Site-archief

4 x 5 = 8

Christiaan Abbing

.

Als het gaat om versvormen is er een grote variëteit te vinden. Ik heb al vele malen geschreven over verschillende versvormen (te vinden onder de categorie Versvormen). Toen ik echter de versvorm 4 x 5 = 8 tegen kwam moest ik onwillekeurig denken aan Pippi Langkous. Op zichzelf had er nog best een relatie kunnen zijn tussen de twee want de versvorm 4 x 5 = 8 is laat in de 20ste eeuw ontstaan. We spreken hier eigenlijk over een vierregelig rijm, schema BBBB in pentameter. Het binnenrijm A schuift elke keer een jambe op. De oneven regels van een 4 x 5=8 beginnen met één versvoet en krijgen er telkens één bij. De even regels vullen de vijftallen aan. Regel 1 kan een trefwoord zijn, maar dit is niet verplicht.

Hier een voorbeeld van Christiaan Abbing getiteld ‘Bij de plaszak van de NS’ over de introductie van de plaszak in treinen (Sprinters) zonder WC in 2011 (die overigens in 2018 weer werd afgeschaft).

.

Bij de plaszak van de NS

.

Gemak
Is wat de Sprinter node mist:
’t Toilet ontbrak
NS verzon een list
Maar voor vertrek al sprak
De machinist:
‘Zeg op, wie heeft hier naast de zak
Gepist?’

.

De stijgbeugel

Poëziewedstrijd

.

Pas geleden kocht ik in een kringloopwinkel een bundeltje gedichten met de titel ‘De stijgbeugel’ veertig verzen van nieuwe dichters. Het bundeltje is uit 1953 en uitgegeven door N.V. De Arbeiderspers in de serie De Boekvink,  litteratuur in miniatuur (dit is geen typefout, het staat er echt litteratuur). Ik was in de veronderstelling dat het hier een verzamelbundeltje betrof maar dat ligt toch iets anders. Wat blijkt? Het betreft hier een bundel met winnaars van een door de VARA-rubriek ‘Met en zonder omslag’ uitgeschreven prijsvraag voor nog onbekende ‘naam’-loze dichters in Nederland.

De organisatoren hadden zich verkeken op het grote aantal gedichten dat er werd ingezonden (maar liefst 3000) en deze moesten door een driekoppige jury (Max Dendermonde, Reinold Kuipers en Garmt Stuiveling) worden gelezen en beoordeeld. De winnaar van deze wedstrijd werd Christine Meyling (1925 – 1983), een naam is die ik nog nooit ergens ben tegengekomen. Het lijkt erop dat Meyling haar dichtersloopbaan niet heeft voortgezet ( ik heb het uiteraard even uitgezocht, van haar hand verschenen in 1954 – 1956 een aantal gedichten in Maatstaf en De Nieuwe Stem, daarna werd het stil).

Wat opmerkelijk is is dat de tweede prijs werd gewonnen door Ellen Warmond (1930 – 2011), een dichter die later heel bekend is geworden. Haar naam is de enige tussen vele onbekende namen die bij mij een belletje lieten rinkelen. En ondanks dit feit is deze bundel een heel fijn boekje om te lezen. het geeft heel mooi weer hoe er aan het begin van de jaren vijftig in Nederland werd gedicht. Een mengeling van poëzie van na de oorlog (waar de oorlog nog in na klinkt), vaste versvormen, romantische poëzie en poëzie die al naar de vernieuwingsdrang van de vijftigers neigt.

Ik heb besloten een van de twee eerste prijswinnende gedichten hier te plaatsen van Meyling ( Claire) en een van de tweede prijs van Warmond (***) om het verschil in stijl te laten zien.

.

Claire

.

Jouw kind is aarzelend geboren.

Het toefde op de drempel van verdriet,

Begroef de droom die het voorgoed verliet

en zou de wereld droef en blij behoren.

.

Het was een meisje, weer, en vaag geschonden

(twee rose wonden, maar die gaan voorbij).

Je hebt haar – moeilijk – toch maar lief gevonden,

zij paste logisch in de onvoltooide rij

.

van de verbloemde, heimelijke zonden.

Nog even bracht een klein en zoet gemis,

toen er veel mensen in je kamer stonden,

je tot de grens van een bekentenis.

Maar omdat zij het ook niet helpen konden,

bleef alles als het was en steeds gebleven is.

