Site-archief
Dag 8
Lucebert
.
Uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 2002 van Lucebert (1924-1994) het gedicht ‘Poëzie is kinderspel’.
.
Poëzie is kinderspel
.
Over het krakende ei
dwaalt een hemelse bode
op zoek naar zijn antipode
en dat zijt gij
.
mogelijk dat men op zulk een kleine schaal
niet denken kan het maakt nijdig
of men is verveeld dus veel te veilig
dan is men verloren voor de poëzie
.
u trest slechts een troost ligt gij op sterven
gij verveelt u dan ook niet
en plotseling kan dan pop en bal
laat herinnerd u laten weten
dit was ik en dat was het heelal
.
Dag 3
Adriaan Morriën
.
Vandaag een voorjaarsvakantiegedicht van dichter, essayist, vertaler en criticus Adriaan Morriën (1912 – 2002) getiteld ‘Opa’. Ik nam het gedicht uit het bundeltje ‘twintigste Nacht van de Poëzie’ uit 2000.
.
Opa
.
Als je al oud bent
wees het dan ook maar goed!
.
Je wist allang dat het afloopt;
nog niet in de wieg, of de box,
maar wel vroeg: toen je tante stierf
en je opa, die toch veel ouder was,
nog leefde, met een wandelstok.
Hij ging later dood.
.
’t Was niet zo erg, zei je moeder:
hij is toch heel oud geworden.
.
Remco Campert
In memoriam Eddy van Vliet
.
In de een van de laatste bundels van Remco Campert (1929-2022) ‘Ogen open’ uit 2018, staat een in memoriam in de vorm van een gedicht over een andere dichter Eddy van Vliet. Deze Vlaamse dichter en advocaat gebruikte de naam Eddy van Vliet zijn volledige naam was Eduard Léon Juliaan van Vliet (1942 – 2002). Beide dichters werden uitgegeven door De Bezige Bij en waren goed bevriend.
Remco Campert is overigens niet de enige dichter die een in memoriam in een gedicht verpakte voor Eddy van Vliet, in 2009 schreef dichter Anton Korteweg (1944) al eens een gedicht bij de verstrooiing van de as van Eddy van Vliet in Watou.
.
In memoriam Eddy van Vliet
.
‘ ’t Is nog voor een paar dagen,’ zei ze
zij die je liefheeft, Eddy
.
steeds als ik belde naar ’t Heilig Hart
kreeg ik plechtige muziek en dan
.
‘nu slaapt hij voor het moment,’
sprak de nachtzuster van ’t Heilig Hart
.
ik dacht aan je ogen
die schitterden van avontuur
je wenkbrauwen in verwondering opgetrokken
moedige speler van het leven
fijnproever van de liefde
vriend voor altijd
.
Nog eens de liefde
Adriaan Morriën
.
In de loop der eeuwen is er heel veel geschreven over de liefde en minstens zoveel gedicht. Neem een kijkje in de categorie liefdespoëzie en je bent voorlopig niet uitgelezen. Zelf heb ik een hele bundel gewijd aan de liefde ‘XX-XY‘ in 2016 en samen met Alja Spaan publiceerde ik in 2010 de bundel ‘Je hebt me gemaakt met je kus‘ over de liefde in al haar verschijningsvormen.
En, zoals de regelmatige lezer van dit blog weet, plaats ik hier met enige regelmaat een liefdesgedicht van deze of gene dichter. En vandaag doe ik dat opnieuw. Dit keer is het gedicht van dichter, essayist, vertaler en criticus Adriaan Morriën (1912-2002) getiteld ‘Vraag en antwoord’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Moeders en zonen’ uit 1962.
.
Vraag en antwoord
.
Ik streelde haar; haar huid
smeekte mijn vingers: ga niet weg.
Ik ging niet weg, ik wilde het telkens horen,
dit spreken van haar huid tegen mijn vingertoppen,
het antwoord geven en tevredenstellen,
zoals een moeder kinderen sust, een man
een vrouw zegt dat zij slapen moet,
terwijl zij in het donker ligt te wachten,
met grote ogen luistert
of hij het nog eens zeggen zal,
een laatste maal, omdat zij dan pas slapen kan,
wegglijden uit zijn aandacht, haar geduld
dat ongeduld geworden is.
.
De luwte van het late middaguur
Lut de Block
.
