Categorie archief: Dichtbundels

Minnezinne in moerstaal

Delia Bremer & Ria Westerhuis

.

Ik ken het dartele poëzieduo Delia en Ria al sinds een optreden bij Reuring in 2013. Daarna droegen ze voor bij Ongehoord!, zagen we elkaar regelmatig op poëziepodia zoals bij de Poëziebustoer en een festival in hun thuisregio. Toen ik hoorde van hun initiatief om hun succesbundel ‘Minnezinne’, (erotische) poëzie in de Drentse taal, een meer landelijk vervolg te geven heb ik dit meteen aan Evy van Eynde doorgegeven van wie ik toen een bundel ‘Zal ik liefde noemen’ aan het uitgeven was via MUG books. Zij reageerde en staat nu als één van de 49 dichters in deze fraaie bundel. In ‘Minnezinne in Moerstaal’ staan gedichten in vele dialecten en talen, van Utregs, Limburgs, Drents tot plat Haags, Achterhoeks, Deventers ( ik wist niet dat daar ook een eigen dialect gesproken werd), Vlaams, Suid-Afrikaans en Schleswig-Holsteins.

Een bonte verzameling van gedichten waar je soms wat meer en soms wat minder je best voor moet doen om ze te kunnen begrijpen. De bundel is netjes uitgegeven door Ter Verpoozing in Peize en bevat twee foto’s die vreemd genoeg hetzelfde zijn. De verbindende schakel tussen de gedichten (behalve dat ze in de eigen taal zijn geschreven) is de liefde, de liefde voor taal en lijf. In die zin blijven Delia en Ria dichtbij hun originele bundel.

Ik heb de bundel met heel veel plezier gelezen. Wat een rijkdom biedt onze taal als je oog hebt voor de verschillen. Het was niet eenvoudig om een keuze te maken. Uiteindelijk heb ik gekozen voor het gedicht ‘Zomerfeest’ van Henk Jalvingh in het Zuidwest-Drents (ja de verschillen zijn groot, zelfs in een provincie als Drenthe). Voor taalliefhebbers die een beetje ondeugende poëzie kunnen waarderen is deze bundel een feest. Maar ook voor taalliefhebbers hebben Delia en Ria iets moois neergezet, waarvoor dank.

.

Zomerfeest

.

Was ’t de wien,

De breuierige nacht,

Wij hadden nargens over nao edacht,

En vertrukken ongezien.

.

Mooi was ze,

En lustvol.

Gien idee hoe dit uutpakken zol.

Maor ze was mij al bij de ritse.

.

Ongeremd,

Stroomden oenze hormonen.

Zoenen, likken, betasten en komen.

Gien meinse die wat vernemt.

.

Waor waaj?

Wij waren oe kwiet!

Dat is waor ’t de volgende morgen over giet.

Ik glundere, en geef ’t gesprek een andere draai.

.

Dichters in verzet

Shelley en Whitman

.

Bijna 175 jaar geleden zei Percy Bysshe Shelley in zijn “Verdediging van de Poëzie” dat “dichters de niet-erkende wetgevers van de wereld zijn”. In de jaren daarna hebben vele dichters die rol ter harte genomen, tot op de dag van vandaag. Het waren oproerkraaiers en demonstranten, revolutionairen en soms ook opstellers van wetten. Dichters hebben commentaar geleverd op de gebeurtenissen van de dag, hebben stem gegeven aan de onderdrukten, rebellen en voerden campagne voor sociale verandering. Er zijn inmiddels vele klassieke gedichten bekend over protest en revolutie. Percy Bysshe Shelley’s eigen ‘The Masque of Anarchy’ is daarvan een mooi voorbeeld. Omdat het een nogal lang gedicht is (91 verzen van 4 regels elk) plaats ik hier een link naar de volledige tekst http://knarf.english.upenn.edu/PShelley/anarchy.html  zodat je , als je dat wilt, het na kan lezen.

