Site-archief
Mei: Gerrit Komrij
Souvenir
.
In Mei is Gerrit Komrij de Dichter van de maand en dus elke zondag een gedicht van zijn hand. In 1982 verscheen de bundel ‘Gesloten circuit’ met daarin de hoofdstukken: Chaos, Arlequino’s Ei, De monumenten, Het binnenhuis en De kluizenaar.
Uit het hoofdstuk Het binnenhuis heb ik gekozen voor het gedicht ‘Souvenir’.
.
Souvenir
.
Het huis waarin ik zo lang heb gewoond
Woont ook in mij. De fiere gevel die
Zich aan de straatkant scherp aftekent troont
Daarboven met dezelfde acribie.
.
Daarboven in mijn hoofd. De lange gangen
Vol schemering en half-gedoofde stappen
Doorsnijden hersenen en huis, behangen
Met kille doeken en met lampekappen.
.
Het zolderraam dat oorverdovend beeft
Wanneer een vrachtauto passeert, ziet uit
Op een verlaten park. Erover zweeft
Het gruis van een oud feest, zonder geluid.
.
Sign O’ The Times
Prince Rogers Nelson (1958 – 2016)
.
Donderdag 21 april is Prince op veel te jonge leeftijd overleden. Dat zal niemand ontgaan zijn. Ik was vooral in de beginjaren fan van Prince, maar jarenlang daarna heb ik hem nog gevolgd en zijn muziek gekocht. In augustus 1986 heb ik een concert van hem bezocht in Sportpaleis Ahoy in Rotterdam en dat was één van de meest memorabele concerten die ik in mijn leven heb bezocht. De show, de muziek, de totaalbeleving.
Uit de vele artikelen die de laatste dagen zijn verschenen komt steeds weer het beeld naar voren van Prince als vernieuwer van de muziek en de muziek scene. Maar ook in zijn teksten was Prince een verhaal apart. Hoewel hij in het begin vooral bekend stond om zijn seksueel getinte teksten (hierdoor kreeg hij de bijnaam His Royal Badness) kregen zijn nummers steeds meer inhoud. Het nummer ‘1999’, het meest gespeelde nummer ever tijdens de jaarwisseling naar 2000 toe, was zijn doorbraak (geschreven in 1982). het wordt beschreven als een apocalyptisch dansnummer. De albumversie begint met de langzaam gesproken zin “Don’t worry, I won’t hurt you. I only want you to have some fun.” welke gesproken door God moet voorstellen.
Ook in andere nummers laat Prince zien over inhoud te beschikken, denk aan ‘Purple rain’ en vooral ‘Sign O’The Times’. Dit laatste nummer behoort samen met ‘Alfabet Street’ en ‘Kiss’ tot mijn favoriete Prince nummers. Als je de tekst van ‘Sign O’ The Times’ leest (en dit lukt je zonder automatisch mee te gaan zingen) dan blijkt dit over een zekere poëtische kracht te beschikken. Het leest als een gedicht van een (tekst)dichter die probeert af te rekenen met de problemen die de mensheid bedreigen. Het nummer beschrijft het bedroevende beeld van de Verenigde Staten in 1986/87 en handelt over moeilijke onderwerpen als aids, straatbendes, natuurrampen, armoede, drugs, Iran-Contra, Space Shuttle Challengerramp en de kernoorlog. In de laatste alinea of strofe komt na alle narigheid een omkering en een vleugje hoop en lijkt Prince op te roepen om elkaar toch vooral lief te hebben.
.
Sign O’ The Times
In France, a skinny man died of a big disease with a little name
By chance his girlfriend came across a needle and soon she did the same
At home there are seventeen-year-old boys and their idea of fun
Is being in a gang called ‘The Disciples’
High on crack and totin’ a machine gun
Time
Times
Hurricane Annie ripped the ceiling of a church and killed everyone inside
You turn on the telly and every other story is tellin’ you somebody died
A sister killed her baby ‘cause she couldn’t afford to feed it
And yet we’re sending people to the moon
In September, my cousin tried reefer for the very first time
Now he’s doing horse – it’s June, unh
Times
Times
It’s silly, no?
When a rocket ship explodes and everybody still wants to fly
But some say a man ain’t happy unless a man truly dies
Oh why?
Time
Time
Baby make a speech, Star Wars fly
Neighbors just shine it on
But if a night falls and a bomb falls
Will anybody see the dawn?
Time, mm
Times
Is it silly, no?
