Site-archief
1 april!
De humorist
.
Op 1 april wilde ik eens stilstaan bij het fenomeen van grappen maken of het voor de gek houden van anderen op deze dag. Ik weet dat het zondag is en dus eigenlijk de dag voor de dichter van de maand maar deze schuif ik voor een keer door naar morgen.
Volgens de Wikipedia is de meest voor de hand liggende verklaring van het fenomeen 1 april grappen de volgende:
De 1 aprilgrap is ontstaan uit een vroeger middeleeuws festival: het feest van de zotten. La fête des fous was vooral in Frankrijk van de 5e tot de 16e eeuw erg populair. Het werd gevierd omstreeks 1 januari door het kiezen van een valse paus of bisschop en ging gepaard met allerlei rituelen en festiviteiten waarbij de geestelijkheid werd geparodieerd. Aan de basis hiervan lagen dan weer naar alle waarschijnlijkheid vroegere heidense zonnewende feesten. In de 16e eeuw zou dit bij de Franse wijziging naar de Gregoriaanse kalender naar 1 april zijn verschoven.
Hoe het precies zit weet men niet maar het fenomeen van elkaar voor de gek houden en grappen maken op 1 april is een sterk verankert gebruik in ons land (maar zeker niet alleen hier, ook in België, Rusland, Frankrijk en een boel Engelstalige landen).
Op zoek naar een gedicht over 1 april kwam ik veel humoristische gedichten tegen maar geen enkel over 1 april (ze zullen er ongetwijfeld zijn). Wel las ik een gedicht van Simon Carmiggelt in zijn bundel ‘De gedichten’ uit 1974, met de titel ‘De humorist’. Het dekt de lading van 1 april misschien niet helemaal maar is zeker de moeite waard.
.
De humorist
.
Als knaap heb ik mijn eerste grap verzonnen.
Mijn moeder riep: ‘Dat wordt een humorist.’
De brave vrouw. Zij heeft zich niet vergist.
Een schelmse carrière was begonnen.
.
O, in de aanvang ging ’t somtijds stroef
en viel de kwinkslag wel eens in ’t water.
Die vroege gein! ‘k Moest er om lachen, later.
Want zelfs herinnering stemt mij niet droef.
.
Al schaterend schiep ik een klein bedrijfje,
waar de cliënt een mopje kan bestellen,
ik scherts maar voort. Ik kan ze niet meer tellen.
Bij dag en nacht – ik bak een vrolijk schrijfje.
.
Al mijn agressies kan ik in dit vak
profijtelijk tot jeukpoeder vermalen.
Maar zou ik daarbij wel de tachtig halen?
Als dát gelukt, ben ik een monter wrak.
.
Dan is het beter te zwijgen
Gijs ter Haar
.
Gisteravond was ik een stapel dichtbundels aan het opruimen (dat wil zeggen ik probeerde een plek vrij te maken in de boekenkast om ze neer te zetten en dat is nog geen sinecure) en toen kwam ik de kleine maar fijne bundel ‘Voor de zwijnen’ uit 2017 tegen van Gijs ter Haar en toen wist ik dat ik hieruit een gedicht ging plaatsen.
Gijs ken ik al vele jaren, een bijzondere man en dichter aan wie ik altijd mooie herinneringen heb. Elke keer als we elkaar tegen komen is er weer iets te melden en geniet ik van zijn voordrachten. Maar ook in de bundel ‘Voor de zwijnen’ staat veel moois zoals het prachtige gedicht ‘Dan is het beter te zwijgen’.
.
Dan is het beter te zwijgen
.
Hoe dat is, dat je dan toch
opeens de handen van je vader krijgt
hij langzaam in je lichaam kruipt
zijn oude wonden openrijt
als waren het de jouwe
.
en dat je nooit gekeken hebt
naar wat zich dagelijks voltrok
hoe hij hetzelfde kind ooit was
het achterliet in het besef
van een intens berouwen
.
dat alle angsten eender zijn
deze nog het meest van al
maar dat hij met jou sterven zal
als oude foto’s in een doos
vol ongekend vermoeden
.
je hebt je vleugels afgelegd
je voeten in beton gezet
een kind loopt door het huis
en zegt dat je zijn lieve vader bent
je wilt dat kind behoeden
.
Lente
Dichter van de maand
.
Voor de laatste keer is vandaag Armando dichter van de maand. Volgende week op 1 april (geen grap) een nieuwe dichter van de maand, wie dat is blijft nog even geheim, volgende zondag gewoon lezen. Omdat het afgelopen 21 maart officieel lente is geworden vandaag een gedicht van Armando over de lente ui de bundel ‘Liever niet’ uit 2017.
.
Lente
.
