichter. De stad heeft geen stadsdichter, er was er ooit een die een periode heeft volgemaakt ( 2007-2009) waarna de gemeente de stadsdichter wegbezuinigde. Dit was Harry Zevenbergen (1964-2022). Hierna is er nooit meer een stadsdichter geïnstalleerd. Waar de stadsdichter nooit van de grond is gekomen in de hofstad, daar is nu alweer voor de tweede keer een jonge stadsdichter geïnstalleerd: Adelina Ignat. Nadat in 2023 Chelsy Valentina jonge stadsdichter (voor de periode van 1 jaar) van Den Haag werd met het gedicht ‘Een reis door de stad waar mijn leven compleet voelt: Den Haag’ mag Adelina het stokje van haar overnemen.

Adelina werd gekozen nadat een wedstrijd was uitgezet onder Haagse middelbare scholieren. De acht finalisten hebben tijdens de finale in de Centrale Bibliotheek hun gedichten voorgedragen. De afgelopen periode hebben zij, onder begeleiding van Huis van Gedichten, hun werk geschreven. De eerste Jonge Staddichter, Chelsy Valentina, was aanwezig om het stokje door te geven aan Adelina. De jury bestond uit Sophia Blyden en Hasan Gök, voorgezeten door dichter en performer Dean Bowen. De Jonge Stadsdichter van Den Haag is een initiatief van de gemeente, Bibliotheek Den Haag, Huis van Gedichten en het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum.

Waar het gedicht van Chelsy langer en verhalend was, is het gedicht van Adelina kort en krachtig. Het gedicht getiteld ‘Bubbel’ kun je hieronder lezen.

.

Bubbel

.

Den Haag is een meisje nietsvermoedend, jong
door haar eigen straten huppelend
Als een bubbel net voor de regen komt

.


Foto Martijn Beekman (Adelina staat helemaal rechts)

Slaap

Hanneke van Eijken

.

Op Instagram las ik dat Hanneke van Eijken (1981), tijdens Letters Live in de bibliotheek Neude (Utrecht) de nieuwe letterdichter wordt in 2025, als opvolger van de huidige letterdichter Anne Broeksma. Ik vind het grappig dat een jaar van te voren een nieuwe letterdichter bekend wordt gemaakt. Meestal is de wisseling van de wacht vlak voor een moment van overdragen, maar in Utrecht nemen ze er de tijd voor. In het bericht stond ook deze vrolijk makende zin: “Hanneke’s eerste bijdrage wordt letter nummer 1336 welke op zaterdag 2 augustus 2025 wordt gehakt.”

Hanneke van Eijken (die ik al ken sinds ze op een Ongehoord! poëziepodium in 2012 in Rotterdam optrad) is dichter van het Utrechts stadsdichtersgilde en jurist EU-recht. Haar debuutbundel ‘Papieren veulens’ (2013) werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2015. Verder verschenen van haar de bundels ‘Kozijnen van krijt’ (2018) en ‘Waar slaap van gemaakt is’ een bundel poëzie voor alle leeftijden (2021).

Die laatste bundel werd uitgegeven als alternatief poëzieweekgeschenk door uitgeverij crU in 2021. Uitgeverij crU heeft als motto ‘Voor axiomatische poëzie’.  Axiomatisch verwijst naar iets dat gebaseerd is op axioma’s. Axioma’s zijn fundamentele, niet-bewezen veronderstellingen of basisprincipes die dienen als uitgangspunten voor een bepaald systeem, theorie of discipline. Iets dat axiomatisch is, is dus afgeleid van, of gebaseerd op deze basisprincipes, zonder verdere bewijsvoering binnen dat specifieke kader. Hoe men dat aan poëzie koppelt is me niet duidelijk maar men geeft mooie poëziebundels uit.

De illustraties in ‘Waar slaap van gemaakt is’ werden gemaakt door Pauline Phoa. Uit deze bundel komt het gedicht ‘Slaap’.

