Site-archief

De ziekte van jij

Joost Zwagerman

.

Het afgelopen weekend zat ik te lezen in de bundel ‘Zo heel jij mij’ troostgedichten samengesteld door Isa Hoes uit 2020. Het laatste gedicht in deze aardige verzamelbundel is van Joost Zwagerman (de gedichten staan op alfabetische volgorde op de achternaam van de dichter, iets wat mijn bibliothecarishart blij stemt).

Het gedicht zonder titel van Zwagerman (1963-2015) komt uit zijn bundel ‘De ziekte van jij’ uit 1988 en doet me in de verte denken aan het gedicht ‘Lamento’ van Remco Campert. Desalniettemin, of misschien juist daardoor vind ik het een bijzonder fraai gedicht.

.

… zag jij misschien dat ik naar jou,

dat ik je zag en dat ik zag hoe jij

naar mij te kijken zoals ik naar jou

en dat ik hoe dat heet zo steels,

zo en passant en ook zo zijdelings –

dat ik je net zo lang bekeek tot ik

naar je staarde en dat ik staren bleef.

Ik zag je toen en ik wist in te zien

dat in mijn leven zoveel is gezien

zonder dat ik het ooit eerder zag:

dat kijken zoveel liefs vermag.

.

 

Lunchpauzegedichten

Jan Arends

.

Dichter Jan Arends (1925-1974) was ook schrijver en vertaler. Hij heeft een klein oeuvre van verhalen en gedichten nagelaten. Het werk van Jan Arends bevat veel autobiografische elementen en geeft een kritische visie op de Nederlandse maatschappij vanuit een persoonlijk perspectief. Zijn leven (bijvoorbeeld ervaringen met strenge vorst in de hongerwinter van 1944) en zijn literaire werk zijn sterk met elkaar vervlochten. Arends had een zeer complexe en moeilijke jeugd. Op later leeftijd verbleef hij geregeld in psychiatrische inrichtingen al gaat het verhaal dat hij ‘minder gek was’ dan dat hij zich voordeed en kwam een opname in een psychiatrisch ziekenhuis hem soms goed uit in een tijd dat de sociale voorzieningen voornamelijk uit verschillende vormen van liefdadigheid bestonden.

In januari 1944 heeft Jan Arends een eerste gedicht in een illegaal krantje gepubliceerd. Vanaf 1949 wordt af en toe een gedicht van hem gepubliceerd in tijdschriften. Uiteindelijk debuteert hij in 1965 bij De Bezige Bij met de bundel ‘Gedichten’. Als schrijver was hij toen al gedebuteerd met een verhaal in Maatstaf in 1955. Zelf hoorde ik voor het eerst van de schrijver Arends in de jaren ’70 nadat hij met zijn verhalenbundel ‘Keefman’ enig succes had.

Op 21 januari 1974, twee dagen voordat zijn gedichtenbundel ‘Lunchpauzegedichten’ verschijnt, pleegt hij zelfmoord door uit het raam van zijn woning op de vijfde etage van een flat in Amsterdam te springen. In deze bundel staan grillige, donkere maar ook wrang-geestige gedichten. Mijn exemplaar is uit 2015 en een elfde druk waaruit maar blijkt dat zijn werk nog altijd wordt gewaardeerd. Uit deze bundel, met een nawoord van Menno Wigman, koos ik het gedicht gericht aan mededichter A. Roland Holst zonder titel.

.

 Voor A. Roland Holst

.

Wat

doet

een man?

.

Hij

geeft de zee

namen.

.

Hij

gaat

naar het strand.

.

Hij

geeft

de zee

een naam.

.

Hij

geeft

zijn taal

aan de zee.

.

Hij

geeft

aan de zee

de mond

van de aarde.

.

Hij

geeft

alle namen

aan de zee.

.

 

Met de rozen

Ankie Peypers

.

In 2015 kwam de bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen brengen’ op de markt, al snel gevolgd door ‘Gedichten die vrouwen aan het huilen brengen’ die door Isa Hoes werd samengesteld. Beide bundels bleken nogal een succes dus werd de formule nog even voortgezet met de bundel ‘Zo heel jij mij’ Troostgedichten, waar ik al eerder over schreef en opnieuw samengesteld door Isa Hoes.