.

Voor Wim

.

***

.

Ik steek je onbekommerd

overmoedig dwars door de aarzeling

die kamers vierendeelt en ons

afzijdig houdt mijn hand

toe met de woorden zie

dit heb ik voor je meegebracht

een landkaart zonder wegen

een nooit meer in roulering komend

geldstuk een sublieme

seconde van volkomen

van onbeheerst en mateloos

van bandeloos en onbelemmerd

blind-zijn.

.

Een pissebeds achtkantig lied

Herlinda Vekemans

.

In Gent kocht ik de dichtbundel ‘versneden’van Herlinda Vekemans. Haar debuutbundel. Na gepubliceerd te zijn in De Revisor, Dietse Warande en Belfort, En er is, Poëziekrant, Rottend Staal, Digther en Nieuwzuid werd deze bundel uitgegeven door Poëziecentrum Gent in 2005.  In 2006 gevolgd door de bundel ‘Buiging’, in 2011 ‘Schrikdraad’en in 2015 door ‘Kwartet voor het einde van de tijd’. Olivier Messiaen (1908-1992), waarin het leven en werk van de Franse componist Olivier Messiaen centraal staat. Vekemans (1961) geeft medisch en academisch Engels aan studenten en biomedische onderzoekers van de Universiteit van Leuven. In 2009 verschijnt poëzie van haar hand in ‘Het liegend Konijn’ en in 2010 in ‘Vlaanderen.

In de bundel ‘versneden’ wordt nogal wat versneden en met elkaar vermengd, volgens de regels van bestaande verhoudingen maar ook in nieuwe en uitdagende combinaties. De bundel bestaat uit 3 hoofdstukken: proloog, De stervende Galliër, Versneden en Epiloog, De stervende Galliër. Uit het laatste hoofdstuk het gedicht ‘Een pissebeds achtkantig lied’.

.

Een pissebeds achtkantig lied

.

And other strains of woe, which now seem woe

William Shakespeare, , sonnet 90

.

amper zand en zwart en bar al

en dor en droog de leeftocht door

en scherp schrapend in oor onder

en strak van blik de ogen kwijt

en arm aan regen en boswee

en mergloos en weesmoe en dicht

met stofpootjes vol net niet nat

aarddonker de zonzolder op

.

 

Handle with care

Mahlu Mertens

.

De Maastrischtse Mahlu Mertens (1987) groeide op in Nederland, maar verhuisde in 2011 naar België waar ze als promovendus hedendaagse letterkunde aan de universiteit Gent werkt op het departement van Literaire studies. Naast dichter is ze ook theatermaker en literatuurwetenschapper. Samen met Hanne Vandersteene vormt ze de kern van grensgeval, een gezelschap dat voorstellingen maakt op de grens van theater, geluidskunst en circus.

Haar poëzie verscheen in Het gezeefde gedicht, de Poëziekrant en bij Meander. Haar taal is bijzonder, haar Nederlands vervlaamst, haar Vlaams vreemd. In februari 2019 won ze de Zeef poëzieprijs met haar bundel ‘Ik tape je een bed’ die bij uitgeverij De Zeef verscheen.

 

Handle with care

.

ik behandel je als een kartonnen doos met een etiket erop:
‘breekbaar’. ongeopend loop je over straat, niemand
weet wat je verpakt, en ook wij wachten af, verwachten
weinig tot niets: de doos lijkt te licht, een ruimte gevuld met hoop.

.

we tellen stappen, stoeptegels, lantaarnpalen: even is goed nieuws,
oneven niet. oneven. opnieuw. elke afslag een nieuwe kans,
de stad als gokautomaat die we steeds opnieuw bespelen. even
geloven in een winnende hand.

.

hoe langer je iets moet dragen, hoe zwaarder het lijkt,
dus ook jouw vermoeidheid is geen doorslaggevend bewijs.

.

Poëzie op een auto

Katie Eberhart

.

Schrijfster en dichter Katie Eberhart en haar echtgenoot Chuck Logsdon woonden enkele jaren in Anchorage Alaska.  Katie werkte in de loop van de jaren als onderzoeker, econoom en data-consultant, maar bleef ook schrijven. In 2010 verdiende ze een MFA van de Rainier Writing Workshop aan de Pacific Lutheran University. Katie’s gedichten en essays zijn verschenen in Cirque Journal’, ‘Sand Journal’, ‘Elohi Gadugi Journal’ en in andere magazines. In 2011 verhuisden Katie en Chuck naar Bend, Oregon, waar Katie blogt over natuur en literatuur.

