Site-archief

Tussen messen slapen

Een recensie

.

Jana Arns (1983) publiceerde afgelopen november bij uitgeverij P haar nieuwste bundel ‘Tussen messen slapen’. Het is alweer haar zevende bundel en zij is voor mij geen onbekende. Eerder schreef ik al een recensie van haar bundel ‘Ten minste houdbaar‘ uit 2022 en schreef ik over haar bundel ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn‘ uit 2019. Ook verschenen gedichten van haar in het kleinste maar leukste poëzietijdschrift van de lage landen MUGzine.

Maar dan nu een nieuwe bundel met de intrigerende titel ‘Tussen messen slapen’. De bundel begint met een gedicht waaruit liefde spreekt, tegenover de pagina met de opdracht ‘Voor Joris’. Hierna volgt het hoofdstuk of vierluik getiteld ‘Een wolfskwint huilen’.  En hoewel de strekking van de gedichten na een eerste lezing meteen duidelijk is heb ik toch maar even opgezocht wat een wolfskwint is. Een wolfskwint is in de muziek een valse interval, het kan in verschillende stemmingen ontstaan maar in de gelijkzwevende stemming komt de wolfskwint niet voor. Het lijkt alsof Jana in deze vier gedichten korte metten wil maken, een niet gelijkzwevende stemming schetst die ze van zich af lijkt te willen schrijven. Dat deze vier gedichten in eerste instantie op zichzelf lijkt te staan blijkt uit het volgende hoofdstuk.

In dit hoofdstuk met de weinig verhullende titel ‘De zelfmoord van de dichters’ zijn zeven gedichten opgenomen over dichters die zichzelf om het het leven hebben gebracht; Jotie T’Hooft, Sylvia Plath, Paul Celan, Yukio Mishima, John Berryman, Wim Brands en Jan Arends. Uit het gedicht over Jotie T’Hooft nam Jana de titel van de bundel ‘Daar trok hij de besteklade open, / stroopte zijn jeugd op, / bekende dat hij tussen de messen sliep’.

In het hoofdstuk dat daarop volgt met de titel Hashtag bracht Jana gedichten bijeen die naar aanleiding van een dag, week of moment van het jaar zijn geschreven zoals bijvoorbeeld #stillestrijd. Momenten in het jaar waarbij men stilstaat bij zaken die (opnieuw) niet tot vrolijkheid stemmen; dementie, armoede, zelfmoord, slachtoffer, pleegzorg. In ‘Een laatste ademwolk’ staan opnieuw weinig vrolijk makende gedichten over de herfst, dode vogels en vervuiling van de kust. Met één uitzondering het gedicht ‘Generatietuin’ geschreven voor vzw Ter Leenen.

In het hoofdstuk ‘Wildklem’ ook geen optimisme of jolijt, en had ik mijn hoop gevestigd op de epiloog voor nog een sprankje licht of lucht, helaas, ook in dit laatste gedicht brengt Jana de werkelijkheid terug tot haperende rollators, brood in vuilniszakjes en jam met bloedklonters. Je zou er te neer geslagen van kunnen worden.

En toch gebeurde dat niet. Jana Arns bezit de gave om in een eigen taal zelfs de meest schurende, verdrietige of naargeestige onderwerpen interessant, of nieuwsgierig makend te maken. Jana’s poëzie is vaak stellend , beschrijvend, haar taal is beeldend en knap gecomponeerd. En zelfs in een bundel die de donkere kant van het leven beschrijft valt er veel te genieten, of zoals de uitgever het stelt op de binnenflap; Deze bundel snijdt goud. En door te openen met een gedicht vol liefde, empathie en mededogen behoudt je de hoop en het vertrouwen dat het goed komt, zelfs als je tussen de messen slaapt. Een knappe en zeer lezenswaardige bundel kortom.

.

Voor Jan Arends

.

Hier staan wij

aan het begin van de taal

op het schap vijf hoog

.

rug aan rug gebonden

elkaar te behoeden

voor nog een sprong.

.

Weet je nog

op het Roelof Hartplein

waar men samenklonterde

onder de kruin van de boom

die je val niet roofde?

.

Je had lokaas gestrooid.

Een zwerver stond zijn nooddeken af,

jij je initialen.

