Site-archief

Jan Arends

Interpretatie van een gedicht

.

Via het wereld wijde web kwam ik op de website van de Universiteit Gent een artikel tegen van Bart van der Straeten over een gedicht van Jan Arends. Nieuwsgierig als ik ben kwam ik erachter dat Bart van der Straeten maar liefst 239 publicaties over poëzie, poëziegerelateerde en literaire onderwerpen in de Universiteitsbibliotheek heeft staan. Het artikel waar ik op stuitte gaat over een gedicht zonder titel van Jan Arends (1925-1974) dat oorspronkelijk verscheen in 1965 in de bundel ‘Gedichten’ en later werd opgenomen in de bundel ‘Vrijgezel op kamers’ uit 2003. In dit artikel uit 2006 schrijft B. van der Straeten zijn interpretatie van dt gedicht.

Die interpretatie luidt als volgt. “In dit gedicht heeft Jan Arends een tegenstelling ontwikkeld tussen de mens en de dieren. Aan de dieren worden positieve eigenschappen toegeschreven, aan de mens negatieve. De dieren hebben minder last van angst. Ze staan dichter bij de dingen (‘zijn na tot de boom’), dichter bij ‘het weten’. Ze staan dichter bij de rust, de harmonie, de vrede van een bekende, geruststellende wereld (zijn ‘bijna nog het slapen in eigen grond’). De mens daarentegen heeft noch het weten, waardoor hij ‘verworpen’ is, noch het zijn, waardoor hij ‘volledig uitgestoten’ is. De mens is een wezen dat autonoom leeft, dat geen eenheid vormt met de hem omringende wereld (dat ‘als een verachtelijk eigen’ is). Zijn aanwezigheid brengt schade toe aan ‘de dingen’; aan die wereld die is en die weet, die in de eerste twee strofen beschreven wordt. De mens ‘weet’ niet, hij ‘denkt’, en is daarom onmachtig.”

Een treffende en terechte interpretatie denk ik, maar oordeel zelf.

.

Veel minder
in de orde van de angst
de dieren.

.
Vogels en vliegen
zijn na tot de boom,
zijn bijna nog het weten
Een tor die kruipt
is bijna nog het slapen
in eigen grond.

.
Onmachtig
in mijn denken
ben ik mens.
Volledig uitgestoten
door het zijn.
Verworpen door het weten
als een verachtelijk eigen
dat in de dingen schade is.

.

Poëzie- en kunstfestival

Rotterdam, Noordereiland

.

Afgelopen zondag was de officiële aftrap van het kunst- en poëziefestival Raamwerk | Dichtwerk op het Noordereiland in Rotterdam bij NE Studio’s. Een keur aan dichters kwam langs om voor te dragen, er was muziek van Marjolein Meijers, de bekendmaking van de winnaar van de poëziewedstrijd Jasmijn Lobik ook al winnaar van de AMAI Awards begin dit jaar, er waren kleine uitgeverijen, boekhandel Bosch & de Jong en een tafel met dichtbundels die je kon ruilen.

Een dag vol poëzie en kunst. Bij eéén van de kleine uitgeverijen ‘De Weideblik’ kocht ik een bundel van een van de deelnemende dichters Hans Wap getiteld ‘De man zonder haast’ uit 2016, Hans Wap (1943). Hans heeft samen met Marjoke Schulten een raamkunstwerk gemaakt.

Hans Wap woont en werkt in Rotterdam. Hij las zijn gedichten voor op festivals te Jakarta en Palembang, in Paramaribo, in de Algarve, in Marrakesh, in Berlijn en Bremen. Zijn dagelijks brood verdient hij als beeldend kunstenaar. www.hanswap.nl

Marjoke Schulten gaat graag op reis. Het liefst met een zeppelin, een onderzeeboot of een raket. Haar avonturen legt ze vast in grafische kunstwerken, tekeningen en kleine ruimtelijke objecten. Marjoke heeft haar atelier op de NEstudio’s. www.marjokeschulten.nl

Uit de bundel ‘De man zonder haast’ nam ik het heerlijke optimistische gedicht ‘Diagnose’.

.

Diagnose

.

de diagnose staat sinds mensenheugenis vast

we gaan eraan

vermoedelijk niet allemaal tegelijk

hoewel dat niet geheel is uit te sluiten

.

nicotine, alcohol, fijnstof en het leven zelf

in al zijn facetten zijn goede hulpmiddelen

om het tijdelijke op te heffen en het eeuwige

gestaag en gedicideerd te laten beginnen

tussen ons en het stervensuur

staat slechts de dokter als een verkeersregelaar

die het sinds jaren defecte stoplicht

tracht de repareren

.

