Site-archief
Nog maar wat korte gedichten
Gedichten van de maand April
.
Vandaag is het de laatste zondag in April dus weer (voor de laatste keer) een aantal korte gedichten. In volgorde van lezen allereerst het gedicht ‘Geluk’ van Chris van Geel uit zijn bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1993. Het tweede korte gedicht is van Nachoem M. Wijnberg, is getiteld ‘Vreemdeling’ en komt uit zijn bundel ‘Alvast’ uit 1998. Het derde gedicht is van Anneke Reitsma en is getiteld ‘Verstrooiing’. Dit gedicht is genomen uit haar bundel ‘Wadlopen’ uit 1983.
.
Geluk
.
Een steen tegenkomen in een hap krentenbrood
zonder er eerst op gebeten
te hebben. Een groot geluk, vol diepe geruststelling.
.
Vreemdeling
.
De vreemdeling zegt: ‘Jullie zijn toch zelf vreemdeling
[geweest,’
en zij zeggen: ‘Nee, wij niet, wij waren altijd hier,
in het kale donker wachtend op het binnen gedragen lichaam
van een die er altijd was en die een vreemdeling ontmoette.’
.
Verstrooiing
.
U bent mijn vader en ik ben uw kind.
Ik weet wat u verloren in mij vindt:
De woorden die gij sprak zend ik uiteen
tot zij zich voegen in de sporen en de wind.
.
Herinnering aan Willem Elsschot
Peter van Steen
.
In de rubriek ‘Dichters over dichters’ dit keer een gedicht van Peter van Steen over de schrijver en dichter Willem Elsschot (1882 – 1960). Het gedicht ‘Herinnering aan Willem Elsschot’ staat in ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie, dichters van de twintigste eeuw’ uit 1983 samengesteld door Hans Warren.
Over Peter van Steen (1904 – 1971) is niet zoveel bekend, gelukkig vond ik via de geweldig rijke website https://www.dbnl.org een artikel over deze Amsterdamse dichter uit het Jaarboek van de Maatschappij Nederlandse Letterkunde uit 1975. Peter Mourits (de echte naam van Peter van Steen) begon als schrijver van romans maar in oorlogstijd ontdekte hij de poëzie. In de tweede wereldoorlog publiceerde hij anoniem en in eigen beheer drie boekjes; ‘Bezet gebied’ en ‘Nieuwe lente’ in 1944 en ‘Vijf dagen’ in 1944-1945 (eerste en tweede druk).
Peter van Steen was een onvoorwaardelijk bewonderaar van de romans van Willem Elsschot waar hij en zijn vrouw Riek af en toe gingen logeren. Willem Elsschot schreef een inleidend woord voor Peter van Steens novellenboek ‘Alarm in de spiegel’ (1951), waarin hij hem ‘de verpersoonlijking van de opstandigheid’ noemde, ‘niet alleen tegen de tyrannie, maar tegen alles wat laag is, gluiperig, laf of halfslachtig.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat Peter van Steen een gedicht aan zijn favoriete schrijver/dichter schreef dat eerst in het ‘Nieuw Vlaams tijdschrift’ in 1965 en later in zijn bundel ‘Aan het raam en erbuiten’ uit 1971 verscheen.
.
Herinnering aan Willem Elsschot
.
Zo vaak moet ik nog aan hem denken,
hij schreef niet meer
maar ’t was zo veilig dat hij er nog was;
nu kijk ik naar zijn dodenmasker.
Zó veel bleef ongezegd
van Bach en Mozart , Multatuli,
van communisme en het christendom;
hij zou ze samen laten gaan
maar in de duinen zong hij luid
met tranen in de ogen:
‘Und alle deine Tränen
und alle deine Tränen
und alle deine Tränen
mamita mia
werden wir rächen’
en hij schuwde het geweld,
sprak tandenknarsend van tederheid.
Maar uitdagend zong hij verder:
‘Und alle deine Knechtschaft
und alle deine Knechtschaft
und alle deine Knechtschaft
mamita mia
werden wir brechen.’
Maar het slijpen in de straten van Antwerpen is voorbij;
geen schuimend bier,
geen onverzettelijkheid,
geen snelle blik naar mooie vrouwen,
fini, afgelopen, uit.
‘De aarde is niet uit haar baan gedreven.’
.
Gedicht I en II
Jana Beranová
.