Wat me opviel toen ik de bundel weer eens las, was dat hier opnieuw was gekozen voor veel bekend werk van bekende dichters. Toch staan er ook wat gedichten in van minder bekende of (bijna) vergeten dichters. Zoals de dichter Ankie Peypers (1928-2008). Het gedicht ‘Met de rozen’ is genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1976 en is met recht een troostrijk gedicht.

.

Met de rozen

.

Ik heb met de rozen gewed

dat hij op tijd zou zijn

dat ze hem nog zouden zien.

Ze bloeien heel lang dit jaar.

.

Ik heb met de kastanje gewed

dat zijn bladeren niet zouden vallen

dat ze niet zouden vergelen

en dat ik met hem kastanjes zou zoeken

en dat hij kwam.

.

Met de hei met de haag met de bleke steeds blekere zon.

.

Ik heb met de sneeuw gewed

want daar gaat het toch om

dat mijn voetstap

geen spoor achterlaat waarvan mensen

zeggen dat meisje is altijd alleen;

.

Ik heb met de sneeuw gewed

dat hij weer terug zou zijn

dat er sneeuw moet zijn

voor wie wil kussen

voor wie wil bezitten.

.

Stil zei de maan wees stil

je bent hem al bijna vergeten.

.

Hoe nu verder?

Poëzieweek

,

Vandaag, 1 februari, is de laatste dag van de poëzieweek 2023. Een week waarin er heel veel aandacht was voor poëzie. Dit jaar geen grote meeslepende aandacht op televisie (of ik moet iets gemist hebben) maar vooral veel lokale projecten en activiteiten waarbij het zwaartepunt, zeker als je jezelf er even in verdiept, vooral in Vlaanderen lag. Neem bijvoorbeeld Weesgedichten, het oorspronkelijk uit Aalst afkomstige initiatief, maar dit jaar door de meerderheid van de Vlaamse bibliotheken in het hart gesloten en uitgevoerde project waarbij bibliotheken raamgedichten aanboden aan een ieder die dat wilde. Ik heb heel veel van de uitgevoerde raamgedichten voorbij zien komen op alle social media kanalen. Een echt mooi succes waarvan ik hoop dat het de grens kan oversteken.

Maar er was meer. Zo werd schrijver, dichter, theatermaker Elfie Tromp de nieuwe stadsdichter van Rotterdam, werd de benoeming van de nieuwe dichter des vaderlands uitgesteld (wat is daar aan de hand?), traden de twee dichters van het Poëziegeschenk ‘Er staat te gebeuren’ Hester Knibbe en Miriam Van hee onder andere op bij de startshow van de Poëzieweek en waren er talloze kleine, poëzie gerelateerde activiteiten her en der in Nederland en Vlaanderen.

Ook ik zie elk jaar het effect van de poëzieweek op dit blog. Het aantal bezoekers verdubbelt en de lijst met zoektermen waardoor men op dit blog komt is uitgebreider en diverser in januari. Al met al zou je kunnen stellen dat de poëzieweek leeft in den lande. En toch bekruipt me steeds meer het gevoel dat, met name in Nederland, een grote partij wordt gemist die het verschil kan maken. Laat ik voorop stellen dat het geweldig is wat de samenwerkende partijen in de Poëzieweek voor elkaar hebben gekregen, maar het zou zo mooi zijn als de Poëzieweek, door wat extra mensen, middelen en aandacht nog meer de plek zou krijgen die het verdient.

Als ik zie met hoeveel liefde en enthousiasme overal in Nederland activiteiten worden georganiseerd, de poëzie wordt gevierd, dan verdient dit een grotere en stevigere basis van waaruit, bijvoorbeeld, een betere marketing en communicatie gedaan zou kunnen worden. Wat dat betreft wordt de bijdrage van een partij als het CPNB nog steeds node gemist.