‘t Is bijna lente, de knoppen zijn al weerloos,
de takken steken hun armen uit
en de groei heeft de bloei ontdekt.
Het blijft voorlopig lente,
omdat het gretig groen is.
Het was de luidruchtige lente,
die even heeft geglimlacht.
.
Zweef
F. Starik
.
Afgelopen vrijdag overleed de dichter F. Starik (1958), het zal veel van jullie niet zijn ontgaan. Frank von der Möhlen zoals zijn echte naam luidde was behalve dichter ook prozaïst, fotograaf, zanger, performer en beeldend kunstenaar. F. Starik studeerde dan ook fotografie en mixed media aan de Rietveldacademie. Gedurende zijn publicerende leven kwam zijn veelzijdigheid regelmatig naar voren. Zo publiceerde hij een gedichtenbundel ‘De grote vakantie’ uit 2004 met een CD en een andere bundel met een tentoonstelling. In oktober 2012 schreef ik al over een ander project van Starik, de ‘drijvende-gedichten-kamer’ van de Amerikaanse kunstenaar Aiah Armajani, op een eiland in de Noordbuurt in Amsterdam, waar Starik een gedicht voor schreef dat te lezen is bovenop het hekwerk rondom het eiland.
Waar F. Starik natuurlijk ook zeer bekend mee geworden is, is de Poule des Doods, een dichterscollectief (dat hij oprichtte) dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Het initiatief van de Poule des Doods kent ondertussen beginnende navolging in Rotterdam, Den Haag en Antwerpen.
Van 2010 tot 2011 was Starik stadsdichter van Amsterdam. Ter afsluiting van zijn stadsdichterschap verscheen een driedubbeldikke editie van de Amsterdamse daklozenkrant Z!, waarvan in twee weken 20.000 exemplaren werden verkocht.
Starik debuteerde in 1974 met de bundel ‘Mot, of de neerslag van twijfel’ dat hij in eigen beheer uitgaf. Daarna volgde nog vele bundels. De laatste was de bundel ‘Staat’ waaruit het volgende gedicht.
.
Zweef
.
Als kind kon ik ’s nachts het raam uit vliegen
ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht
als een meeuw op de wind, het was niet moeilijk en niet zwaar
ik spreidde simpelweg mijn armen en zweven maar.
Freud zegt hierover: een gesublimeerd verlangen naar macht
ach, wist ik veel, ik was een kind, ik was veertien jaar.
Nu hoor ik vaak een bel gaan in mijn hoofd
soms de zoemer van de buitendeur, soms
het schorre belletje van boven
sinds ik geen wekker meer bezit
rinkel ik mezelf wakker in de nacht
of zegt iemand keihard hallo in mijn oor
het klinkt zeer levensecht maar
nooit staat er iemand naast mijn bed.
Ik ben het zelf die de bel produceert
die de wekker wekt
zichzelf telefoneert
ik ben het zelf die hallo zegt
vliegen doe ik allang niet meer.
.
Programma
Bastiaan van Heijningen
.
De tot voor kort mij volledig onbekende dichter Bastiaan van Heijningen (soms ook geschreven als Heyningen en nee, geen familie) werd in 1865 geboren in Dubbeldam. Op 8 jarige leeftijd verhuisde hij met zus en ouders naar Rotterdam. Rond zijn 20ste studeert hij aan de Poly-technische school te Delft. In Rotterdam treft hem een zware verkoudheid en hij keert terug naar zijn (inmiddels in Amsterdam wonende) ouders. Hij lijdt aan hevige pijn in zijn zij en heeft een hardnekkige hoest. Gevaarlijk lijkt dit aanvankelijk niet, maar na een bloedspuwing – hij is dan eenentwintig jaar oud- ziet de situatie er nogal hopeloos uit. De ene bloedspuwing volgt op de andere.
Ondanks of misschien dankzij zijn ziekte kan Bastiaan toegeven aan zijn literaire aspiraties. Hij maakt studie van het Italiaans en van de Engelse letteren, vertaalt en schrijft poëzie. In deze laatste jaren van zijn leven ziet hij zijn gedichten en vertalingen in tijdschriften gepubliceerd. Mede hierdoor maakt hij zich literaire vrienden. Nadat zijn zus sterft in augustus van dat jaar (1889) aan de vliegende tering moet hij opnieuw hevig bloed opspugen. Dit ziekbed komt hij niet meer te boven en op de avond nadat zijn eerste gedichten gebundeld zijn in de bundel ‘Gedichten’ sterft ook hij op 24 jarige leeftijd.
Hoewel zijn werk verschillend beoordeeld wordt is er zeker waardering onder critici. Meer dan een euw na zijn dood wordt er van hem een gedicht opgenomen in de bundel ‘Dichten over dichten’ uit 1994 getiteld ‘Programma’.
.
