Site-archief

Familie gebiedt

Lucas Hirsch

.

Dichter en schrijver Lucas Hirsch (1975) schreef vijf dichtbundels. Zijn laatste bundel ‘Wu Wei eet een ei’ verscheen vlak voor de lockdown bij De Arbeiderspers. Hij is een van de bedenkers van de literaire app Puzzling Poetry welke in 2018 werd aangevuld met de kinderversie: Puzzling Poetry Schatkist. Hij geeft workshops en organiseert literaire evenementen en steeds regelmatig voor de klas om over zijn schrijver- en dichterschap te vertellen.  Van 2013 tot 2017 was hij huisdichter van Museum De Hallen, museum voor moderne en hedendaagse kunst in Haarlem. In 2022 verscheen ‘Shotgun Wedding’ in het jaar na de moord op zijn beste vriend Derk Wiersum, de strafrechtadvocaat die in 2019 op de stoep voor zijn huis in Amsterdam werd doodgeschoten. Daarnaast publiceerde hij sinds 2002 in veel literaire tijdschriften, zoals De Revisor, Tzum, Parmentier, DWB, Gierik&NVT, Deus Ex Machina en Krakatau.

In 2006 debuteerde Hirsch met de bundel ‘familie gebiedt’. Coen Peppelenbos schreef op zijn Literatuurlog:  “Aan de vorm van de gedichten moet je wel wennen. Hirsch laat hoofdletters en interpunctie weg, hij maakt zinnen niet af, gebruikt soms alleen woordgroepen en zet die naast elkaar zodat je als lezer gedwongen bent de gedachten van de dichter te reconstrueren.” Uit deze bundel nam ik het titelgedicht.

.

familie gebiedt
.
zwaai maar even nu het nog kan
je nadert een gevarenzone
.
het werkwoord familie gebiedt
er klare taal te spreken
.
een goed gebruik in deze negorij
.
we staan bepakt en bezakt
gereed om binnen te treden
.
eerst inspecteren we de contreien
op misvattingen
.
de einder spieden we af op
wegspringende gewoontes
.
er graast een zus
er blaat een zoon
.
we staan de band te woord
zoals gewoonlijk net iets te nauw

.

Het museum

Eddy van Vliet

.

De volgende dichter die ik op verzoek, van dit keer Frans Terken, hier in het zonnetje wil zetten is Eddy van Vliet (1942-2002). Het werk van deze Vlaamse dichter en advocaat wordt wel neoromantisch genoemd of geplaatst in de richting van de nieuwe romantiek. Uit De Gids jaargang 159 uit 1996 nam ik het gedicht ‘Het museum’.

.

Het museum

.

Moe van het geniale, het eeuwige, de madonna’s
met kind, de hertogelijke portretten, de wereldkaarten
met ontbrekende continenten, de degens
van duellerende heren, de clavecimbels, de traanvaasjes
en van het meesterlijke het onvoltooid geblevene.
.
Moe van het zich aangestaard weten om wat anderen
begeerden. Moe van de suppoosten die al slapend
het naderen beletten, de gidsen die met woorden
de matte ogen der toeschouwers wakker kussen.
.
En ook droevig als na sluitingstijd schoonheid
in stilzwijgen tot zichzelve keert, de sextant
terugdenkt aan de kim, de tol naar de kinderhand
verlangt, de pijl het suizen van de wind ontbeert
en geen zijn pijn door bewondering lenigen kan.
.
Moe van salonmuziek en gebrek aan spieren verlaat
het museum zijn schatrijke zalen en begeeft zich
naar wijngaarden waar bevruchting plaatsvindt,
naar gevleugelde kinderen die netten binnenhalen,
naar de stal waar de varkensblaas rolt als een bal.
.
Plukt het witte veldbies en dertien soorten orchideeën.
Streelt het tevreden zijn verzameling passaatwinden,
handschriften uitgewist door de getijden, de kieren
waardoor jongens het verbodene zagen en zet zich neer
als een kat op de rand van een bad vol helder water.
.
.

Ten minste houdbaar tot

Jana Arns

.