.

Op dat landingsplatform

vertrok de laatste vlucht.

Je droeg een mager verenkleed

van lege pennen.

.

Kantoortuin 10

Angelika Geronymaki

 

In de nieuwste uitgave van het literaire magazine Deus Ex Machina, nummer 195 uit 2025 lees ik poëzie van Angelika Geronymaki (1986). Ik kende haar niet maar op haar website lees ik dat ze redacteur is bij Hard//hoofd en in 2022, na het winnen van de Poetry slam van Rotterdam in 2021, was ze finaliste van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam (waar ze vierde werd). Ze publiceerde al in meerdere literaire bladen zoals Kluger Hans, Het Liegend Konijn, Hollands Maandblad, DW B en Samplekanon. Ze werkt op dit moment aan haar debuutbundel en maakt jongeren- en educatieprogramma bij Theater aan de Schie in Schiedam.

Het gedicht dat ik overnam uit Deus Ex Machina is geschreven naar ‘Onder de appelboom‘ van Rutger Kopland.

.

Kantoortuin 10

.

Ik kwam laat en nat aan,

het was al avond

en zeldzaam zacht voor de tijd van het jaar.

.

Ik zat te kijken hoe mijn collega

zich door dossiers aan het spitten was

de nacht kwam uit zijn laptop

een blauwer wordende schijn hing

zich op in de tl-verlichting.

.

Er was geen appelboom

om ons samen onder te plaatsen.

Dit is een cirkel dacht ik,

een neerwaartse spiraal zonder eind.

.

Ik ben verloren, als een ridder

in tijden van droneoorlogen.

Wat moet ik met dit zwaard op mijn rug.

.

 

Niet naar het water kijken

Merlijn Huntjens

.

De Limburgse dichter en maker Merlijn Huntjens (1991) ken ik al vanaf 2013 toen hij als jonge dichter voordroeg op een podium van poëziestichting Ongehoord! Na zijn voordracht kocht ik destijds zijn bundel ‘Ja, blokfluit’ met daarin 10 tracks (gedichten) en 1 bonustrack. Het verbaasde mij dan ook toen ik las dat zijn uitgeverij De Harmonie, zijn nieuwe bundel ‘Onder mij de mat’ als debuut afficheert. Helemaal omdat Merlijn in 2022 ook nog een scrapbook (met gedichten) bij Wintertuin uitgeverij heeft gepubliceerd met de titel ‘de zee waait terug’.

Dat Merlijn geen nieuwe naam in de poëzie is blijkt onder andere ook uit het feit dat hij al poëzie publiceerde in De Revisor, Het Liegend Konijn, Tirade, Kluger Hans en MUGzine #6. Daarnaast stond hij drie keer in de finale van het NK poetry slam en was hij één van de dichters die met de Poëziebus meereed in 2015. Hij is artistiek leider van PANDA, een collectief dat verhalen van Limburgse bodem op onorthodoxe wijze vertelt en literaire programma’s samenstelt. Het maakt zich tevens sterk voor literatuur en poëzie op scholen en creëert ruimte voor jong talent uit de regio.

Omdat er momenteel overal aandacht is voor zijn nieuwe bundel grijp ik nog even terug naar ‘de zee waait terug’. In deze bundel schrijft hij over een fictief eiland waar een gesloten gemeenschap woont. De mensen maken er onderdeel uit van een oud en magisch universum. De gedichten vertellen het verhaal van de teloorgang van deze oude wereld en de onzekere toekomst die erop volgt: wat is de invloed van technologische vooruitgang in een wereld van tradities en rituelen? Is er in een steeds donker wordende wereld nog ruimte voor individuele kwetsbaarheid? In de gedichten onderzoekt Merlijn hoe de eilanders omgaan met radicale veranderingen en het verlies dat daarmee gepaard gaat. Uit deze bundel het gedicht ‘niet naar het water kijken, niet naar het water kijken’.