Een andere klassieke dichter die een protestgedicht schreef is Walt Whitman (1819-1892). Whitman begreep hoe belangrijk democratie was en hoe kwetsbaar. In ‘Leaves of Grass’ zijn levenswerk (tijdens zijn leven herschreef hij dit werk, het verscheen in verschillende edities waarbij in de eerste editie 12 gedichten stonden en in de laatste editie meer dan 400!) is het gedicht ‘O a foil’d European Revolutionaire’ uit 1900 opgenomen. Hierin spreekt hij tot de revolutionaire krachten in Europa. Het werk van Whitman werd in de eerste helft van de 20e eeuw geïntroduceerd in de populaire Little Blue Book- serie. Hierin werd het werk van Whitman voor een breder publiek dan ooit tevoren toegankelijk. De Little Blue Book was een serie die socialistische en progressieve standpunten ondersteunde. De publicatie verbond de focus van de dichter op de gewone man en het empowerment van de arbeidersklasse.

.

To a foil’d European Revolutionaire
.
COURAGE yet, my brother or my sister!
Keep on—Liberty is to be subserv’d whatever occurs;
That is nothing that is quell’d by one or two failures, or any num-
ber of failures,
Or by the indifference or ingratitude of the people, or by any
unfaithfulness,
Or the show of the tushes of power, soldiers, cannon, penal statutes.
What we believe in waits latent forever through all the continents,
Invites no one, promises nothing, sits in calmness and light, is
positive and composed, knows no discouragement,
Waiting patiently, waiting its time.
(Not songs of loyalty alone are these,
But songs of insurrection also,
For I am the sworn poet of every dauntless rebel the world over,
And he going with me leaves peace and routine behind him,
And stakes his life to be lost at any moment.)
The battle rages with many a loud alarm and frequent advance
and retreat,
The infidel triumphs, or supposes he triumphs,
The prison, scaffold, garroté, handcuffs, iron necklace and lead-
balls do their work,
The named and unnamed heroes pass to other spheres,
The great speakers and writers are exiled, they lie sick in distant
lands,
The cause is asleep, the strongest throats are choked with their
own blood,
The young men droop their eyelashes toward the ground when
they meet;
But for all this Liberty has not gone out of the place, nor the
infidel enter’d into full possession.
When liberty goes out of a place it is not the first to go, nor the
second or third to go,
It waits for all the rest to go, it is the last.
When there are no more memories of heroes and martyrs,
And when all life and all the souls of men and women are dis-
charged from any part of the earth,
Then only shall liberty or the idea of liberty be discharged from
that part of the earth,
And the infidel come into full possession.
Then courage European revolter, revoltress!
For till all ceases neither must you cease.
I do not know what you are for, (I do not know what I am for
myself, nor what any thing is for,)
But I will search carefully for it even in being foil’d,
In defeat, poverty, misconception, imprisonment—for they too
are great.
Did we think victory great?
So it is—but now it seems to me, when it cannot be help’d, that
defeat is great,
And that death and dismay are great.
.
                                                                                                                                                                  Een van de vele uitvoeringen van ‘Leaves of Grass’.

Thuisloze

Jan Kal

.

Op Hemelvaartsdag sprak ik na mijn voordrachten tijdens de Haarlemse Dichtlijn kort met Jan Kal. De Nederlandse dichter Jan (Pieter) Kal (1946) is vooral bekend van zijn vele sonnetten. Hij groeide op in Haarlem, maar verhuisde naar Amsterdam voor een studie medicijnen. Aan studeren kwam hij niet toe door een alles overheersende liefde, maar die bracht hem wel tot het schrijven van sonnetten. Jan Kal kan van weinig poëzie maken. Hij heeft een eigen spontane, weemoedige toon, waarin ook zijn humor een plaats kan vinden. Kal debuteerde in 1974 met de bundel ‘Fietsen op de Mont Ventoux’ waarna nog vele dichtbundels zouden volgen. Zijn laatste bundel komt uit 2015 en is getiteld ‘Een dichter in mijn voorgeslacht’.