Op de zeer leesbare website Neerlandistiek.nl las ik in een recensie van Marc van Oostendorp over de bundel ‘De spronglaag’ van Esther Jansma, dat recensenten zich tegenwoordig nogal vaak schuldig maken aan het uitleggen van een dichtbundel. Marc schrijft bijvoorbeeld: ” Voor zover een recensie bedoeld is om lezers te informeren of ze iets wel of niet moeten kopen, is het volkomen ongeschikt: detectives recenseer je toch ook niet door te vertellen wie het precies gedaan heeft? Zou het niet eerder moeten gaan over wat er nu zo mooi of zo goed is aan deze bundel? Brengt close reading – hoe zinnig die activiteit op zich ook is – ons daar ooit dichterbij?”

Hoewel ik denk dat enige uitleg in een recensie wel degelijk een functie kan hebben bij het begrijpen van een bundel voor de wat minder geoefende lezer, ben ik het wel eens met hem. Een recensie is toch vooral een mening op basis waarvan je een bundel denkt te gaan lezen of kopen (of lenen bij een bibliotheek). Ik begin dit stuk met deze verwijzing naar het artikel in Neerlandistiek omdat ik de bundel ‘Ten minste houdbaar tot’ van Jana Arns voor me heb liggen waarvan ik hoop dat de lezer, na lezing van dit stuk, zal denken; Ja, die bundel wil ik lezen of kopen (of lenen).

Jana Arns (1983) is dichter, muzikant, docent schrijven en een beetje fotograaf. In de bundel staan 5 zelfportretten. Na haar debuut ‘Status: het is ingewikkeld’ uit 2016, ‘Nergens in het bijzonder’ uit 2018, ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn’ uit 2019, ‘In welke vrouw ik leef’ uit 2021 is dit haar vijfde bundel.

De bundel bestaat uit een aantal hoofdstukken waarvan ik er een al kende. Suite Paternelle bevat een aantal gedichten die Jana schreef, verdichtte passages uit Suite Paternelle, een kameropera van Frank Nuyts. Vier van de 5 passages verschenen reeds in MUGzine #13. De andere gedichten uit de 6 hoofdstukken waren nieuw maar bij lezing van de gedichten moest ik regelmatig aan de woorden van Marc van Oostendorp denken. Het heeft geen zin om een uitleg te geven aan deze hoofdstukken, interessanter is het de taal van Jana Arns tot je te nemen. Want die taal is rijk, heel rijk.

Neem het gedicht ‘De nacht is een syncope’. De verwijzingen naar de nacht, het donker, hoe gedachten zich ontwikkelen tijdens de slaap of je juist uit de slaap houden, de elementen die de nacht omringen, in dit gedicht komen ze allemaal voorbij maar op een manier die niet alledaags is, of voorspelbaar maar speels, poëtisch, onverwacht. En in vrijwel elk gedicht neemt Jana Arns je mee in haar gedachtewereld, in haar hoofd vol fantasiebeelden, plakt ze moeiteloos fysieke zaken aan elkaar die op zijn minst creatief en soms absurd genoemd kunnen worden. Ze gebruikt in haar poëzie antropomorfisme; geeft dode zaken een leven en levende zaken zonder ziel een geestesleven, .

In haar Annie M.G. Schmidtlezing uit 2002 sprak Joke van Leeuwen over de term uitgesteld begrip. Ze zegt daarover: “Er is een soort denken waar nog niet altijd de goede woorden voor zijn, een soort begrijpen dat nog niet het soort is dat wij volwassenen meestal bedoelen als we vragen: begrijp je het wel?” Dat uitgestelde begrip lees ik terug in de gedichten van Jana Arns. En betekent dat dat haar poëzie onbegrijpelijk is? Nee, in tegendeel, maar door de rijkdom van de taal in haar poëzie is er sprake van een begrijpen zonder precies te weten. Zulke poëzie maakt nieuwsgierig naar meer en herlezen.

.

Coupe de Colruyt

.

We treffen elkaar in de wijnstreek van gang 1.

Twee onthouders met uitgeweken honger

en een blanco boodschappenlijst.

.

In het vriesvak talmen we quattro minuti.

Tongen kleven aan een fantasie uit ijs.

Tussen droogwaren rijst de verbeelding.

.

Bij de granaatappels plukken we

een laatste maal bijeen,

schuiven rookgordijnen open, want

,

thuis krijgt het bed nieuwe heupen

en nu eelt van het matras wordt geschraapt,

verschijnen jongere lakens.

.

Zo delen wij reeds maanden de rekening.

Soms kus je me in de hals van je glas.

Ik schenk telkens bij.

.

Regressie in de supermarkt, bij de kassa

Vasalis

.