Hans Wap

Maureen Ghazal

Amber Hernandez

Winnaar van de Poëziewedstrijd Jasmijn Lobik

Iris Brunia

Daniël Dee

Uit mijn boekenkast

e.e. cummings

.

In mijn boekenkast staan een paar bundels van de Amerikaanse dichter e.e. cummings (1894 – 1962). Een van de aardigste vind ik de bundel ‘selected poems 1923 – 1958’ een Penguin pocket uit 1963 (uit de serie The Penguin Poets).  In deze bundel is het bijzondere taalgebruik van cummings nog niet zo gestileerd. Dichter, schrijver en kunstschilder cummings, was een van de meest radicaal experimentele en inventieve schrijvers van de 20e eeuw. Zijn stijl wordt gekenmerkt door typografisch non-conformisme, het gebruik van jazzritmes, jargon en andere elementen uit de populaire cultuur. Maar zoals gezegd zijn zijn vroegere gedichten vaak nog niet zo radicaal van vorm.

De gedichten van cummings hadden ook in zijn vroege jaren zelden een titel en worden in de index dan ook gerangschikt op de eerste zin (wat veel lezers dan ook vaak aanzien voor de titel). Omdat ik een groot liefhebber ben van het werk van cummings en omdat ik weet dat hij nog steeds veel fans heeft ook in Nederland hier het gedicht zonder titel met als eerste zin ‘Humanity i love you’.

.

Humanity i love you
because you would rather black the boots of
success than enquire whose soul dangles from his
watch-chain which would be embarrassing for both
.
parties and because you
unflinchingly applaud all
songs containing the words country home and
mother when sung at the old howard
.
Humanity i love you because
when you’re hard up you pawn your
intelligence to buy a drink and when
you’re flush pride keeps
.
you from the pawn shop and
because you are continually committing
nuisances but more
especially in your own house
.
Humanity i love you because you
are perpetually putting the secret of
life in your pants and forgetting
it’s there and sitting down
.
on it
and because you are
forever making poems in the lap
of death Humanity
.
i hate you

,

Ezel!

Dubbelgedicht

.

Vandaag een dubbelgedicht over een dier met een, onterecht, dubieuze naam; de ezel. Het eerste gedicht is van Jacob Israël de Haan (1881 – 1924), een schrijver, dichter, publicist en rechtsgeleerde. Het gedicht ‘Ezeltje’ komt uit de bundel ‘Kwatrijnen’ uit 1994.

Het tweede gedicht is van Lêdo Ivo (1924 – 2012) een Braziliaans dichter, schrijver, essayist en journalist. Zijn gedicht ‘De ezel’ komt uit de bundel ‘Vleermuizen en blauwe krabben’ uit 2000 vertaald door August Willemsen.

.

Ezeltje

.

Ezeltje op uwe sterke hertepootjes,

Wat gaat gij driftig door de smalle straat.

Gij struikelt niet over steenen en gootjes.

Een trouw en sober kameraad.

.

De ezel

.

Boven op de verschroeide oever

graast de ezel. Zijn grote gele tanden

vermalen het droge gras dat over is

van zo veel voorjaar.

De aarde is donker. In de volkomen blauwe hemel

werpt de zon zijn schitteringen en verwarmt

tomaten, artisjokken, aubergines.

De ezel overziet de dag die trilt

van zo veel licht

en balkt, zijn aandeel

in de schoonheid van de wereld.

.

Gedicht in bad

Op zijn Rotterdamst

.

Aanstaande zondag (morgen) is er bij de NE studio’s op het Noordereiland in Rotterdam de aftrap van het project Raamwerk | Dichtwerk. In dit project werken dichters samen met kunstenaars en zijn op de ramen van de studio kunstwerken aangebracht in combinatie met de gedichten van de deelenemende dichters. Een keur aan Rotterdamse dichters doet mee. De aftraap van dit project is, behalve dat alle kunstwerken te bezichtigen zijn, een poëziefestival waar het grootste deel van de deelnemende dichter acte de présence geven.