.

Slaap

.
‘Je hoeft alleen maar te liggen
met je ogen dicht,’ zegt de das
‘dan kunnen we overal naartoe

.

waar slaap precies van gemaakt is weet ik niet
maar slapen bestaat uit wolken kleurige waterverf
avonturen in een dassenburcht
eilanden in de vorm van draken
het is de glans van libellevleugels in de zon

.

‘ik breng je naar huis’, fluistert de das

.

ik trek de sok van mijn hand
leg hem naast mijn kussen

.

‘je mag nu weer mensendingen gaan doen
in een echt mensenbed
dan doe ik dassendingen in een dassenburcht
maar je bent niet alleen
doe je ogen maar dicht, ga lekker liggen
want in je hoofd kunnen we overal samen heen’

.

Daar zal ik zijn

Voordracht

.

Jaren geleden wilde ik een keer een gedicht schrijven dat vooral op ritme en muzikaliteit leunde, een gedicht vol assonanties, alliteraties, binnenrijm en dat vooral voortkwam uit allerlei associaties die bij me op kwamen. Dat gedicht, ‘Daar zal ik zijn’, is anders dan dat ik normaal schrijf maar het is om voor te dragen heel fijn. Er zit een flow in, een ritme en twee korte stops die het voordragen van dit gedicht tot een groot plezier maken.

Op 28 januari, middenin de Poëzieweek 2024 was ik gevraagd voor te dragen in de bibliotheek Holy (Vlaardingen), een van de vestigingen van de bibliotheek waar ik directeur van ben. Je begrijpt dat je dan geen nee zegt, vooral niet omdat ik dit podium en dit initiatief van harte steun. Meer dan 35 liefhebbers waren op deze middag afgekomen en ik droeg het gedicht ‘Daar zal ik zijn’ voor, niet wetende dat ik gefilmd werd.

Omdat de voordracht van dit gedicht op YouTube terug is te vinden en omdat ik dit gedicht nog niet eerder deelde op dit blog vandaag dan beide.

.

Daar zal ik zijn
.
Je schouders schokken als Schokland in de straffe westenwind
donderend vanuit het water op je ranke flanken spelen ze met
de seizoenen, je zoenen zijn zoeter dan het Suikerfeest en laten
me weten, dat eten van je schoot, dik makend lekker is en gekker
is dan het leven van de liefde (doe je aan de lijn?) en sterven van
verlangen naar je wangen en je lijf, vertrouwd op alle manieren
die ik ken, gehouwen uit het steen van beelden van weelde en toen

.

Draaf door mijn dromen in kleur en zwart wit, je zit als gegoten
in zadels van paarden van waarde, de manen geladen met de wind
die je voedt, die je vult en vervult en gaat liggen als de zon dooft,
je gelooft in de kracht van dat ene, dat unieke, maar gaat uit van
dat wat is verschenen, gelezen en gehoord, aangeboord door bronnen
van kennis van vrienden en familie –vader, moeder, zus- die ik niet
zie maar wel mag kennen uit je boeken die onverminderd zoek zijn

.

Ik vraag niet om meer of iets anders dan dat wat je mij schenkt,
loop niet om twijfels heen, verschijn vaker in het licht van hetgeen
jij beschijnt, verdwijn of kwijn niet weg voor jou – ik moet hier nu
eenmaal zijn – en schurk me, warm me aan je ogenschijnlijk ware
gedaante, laat het water stromen uit kranen over wegen en lanen in
beschutte straten, in putten en verlaten huizen in kieren en kluizen
want daar wil ik me bevinden, in de vaten van jouw bescheiden woning
.

 

Nergenshuizen

Gerrit Komrij

.