.

niet naar het water kijken, niet naar het water kijken

.

demi wil ademhalen boven de wereld
naast een satelliet zwemmen in de ruimte
om dichterbij de droge maan te zijn.

haar eerste woning spoelde weg
doordat de zee het eiland opat.
ze herinnert zich dat ze door het gesprongen raam
met het matras als vlot naar buiten stroomde
in haar tuin opgevangen werd door een brandweerman.

haar opgevouwen telescoop past
in de kofferbak van de sedan van haar broer
ze hangt hem aan haar rugzak
wanneer ze het dak
van haar spiegeleihuis op klimt
via de boom die vlak naast het huis groeit.

demi is het hoogste punt van het eiland.
ze kijkt naar de maan.
ze denkt dat ze daarboven iets heeft gezien:
donkere kraters als koeienvlekken
kurkdroge vlaktes, nergens gras of verrassingen.

.

Mijn moeder droomt over mij

Valentijn Hoogenkamp

.

Al eerder schreef ik over Valentijn Hoogenkamp (1986) omdat ik zijn roman ‘Het aanbidden van Louis Claus‘ aan het lezen was (toen nog Helena Hoogenkamp maar hij identificeert zich als nu als non-binair).  De roman werd in 2022 genomineerd voor de Anton Wachterprijs. Dat Valentijn ook dichter was (en essayist) wist ik niet tot ik op de website raadgedicht.nl het gedicht ‘Mijn moeder droomt over mij’ tegenkwam. In het raadgedicht is het de bedoeling dat een woord wordt weggelaten waarvan de lezer mag raden welk woord dit is.

Valentijn Hoogenkamp schreef het gedicht in 2023 en noteerde hierbij: Dit gedicht schreef ik nadat ik van mijn moeder had gedroomd. Ze was toen nog maar net overleden. Elke keer dat ik over haar droom voelt het alsof ze bij me thuis langs is geweest. Dan word ik wakker en denk ‘o ja, zo was ze.’ Toen vroeg ik me hoe af het zou zijn als mijn leven eigenlijk haar droom is. Dus achtervolg ik haar in dit gedicht door een droomlandschap. Het is een metrostation, omdat ik vaak op de metro stond te wachten als ik haar in het ziekenhuis had bezocht. In dit gedicht kan ik met haar meereizen als ze voor het laatst vertrekt.

.

Mijn moeder droomt over mij

.

Mijn moeder droomt over mij.

Ik achtervolg haar een betonnen trap op.

Ze wacht op de metro met een blanco gezicht.

Er is dat liedje waar ze graag op danst.

Niet vergeten het te draaien op haar begrafenis.

Ze droomt  van haar kind dat vlak achter haar loopt,

maar omdraaien gaat al jaren niet.

Op de stationsmuur heeft iemand met zijn vingers geschreven:

Ik weet het geheim, ik weet van de baby’s. Geef ze terug (aan mij).

Tussen rails en tegels wuift het water.

Zacht zingt ze het liedje niet, het sterven niet.

Mijn moeder droomt dat ik een jongen ben.

Ze weet het zeker, voel maar aan haar buik.

Ik toon mijn kale kop in een ondergelopen landschap.

Voor de metro moet ik betalen met een afgeknipte paardenstaart.

Hakken kleven aan de vloer van het treinstel dat ons wegdraagt.

We banen ons een weg door krakende wolken.

Door het raam is het ziekenhuis krimpend zichtbaar.

Mijn moeders vleugels zijn van winddicht dons.

Met twee armen omhels ik het licht.

.

Legpuzzel

Elfie Tromp

De Rotterdamse dichter, theatermaker, zangeres en columniste Elfie Tromp (1985) ken ik al sinds zij voordroeg bij het podium van toen nog Ongehoord Rotterdam in 2011, later poëziepodium Ongehoord! In 2012 begon ze samen met Jeroen Aalbers het literaire tijdschrift Strak. In 2013 stond ze opnieuw op het podium van Ongehoord! toen als dichter en schrijver (ze was gedebuteerd met de roman Goeroe in 2013 en was in het proces van het schrijven van haar volgende roman Alfateef).

De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) benoemde haar tot zomerdichter van 2020 en in 2023-2024 was ze stadsdichter van Rotterdam. Ze was vanaf 2013 vaste columnist voor het dagblad Metro en schreef onder andere voor de Volkskrant, Joop.nl en Passionate. In 2016 nam Tromp deel aan de televisiequiz De Slimste Mens en ze maakt webcasts voor onder andere de VPRO. In 2021 was ze columnist bij Vroege Vogels. Haar laatste wapenfeit is haar theatershow Van de gekken! waarin ze in de huid van cabaretlegende Adèle Bloemendaal kroop.