Zoals aangekondigd deze week vooral tips en aanmoedigingen om de tijd zinvol door te komen met lezen. Nu de bibliotheken nog gesloten zijn, veel (grote) boekhandels gesloten zijn (maar wel gewoon on-line hun boeken verkopen, dus verkies de boekhandel boven de grote digitale ‘Kooppaleizen’, dan blijven ze ook na de crisis nog bestaan) is er nog een manier om aan boeken te komen. Naast de kringloopwinkel (maar die zijn bijna allemaal ook gesloten) zijn er de minibiebjes (feitelijk boekenkastjes in de buitenruimte waar mensen hun boeken die ze kwijt willen kunnen neerleggen) en de kasten met boeken in de supermarkten van o.a. Albert Heijn. Maar voor de Rotterdammers is er nog een mogelijkheid om gratis boeken te zoeken en te vinden (en te doneren) en wel bij Book Central in de centrale hal (Hal A) van het Groot Handelsgebouw. Book Central is 7 dagen per week geopend van 07.00 tot 20.00 uur op Stationsplein 45 naast het Centraal Station.
Dat is ook de plek waar ik ‘Geen hemel zo hoog’ van Jana Beranová (1932) vond. Deze bundel uit 1983 was, na enkele bibliofiele uitgaven, haar eerste grote dichtbundel, die toen al een paar jaar in voorbereiding was. In de bundel staan ‘Gedicht I’en ‘Gedicht II’. Twee gedichten waar voor mij leven en hoop uit spreken.
.
Gedicht I
.
De winterzon droogt regentranen
op mijn ramen. Onder de witte vlakte
van mijn bureau sluimeren verzen.
.
Ik ben het rustige stekje.
Ik wacht op een gedicht.
Ik wacht als een visser of ze bijten.
Ik ben het aas.
.
Gedicht II
.
De zon veegt de slaap uit mijn ogen.
Met klappen van de zweep start ik de
schrijfmachien. De letters rennen
uit de schaduw naar buiten.
.
Ik loop de straat op, de pleinen over.
Ik hoor mijn gedichten met kloppend hart.
Ik hoor mijn gedichten tegemoet.
Ik loop mijn gedichten.
.
De broekbewapperde mens
Robert Anker
.
Wat ik – naast heel veel andere aspecten – erg leuk aan poëzie vind is de vindingrijkheid van dichters als het gaat om bijzondere titels van bundels. Als ik in mijn boekenkast kijk staan daar bundels met namen waar ik me elke keer weer over verbaas en waar ik elke keer opnieuw weer vrolijk van word. Ik noem: ‘Het glimpen van de welkwiek’ (Pfeijffer), ‘Gevecht tegen het zuur’ (van Doorn), ‘Verboden voor kettingzagen'(de Bas), ‘Totemtaal'(Harten) en ga zo maar door. Een van die titels is ook de bundel van Robert Anker namelijk ‘De broekbewapperde mens’.
Rengert Robert Anker (1946 – 2017) was schrijver, dichter en literatuurcriticus. Hij debuteerde in 1979 met de bundel ‘Waar ik nog ben’. Daarvoor verschenen al gedichten van zijn hand in tijdschriften als De Revisor. Waar zijn debuut nog een traditionele dichtbundel was, geïnspireerd op zijn jeugd in het Westfriese Oostwoud en naar binnen gericht, veranderde dit al snel en kwam de nadruk te liggen op de buitenwereld, zoals in ‘Van het balkon’ (1983), en op maatschappelijke problemen, zoals in ‘De broekbewapperde mens’ (2002). Van de natuur verschoof het perspectief naar het stadsleven. Het werk van Robert Anker werd vele malen bekroond met onder andere de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs.
Hoewel de gedichten in ‘De broekbewapperde mens’ zeker geen eenvoudige kost is, zijn de gedichten toch zeer te genieten. Ik koos uit deze bundel het titelgedicht al was het alleen maar door de bijzondere titel.
.
De broekbewapperde mens
.
Dat er altijd maar die bron zou zijn
die reikt tot in de hemel.
Het is de mens die op de kemel
des woestijns ons doortrokken hebbend
steeds rechterop
van waterput tot avondkleding
ons nu verlaat voor wat hij denkt
te zijn op de bedijkte dijk:
.
de broekbewapperde mens!
.