Toch wil ik hier niet in mineur eindigen. Volgend jaar is er ongetwijfeld weer een poëzieweek en zullen er door poëzie enthousiasten weer allerlei poëzie activiteiten worden georganiseerd. Ik hoop alleen, en die hoop heb ik elk jaar, dat met de laatste dag van de Poëzieweek, niet ineens elke vorm van interesse voor poëzie verdwijnt om weer de kop op te steken halverwege januari 2024. Ik zal, met dit blog en mijn andere poëzie activiteiten, elke dag aandacht blijven vragen voor poëzie. En zoals elke dag doe ik dat ook vandaag met een gedicht van Hester Knibbe, één van de dichters van het Poëzieweekgeschenk, uit 2015 uit haar bundel ‘Archaïsch de dieren’.

.

En hij bestond

.

En hij bestond. We pakten hem
op, zwierden hem in het rond en
nog eens en hij kraaide want hij was
in lievelingshanden en toen was het

.
hup de wereld in met je hart
dat men afpakken kan, kan breken
in een hoek smijten: niks waard zo’n

.
hart geen porselein of goud, meer een roestig
soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe
gaat straks op de schroothoop. Maar hij

wilde niet weg, hij wilde
groeien en blijven waar het goed was en goed
wilde hij worden met vileine streken. Schulp

.
is een woord als schuld, de kom waarin elk
rondkruipt, telkens opnieuw het lichaam
verkent: ben ik dat, een soort groot

.
gebaar waarmee ik soms iemand
in het gezicht sla?

.

Aan het woord

Joost Zwagerman

.

Toen in 2015 bekend werd dat Joost Zwagerman (1963 – 2015), schrijver van poëzie, romans, novellen, verhalen, essays en columns, een einde had gemaakt aan zijn leven, kwam dat voor heel veel mensen als een schok.  Ik kende Zwagerman van zijn roman ‘Gimmick!’ uit 1989 waarna ik nog enige romans van hem las voordat ik erachter kwam dat hij ook poëzie schreef. Gek genoeg duurde het vervolgens nog best lang voor ik zijn poëzie ging lezen.

In 2005 verscheen zijn bundel ‘Roeshoofd hemelt’ wat bijzonder goede kritieken kreeg in de pers. Toch waren er ook recensenten die de bundel niet konden waarderen. Zo schreef Edwin Fagel op De recensent “Toegegeven, Zwagerman heeft een taalgevoel waar menig dichter jaloers op zal zijn, en de bundel is goed gecomponeerd. Maar hij is geen dichter en de bundel is op een verschrikkelijke manier mislukt.” In Trouw werd de bundel als een van zijn meest indringende bundels bestempeld. In 2007 kreeg Joost Zwagerman de Paul Snoek Poëzieprijs voor ‘Roeshoofd hemelt’ wat maar illustreert dat er verschillend gedacht werd over de poëzie in deze bundel.

Een deel van de kritiek begrijp ik wel, Zwagerman schrijft in Roeshoofd hemelt’ feitelijk een roman in poëtische verzen. De gedichten zijn wisselend van vorm wat het lezen niet makkelijker maakt. De bundel dient ook chronologisch gelezen te worden want los van elkaar missen de gedichten betekenis en context. Toch zijn er een paar gedichten die wel los van de rest gelezen kunnen worden zoals het gedicht ‘Aan het woord (1)’. Hoewel je kunt afdingen op het poëtisch gehalte van het gedicht (maar wie doet dat bij de poëzie van bijvoorbeeld Jules Deelder, die gelijksoortige gedichten schreef) is de situatie die Zwagerman beschrijft herkenbaar

.

Aan het woord (1)

.

Wilt u uw tas even openmaken?

Uw tas.

Mag ik de bon zien?

De bon.

De kassabon graag.

Dit hier staat dus niet op de bon.

En dit ook niet.

Wilt u met mij meegaan.

Als u nu even meewerkt.

Dat is voor ons allebei het gemakkelijkst.

Die deur door graag.

Hier naar beneden.

Straks komt er iemand bij u.

Weet ik niet.

Meneer. Dat zei ik net. Ik weet niet hoelang.

Nee, langer dan dat. Langer.

.

Jij weet wat wij niet weten en andersom

Henk van der Waal

.