Uit zijn debuutbundel het sonnet ‘Thuisloze’.

.

Thuisloze

hij leeft zijn dagen stuk voor stuk, losbladig,
hij doet niet iets gerichts in een beroep,
hij ziet geen toekomst, hoort niet bij een groep,
heeft voor de dag van morgen niets voorradig.

hij loopt maar wat te lopen langs de stoep.
de meesten kijken langs hem, ongenadig.
wel zijn eerwaarde zusters hem weldadig,
en heilsoldaten, met het Woord en soep.

wie hem wat geeft die is zijn kameraad.
het gaat er in, als water in een spons,
waarmee God na lang wachten hem bedenkt.

Zijn komst is zeker als de dageraad,
zoals de regen komt hij toe naar ons,
als late regen die het land doordrenkt.

.

Jan Kal, Frans Terken, Wouter van Heiningen

Klinck-dicht

Minne-dichten

.

Soms loop je per ongeluk tegen iets aan dat heel bijzonder blijkt te zijn. Zo hebben tegen woordig filialen van een grote supermarktketen boekenkasten waar mensen hun oude boeken kunnen achterlaten. Iedereen kan vervolgens in die boekenkasten kijken en als er iets van je gading tussen zit mag je het meenemen.

Meestal bestaat de inhoud van zo’n boekenkast uit ouwe rotzooi, studieboeken van studies die niet langer bestaan, kapotte kinderboeken, oude bibliotheekboeken, Ludlums ( opvallend vaak) en series uit vergeten tijden. Maar soms zit er dus iets bijzonders tussen. Zo ook een boek dat ik afgelopen week in een filiaal in Vlaardingen vond. Het is getiteld ‘Gedichten’. En is heel oud. Genaaid en op geschept papier. Op zoek naar de leeftijd kwam ik uiteindelijk een Romeins jaartal tegen en het blijkt uit 1621 te zijn. Na meer onderzoek (Google-Books) lijkt het hier toch te gaan om een bundel uit 1892 maar ik twijfel of dat niet om een latere druk gaat.

De bundel bestaat uit 4 delen: Minne-kunst, Minne-beat, Minne-dichten en Mengel-dichten. Voorafgaand aan de inhoud is er een ‘Alpabetische naamlijst der intekenaren’ opgenomen waarbij de eerste inteekenaar Zijne majesteit de Koning der Nederlanden is voor maar liefst 3 exemplaren. Andere inteekenaren zijn individuen, scholen, instituten en boekhandels en verrassend veel leden van het Koninklijk-Nederlands instituut in Leiden.

Via Google Brooks heb ik een gedigitaliseerd exemplaar gevonden ( uit de Nationale bibliotheek van Oostenrijk!).

Uit het hoofdstuk Minne-dichten een Klinck-dicht op ‘t ongekleed zijn van Cloris

,

Als eerstmael onversiens mijn ooghen u besaghen,

So waert Guy naë u sin en zeggen ongekleed,

En ‘ speet u, dader Guy dit of noyt of selden deed,

Ick juyst in sulcken staet most naë u komen vraghen.

Ey, Schoone, laet u dit dus euvel niet mishaghen,

Want ick gewis voor u geen beter kleedingh weet

Dan ‘t geen ghy soo versmaed en ongekleet zijn heet:

De rechte schoonheyd kan geen groote pronck verdraghen.

Een witte gaeve muur word met geen verw beklad;

En of ghy schoon-al ‘t best had prachtige aengehad,

Dat u dat schoonder noch sou hebben kunnen maken,

Geloof ick nimmermeer; en soo ‘t so wesen souw,

O dat ick u dan noyt also gekleed aanschouw’!

Want mijne sinnen licht aen ‘t hollen souden raken.

.

 

Haarlemse Dichtlijn

Frans Terken

.