Programma
.
‘k Beschrijf u niet den boedel der natuur;
Ik tel u niet, mocht ik van rozen spreken,
De blaadjes vóor; gewaag ik van een muur,
Wacht niet, dat ik u het stenental bereken.
.
‘k Tracht den graceur niet naar de kroon te steken;
En haar gelijm, gelik, gepoets, geschuur;
Maar ‘k troost mij lichtlijk over die gebreken.
Ik heb wat gal, wat hoogheid en wat vuur.
.
Mijn zang is vol vertwijfeling en toren,
Er in gestort uit overvloeiend hart,
Vrij schuw dit boekje, wie niets hards kon hooren.
.
O, kon ik zuivrer, liefelijker zingen!
Maar uit den gorgel, dichtgeschroefd door smart,
Zijn eenmaal weeker klanken niet te wringen.
.
Met dank aan Paulien van den Andel, 2010 http://bastiaanvanheijningen.webklik.nl
Het einde van de roltrap
Jonge dichter: Hester van Beers
.
In 2017 werd ze tweede in de Meander Dichtersprijs, haar gedichten zijn gepubliceerd in onder andere Meander Magazine, Tijdschrift Ei en Extaze. Hester van Beers (1995) is een talentvolle jonge dichter en van haar hand verscheen in 2017 de bundel ‘Het einde van de roltrap’. Uit deze bundel het titelgedicht
.
Het eind van de roltrap
.
Ik was altijd bang dat ik zou worden verslonden
door het einde van de roltrap. Ik klemde me vast
aan de hand die uit de hemel leek te hangen,
maar later gewoon van mijn vader bleek te zijn.
Mijn ogen telden alle bomen
achter het autoraam. Ik wist niet
dat er meer bomen zijn dan mijn wereld
ooit kan bevatten. Ik wist niet dat de bomen
nog sneller groeiden dan ik.
Ik was altijd bang dat ik groter zou worden
dan het klaslokaal.
Soms wou ik dat de roltrap me verslonden had.
.
Foto: de Meus
Het laatste gesprek
Armando
.
Vandaag van de dichter van de maand maart het bijzondere gedicht ‘Het laatste gesprek’ uit de bundel ‘Dagboek van een dader’ uit 1973, een bundel met korte dagboeknotities van iemand die het tegendeel van slachtoffer wil zijn .
.
Het laatste gesprek
.
‘Heer, herken ik u? Zijn wij niet dezelfde van weleer?’
‘Wie riep mij dan? Zijn uw wapens niet de mijne?’
‘Ik wacht op woorden, Heer.’
‘Ik was Dader, u het Offer. De medemens is leeg.’
‘Sterven Daders niet.’
‘Neen. Zij kunnen niet. Zij verwoorden.’
‘Heeft u ginds gesproken, Heer?’
‘De dagen zijn beschreven.’
‘Heeft de Tijd nog kwaad gewild?’
‘Ja, het slagveld is begroeid.’
‘Geen spoor van oorlog meer?’
‘Geen. Maar ik doorzie de stilte. Oog en oor vergaan.’
‘Nadert weer de Dood, o heer?’
‘Neen. Hij was er al.‘
.
Ik heb Goddank twee goede longen
Gerrit Komrij
.
Schreef ik afgelopen zaterdag nog over Bilderdijks’ hekel aan sigaretten en tabak, vandaag een tegengeluid van Gerrit Komrij. Lezend in zijn bundel ‘Ik heb Goddank twee goede longen’ (fijne titel ook, uit 1978, 2e druk) kwam ik het gedicht ‘Hoog op de gele wagen’ tegen. Dit is het eerste gedicht uit ‘Het derde stuk’ met de titel ‘Natuur ligt in dromen verzonken’. De bundel bestaat uit 6 stukken (of hoofdstukken zo je wil). De titel van het gedicht ontgaat me eerlijk gezegd (tenzij het geel een verwijzing is naar de zwaveldamp om je hoofd) maar dat maakt het gedicht er niet minder fraai op.
Niet alleen als tegenhanger van Bilderdijks’ ‘T nicotiaanse kruid’ maar ook als stille klacht tegen alles en iedereen die zo nodig heel gezond doet of vindt dat ie gezond moet doen.
.
Hoog op de gele wagen
.
Je hebt Goddank twee goede longen, want als je
Rookt dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart
Daarbij, want dans je voor je bed een walsje
Dan voel je je dolgesprongen, niet benard.
.
Je hebt immers een zéér fijne neus voor vuile
Lucht, en slinks bespoten snijboontjes en sla.
Om het tarweloze kadetje kan je huilen,
En je grijpt zesmaal ‘daags naar de tandpasta.
.
Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd,
Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde,
En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp
Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’
.