Elfie is kortom een zeer veelzijdige vrouw en artiest. In 2020 stonden een aantal van haar gedichten in MUGzine #4 en hoezeer ik van haar romans genoten heb, als dichter is Elfie me toch het liefst. In 2018 verscheen haar tot nog toe, enige dichtbundel ‘Victorieverdriet’. Uit die bundel die ze schreef nadat ze door haar vriend was verlaten en waarin je als lezer in drie afdelingen door Tromp door de verschillende fasen van haar rouwproces wordt meegenomen: de schok, de reactie, het herstel, nam ik het gedicht ‘Legpuzzel’ uit het eerste deel.

.

Legpuzzel

.

Ik leg graag

puzzels

maar krijg jou nooit

af

.

je was zo veel losse stukken

ik kwam een eind

dat moet je met me eens zijn

met gevoel, geduld en een portie

beginnersgeluk

.

de randen kloppen

.

ik had je bijna

opgelost

.

ik ben van buiten naar binnen toe begonnen

voor het hart

kreeg ik de kans niet

.

je bent andermans legpuzzel nu

met in het midden een gekarteld gat

.

Muggen en hommels

Roos Rebergen

.

In 2022 schreef ik over de bundel ‘Liefde‘ gedichten samengesteld door Tjitske Jansen (1971) die eind 2021 werd gepubliceerd. Een fijne bundel waaruit ik een gedicht koos van Roos Rebergen (1988). Het gedicht ‘Ruimte’ werd genomen uit haar debuutbundel ‘Ik ben al 11 jaar geen 16 meer’.  En laat ik die bundel nu pasgeleden weer, of eigenlijk voor de eerste keer, in handen hebben. In de bibliotheek van Rotterdam, waar ik even wat tijd over had, kwam ik de bundel tegen. Een bijzondere bundel want de enige bundel die ze heeft gepubliceerd (Roos is dan ook vooral muzikant, je zou haar vooral kunnen kennen van haar band Roosbeef) en vol voorbeelden van haar bijzondere manier van met taal spelen.

Een eerste gedichtje dat ik tegen kwam bestaat uit twee zinnen waarbij de tweede zin uit één woord bestaat dat golvend van de regel loopt, dat kan ik hier niet nadoen maar het is als volgt:

.

de muggen pakken ons werk en onze vrouwen af

K L O O T H O M M E L S

.

Een tweede gedicht is het gedicht ‘blijven’ waarin een onderwerp wordt aangesneden dat voor veel mensen herkenbaar zal zijn. Een voorbeeld dat niet in het gedicht voorkomt is bijvoorbeeld wanneer een bepaald liedje op een begrafenis of uitvaart wordt gespeeld. Dan blijft zo’n liedje, door de emotionele lading die erbij komt kijken, voor altijd aan die gebeurtenis plakken. Maar er zijn meer voorbeelden zoals Roos in ‘blijven’ beschrijft.

.

blijven

.

jij zet iets op en we luisteren samen

naar wat we beiden goed kennen

maar los van elkaar

het is niet ons liedje

dat hebben we niet

daar ben ik mee gestopt

het café moet een café blijven

het strand moet een strand blijven

die straat moet een straat blijven

ik wil er altijd naar toe kunnen

wat er ook gebeurt

ik kom nog steeds graag in oostende

ik kan nog steeds there she goes my beautiful world horen

ik hou nog steeds van de schelde

ik wil triestig van een film worden omdat het een zielige film is

en niet omdat ik die met jou heb gezien

je mag het niet afpakken

wil je me dat beloven?

.

Mythen en stoplichten

Alara Adilow

.

Ik lees de bundel  ‘Mythen en stoplichten‘ uit 2022 van Alara Adilow (1988). Haar debuutbundel waarmee ze in 2023 de Herman de Coninckprijs voor poëzie 2023 en de C. Buddingh’ prijs voor het beste debuut won. Wat betreft poëzie is het daar, tot op heden bij gebleven. In 2025 verscheen wel van haar hand de roman ‘Kijk es naar al dat licht’ die qua thematiek aansluit bij haar poëziedebuut; vrouwelijkheid, lichamelijkheid en de grenzen van gender, seksualiteit, het verlangen naar transformatie en metamorfose, identiteit en queerness.