Al jarenlang wordt er in Haarlem een poëziefestival georganiseerd onder de noemer Haarlemse Dichtlijn. Maar liefst 100 dichters krijgen een plek in één van de plekken in de stad (kroeg, zangvereniging, atelier, wijnbar etc.) en mogen daar drie gedichten voordragen. En dat tweemaal. Nu kun je denken; drie gedichten? Dat is niet veel. Dat klopt maar door het grote aantal dichters is dit het maximaal haalbare. En als je op twee plekken voordraagt kun je dus 6 gedichten doen. Het grote voordeel van deze opzet is de interactie met andere dichters en door de bekendheid die de Haarlemse Dichtlijn inmiddels heeft is er altijd veel publiek aanwezig.

Gisteren mocht ik ook mijn gedichten voordragen. In Wijnlokaal Louwtje en in de prachtige zaal van Zang & Vriendschap, beide malen voor flink aantal mensen. De Haarlemse Dichtlijn eindigt altijd met een samenkomst bij café Koops en daar waren heel veel dichters en bekenden aanwezig. Een compliment voor de uitstekende organisatie en het hoge niveau van voordrachten op deze mooie dag.

Zelf stond ik twee keer op een podium waar ook Frans Terken stond. Frans ken ik al vele jaren en hij reist regelmatig het land door om zijn poëzie voor te dragen. Zo zal hij ook op 7 juli op het podium van Ongehoord! in de Jacobustuin acte de presence geven en ook op ‘Ssssttt Geheim’ op 6 juli in Den Haag (waar ik ook sta) kun je hem zien en horen. Frans schrijft regelmatig op zijn blog https://fransterken.blogspot.com/ en vandaag wil ik het gedicht dat hij gistermiddag bij de Haarlemse Dichtlijn voordroeg en tevens in de festivalbundel staat, met jullie delen.

.

Onder ogen

.

Bij binnenkomst sta ik oog in oog

met de glazen bollen van Maria B.

in een roes beginnen ze te spreken

proberen een woord te zeggen

.

hoe het blijft bij proberen

als ik een kamer verder ga

terwijl zij mij op toonhoogte

meevoert in haar beelden

.

haperend vloeiend stotterend

in proberen blijft steken

alsof er beren op de weg

gaten waarin het woord wegduikt

.

hoe het in de oren kruipt

de ruis van blijven proberen

ogen die keren en draaien

aftastend zich tot me richten

.

tussen stalen sponningen

mij volgen tot op loopafstand

buiten waar het landschap fluistert

.

(Bij TRY-ING, Song for three rooms. Installatie van glazen objecten, Maria Narnbas, Kröller-Müller Museum 2018)

.

Foto: Babs Witteman

De stijgbeugel

Poëziewedstrijd

.

Pas geleden kocht ik in een kringloopwinkel een bundeltje gedichten met de titel ‘De stijgbeugel’ veertig verzen van nieuwe dichters. Het bundeltje is uit 1953 en uitgegeven door N.V. De Arbeiderspers in de serie De Boekvink,  litteratuur in miniatuur (dit is geen typefout, het staat er echt litteratuur). Ik was in de veronderstelling dat het hier een verzamelbundeltje betrof maar dat ligt toch iets anders. Wat blijkt? Het betreft hier een bundel met winnaars van een door de VARA-rubriek ‘Met en zonder omslag’ uitgeschreven prijsvraag voor nog onbekende ‘naam’-loze dichters in Nederland.

De organisatoren hadden zich verkeken op het grote aantal gedichten dat er werd ingezonden (maar liefst 3000) en deze moesten door een driekoppige jury (Max Dendermonde, Reinold Kuipers en Garmt Stuiveling) worden gelezen en beoordeeld. De winnaar van deze wedstrijd werd Christine Meyling (1925 – 1983), een naam is die ik nog nooit ergens ben tegengekomen. Het lijkt erop dat Meyling haar dichtersloopbaan niet heeft voortgezet ( ik heb het uiteraard even uitgezocht, van haar hand verschenen in 1954 – 1956 een aantal gedichten in Maatstaf en De Nieuwe Stem, daarna werd het stil).