When a rocket blows and, and everybody still wants to fly
Some say man ain’t happy truly until a man truly dies
Oh why, oh why?
Sign o’ the times, unh
Time
Time
Sign o’ the times mess with your mind
Hurry before it’s too late
Let’s fall in love, get married, have a baby
We’ll call him Nate
If it’s a boy
Time
Times
Times
Time
.
O, dat ik ooit nog eens
J. Eijkelboom
.
De dichter Jan Eijkelboom (1926 – 2008) was daarnaast vooral journalist ( De Dordtenaar, Vrij Nederland, Het Vrije Volk), schrijver en vertaler van onder andere Philip Larkin, John Donne, W.B. Yeats en Derek Walcott. Vanaf 3 maart 2001 was hij stadsdichter van Dordrecht (de eerste plaats in Nederland met een stadsdichter). Dat Dordrecht en Jan Eijkelboom bij elkaar horen blijkt wel uit het feit dat op het Damiatebolwerk één van zijn bekendste dichtregels is gegraveerd: “Wat Blijft Komt Nooit Terug”.
.
Uit zijn bundel ‘De gouden man’ uit 1982 het gedicht ‘O, dat ik ooit nog eens’.
.
O, dat ik ooit nog eens
O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht,
dat het dan ongezocht een ode
werd waarin zeg maar een dode
dichteres tot leven kwam
ofwel een warm lief lijf
tot marmer werd waardoor
voor wie daarvoor gevoelig is
een adem ging als was het
leven nu voorgoed betrapt.
Maar nee, wat bij mij ingaat moet bezinken,
verdicht zich tot een sprakeloos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.
0, klonk het nog eens ongehinderd.
.
Aas
Cees Nooteboom
.
Cees Nooteboom (1933) is als schrijver vooral bekend vanwege zijn romans en zijn reisboeken. Zo heb ik hem leren kennen in de jaren ’80 door zijn prachtige roman ‘Rituelen’. Voor hemzelf echter komt de poëzie op de eerste plaats. Kort na zijn de publicatie van zijn eerste roman debuteerde hij in 1956 als dichter met de bundel ‘De doden zoeken een huis’. In die periode was er in Nederland een dominante stroming experimentele nieuwe dichters, de vijftigers, maar daar hoorde Nooteboom niet bij, noch bij een andere stroming. Hij was een eenling die zich thuis voelde in vele kamers van ‘het huis van de poëzie’, en werd veelal beïnvloed door buitenlandse dichters.
Daan Cartens schrijft over Nooteboom als dichter: “Poëzie is voor Nooteboom een vorm van ascese, van mediteren; een manier van denken. In zijn gedichten stelt hij zich vragen over het wezen van de tijd, de zielsverhuizingen van een mens tijdens zijn leven of de ontvankelijkheid voor poëzie bij hemzelf of (klassieke) collega’s.”
Uit de bundel ‘Aas’ uit 1982 het titelgedicht.
.
Aas
Poëzie kan nooit over mij gaan,
noch ik over poëzie.
Ik ben alleen, het gedicht is alleen,
en de rest is van wormen.
Ik stond aan de straten waar de woorden wonen,
boeken, brieven, berichten,
en wachtte.
Ik heb altijd gewacht.
De woorden, in lichte of duistere vormen,
veranderden mij in een duister of lichter iemand.
Gedichten passeerden mij
en herkenden zichzelf als een ding.
Ik kon het zien en me zien.
Nooit komt er een einde aan deze verslaving.
Eskaders gedichten zijn op zoek naar hun dichters.
Ze dwalen zonder commando door het grote
district van de woorden
en verwachten het aas van hun volmaakte,
gesloten, gedichte, gemaakte
en onaantastbare
vorm.
.
Voor jou
Hans Warren
.
In 1982 verscheen van Hans Warren de poëziebundel ‘Dit is werkelijk voor jou geschreven’. In die bundel staat het (bijna) titelgedicht ‘Voor jou’. In de week van de liefdesgedichten mag dit gedicht natuurlijk niet ontbreken.
.
Voor jou
.
Ben jij het die dit leest? Heb je net
je astrakan muts afgezet, en vallen nu
je zwarte krullen warm naar het papier?
Slaat het licht van deze bladzij
op in de goudspikkels van je ogen,
glimlach je gelukkig, nu je merkt
dat ik dit weet, en breng je ook
je donkere lippen zo dicht bij de woorden
dat het lijkt of je ze gaat kussen?