Lezend in ‘Mythen en stoplichten’ vallen me een paar dingen op. Adilow neemt geen blad voor de mond, zaken worden benoemd, soms schaamteloos en dan weer heel poëtisch. Er staan twee kwatrijnen in de bundel (een gedicht of een strofe van een gedicht van vier versregels en twee rijmklanken waarbij het rijmschema meestal a-a-b-b is maar andere schema’s zijn mogelijk zoals in het geval van de kwatrijnen in de bundel die een rijmschema hebben van a-b-c-a en a-a-b-a ) en die vallen een beetje uit de toon bij de andere vrije gedichten. Adilow gebruikt in haar poëzie vele vormen en opvallend is dat ze met name in het laatste hoofdstuk stukken tekst ̶d̶o̶o̶r̶h̶a̶a̶l̶t̶. Dat heeft als gevolg dat je de tekst gewoon kan lezen maar weet dat de dichter dit heeft verwijderd. Wat een vervreemdend effect heeft op hetgeen je leest, alsof je in het hoofd van de dichter meegaat in het ontstaan van het gedicht. Tot slot viel mij op dat de woorden mythe en vooral de stoplicht(en) meerdere malen in de gedichten voorkomen maar dat dan weer in de eerste hoofdstukken.

In de bundel is er dus genoeg om je over te verbazen, van te genieten, iets van te vinden en een kijkje te krijgen in het hoofd en de ideeën van Adilow als dichter. Ergens las ik dat de poëzie van Adilow werd vergeleken met die van Rutger Kopland (NRC) en die vergelijking snap ik wel al is de poëzie van Adilow wat mij betreft wat rauwer en heeft het meer een rafelrandje. In een recensie op Meander schrijft Maurice Broere dat de redactie van de bundel wel wat zorgvuldiger had mogen zijn. Het voorbeeld van een grammaticale misser is in de 5e druk (die ik lees) inmiddels netjes gecorrigeerd (tweede zin van de eerste strofe). Goed dat daar in ieder geval aandacht voor is. Uit de bundel koos ik het titelgedicht.

.

Mythen en stoplichten

Het lichaam gehuld in tijdelijkheden
wordt nagejaagd door een ziel
in een donkere zaal gevuld met kabaal van een verleden.

In de verte wieken zwaluwen over bergtoppen. Er klotst een beek
langs koele, groene stroken, er zit geen dak op deze herberg.
Ik wring mijn hart uit: regen, donderwolken, syntax
gebroken wetten, trage jazzmuziek.

Wat zal de argumenten van mijn wonden weerleggen?

Dwalend door die lange straat, met al die gezichten
alle kostuums die ik droeg, de mannen aan wie ik valse namen gaf
en de vrouwen waartegen ik loog uit schaamte.

Er is geen vuur in poëzie.
Ik heb er lang naar gezocht, gezocht naar vuur en hamers.
Ik vond enkel weerspiegelingen in troebelheid
daar kun je geen vestiging van scheppen.

Ik vond in poëzie een wentelen uitdijend, een gevoel van ontspruiten.
Alsof ik een gewas was in taal. Alsof ik meer was dan een kist
vol vertogen opgeborgen in een lichaam.

.

Esthetiek van de baviaan

Maria Bochicchio

.

In het laatste nummer van Deus ex Machina met als thema Moedertaal. lees ik poëzie van de Italiaanse dichter Maria Bochicchio (1987) is een Italiaanse schrijver en dichter en woonachtig in België. Ze studeerde moderne literatuur en is auteur van de roman Cazzamala (2020) en de dichtbundel ‘Accùra, complementi d’arredo’ (2022). Haar werk is verschenen in bloemlezingen, blogs en literaire tijdschriften – van La Repubblica tot Corriere della Sera , naast Ellin Selae, Poesia del Nostro Tempo en vele andere.

Ze is onderzoeker gespecialiseerd in literatuurwetenschap en dan met name de Portugese en Italiaanse literatuur. Haar expertise ligt bij filologie, linguïstiek, vertalen en tekstkritiek. Voor Deus ex Machina vertaalde ze zelf een aantal van haar gedichten. Ik koos er een van zonder titel.