Nog regelmatig stuit ik op dichters die ik niet ken. Aan de ene kant verwonder ik me daarover, ik schrijf al 15 jaar over poëzie en lees dagelijks poëzie, en aan de andere kant zijn er ook zoveel dichters. Een dichter die ik niet kende is Henk van der Waal. In ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ het Nieuw Groot Verzenboek, samengesteld door Jozef Deleu uit (in mijn geval) 2015 lees ik het gedicht ‘Jij weet wat wij niet weten en andersom…’ van zijn hand.

Henk van der Waal (1960) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Universiteit van Parijs. In 1995 verscheen zijn debuutbundel ‘De windsels van de sfinx’, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. Hierna volgden nog enkele dichtbundels. Zijn gedichten verschenen in de literaire tijdschriften Optima, De Revisor en Parmentier. Hij vertaalde werk van onder andere Julia Kristeva, Maurice Blanchot en Paul Auster. Van der Waal schrijft ook proza en essays.

Het gedicht ‘Jij weet wat wij niet weten en andersom…’ komt uit zijn bundel ‘Schuldsanering’ uit 2000. Rob Erkelens schreef in 2001 in De Groene Amsterdammer over deze bundel: “Henk van der Waal schrijft opvallende poëzie doordat hij heel bewust aandacht besteedt aan het typografische uiterlijk van zijn gedichten. De lengte van de regels kiest hij zodanig dat het gedicht een geometrische vorm krijgt.” Dit is ook het geval met het gedicht ‘Jij weet wat wij nieten en andersom…’.

.geometrische vorm, typografische uiterlijk, gedicht, gedichten, dichter, poëzie, poëziebundel, gedichtenbundel, dichtbundel, 

Jij weet wat wij niet weten en andersom…

.

Jij weet wat wij niet weten en andersom,

dat is het geluk dat ons scheidt: de

fascinatie – en onbedaarlijk kus

ik je handen, want ze wijzen

zonder te wijzen, vol

als ze zijn van wat

voor ons al jaren

achter de streep

verdwenen is,

.

maar wat mateloos en zonder weerga nog door

jouw gebaren stroomt en manifest is in de

ondeugd van je ogen, die wij verwonden

met een beschaamde glimlach om onze

mond, omdat wij jouw vervoering

hebben verloochend en haar

pas achteraf, als alles

afgelopen is, weer

smaken mogen.

.

 

Beste meneer Bloem,

Selectie uit 20 jaar Mr. J.C. Bloemprijs

.

In 2001 werd voor de 1e keer de Mr. J.C. Bloemprijs beschikbaar gesteld door de gemeente Steenwijkerland waar dichter J.C. Bloem (1887-1966) de laatste jaren van zijn leven woonde. Sindsdien wordt de prijs elke twee jaar uitgereikt aan een dichter uit het Nederlandse taalgebied. Het geld is bedoeld (als aanmoedigingsprijs) voor een tweede bundel (Inleiding pagina 6). Dit laatste klopt niet helemaal, je zou denken dat het hier dus een prijs voor debutanten betreft maar een snelle check levert meteen al op dat niet klopt. Neem bijvoorbeeld Hagar Peeters die in 2005 de prijs kreeg voor ‘Koffers zeelucht’. Peeters debuteerde in 1999 met de bundel ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’. Een ander voorbeeld is Maria Barnas, winnaar van de prijs in 2009 met ‘Er staat een stad op’ uit 2007, terwijl zij als dichter debuteerde in 2003 met ‘Twee zonnen’.

Wanneer een dichter is genomineerd wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven op de persoon Bloem, zijn werk of een regel of titel uit zijn oeuvre. Niet alle dichters gaven hieraan gehoor. Van de gedichten die wel geschreven werden daaruit is een overzicht gemaakt (van dichters uit Nederland en Vlaanderen). Deze zijn in de bundel bijeengebracht samen met twee lezingen van Willem Thies over Bloem die rijk zijn aan zijwegen die je na lezing verder wil bewandelen maar de hoofdweg die hij kiest (het hart in het werk van Bloem en de betekenis, een analyse, van het gedicht ‘November’) is duidelijk analytisch en zeer verteerbaar.