Leg je, toch even onzeker, je vinger
tussen de bladzijs, druk je het boek
tegen je borst, waar het ritselt
door het bonzen van je hart?
Ben je nòg mooier nu, kijk je door het raam?
Wees gerust: dit is werkelijk voor jou geschreven.
.
Bernardo Ashetu
(bijna) vergeten dichter
.
Bernardo Ashetu (pseudoniem van Henk van Ommeren) leefde van 1929 tot 1982 en was Surinaams dichter. Ashetu debuteert in 1962 in de reeks Antilliaanse Cahiers van de Bezige Bij met de bundel ‘Yanacuna’ met gedichten en prozagedichten. Zijn poëzie is in in die dagen afwijkend van de mainstream poëzie die vooral strijdbaar is. Ashetu schrijft gevoelige gedichten waarin hij fijnzinnig observeert hoe droom en werkelijkheid uit elkaar groeien en er slecht droefenis overblijft voor alle ontheemden overal ter wereld.
Bernardo Ashetu, zoon van een joodse moeder en een creoolse vader, voelde zich een ‘zwarte’ dichter en verwant aan Stokely Carmichael, Aimé Césaire, Frantz Fanon. Zijn poëzie heeft evenwel de klankrijkdom die Gezelle, Gorter, Van Ostaijen, Engelman, Lodeizen aan de Nederlandse taal wisten te geven.
In 1995, dertien jaar na zijn overlijden verschijnen er gedichten van zijn hand in tijdschriften als Bzzlletin, Poëziekrant, De Tweede ronde en Dietsche Warande. In 1995 worden gedichten van hem gepubliceerd in de Spiegel van de Surinaamse poëzie. In 2002 verscheen een bundeltje van hem in Paramaribo met als titel ‘Marcel en andere gedichten’ en in 2007 een keuze uit zijn werk (door Gerrit Komrij samengesteld) met de titel ‘Dat ik zong’. Ook in 2007 verscheen een bibliofiele editie van zijn gedicht ‘Indiaans’. In 2011 tenslotte verscheen bij IndeKnipscheer de bundel ‘Dat ik je liefheb’ samengesteld door Michiel van Kempen.
Uit ‘Yanacuna’ het gedicht ‘Baleh-baleh’.
.
Baleh-baleh
Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil –
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh-baleh
met klamboe van rode zijde
.
Meer lezen over Bernardo Ashetu of zijn poëzie kun je op http://werkgroepcaraibischeletteren.nl/tag/ashetu-bernardo/page/7/
Ellen Deckwitz
Liedje
.
Ellen Deckwitz studeerde Nederlands in Groningen en voltooide nadien een research master in de literatuur- en cultuurwetenschap.
Sinds 2000 is Deckwitz actief als dichteres. Ze droeg haar poëzie voor in binnen- en buitenland, onder andere op Lowlands, de Nacht van de Poëzie en Poetry International. Daarnaast verscheen haar werk in verschillende Nederlandse literaire tijdschriften en bloemlezingen en is een gedeelte vertaald en gepubliceerd in het Duits, Zweeds, Engels en Frans. Ellen Deckwitz was een van de juryleden voor de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2011-2012.
In 2009 kreeg Deckwitz de Meander Dichtprijs toegekend voor haar poëzie. Eind 2009 won zij het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam (ze heeft het record van de meest gewonnen poetry slams in 1 jaar) en voor haar bundel “De steen vreest mij” ontving ze de 25ste C. Buddingh-prijs 2012 voor het beste poëziedebuut van het jaar.
Tegenwoordig woont en werkt Deckwitz in Utrecht waar ze onder andere een van de vijf leden van het Utrechts Dichtersgilde is, dat in 2009 werd opgericht rond Ingmar Heytze.
In Liter nr. 66 uit 2012 verscheen onder meer het gedicht ‘Liedje’.
.
Liedje
.
Laat me je oproepen in de geest
van degene die dit jaren later leest.
Ook al stellen ze zich je blond voor,
.
je ogen grijs en je mond grover
dan ik bedoelde. Laat me uitbeelden
voor wanneer niemand je meer wil,
voor als niemand nog de pen uit
.
mijn handen rukt, verwacht ik je
tong en hef je mijn gezicht alsof
het een kelk is
.
Foto: Nadine Ancher
Miroslav Holub
De geboorte van Sisyphus
.