.

de maag

de ingewanden

het vlees

.

het onzichtbare werk van je botten

levert aan de woestijn

zijn eerste doorn

.

het waakt

op het ritme van de trommels

het open hart van een pad

.

je ziel verslindt de aarde

wachtend op een gebaar,

je zit waar de wind spreekt.

.

 

Ertussenin

Moniek Wolters

.

Van een oud collega die ik geholpen heb met een aantal zaken in het afgelopen jaar kreeg ik als dank de bundel ‘Ertussenin’ uit 2022 van Moniek Wolters. De ondertitel luidt ‘Inspiratie voor de tussentijd bij veranderingen in werk en leven’. Het voorwoord is geschreven door de Rotterdamse dichter en spoken word artiest Derek Otte (1988). Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk want de bundel van Wolters bevat korte gedichten die in thematiek en vorm wel wat aan het werk van Otte doen denken.

De bundel is verluchtigd met illustraties van Jing Foon Yu. En hoewel het boek erop gericht is iedereen die in het tussengebied zit ( de tijd en ruimte tussen dat wat je kent en dat wat er gaat komen en misschien nog onbekend is) gereedschap in de vorm van gedichten en teksten te geven om hiermee om te gaan, kun je het boek ook als dichtbundel lezen. Een dichtbundel met een thema (omgaan met veranderingen).

In de bundel staan een soort luules, korte overpeinzingen met soms een knipoog en soms een diepere gedachte zoals bijvoorbeeld ‘De sprong wagen’

Hinkel

Stap

Spring

Maar er staan ook wat meer voldragen gedichten in. Ik koos voor het gedicht ‘Het moet wel spannend klinken’.

.

Het moet wel spannend klinken

.

Zou willen

dat ik in

het Engels kon

veranderen van vorm

.

Shape shifting

dat klinkt

zo enorm

stoer en avontuurlijk

.

zo ver

hier vandaan

.

Terwijl

veranderen van vorm

toch klinkt alsof

ik thuis een taartje

in de oven heb staan

.

huis-thuis

Dubbelgedicht

.

Vandaag was ik mijn bureau aan het opruimen en onder een stapel papieren kwamen een aantal ansichtkaarten tevoorschijn. Het waren ansichtkaarten die ter gelegenheid van de Poëzieweek in 2024 zijn uitgegeven en verspreid. Het thema van de Poëzieweek 2024 was ‘Thuis’ vandaar dat de drie kaarten dit als thema van de gedichten hebben. Ik heb er twee uitgekozen als dubbel-gedicht.

Het eerste gedicht is van Jos van Hest (1946) schrijver, dichter, publicist, poëziedocent. organisator van poëziepodia en collega bij Meander. Het gedicht is getiteld ‘De wereld wordt je huis’ en verscheen in het magazine Dichter nummer 6 in 2017 bij Plint met als thema Nieuwe buren.

Het tweede gedicht is van Esohe Weyden (1999) Vlaams schrijver, dichter, presentator en jurist. Het gedicht getiteld ‘thuishaven’ verscheen in haar bundel ‘Tussentaal’ uit 2022.

.

De wereld wordt je huis

.
In de vensterbank bloeien de sterren
bij de voordeur groeit zeldzaam geluk

Nachten glanzen als zwarte parels
dagen glinsteren als golven in de zon

De wereld wordt een huis met open ramen
wolken zweven naar binnen en buiten

Geen land hoeft ooit nog op slot
er zijn kamers voor alle seizoenen

.

thuishaven

onthaarde pleintjes
waar ’s zomers billen kunnen branden
waar het leven over de stenen struikelt
en top-down het hart verwarmt
misschien wat klapstoelen verspreid
met benen over elkaar geslagen
gesprekken gespuwd en geslikt
met een glas tussen drie vingers geklemd

.
tussen deze bakstenen gangen
verliest de zwaarte haar adem groeit
er ruimte om te bouwen
aan de hersenspinsels als spinnenwebben
achter onze ogen vastgeplakt
dit station brengt naar en van
fluistert ideeën wanneer je beweegt
en wanneer sirenes in de verte
neuriën in je slaap

.