Die nu omkeert en afdaalt
voor een bagagedrager
(en een broekklem)
zeggende:
vlaggen psalmen verrekijkers
en voordehandse liederen
inleveren bij de windmolen
die de dood vermaalt
tot hevige aanwezigheid
angst en vreze te behouden.
.
Spring maar achterop bij de mens!
.
Het grijze gevaar
Rijmen voor Sinterklaas
.
Daags voor Sinterklaas zal er nog menig ouder in de stress zitten omdat er gedichten geschreven moeten worden. En met gedichten bedoelen we dan rijmpjes, versjes. En waar de meeste ouders niet veel verder komen dan “Sint zat te denken wat hij aan deze of gene zou schenken” is er natuurlijk best iets meer te halen uit deze oude traditie.
Rijmende verzen zijn er in vele maten en soorten. Kijk maar eens onder de rubriek ‘Versvormen’ op dit blog, dan kom je er veel verschillende tegen. Waar de meeste rijmende gedichten de mist in gaan is niet eens omdat ze niet rijmen, dat lukt de meeste mensen nog wel (met of zonder rijmwoordenboek), nee het is het metrum, het ritme waar menigeen de mist mee ingaat.
En dat het heel goed kan bewijzen vele light verse dichters. Een van de bekendste light verse dichters die ook humor in zijn poëzie stopt is John O’Mill. O’Mill (1915 – 2005) was het pseudoniem van Johan van der Meulen. Hij was tot 1975 leraar Engels aan de Rijks-HBS te Breda en schreef nonsensgedichten die vaak gebaseerd waren op een letterlijke vertaling van Nederlands idioom in het Engels. Hij werd hiertoe geïnspireerd door het werk van zijn leerlingen en wat ik camping Engels zou noemen..
O’Mills eerste bundel ‘Lyrical Laria in Dutch and double Dutch‘ (1956) werd gepubliceerd in de hoge oplage van 5000 stuks, en werd daarna nog vijftien maal herdrukt tot 1983. Zijn werk kenmerkt zich niet alleen door een perfect ‘ritme’, maar tevens door een creatief gebruik van ‘Double Dutch. Johan van der Meulen werd door Hugo Brandt Corstius (auteur van onder andere ‘Opperlandse taal- & letterkunde’ ) omschreven als “Anglo-Opperlandicus”.
Van zijn hand verschenen maar liefst 18 bundeltjes. Uit de laatste (1984) ‘Beloney bellettrie’ een voorbeeld van zijn geweldige gevoel voor ritme en metrum.
.
Het grijze gevaar
.
Om hun ouders leed te besparen
(de kwalen van de oude dag),
at men ze op bij de barbaren,
wat iedereen als deugdzaam zag.
.
Vooral de moeders deed het deugd
op hun oude dag te weten
dat straks hun kroost (de lieve jeugd)
een week er goed van zouden eten,
.
terwijl de vader meer genoot
van gedachten aan de dagen
dat hij vlak na zijn vaders dood
’n hele week niet hoefde jagen.
.
Het volk, waarvan ik hier gewaag
(wilden die hun ouders aten),
vond zo het antwoord op de vraag:
‘Waar moeten we de oudjes laten?’
.
Satie
Henk Romijn Meijer
.
Het gebeurt me nog wel eens. lezend in een dichtbundel (meestal een verzamelbundel) dat ik een gedicht tegen kom van een dichter die ik alleen als schrijver van romans of verhalen, of als columnist ken. Meestal betreft het hier éénmalige gedichten en heeft de schrijver in kwestie nooit een dichtbundel uitgebracht. En soms word ik verrast zoals in het geval van schrijver, taalkundige, vertaler en essayist Henk Romijn Meijer.
Henk Romijn Meijer (1929-2008) ken ik als schrijver vanaf 1983, toen een docent Nederlandse Letterkunde aan de P.A. Tiele Academie, waar ik mijn opleiding deed, ons studenten wees op Romijn Meijers roman ‘Mijn naam is Carrigue’. Henk Romijn Meijer brak in dat jaar door naar het grote publiek met deze roman, een boek dat een nieuw genre in de Nederlandse literatuur zou inluiden: de faction. Het is naar vorm en stijl een psychologische roman, naar intrige een thriller, maar gebaseerd op ware feiten.