In deze laatste week van 2022 zal ik een aantal gedichten plaatsen uit bundels die ik uit mijn boekenkast pak zonder meteen te weten welke bundel dit is. Vandaag was dit de bundel ‘De oude kustlijn’ uit 2002 van M. Vasalis (pseudoniem van Margaretha Drooglever Fortuyn (1909-1998). In de laatste jaren van haar leven werkte Vasalis aan deze bundel, na jarenlang geen bundels te hebben gepubliceerd (‘Vergezichten en gezichten’ was in 1954 eigenlijk haar laatste echte bundel). Ze kon uiteindelijk haar werk niet voltooien. Haar kinderen hebben op haar verzoek haar werk afgemaakt, waarvan deze bundel het resultaat is.

Een aantal gedichten werd wel eerder gepubliceerd bijvoorbeeld in Tirade. Ook ik plaatste al eerder een gedicht uit de bundel naar aanleiding van het overlijden van een collega die het gedicht Sub finem op haar rouwkaart had afgedrukt. Ik koos echter voor een heel ander gedicht. Het betreft hier het gedicht ‘Regressie in de supermarkt, bij de kassa’ waarin een situatie wordt geschetst die veel mensen zullen herkennen.

.

Regressie in de supermarkt, bij de kassa

.

Diep uit mijn jeugd, waarover nooit een doodsbericht

gekomen is, maar die is zoekgeraakt, vermist

komt dit gevoel: ik zou haar brede rug willen omhelzen,

haar stevige, onopgesmukte hand, nu op mijn hoofd

of in mijn nek af willen smeken –

en in een vlaag van onbeheerste en jaloerse pijn

begeer ik heftig weer als een kindje in haar

zo hoog gevulde, met overleg gepakte, kalm bestuurde

hemelse boodschappenwagentje te zijn.

.

Kerstmis

Charles Ducal

.

In de verzamelbundel ‘Tussen zon en maan’ Onweerstaanbare poëzie van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht, samengesteld door Herman Kakebeeke uit 2002 las ik het gedicht getiteld ‘Avondgebed’ van Charles Ducal (1952). En omdat ik nog op zoek was naar een passend gedicht voor de eerste kerstdag wist ik dit dit hem was. Het gedicht ‘Avondgebed’ gaat over hoe de godsdienst als jonge jongen aan hem als kind werd meegegeven.

En aangezien Kerstmis nu eenmaal een van origine religieus feest is, wat we er tegenwoordig dan ook van gemaakt hebben met veel en luxe eten, kerstbomen, kerstmannen en allerlei andere commerciële uitingen, vandaag op deze eerste kerstdag dit gedicht van Ducal dat oorspronkelijk in de bundel ‘De hertog en ik’ uit 1989 verscheen.

.

Avondgebed

.

Wind en regen sloten de vensters.

Wij zaten geknield bij de haard

in de godsdienst die wij zouden erven.

De vrouw die ons had gebaard

.

zei formules om ons te verkleinen.

Haar stem zeurde taai in de nek.

Wij zaten, stom, pas ingewijden.

De man die ons had verwekt

.

hief de hand. Wij boden het hoofd.

Hij prentte zijn duim in de hersens.

Wind en regen bestookten de droom.

Onder bed sliepen wolven en heksen.

.

Lennaert Nijgh

Music to jerk off by

.

Lennaert Nijgh (1945-2002) was één van ’s Neerlands bekendste en beste tekstdichters, vooral voor Boudewijn de Groot. Bekende nummers als Meisje van 16, Het land van Maas en Waal, Meester Prikkebeen, maar ook nummers als  Malle Babbe, Jan Klaassen de trompetter, Dag zuster Ursula, en  Pastorale schreef Nijgh. Liedjes die heel veel mensen bijna achteloos kunnen meezingen.

In 1991 verscheen bij uitgeverij Conserve de bundel ‘Tekst en uitleg’ met de teksten van alle liedjes van Nijgh. Bladerend door de bundel werd mijn aandacht getrokken door een nummer dat ik niet ken maar waarvan de titel nieuwsgierig makend is. In tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden blijkt het hier om een prachtige poëtische tekst te gaan. Daarom hier de tekst.

.

Music to jerk off by

.