Van dichter Jana Beranová kreeg ik het boek ‘De geboorte van Sisyphus, een keuze uit de gedichten en andere teksten 1958-1998’ uitgegeven door de Bezige Bij in 2008.
Jana Beranova is verantwoordelijk voor de samenstelling en de vertaling van de gedichten en teksten in dit boek en ze schreef het nawoord. De Tsjechische dichter Miroslav Holub (1923-1998) behoort tot de grote dichters uit Oost en Midden-Europa van de tweede helft van de 20ste eeuw. Hij werd veelvuldig uitgenodigd voor festivals in Rotterdam, Londen en elders maar hij kon, vanwege het communistische regime, slechts een enkele keer onder valse voorwendselen het land uit. De poëzie van Holub is zowel absurdistisch als onbeschaamd lyrisch.
Samen met Milan Kundera en anderen stichtte hij het poëzieschrift ‘Kveten’ (Mei). Door zijn actieve deelname aan de Praagse lente werd hij na de inval door het Russische leger ontslagen aan het onderzoeksinstituut en verdwenen zijn boeken uit de rekken van bibliotheken en winkels. Pas na de publieke schuldbekentenis kreeg hij een nieuwe functie, maar zijn poëzie bleef verbannen tot 1982.
Uit deze prachtige bundel het gedicht ‘Niet te koop’
.
Niet te koop
.
En wat kost
het brein van een bosmuis,
en wat kost
het sperma van een potvis?
.
Dwaze dagen
in voddenzaken met grote partijen
uitverkoop
van Turkmeense jeans
en Verzamelde Werken
op crêpepapier.
.
En wat kost een ziel?
.
En wat kost
een emmer bloed
met zo weinig amberserum,
zo weinig antistoffen
tegen rode Shylocks?
.
Wat hebben we gekost
nog voor we gekelderd zijn
naar waardeloos?
.
The Man from Snowy River
Films gebaseerd op gedichten
.
De film ‘The man from Snowy river’ uit 1982 is gebaseerd op het gelijknamige gedicht van de Australische Bushdichter Banjo Paterson uit 1890.
Dit gedicht dat een achtervolging te paard beschrijft werd als eerste gepubliceerd in The Bulletin, een nieuwsmagazine in Australië. In 1920 werd het gedicht al eens als uitgangspunt voor een stomme zwart/wit film gebruikt maar in 1982 won regisseur George Miller er prijzen mee op het Australian Film Institute en het Montréal World Film Festival en werd genomineerd voor een Golden Globe als beste buitenlandse film. In de film spelen Tom Burlinson, Kirk Douglas en Sigrid Thornton de hoofdrollen.
Het gedicht vertelt het verhaal van een achtervolging te paard op het veulen van een prijswinnend renpaard dat uit zijn paddock ontsnapt is. Het veulen leeft tussen de de brumbies (wilde paarden) van de bergketens. Als de wilde paarden afdalen van een schijnbaar onbegaanbaar steile helling, geeft men de achtervolging op. Met uitzondering van de jonge held, die de verschrikkelijke afdaling wel ingaat om het paard in de menigte te vangen.
.
Hieronder de eerste drie strofes van dit gedicht. Het hele gedicht is te lezen op: http://en.wikipedia.org/wiki/The_Man_from_Snowy_River_(poem)
.
There was movement at the station, for the word had passed around
That the colt from old Regret had got away,
And had joined the wild bush horses – he was worth a thousand pound,
So all the cracks had gathered to the fray.
All the tried and noted riders from the stations near and far
Had mustered at the homestead overnight,
For the bushmen love hard riding where the wild bush horses are,
And the stockhorse snuffs the battle with delight.
.
There was Harrison, who made his pile when Pardon won the cup,
The old man with his hair as white as snow;
But few could ride beside him when his blood was fairly up –
He would go wherever horse and man could go.
And Clancy of the Overflow came down to lend a hand,
No better horseman ever held the reins;
For never horse could throw him while the saddle girths would stand,
He learnt to ride while droving on the plains.
.
And one was there, a stripling on a small and weedy beast,
He was something like a racehorse undersized,
With a touch of Timor pony – three parts thoroughbred at least –
And such as are by mountain horsemen prized.
He was hard and tough and wiry – just the sort that won’t say die –
There was courage in his quick impatient tread;
And he bore the badge of gameness in his bright and fiery eye,
And the proud and lofty carriage of his head.
.
Beeld van The man from snowy river in Corryong.



