Toen ik in de bundel ‘De vier jaargetijden’ een gedicht van zijn hand tegen kwam was ik dan ook verrast. Op zoek naar zijn oeuvre kwam ik via Wikipedia een enorme lijst van romans, verhalen, novelles en kritieken tegen én één poëziebundel uit 1986, getiteld ‘Resten van jou’. Destijds uitgegeven in een oplage van 750 stuks, voorafgegaan in een speciale druk van 250 exemplaren als relatiegeschenk in 1985.
Uit deze bundel is in ‘De vier jaargetijden’ een keuze uit poëzie over klassieke muziek uit 1991 het gedicht ‘Satie’ opgenomen.
.
Satie
.
De spotzieke lentevogel
klauwt aan zijn vingers vast.
.
nu zijn er bijna uitgesproken woorden
die aarzelen, dan wemelen als sneeuw,
dan dichtvallen als ogen, verschrikt verlegen.
.
eenzaamheid glimpt als de weerschijn
van een kaarslantaarn, bescheiden
en voorzichtig klinkt de eenzaamheid.
.
Een zomeravond
Albert Verwey
.
Nu de zomer voorbij is en alleen nog af en toe de zon door de wolken dringt, leek het me een goed moment om mijn favoriete tijdverdrijf (de poëzie) en mijn favoriete jaargetijde (de zomer) in een gedicht met jullie te delen. Nu kan ik dat zelf doen (dat heb ik al eens gedaan op 31 augustus 2009 in het gedicht ‘Var’, niet te verwarren met het systeem dat scheidsrechters tegenwoordig raadplegen bij overtredingen op het voetbalveld) https://woutervanheiningen.wordpress.com/2009/08/31/var-gedicht/ maar in dit geval heeft Tachtiger en dichter Albert Verwey (1865 – 1937) dat al een keer heel mooi gedaan. daarom van zijn hand het gedicht ‘Een zomeravond’ uit de bundel ‘Dichtspel’ uit 1983.
.
Een zomeravond
.
De poëzie komt over me als een droom
Vol sterren en een lieflijke nacht
Van duister, waar me een hel gelaat uit licht
En vriendlijke ogen – enkel dat gelaat,
Want ál de rest is nevel zonder vorm.
En heel de nacht nijg ik me er heen en houd
Stille gemeenschap tot de morgen daagt-
Dan lig ik stil met halfgeloken wimpers
Te staren, waar ik telkens nog den lach
Dier ogen meen te zien en ’t blonde haar
Half over ’t voorhoofd – dan zijgt zijwaarts af
Mijn hoofd in ’t kussen en ik slaap in ’t licht. –
.
Binnenhof
Lieven Rens
.
De Vlaamse dichter Lieven Rens (1925 – 1983) schreef elf dichtbundels. Hij was recensent in diverse kranten en tijdschriften, gerenommeerd wetenschapper inzake het renaissancedrama in de Nederlanden in het bijzonder de werken van Joost van den Vondel. Daarnaast was hij hoogleraar Europese en Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA).
In 1948 debuteerde hij met de bundel ‘Schrikkeljaar’waarna hij tot zijn voortijdige overlijden (in 1983 overlijdt hij aan de gevolgen van een tragisch ongeval) om de paar jaar een dichtbundel publiceert.
Als dichter behoorde hij aanvankelijk tot de groep van ‘Nieuwe Stemmen’ een tijdschrift van de katholieke jongeren, waarvan hij van 1951 tot 1958 redactielid was. Zij streefden een katholiek reveil na, en gingen aldus in tegen die andere naoorlogse stroming het existentialisme, die, volgens hen, teveel nihilistisch van aard was. Ook keerden ze zich af van de experimentelen en geloofden in de kracht van de grote klassieke traditie.
Zijn dichterschap is in drie delen te beschouwen: de eerste 11 jaar dicht hij vooral over de liefde en de verwording van de westerse cultuur. In de acht jaar die daarop volgen verwoordt hij de spanning tussen het menselijk verblijf in het aardse en de hemelse bevrijdingshunker. en verinnerlijkt en vergeestelijkt hij zijn poëzie in een reeks, landschappen, stillevens en portretten. In de laatste 7 jaar van zijn dichterschap evolueert hij naar een soort woordpoëzie, die haar eigen vorm en ritme vastlegt. Versregelbouw en woordschikking worden grilliger, associaties en referenties verruimen zijn poëtische wereld.
Voor zijn werk ontvangt hij enkele prijzen waaronder de Guido Gezelleprijs 1972-1976 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor de dichtbundel ‘Leander’.