In een kringloopwinkel in Brugge (ja ik kom daar nogal eens, soms hebben ze een hele aardige collectie poëzie van vroeger en nu zoals ook daar in Brugge) kocht ik een aantal dichtbundels. Een van die bundels was van een dichter Lut De Block (1952) uit Vlaanderen. Ze studeerde filosofie aan de RUG; zij werkt als freelance journaliste, o.a. voor Knack. In 1984 debuteerde ze met de bundel ‘Vader’. In haar werk is één van de kernthema’s de vader-dochter relatie (evenals de natuur en de dood). Reden hiervan ligt in het feit dat ze in februari 1963 haar vader dood aan de keukentafel vond. Dit trauma was een belangrijke inspiratiebron voor haar vroege werk.
Lut de Block heeft inmiddels 7 poëziebundels en een roman gepubliceerd. In de Special van MUGzine die begin 2024 in de Poëzieweek verscheen, is zij opgenomen als dichter. De reden was toen dat ze, net als de andere dichters in de Special, een relatie had met het bibliotheekwerk (zij was werkzaam in de bibliotheek van Gent). Nu heb ik dus de bundel ‘De luwte van het late middaguur’ in bezit, uit 2002 met een door Lut handgeschreven opdracht voorin uit 2006.
Op de achterflap staat over deze bundel te lezen: “Deze bundel exploreert het volledige leven. Er staan talrijke atmosferische gedichten in, die soms een broeierige, sterk erotisch geladen sfeer oproepen en altijd zijn neergeslagen in een taal zonder omwegen, vol passie, recht voor zijn raap, zij het nooit eenduidig of eendimensionaal.” In het titelgedicht dat ik uitkoos is dit alles aanwezig.
.
Het gebeurt. In de luwte van het late middaguur
als de dag zich ontdoet van haar hitsige kleren
en een vrouw zich opent. Het wordt windstil en
later want de tijd en de dingen gaan door. Het leven
beweegt. Zijn stem wrenst, zijn geur schraapt
haar bedwelmend uiteen. Hoe het nu verder moet
weet niemand, maar dat ze verder moet weet zij alleen.
.
Norbert De Beule
Spring, plank
.
De Vlaamse dichter Norbert De Beule (1957) was jarenlang leraar maar besloot na het overlijden van zijn vader in 2004 zich volledig op het schrijven (van poëzie) te richten. In 1987 debuteerde hij met de bundel ‘Rockoco’ een aflevering van Quarant-Dash? – Tijdschrift voor literaire scherpzinnigheid, dat al na één jaargang ophield te bestaan.
In 1997 rijpt bij De Beule het idee om een monoloog te schrijven over Jotie T’Hooft, die toen 20 jaar dood was. Maar ziekte vertraagde het project met enkele jaren. Pas in 2000 werd met het schrijven begonnen in samenwerking met Frank Pollet. In 2002 en 2003 kwam de monoloog op de planken. Norbert de Beule speelde zo’n 50 maal de rol van een psychiatrisch patiënt die zich Jotie T’Hooft waant. Het boek – de theatertekst, een compilatie Jotie-citaten en eigen materiaal – werd door Uitgeverij P gepubliceerd onder de titel ‘Jotie een dichtersleven van naald tot draad’.
In de bundels die hij na dit boek publiceert is de typografie medebepalend voor de betekenis van de gedichten. Norbert De Beule experimenteert met ‘digitale dichtbundels’ in feuilletonvorm: ‘SaintTube’. De bedoeling van zijn gedichtenproject is dat er één gedicht per week wordt gepubliceerd, gekoppeld aan een filmpje dat hij van het internet plukte. Hij noemt het project ‘mijn persoonlijke heiligenkalender’. Op de website van Norbert de Beule vindt u alle afleveringen terug die de dichter tot nu toe publiceerde.
In een eerdere blogpost schreef ik al eens over een gedicht dat ik van De Beule tegen kwam op een plein in Antwerpen. In 2004 stond De Beule op de 24ste Nacht van de Poëzie in Utrecht. In de bundel die van die nacht verscheen is het gedicht ‘SPRING, plank’ opgenomen.
.
SPRING, plank
.
Over het bestaan van bruggen wordt gelogen.
Je kunt niet iets tegemoet treden
wat niet evenzeer naar jou toe beweegt:
.
vlechtwerk van schaduw en duizendknoop,
een trillend tegenbeeld
(van vlier en heftig vlonder)
.
Omdat wij zwaarmoedig zijn, gewichtig,
een niet te tillen last van hersengolven
.
hebben wij de brug nodig
het wankel, wassend oppervlak
waaronder bomen roeien als bezeten.
.