In Oregon begon Katie me het beschilderen van hun auto’s. Niet meteen met poëzie al had één auto wel het opschrift ‘I brake for poems’ achterop. Tijdens de Oregon Poetry Association Conference in Forest Grove in 2012 kwam ze echter met haar nieuwste aanwinst ‘The poetrycar’. Met een permanent marker schreef ze gedichten op haar auto. Soms wilde ze de gedichten vervangen en dan moest ze met nagellak verwijderaar aan de gang en daarom is ze nu bezig met het zoeken naar magnetische letters.

Katie Eberhart gebruikt zinnen en strofes uit gedichten die ze mooi vindt zoals uit het gedicht van Jack Gilbert ‘A brief for the defence’.

.

A Brief For The Defense

.

Sorrow everywhere. Slaughter everywhere. If babies

are not starving someplace, they are starving

somewhere else. With flies in their nostrils.

But we enjoy our lives because that’s what God wants.

Otherwise the mornings before summer dawn would not

be made so fine. The Bengal tiger would not

be fashioned so miraculously well. The poor women

at the fountain are laughing together between

the suffering they have known and the awfulness

in their future, smiling and laughing while somebody

in the village is very sick. There is laughter

every day in the terrible streets of Calcutta,

and the women laugh in the cages of Bombay.

If we deny our happiness, resist our satisfaction,

we lessen the importance of their deprivation.

We must risk delight. We can do without pleasure,

but not delight. Not enjoyment. We must have

the stubbornness to accept our gladness in the ruthless

furnace of this world. To make injustice the only

measure of our attention is to praise the Devil.

If the locomotive of the Lord runs us down,

we should give thanks that the end had magnitude.

We must admit there will be music despite everything.

We stand at the prow again of a small ship

anchored late at night in the tiny port

looking over to the sleeping island: the waterfront

is three shuttered cafés and one naked light burning.

To hear the faint sound of oars in the silence as a rowboat

comes slowly out and then goes back is truly worth

all the years of sorrow that are to come.

.

De stilte is krols

Lente

.

Nu de lente is begonnen en de zomertijd weer is aangebroken is het tijd voor een gedicht over dit jaargetijde. Op mijn zoektocht naar een passend gedicht kwam ik uit bij het gedicht ‘Tegen het verdwalen’ van Hagar Peeters. Toen ik de eerste zin las wist ik het; dit wordt hem. Oordeel zelf. Uit de bundel ‘Wasdom’ uit 2011.

.

Tegen het verdwalen

.

Lente. De stilte is krols.
Een lach komt ten val
aan geluk.

Twee vliegen breken
het raam, weten
dat het je de das omdoet

als je voorgoed je lijfs-
behoud aan gene zijde
ervan zoekt

rommelt de lucht
nabij, stommelt
een vrouw
op de trap
geur van lokroep

verlaten vlinders
bijtijds onderkomens
om vogels, naar vlinders
op zoek.

Gevonden ben je allang.
Hoe ben je anders bij mij.

.

De beer

Chronogram

.

Toen ik een kast aan het opruimen was kwam ik een paar bladzijden uit een tijdschrift tegen. Ik wist eerlijk gezegd niet meer waar en wanneer ik deze bladzijden uit had gescheurd maar na een snelle zoekactie op internet wist ik het weer. Een aantal jaar geleden was ik met mijn gezin in de Verenigde Staten op vakantie, onder andere in de staat New York. Dwars door deze staat (en nog een aantal staten) stroomt de rivier De Hudson. Langs dit stroomgebied wordt een tijdschrift gedistribueerd met de titel Chronogram. Naast een tijdschrift is er ook de website https://www.chronogram.com.

In zowel het tijdschrift als de website wordt poëzie gepubliceerd. Dichter Philip Levine (Poet Laureate van de Verenigde Staten in 2011 en 2012) verzorgt de redactie en iedereen mag gedichten inzenden. Op mijn twee bladzijden met gedichten staan naast wat plaatselijk regionale gedichten toch ook wat aardige voorbeelden van aansprekende poëzie. Bijvoorbeeld het gedicht ‘The bear’ van Andrew F. Popper, dat over een dementerende vader gaat.