Wat opmerkelijk is is dat de tweede prijs werd gewonnen door Ellen Warmond (1930 – 2011), een dichter die later heel bekend is geworden. Haar naam is de enige tussen vele onbekende namen die bij mij een belletje lieten rinkelen. En ondanks dit feit is deze bundel een heel fijn boekje om te lezen. het geeft heel mooi weer hoe er aan het begin van de jaren vijftig in Nederland werd gedicht. Een mengeling van poëzie van na de oorlog (waar de oorlog nog in na klinkt), vaste versvormen, romantische poëzie en poëzie die al naar de vernieuwingsdrang van de vijftigers neigt.

Ik heb besloten een van de twee eerste prijswinnende gedichten hier te plaatsen van Meyling ( Claire) en een van de tweede prijs van Warmond (***) om het verschil in stijl te laten zien.

.

Claire

.

Jouw kind is aarzelend geboren.

Het toefde op de drempel van verdriet,

Begroef de droom die het voorgoed verliet

en zou de wereld droef en blij behoren.

.

Het was een meisje, weer, en vaag geschonden

(twee rose wonden, maar die gaan voorbij).

Je hebt haar – moeilijk – toch maar lief gevonden,

zij paste logisch in de onvoltooide rij

.

van de verbloemde, heimelijke zonden.

Nog even bracht een klein en zoet gemis,

toen er veel mensen in je kamer stonden,

je tot de grens van een bekentenis.

Maar omdat zij het ook niet helpen konden,

bleef alles als het was en steeds gebleven is.

.

Voor Wim

.

***

.

Ik steek je onbekommerd

overmoedig dwars door de aarzeling

die kamers vierendeelt en ons

afzijdig houdt mijn hand

toe met de woorden zie

dit heb ik voor je meegebracht

een landkaart zonder wegen

een nooit meer in roulering komend

geldstuk een sublieme

seconde van volkomen

van onbeheerst en mateloos

van bandeloos en onbelemmerd

blind-zijn.

.

Over het sparen

Gerrit Krol

.

De Groningse dichter Gerrit Krol (1934 – 2013) studeerde wiskunde en was computerprogrammeur. Naast poëzie schreef hij essays, en romans. Hij debuteerde in 1962 met de roman ‘De rokken van Joy Scheepmaker en na nog eens 10 verhalenbundels, romans en essays kwam in 1976 zijn eerste dichtbundel uit met de titel ‘Polaroid’. Toch publiceerde Gerrit Krol al eerder gedichten zoals in Tirade 142 uit december 1968. Daarin zijn vier gedichten van hem opgenomen.

In deze gedichten (Over onze tekortkomingen, Over het sparen, Over het stukslaan van een ei, en Over het nut van borsten voor een vrouw en het gebruik van haar achterste) komt heel duidelijk het analytische denkvermogen van krol naar voren. In algemene zin gebruikte Krol regelmatig wiskundige elementen, schema’s en tekeningen. In het gedicht ‘Over het sparen’ ontleed Krol het sparen, hij werpt een stelling op en verbindt daar een conclusie aan die hij vervolgens weer tegen het licht houdt. In dit spel met de taal is de uitkomst even verrassend als onwaarschijnlijk.

.

Over het sparen

.

Sparen is nee zeggen tegen wat goed is.

Goed is datgene waartegen je

ja kunt zeggen, zoals slecht in het algemeen

datgene is waar je nee tegen zegt,

want wie ja zegt tegen het slechte

doet dat omdat het slechte

goed voor hem is.

.

Wat goed is

is slecht zodra het er niet meer is.

Het goede is datgene wat gekozen kan worden.

Het slechte wordt niet gekozen.

Daarom kan iets dat goed is veranderen in

iets dat slecht is.

Iets dat slecht is is goed

zodra het gekozen is.

Daarom kan het goede

dat slecht is omdat het er niet meer is

niet goed zijn omdat het

niet meer gekozen kan worden.

En daarom is het beter het slechte te kiezen hoewel dit

dus niet mogelijk is.