De droomflat van de gastheer
is ingericht door weetjewel,
nou ja een soort Cees Dam,
Er hangen echte etsen aan de muur
van de schilders die hij kent,
in dank aanvaard voor drank.
.
Heel langzaam achterover glijen,
handen op je buik in een stoel
en dan komt weer dat gevoel:
alles is voor niets geweest,
niemand die ik kende op dit feest,
het leek zo mooi en interessant
er zou ook iemand komen van de krant.
.
Want hij heeft het gemaakt,
hij heeft het gemaakt,
heeft het gemaakt.
.
De ochtend na het feest komt
met overgeven, zweven en staren uit het raam.
De stad daarbuiten wordt door God
waanzinnig uitgelicht:
een mastershot.
.
Want hij heeft het gemaakt,
hij heeft het gemaakt,
heeft het gemaakt.
.
Als ik hier nou eens niet alleen
met die koppijn was,
maar in de armen van een lange en donkere godin
die het midden op dit dikke kleed
voor het open raam langdurig met me deed.
.
Ja dan had ik het gemaakt,
had ik het gemaakt,
dan had ik het gemaakt.

.

Büchmania Magazine

Boudewijn Büch

.

Het tijdschrift Büchmania Magazine is een tijdschrift dat jaarlijks wordt gepubliceerd door het Boudewijn Büch Gezelschap Büchmania dat werd opgericht in 2002. Ieder jaar sindsdien verschijnt er een speciaal magazine dat lieert aan Boudewijn Büch (1948 – 2002), zijn werk en zijn passies, in een oplage van 180 stuks. In elk nummer dus aandacht voor de vele onderwerpen waar Büch zich mee bezig hield maar ook voor het persoonlijk en schrijversleven van Büch.

In nummer 18 van 2021 (die van 2022 is er nog niet, het nieuwe nummer verschijnt meestal op de eerste zaterdag van oktober) staat een aardig artikel over de poëzie van Büch. In 1976 verscheen de eerste zelfstandige publicatie van Boudewijn Büch, de poëziebundel getiteld ‘Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs’. Het jaar ervoor waren nog enkele gedichten van hem opgenomen in het literair tijdschrift Maatstaf die de opmaat waren voor deze bundel.

De Poëzie van Büch is onconventioneel; hij maakt veelvuldig gebruik van eindrijm, terwijl de gedichten qua strofebouw en metrum zich eerder als vrije versvorm laten omschrijven. De dood speelt in de bundel een belangrijke rol, het komt maar liefst 34 maal voor in de 65 gedichten. Dat Boudewijn Büch gebiologeerd was door de dood blijkt ook in zijn volgende dichtbundel ‘De taal als blauw’ (en ook uit zijn roman ‘De kleine blonde dood’ bijvoorbeeld). In ‘De taal als blauw staat het gedicht dat ik voor vandaag heb uitgekozen. Het gedicht kent geen titel.

Al met al is Büchmania Magazine voor de fans van deze bijzondere man, een plezier om te lezen. De vele aspecten van het leven van Büch komen allemaal aan de beurt en geven een mooi beeld van de veelzijdigheid van de schrijver, presentator, verzamelaar en bibliomaan.

.

Huil mijn lied

in eenzaamheid

vernietig vader, jongens

en haar majesteit

.

schenk taal als suïcide

.

o onrecht

zo solide

met steeds meer

straf verzwaard

.

ik hou van jou

.

dood alleen die

dit verjaart.

.

Gedicht met morele strekking

Gust Gils

.

In de vakantie mag een gedicht met als titel ‘Gedicht met morele strekking’ niet ontbreken.  Daarom van Gust Gils (1924-2002) dit gedicht uit de bundel ‘Onzachte landing’ uit 1979.

.

Gedicht met morele strekking

.

als je ’s morgens vóór je spiegel staat
en je ontwaart een hoofd op je schouders
en het is niet het jouwe

dan moet je daarvan onmiddellijk
melding maken
bij de dienst voor bevolking
van je gemeente
die doen dan wel het nodige.

maar herken je in plaats van je hoofd
je lichaam niet meer als je eigen
daarmee helpen ze je niet
‘meneer zo kunnen we bezig blijven!’
en ze hebben gelijk.

kijk dus goed uit
bij partnerruil

.

 

Postindustrieel wonen (Oostblok)

Geert Buelens

.

De Vlaamse dichter Geert Buelens (1971) is tevens essayist, columnist en als hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde verbonden aan de Universiteit Utrecht en als gasthoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Stellenbosch in Zuid-Afrika. Zijn onderzoek richt zich vooral over de omgang van schrijvers en andere kunstenaars met momenten van crisis.