.

The bear

.

A few weeks before his death

My father told me of a bear.

He saw it one morning

On the nursing home lawn.

.

It ambled, sniffing air and ground.

It was startled by a car horn.

Crossed the stone wall

And in an instant was gone.

.

An ancient physician from Oslo believes me.

He’s the only one, my father says.

The staff? They nod and whisper, he says.

Such inhumanity in this place called a home.

.

You don’t believe me, he says.

Am I losing his mind?

After all, he is 87, unable to walk.

Deaf without hearings aids.

.

It is possible you saw a bear.

Possible? he asks.

A bear is or is not.

It is not the subject of debate.

.

There are two possibilities, he says.

Either it was there or I am mad.

Then it was there, I say.

Go home, he says.

.

It’s time for my lunch, he says.

My day is meals and sleep.

I’ll stay and eat with you.

Go home, he says. and do’t hit the bear.

.

 

Beroemdheden met dichterlijke aspiraties

Amber Tamblyn

.

Regelmatig komt het voor dat beroemdheden dichterlijke aspiraties hebben. Op 24 december 2012 schreef ik al eens over de ‘dichtkunst’ van Charlie Sheen (o.a. Two and a half men) en Leonard Nimroy (Star Trek) en later op 1 juli 2015 over de poëzie van Britney Spears en Alicia Keys. En pas geleden nog, op 10 december, over de gedichten van Marilyn Monroe. Aan dit toch al aardige aantal wil ik de komende tijd nog wat voorbeelden toevoegen. Om te beginnen met de actrice Amber Tamblyn.

Amber Rose Tamblyn (1983) speelde als actrice in televisieseries zoals General Hospital, House en Inside Amy Schumer en in films als Spring Brakedown en 127 Hours. Toch is ze ook als dichter al redelijk bekend. Ze publiceerde een aantal zelf uitgegeven poëziebundels voordat in 2005 Simon & Schuster Children’s Publishing haar vroege gedichten (geschreven tussen haar 11de en 21ste jaar) publiceerde met de titel ‘Free Stallion’. Over dit debuut schreef Poet Laureate Lawrence Ferlinghetti: “A fine, fruitful gestation of throbbingly nascent sexuality, awakened in young new language.” In 2009 volgde de bundel ‘Bang Dito’ bij Manic D. Press. Vanaf 2011 recenseert Tamblyn poëziebundels voor het feministische BUST Magazine. In 2014 werd door Harper Collins haar derde poëziebundel uitgegeven met de titel ‘Dark Sparkler’ die over het leven en de dood van kindsteractrices gaat. 

Op de website http://www.thrushpoetryjournal.com verscheen van haar het gedicht ‘Laurel Gene’ uit ‘Dark Sparkler’ dat hieronder te lezen is.

.

Laurel Gene

.

Shave off the sheets of my songless childhood success,
expose the rotted age of me now―
My toothless breasts, my hips like a cracked Texas cow skull
hanging crooked on the butcher’s wall.

Remember what I once was.
The laurels of the Gene name.
My boom impact on the Baby Generation.
My pre-pubescent niche pizzazz.

Remember how the phone threw offers
for Little Jenny Sues into my Father’s ear.
He’d suck the bucks out of the cord like a straw into a spectrogram.
I never got a single sip.

I was his dark sparkler. A tarantula on fire.
An innocent with apple juice eyes and a brain
full of famished birds.

I used to play characters. Now I am portrayed.
As a dull domestic darling. A 30 year old 80 year old.
My husband’s office phone rescinds in silence. The only offers
are from the sink’s silverfish to kill them.

When I vacuum I think of Ingmar Bergman
fucking me from behind. I open
like the palms of Julius Cesar to a crowd.
Men used to rearrange their months to fit my seasons.

I suck a finger then the caldron in his tip.
He films my apron sticking to the sweat.
Makes this bad heart a pulse from the sky.
I am a distant explosion of myself again. A star.

Remember being a star.
This is how to die in the arms of a suburban wind,
learning how to be forgotten
over and over again.

.

 

De dichter en de erotiek

Anne Vegter

.