.

Een gedicht als een ding

Gerrit Kouwenaar

.

Er is veel over poëzie geschreven, over gedichten, over wat een gedicht nou een gedicht maakt. De dichter Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) beschreef het gedicht ( uit Gedichten 1948-1978) als een ding zoals alleen Kouwenaar dat kon. Je ziet bij elk beeld dat Kouwenaar schetst een gedicht opdoemen en al deze beelden bij elkaar zijn dan ook weer een gedicht. Als een ding.

.

als een ding

.

een gedicht als een ding

een glazen draaideur en de chinese ober
die steeds terugkeert met andere schotels

een parkwachter die zijn nagels bijvijlt
tussen siberische kinderen uit maine

een venus van de voortijd samen met
een spin op de snelweg

een glas moedermelk, een geel
gesteven smoking

een bij, een pennenmes
beide stekend, een vliegtuig
dat oplost in dorpsregen

een gedicht als een ding.

.

Kwaad gesternte

Hannah van Binsbergen

.

Hannah van Binsbergen raakte op 13-jarige leeftijd geïnspireerd door het werk van dichter Hans Lodeizen. Zij studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze was (in 2017) de eerste debutant die de VSB Poëzieprijs won voor ‘Kwaad gesternte’ (uit 2016). Zij is ook de jongste dichter (1993) die door Ilja Leonard Pfeijffer werd opgenomen in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’.

Om buiten te zingen

Hugo von Hofmannsthal

.

De Oostenrijkse dichter Hugo von Hofmannsthal (1874 – 1929) kende ik niet (ik ken eigenlijk geen Oostenrijkse dichters behalve Erich Fried en Ernst Jandl) maar toen ik in de bundel ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen tegen kwam was ik aangenaam verrast. Het simpele feit dat Paul Claes deze dichter met een gedicht heeft opgenomen zegt wel iets. In ‘De liefste’ zijn de allergrootsten van de wereldliteratuur vertegenwoordigd.

Hugo von Hofmannsthal was een laatromantisch dichter en toneelschrijver. Al moet gezegd dat hij eigenlijk vooral een toneelschrijver was. Deze eenvoudige omschrijving doet hem echter te kort. Hugo von Hofmannsthal was bijzonder productief; vele van zijn plannen zijn evenwel onafgewerkt gebleven. Hij gaf naast vele toneelwerken ook meerdere verzamelbanden met redevoeringen en verhandelingen uit. In de jaren twintig gaf hij lezingen over de kunst en het cultuurleven: hij aardde niet in de modernistische, formele kunststromingen zoals het dadaïsme en verlangde naar een meer conservatieve kunst, waarin de mens zijn geest ontwikkelt en door middel van de kunst tot wijsheid komt.

Ondanks zijn hang naar een meer conservatieve kunst, blijkt uit het gedicht dat is opgenomen in ‘de liefste’ een moderne en vrije geest.

.

Om buiten te zingen

.

De liefste sprak: ‘Ik weerhoud je niet,

Je hebt me niets gezworen.

Men moet de mensen niet weerhouden,

Ze zijn niet tot trouw geboren.

.

Kies je eigen weg, mijn vriend,

Bewonder land na land,

En rust in vele bedden uit.

Neem vele vrouwen bij de hand.

.

En als de wijn te zuur is,

Drink dan malvezij,

En als mijn mond je zoeter is,

Kom dan terug naar mij!’

.

Im Gruenen zu singen

.

Die Liebste sprach: ‘Ich halt dich nicht,

Du hast mir nichts geschworn.

Die Menschen soll man halten nicht,

Sind nicht zur Treu geborn.

.

Zieh deine Strassen hin, mein Freund,

Beschau dir Land um Land,

In vielen Betten ruh dich aus,

Viel frauen nimm bei der Hand.

.

Wo dir der Wein zu sauer ist,

Da trink du Malvasier,

Und wenn mein mund dir süsser ist,

So komm nur wieder zu mir!.

.