In 2002 debuteerde Buelens met de bundel ‘Het is’ waarvoor hij in 2003 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs kreeg. In 2005 verscheen ‘Verzeker u’ en in 2014 ‘Thuis’.

In 2020 verscheen zijn dichtbundel ‘Ofwa’. De gedichten van Buelens gaan over de problemen waar de mensheid vandaag de dag mee te kampen heeft, specifiek op sociale media en in de vorm van de klimaatcrisis. Of zoals de uitgever het op de bundel beschrijft: “De samenleving staat onder hoogspanning. De planeet is vergiftigd. De dichter probeert homeopathie door verongelijkt, woedend, al te zeker van zichzelf de tegenstellingen op scherp te zetten. Hoe de achterkleinkinderen van de Verlichting zachtjes indutten.”

Buelens schreef voor ‘De Morgen’ en was jarenlang redacteur van het literaire tijdschrift ‘Yang’, waarin hij gedichten en essays publiceerde. Dit was ook het geval voor onder meer ‘Bzzlletin’ en ‘Het liegend konijn’. Sinds 2012 is hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en sinds 2013 van de Academia Europaea.

Uit zijn bundel ‘Thuis’ komt het gedicht ‘Postindustrieel wonen (Oostblok)’.

.

Postindustrieel wonen (Oostblok)

.

Alles wat van het vijfjarenplan kwam
ligt hier verloren

.

Stilgevallen wat hydraulisch
werd aangedreven
wat mechanisch

.

Het valt niet mee
de overgang te verlichten
het staal te plooien als weleer

.

Zou dat kunnen
beton afgrazen
de koepel opengooien en
de was drogen in het neon?

.

Reisgenoten

20 jaar poëzietijdschrift Awater

.

In 2002 richtte Gerrit Komrij, destijds Dichter des Vaderlands, het poëzietijdschrift Awater op. Een tijdschrift om de Nederlandstalige poëzie toegankelijk te maken voor een breed publiek. Nu, 20 jaar later, komt Awater met een bloemlezing van dichters die de afgelopen 20 jaar aan het tijdschrift hebben meegewerkt. De bloemlezing is getiteld ‘Ik vond vele reisgenoten’ en ik kreeg hem bij mijn abonnement op dit tijdschrift met het zomernummer van 2022 meegestuurd.

De bundel wordt ingeleid door Myrte Leffring en bevat 20 gedichten van bekende dichters die een gedicht schreven rond het thema ‘Ik zoek een reisgenoot’ het motto van het gedicht ‘Awater’ van Martinus Nijhoff uit 1934 (waar het tijdschrift naar vernoemd is). Zoals op het achterflap te lezen staat is het resultaat een rijk scala aan poëtische bestemmingen, met de nodige obstakels én prachtige uitzichten onderweg.

Als er voor mij één ding blijkt uit deze jubileumbundel dan is het dat de poëzie in Nederland (en de andere Nederlandstalige gebieden) leeft en veelzijdig is en dat er voor een poëzietijdschrift altijd ruimte is. Wat mij betreft op naar het volgende jubileum.

Onder de deelnemende dichters in de jubileumbundel grote bekende dichtersnamen en een enkele wat minder bekende. Ik koos voor het gedicht ‘Een wat langere reis’ van Jan Glas (1958) een Gronings beeldend kunstenaar, schrijver, dichter, zanger, fotograaf en redacteur van het Groningse tijdschrift Krödde. Ik koos dit gedicht omdat de laatste strofe mij heel erg deed denken aan het gedicht ‘Mannenman’ dat ik schreef in 2013.

.

Een wat langere reis

.

Voor een wat langere reis zoek ik gezelschap.

Een ezel. Een met harde hoefjes. Sterk, koppig en lief.

.

Een metgezel om de bevroren uren in te halen.

Om samen op te trekken door ons laagland

en te krabbelen in de bergen over steile paadjes

langs geïsoleerde dorpen waaruit rook kringelt.

Af en toe iets zeggen.

.

Wat ik te bieden heb, ik val met de deur in huis:

ik ben een truffel, opgegraven door een varken.

Heb slanke handen en haal honden aan. Een eenling

.

met weinig ambities. Ik hoef geen man te zijn.

Ik wil er eentje spelen.

.