Wij staan niet stil.
Wij vlotten, omdat dansers ons bewegen.
.
Een passage
Gertrude Starink
.
Ik was op zoek naar de afbeelding van een bundel uit 2001 en al zoekend kwam ik terecht op een website over Gertrude Starink (1947-2002), een dichter die ik niet kende. Haar meisjesnaam was Ruth Smulders en in de jaren ’70 schreef ze onder het pseudoniem Ruth Sabatier. Starink was naast dichter ook vertaler en ze werkte als freelance medewerker bij literaire radioprogramma’s van de KRO.
Tussen 1980 en 2000 verschenen van haar hand vijf dichtbundels met vijfenzeventig ‘passages’ die uit een of meerdere gedichten bestaan. De bundels werden samen gepubliceerd als ‘De weg naar Egypte’. Voor de derde bundel ontving Starink in 1996 de Herman Gorterprijs en de vijfde bundel werd in 2001 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.
Piet Keijsers die een dissertatie schreef over de gedichten van Starink, wijst erop dat de vijf bundels samen naar de vorm volkomen symmetrisch zijn gecomponeerd, dat wil zeggen het eerste gedicht van de eerste bundel en het laatste gedicht van de vijfde bundel komen formeel overeen, evenzo het tweede gedicht van de eerste bundel en het voorlaatste gedicht van de vijfde bundel, enzovoorts, tot aan de middelste twee gedichten van de derde bundel die de symmetrie doorbreken. Deze bouw impliceert dat de derde bundel beschouwd kan worden als “de kleine symmetrie”. De grote symmetrie van de vijf bundels was niet oorspronkelijk gepland, maar deed zich al schrijvende aan de dichteres voor.
We kunnen wel spreken van een bijzondere dichter in het Nederlandse taalgebied. Starink schreef haar gedichten zonder hoofdletters of enige interpunctie. Hieronder een voorbeeld uit ‘De weg naar Egypte’ een passage 1985-1993 (1995).
.
het was om jou dat ik de zin begon
en elke letter is aan jou gewijd
de namen die je aannam in die tijd
heb ik gebeiteld om de lotuslamp
.
de hinde ligt te smeken in het kamp
dat haar de adem afgesneden wordt
mijn wapens ben ik kwijt mijn haar is kort
ik wil alleen zijn als ik haar bevrijd
,
alleen met blote hand zonder respijt
zal ik me voorbereiden op de nacht
waarin hij die ontbrak komt om zijn kracht
te meten met de krachten die ik won
.
ik zag een huis dat op de klifrand stond
.
ga jij maar vast als ik de zin voleind
staat op de lamp een vlam die niet verdwijnt
maar doorschijnt als een ader in albast
.
ik blijf hier wachten op mijn laatste gast
.
Gesprek in de trein
Frank Koenegracht en Gust Gils
.
Als je op dit blog zoekt op de term trein, en je zou alle berichten lezen waarin de trein een rol speelt of genoemd wordt, dan heb je vele uren nodig en misschien wel een dag. De trein, perrons, aankomsthallen, de NS, de treinreis, alles komt voorbij. Toch heb ik nog geen dubbelgedicht gewijd aan personen in de trein. In dit geval twee gedichten over situaties in de trein.
Het eerste gedicht is van Frank Koenegracht (1945) en is getiteld ‘Lekker dood in eigen land’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Poëzie is een daad’ gedichten voor Remco Campert uit 2009. Het tweede gedicht is getiteld ‘Gesprek in de trein’ van Gust Gils (1924-2002) en komt uit de bundel ‘Een vingerknip’ uit 1983.
.
Lekker dood in eigen land
.
In de trein zitten twee heren die elkaar
vasthouden.
.
Als de trein de tunnel inrijdt
snijden zij elkaar de polsen door
.
en zeggen daarbij ‘pardon’.
.
Maar jullie, bloeddruppeltjes, die uit
het raam waaien, jullie zijn vrij.
.
Gesprek in de trein
.
nu direct niet kijken mevrouw
maar die wanstaltige krompraterij
van een landschap waardoorheen wij treinen
is toch merkaardig om gade te slaan.
.
zo’n landschap uit het buitenland
wat dat zich vaak inbeelden kan
moet je hebben meegemaakt
om het te geloven.
.
ik bedoel maar: onschatbaar voordeel
hier slechts toerist te zijn!
ach ja mevrouw de eenvoud
is nooit zo eenvoudig als ie lijkt.
.