De dichters die in de bundel zijn vertegenwoordigd worden geïntroduceerd middels een korte biografie, citaten, een overzicht van hun werk en iets over het gedicht dat is opgenomen. In de inleiding wordt de dichters die genomineerd zijn geweest voor de Mr. J. C. Bloemprijs en geen gedicht hebben aangeleverd gevraagd dit alsnog te doen. Alle genomineerden staan vermeld achterin de bundel. Men hoopt dat men zo een tweede (vermeerderde druk) van deze bundel kan uitgeven waarin meer genomineerde dichters staan.

Als ik kijk naar dichters die wel zijn genomineerd maar die geen bijdrage in de vorm van een gedicht hebben geleverd dan zijn dit niet de minste: Ilja Leonard Pfeijffer en Rodaan al Galidi (2003), Mark Boog (2005), Micha Hamel en Erik Jan Harmens (2007), Peter Swanborn (2011), Maud Vanhauwaert (2015) Maarten van der Graaff (2017), Daniel Vis en Charlotte Van den Broeck (2019) en Marieke Lucas Rijneveld (2021), en dit is nog maar een greep. Me dunkt dat je met gedichten van deze dichters een aardige (extra) bundel kunt vullen.

Desalniettemin staan er nog genoeg dichters van naam in deze bundel met een gedicht die deze bundel bijzonder de moeite waard maken. Zoals het gedicht van Sylvie Marie (1984) ‘Het leven zou zoveel leuker zijn’. Sylvie Marie werd in 2013 genomineerd met de bundel ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’.

.

Het leven zou zoveel leuker zijn

.

zonder aanmodderen, deze lamme sofa,

staren, sterren, altijd dat raam.

.

ik zocht het op ; er zijn geen wedstrijden,

noch is er een wereldrecord janken

en toch trekken we jassen aan

als zwachtels, slenteren we ons suf.

 

waarom kiezen we niet eens

voor de donder, vegen we met regen

nooit gewoon de vloer aan,

wie weet wat er dan komt aangewaaid?

.

ja, waarom hebben de tegels

waarop we onze schoenen slijten geen

namen als martha, albert, julia, roger ?

heel eenvoudig hinkelspel had dan gezegd

wie van wie moet houden.

.

 

Belvedère

Peters over Wieg

.

In zijn debuutbundel ‘Belvedère’ uit 2021 denkt dichter Arjan Peters terug aan gestorven schrijvers, vrienden en familie, aan een voorbije liefde, aan de onvoltooide verzen van geliefde dichters, en aan het leven en de liefde in het heden. Peters (1963) studeerde Nederlands en is al dertig jaar bekend als literatuurcriticus, columnist en interviewer.

In deze bundel staat ook het gedicht ‘Rogi Wieg’. Toen ik dit gedicht las wist ik dat ik dit ging plaatsen in de categorie dichters over dichters. Peters beschrijft een ontmoeting met schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant Rogi Wieg (1962-2015) die leed aan ernstige depressies waardoor hij driemaal een poging tot zelfmoord deed. Uiteindelijk overleed Wieg door euthanasie wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden. Dit aspect komt in het gedicht duidelijk naar voren. Het gedicht is het openingsgedicht van het hoofdstuk ‘Met het einde voor ogen’.

.

Rogi Wieg

.

Eén oog bleef leep geloken boven de bunny
op je badjas, en grijnzend gaf je me een trilhand
toen ik jouw afscheid van de lezers kwam noteren
.
zonder idee hoe zoiets moet, maar dat had jij
al evenmin. Hartbrekende taferelen had ik vermoed
maar jij ging op je keyboard zitten spelen
.
en zong er een blues bij. Zei even later, verbaasd:
‘Wat ging het snel, het leven.’ De goulash was goed
en al verzekerde je me hoe dood je wilde
.
omdat jouw toverdraad al lang gebroken was
en er geen apotheek bestand bleek tegen de wildgroei
van kwalen waar je zelf zo geboeid van verhaalde –
.
in gekke opgewektheid reed ik weer naar huis.
Het wezenlijke gaat vanzelf
en snel. Niemand kan het je leren.

.

Stil in Rozet

Insomniacs

.