In een oude Quest las ik een stuk met als titel ‘Waar liggen Schubbekutteveen, Verweggistan, Walhalla en Sodom en Gomorra?’. Ik wil daar aan toevoegen Mufland en Nergenshuizen. In de bibliotheek waar ik werk verwijzen we (ik) weleens naar bibliotheken die nog een beetje achterlopen bij de nieuwe ontwikkelingen als de bibliotheek Mufland. Dat is natuurlijk geen bestaande bibliotheek maar het staat ergens voor.

Dat zelfde geldt natuurlijk ook voor Schubbekutteveen, Verweggistan (in mindere mate voor Sodom en Gomorra, dat zijn twee steden die genoemd worden in de bijbel in het boek Genesis, als de steden waar alles gebeurde wat god verboden had) en ook voor Nergenshuizen. Het zijn een soort veralgemeniseerde namen voor plaatsen die niet bestaan maar wel ergens voor staan. Verweggistan (ergens ver weg waar niemand precies van weet hoe ver weg en waar), Nergenshuizen (een plek die eigenlijk geen reden heeft tot benoemen zo klein en onbetekenend) en Schubbekutteveen (een plaatsje waarover vooral geschamperd wordt).

Toen ik het artikel las moest ik denken aan een gedicht dat ik ooit las van Gerrit Komrij dat over Nergenshuizen ging. Het was even zoeken maar ik vond de bundel ‘Ik heb Goddank twee goede longen’ uit 1971 waarin het gedicht staat. Ik schreef al eerder over deze bundel maar nu dus naar aanleiding van dit artikel.

.

Nergenshuizen

.

Er ligt een labyrint in warme streken

Dampend van de geur van malve en erica-

En ook de dolle kervel mag niet ontbreken-

Een ver van god en dichtbij Amerika

.

Gelegen labyrint: heb je het ooit gezien?

Ben je er ooit geweest? Zo neen, dan foei.

Het is een doolhof met een stramien

Dat werkelijk onontwarbaar in de knoei

.

Zit. Ze noemen het een broeinest.

Het heet ‘Het Hol van de Zakenman

In Ruste’, maar doe je je best

Dan maak je ervan: ‘Zwijnenpan’.

.

Ontmoeten

Lianne Keemink

.

Afgelopen vrijdagavond werd in de gemeente Lansingerland een nieuwe gemeentedichter gekozen en afscheid genomen van Woes Ploum, die de afgelopen twee jaar gemeentedichter was. De nieuwe gemeentedichter is Lianne Keemink (1988) is studentendecaan en docent creatief schrijven NTI. Tijdens een gezellige avond in theater het Web in Bleiswijk, waar ook dichter Nyk de Vries optrad met het saxofoonkwartet Artvark, werd ook de glossy van Woes Ploum gepresenteerd met daarin foto’s en gemeentegedichten van de afgelopen twee jaar die Woes met een laserprinter op hout publiceerde. Bibliotheek OOstland organiseerde de verkiezing van de gemeentedichter voor de 3e keer.

Hieronder twee gedichten; een van de nieuwe gemeentedichter Lianne Keemink ‘Ontmoeten’ en een van de oude gemeentedichter Woes Ploum ‘Vergeetachtig’, en wat foto’s van de uitreiking en van het optreden van Nyk de Vries en Artvark ‘Tagelyk’ (Tegelijkertijd).

.

Ontmoeten

.

Zoals een gelovige God vindt
in psalm en knie op donker hout
zoals iemand in rouw
een geliefde spreekt in stilte
zoals de mens iets vindt
in stroken ritselende kleur
in handenvol kruiden en zout
op de tong

in communie met het maken
kunst, eten, kinderen?

zo spreek ik (met) jou
in een verbinding met niets
anders dan wij
en iets onverklaarbaars

 

*.

.

honderd gedachten negentig gedichten

zeventig namen zestig gezichten

vijftig wis veertig waarachtig

dertig mooi twintig prachtig

maar geen tien

zal je zien

want

ik

VERGEETACHTIG

.