Anne Vegter (1958) staat bekend om het erotiek gehalte in veel van haar werk. In een artikel in de Groene Amsterdammer uit 2011 wordt dit mooi beschreven https://www.groene.nl/artikel/erotisch-slagveld

In de jaren dat ze dichter des Vaderlands was schreef ze het gedicht ‘Materiaal voor schedelboog, lijn van borst, fallus of kont uit vloeibare klei’ bij de opening van de tentoonstelling ‘Sexy ceramics’ in Keramiekmuseum Princessehof (2016). In deze tentoonstelling kon je aan de hand van femmes fatales en ondeugende herders door alle fases van het liefdesspel lopen. Van de eerste aanraking en voorzichtige hofmakerij tot expliciete seks. Er waren Klassieke Griekse vazen, verfijnd Aziatisch porselein en moderne kunst die de zintuigen prikkelde en je met een heel andere blik naar keramiek liet kijken. Je kon er verborgen symbolen, suggestieve vormen en erotische objecten tegen komen, maar maakte ook kennis met de sensualiteit van het materiaal klei zelf.

Aan de hand van deze beschrijving van de tentoonstelling en de tentoonstelling zelf uiteraard schreef Anne Vegter het volgende gedicht:

.

Materiaal voor schedelboog, lijn van borst, fallus of kont uit vloeibare klei

‏Je makersbewegingen over het breekbare, natte binnenste –
‏buiten raakten mijn vormen jouw tong aan, openden je mond

‏in mijn roos, we bedreven lovescience met de modderige maten
‏van mijn kleivrucht. Kijken is pijnloos nadoen. Toen ik wilde weten

‏wat je vingers weten legde je verhitte dingen in ons bed. Je zei:
‏‘Dickrider, Tietenvaas, Models, Fallen Woman en wij.’ Ik zei:

‏‘Mooie Mensch, Flame, Potential Stillness en wij, sloeries van klei.’

.

Dichter van de maand mei

Alja Spaan

.

Ik ken Alja Spaan al jaren, sinds ik ooit haar weblog ging lezen, daar met enige regelmaat reacties op achterliet, zij mij haar vriendelijke lezer noemde en we uiteindelijk in 2010 samen een dichtbundel publiceerden ‘Je hebt me gemaakt met je kus’. Daarna bleven we elkaar volgen en zien bij optredens, bij Reuring in Alkmaar, bij Ongehoord! in Rotterdam en Maassluis. Tegenwoordig schrijft ze nog altijd dagelijks een gedicht op haar website http://aljaspaan.nl

Binnenkort, op 26 mei, mag ik weer bij haar komen voordragen op haar onvolprezen podium Reuring, in de Alkemazaal van Koekenbier aan de Kennemerstraatweg16, aanvang 16.00 uur. Maar tot zover de dienstmededelingen.

Alja is dus in mei dichter van de maand. Zolang ik haar ken weet ze me al te raken en plezieren, te verwonderen en te inspireren met haar taal. Ze schrijft op haar heel eigen wijze, in gedichten van steeds twee zinnen die achter elkaar door het best gelezen worden want de zinnen lopen door, daar waar je het meestal niet verwacht en toch weer wel.

Ze schrijft met compassie, haar onderwerpen zijn van dichtbij haar, haar moeder, haar kinderen, kleinkind, haar omgeving. En in 2011 publiceerde ze de bundel ‘de hand de beweging laten maken’ brieven en gedichten over W. Deze W. was haar vriend en al de gedichten die over hem gaan heeft ze samen gebracht in deze mooie bundel.

Als eerste gedicht van de nieuwe dichter van de maand heb ik gekozen voor het slotgedicht in deze bundel ‘epiloog, a performance’.

.

epiloog

.

a performance

.

Als het daar zou staan, ik zou willen dat het

Weg ging

.

Als het daar zou liggen, ik zou het wegduwen

Of gewoon hoog

.

Daarover heen stappen, de lucht van

Zilveren druppels

.

De grond zwaar van dat zilver en dat nat en

Dan, ik zou

.

Niet omkijken, grote stappen zou ik maken

En het zou niets

.

Uitmaken, wel? het zou niets schelen, het zou

Eindeloos

.

Duren voordat het bladerdek droog geworden

Wegwaaien zou

.

En als goud weer voor je voeten zou dwarrelen

En eindeloos

.

Voordat ik het lezen kon, als het daar zou staan

Liggend in de

.

Stap van mij hoge benen, dat je van me hield

Dat je van me hield

.