Stilte is een geliefd thema bij dichters. Zelf schreef ik het gedicht ‘Het is stil’ in 2015 en als je op het woord Stil zoekt in mijn blog kom je vele voorbeelden tegen van gedichten waarin stilte het thema, de titel is of een rol speelt. Afgelopen week was ik voor mijn werk in Arnhem, in de bibliotheek Rozet aldaar. Omdat ik altijd aansta als het om poëzie en gedichten gaat viel me ook nu een soort etalage op waarin tekeningen met daarnaast een gedicht geplaats waren aangebracht.

Van één van die tekeningen bij een gedicht heb ik een foto genomen. Het is het gedicht ‘Stil’ van Paulo Mulder. Enig speurwerk heeft me geleid tot de makers van beeld en gedicht. Het betreft hier Insomniacs, Riemer Vos en Paolo Mulder. Riemer is tekenaar en illustrator en Paolo is Spoken Word artiest. Insomniacs betekent Slapelozen.

Hier vind je meer van hun werk. Het gedicht ‘Stil’ hoort bij onderstaande tekening.

.

Stil

.

“stil hoor je niet

maakt stil geluid

dan is stil

stil niet meer

stil is eenzaam

stil voelt en ervaart

je hoort stil niet

maar stil is er wel

.

stil

.

stil ben ik”

.

Stop de bom

J.C. Aachenende

.

Afgelopen zondag besprak ik met een paar vrienden dichters en kreeg ik de vraag of er dichters zijn die ik niet ken (van naam of anderszins). Uiteraard gaf ik op die vraag het enige antwoord wat je kan geven namelijk dat er nog altijd veel dichters zijn die ik niet ken (al worden het er wel steeds minder). En er komen steeds weer dichters bij. Poëzie is levenslang kortom.

Maandag las ik op Facebook een bericht van Jos van Hest dat dichter J.C. Aachenende was overleden op 90 jarige leeftijd. J.C. Aachenende is het pseudoniem van Dr. Isaak van der Sluis, voormalig dermatoloog en docent aan de Universiteit van Amsterdam. Jos schrijft dat hij hem kende als een erudiete, scherpzinnige, geestige en soms vileine schrijver en dichter, die tot drie jaar geleden vrijwel elk Open Podium in de OBA (de bibliotheek van Amsterdam) bezocht, waar hij met zijn sonoor-rasperige stem het ene grappige gedicht na het andere schrijnende voorlas.

Het deed mij meteen denken aan Wim den Hertog, een oudere man die bij de open podia van toen nog Ongehoord Rotterdam, op het open podium altijd zijn gedichten de zaal in baste. Uiteraard ben ik op zoek gegaan naar meer informatie over J.C. Aachenende. Zo las ik op de website van Meander dat hij  een aantal bundels heeft gepubliceerd zoals ‘Tegengif’ (2003), ‘Het leven is gezelligheid’ (2005) en ‘Vreten op aarde’ (2008), ‘Met weemoed’ (2011), ‘Gedichten en gedachten’ (2015) en ‘Tweeënveertig gedichten vol vuur en vaart’ (2016).

In zijn rouwadvertentie stond uiteraard een gedicht van zijn hand dat ik jullie niet wil onthouden omdat het mij uit het hart gegrepen is.

 

Mijn huis is maar een boekenkast

waarvan ik als gedulde gast

nou ja, bibliothecaris dan

mag wonen; ’t is een labyrinth

waarin ik, wat ik weet en ken

nooit vind, en zelfs verloren ben

.

Uit zijn bundel ‘Met weemoed’ komt het gedicht ’21 november’ over de grote demonstratie tegen de Neutronenbom in Den Haag in 1981.

.

21 november

.

De Vrede is een hond
die keft en gromt
en bijt, en laat z’n tanden zien.
Hij blaft en kwijlt
z’n valse taal: de vredeszwendel.

.

De Vrede ijlt z’n roep vooruit,
hij scheurt het vlees
van ‘t bot: z’n vreten.
Hij kraakt het been. Hij knaagt,
een bloedhond die in meutes jaagt.

.

Sla hem de tanden uit z’n mond.
De Vrede is een valse hond.

.

.