Uit de tweede periode van zijn dichterschap stamt de bundel ‘Op gouden grond’ (1971) waaruit het gedicht ‘Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)’ is genomen.
.
Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)
De platgetreden wegen,
Het gladgeschoren gras,
Alles ligt effen als een plaat van glas.
Heel even een bewegen
Van mus en mus, en soms
Een rilling onder de geraniums.
Ik voel de wereld wegen –
Iets is op til –
Iets moet gebeuren of de tijd valt stil.
.
Dichter op verzoek
Hans van Waarsenburg
.
Enige tijd geleden vroeg ik mijn lezers om voorstellen te doen van namen van dichters die ze graag eens zouden lezen op dit blog onder het mom van ‘Dichter op verzoek’. Magda Haan vroeg toen om Hans van Waarsenburg en dan met name iets uit zijn bundel ‘Van de aanvaller geen spoor’. De van oorsprong Brabantse dichter en literatuurcriticus Hans van Waarsenburg (1943 – 2015) woonde en werkte het grootste deel van zijn leven (sinds 1966) in Maastricht. In 1965 debuteerde hij met de bundel ‘Gedichten’ en in 1974 ontving hij voor zijn bundel ‘Vergrijzing’ de Jan Campert-prijs. Naast poëzie schreef van Waarsenburg ook kinderboeken.
De bundel ‘Van de aanvaller geen spoor’ uit 1983 is een verzamelbundel met gedichten uit de periode 1973 – 1983. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Natte doek op daglicht’ dat eerder in de bundel ‘Zeeschappen’ uit 1981 verscheen.
Natte doek op daglicht















Nicht Nancy
6 mrt
Geplaatst door woutervanheiningen
T.S. Eliot
.
Thomas Stearns Eliot (1888 – 1965) was een Amerikaans-Brits dichter, toneelschrijver, cultuurfilosoof en literatuurcriticus. Hij was een van de belangrijkste figuren uit de wereld van de literatuur van de 20e eeuw, een van de grootste vernieuwers van de poëzie, en kreeg in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur. In 1983 verscheen bij uitgeverij Ambo de bundel ‘T.S. Eliot / Gedichten’ een keuze uit zijn poëzie in de Engelse tekst, vertalingen en commentaren samengesteld door W. Bronzwaer met medewerking van Kees Fens en Johan Kuin.
Een doorwrocht werk over de poëzie van T.S. Eliot door W.J.M. Bronzwaer, hoogleraar algemene literatuurwetenschap in Nijmegen. En ondanks de uitgebreide teksten en verklaringen van Eliot’s werk is dit boek ook zeker de moeite waard voor de wat minder wetenschappelijk geschoolde lezer want in deze bundel staan nagenoeg alle gedichten van T.S. Eliot die in het Nederlands vertaald zijn steeds samen met de oorspronkelijke tekst in het Engels. De vertalingen voor deze bundel werden verzorgd door een aantal vertalers waaronder Bert Voeten die het gedicht ‘Cousin Nancy’ vertaalde.
In ‘Cousin Nancy’ is Nancy de vertegenwoordigster van de geëmancipeerde vrouw, jong, mondain, sportief, oppervlakkig, rebellerend tegen de tradities van haar familie en haar culturele milieu, destructief, kortom een type dat zo uit de verhalen van Scott Fitzgerald gestapt zou kunnen zijn.
.
Cousin Nancy
.
Dit delen:
Geplaatst in Dichtbundels, Favoriete dichters
1 reactie
Tags: 1888, 1948, 1965, 1983, 20ste eeuw, Algemene Literatuurwetenschap, Ambo, Amerika, Amerikaans-Brits dichter, Bert Voeten, commentaren, Cousin Nancy, culturele milieu, destructief, dichtbundel, dichter, Engels, geëmancipeerde vrouw, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, Groot Brittanië, hoogleraar, Johan Kuin, Jong, Kees Fens, literatuurcriticus, mondain, Nederlands, Nicht Nancy, nijmegen, Nobelprijs voor de literatuur, poëzie, poëziebundel, poem, poems, poet, poetry, rebellerend, samensteller, Scott Fitzgerald, T.S. Eliot, T.S. Eliot / Gedichten, Thomas Stearns Eliot, toneelschrijver, tweetalig, vernieuwer van de poëzie, vertalingen, W. Bronzwaer, W.J.M. Bronzwaer