Het programma kun je hier lezen. Ik zal het programma presenteren. Muziek wordt verzorgd door ‘gezelschap Marjolein Meijers’ (ja die van de Berini’s) en de toegang is gratis. Er is de mogelijkheid om poëziebundels te ruilen of aan te schaffen via de stand van Boekhandel Bosch & de Jong. Wees welkom. Omdat er uitsluitend Rotterdamse dichters op het podium staan wilde ik hier een gedicht plaatsen van de oer Rotterdamste dichter aller Rotteramse dichters Jules Deelder plaatsen.

Het betreft hier het gedicht ‘Gedicht in bad’ uit de bundel ‘Lijf- en andere gedichten’ uit 1991.

.

Gedicht in bad

.

Gezeten in het bad

het zwetend ik ontstegen

.

neemt men soms zich

zelve waar

.

met de ogen van

een vreemde

.

Alomvattend alomtegen-

woordig wezen

.

in zee van

onveranderlijk bewegen

.

De grenzen van het zijnde

verre overschreden

.

De dichter is een koe

Gerrit Achterberg

.

Via via ( ik mag graag browsend van het ene naar het andere artikel of website surfen op Internet, zo kom je de interessantste dingen tegen) kwam ik al lezend uit bij een artikel waarin verwezen werd naar de beginregels van een gedicht. Dit gedicht heb ik op DBNL.org gevonden en blijkt van Gerrit Achterberg (1905-1962) te zijn. De beginregels zijn: Gras… en voorbij het grazen / lig ik bij mijn vier poten / mijn ogen te verbazen. Het zijn de beginregels van het gedicht ‘De dichter is een koe’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Eiland der ziel’ uit 1939.

In een artikel van Hugo Brems uit 1991 over dit gedicht schrijft hij: “Dit beroemde gedicht van Achterberg wordt doorgaans gelezen als de uitwerking van de metafoor die al in de titel wordt uitgedrukt. De dichter, die vooreerst algemeen (‘De dichter’) met een koe wordt geïdentificeerd, verschijnt in het gedicht als ik, als geïndividualiseerde, sprekende koe, die zich bezint over haar eigen gedrag en haar eigen gedachtengang en die bovendien commentaar levert op de houding van anderen tegenover haar (en vice versa): kikkers, kinderen, de boer. Zonder titel lijkt het wel een met verwondering en gevoeligheid geschreven inleving in de koe, een ‘testament to his country roots’ zoals Paul Vincent het formuleerde in een commentaar bij zijn Engelse vertaling van het gedicht. Mét de titel erbij wordt het een nogal doorzichtig gedicht over het dichterschap: de dichter als herkauwer, die put uit het onderbewuste en ten slotte zijn gedichten als voedzame melk aan de lezers meedeelt.”

Ik zet dit laatste stuk er met opzet bij om te laten zien wat een titel met een gedicht kan doen. Zonder titel zou dit gedicht inderdaad een uitwerking van een metafoor zijn, wordt er iets gevraagd van je, als lezer, namelijk de metafoor in te vullen. Met de titel erbij wordt het meteen duidelijk wat de dichter bedoelt. Een titel kan dus een heel mooie toevoeging zijn aan een gedicht maar kan ook soms meteen al teveel weggeven. Het mooiste vind ik, is wanneer een titel een stukje van de puzzel (het gedicht) is, een onderdeel dat je meeneemt in het lezen van het gedicht en dat je nodig hebt om een gedicht te doorgronden. Dichters (ook ik) hebben soms de neiging in de titel een verklaring of uitleg van het gedicht te stoppen. Voor het gedicht en voor de lezer is het beter dit niet te doen.

.

De dichter is een koe

.

Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben – de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

.

Herinner

Christina Rossetti

.

Ik schreef al eerder over de Engelse dichter Christina Rossetti (1830-1894) en haar broer Dante Gabriël Rossetti  en deelde het gedicht ‘Lied’ van Christina Rossetti dat over de dood gaat. Ik moest hieraan denken toen ik in de bundel ‘The Nation’s Favourite Poems of Journeys’ uit 2000 het gedicht ‘Remember las. Hoewel dit de editie is die over reizen gaat (en vrijwel alle door de Engelse bevolking gekozen gedichten gaan over reizen) gaat het gedicht van Rossetti eigenlijk over de dood, in zekere zin ook een reis maar anders ingevuld.

Het gedicht ‘Remember’ schreef Rossetti in 1849 op 19 jarige leeftijd maar werd pas gepubliceerd in 1862 in haar debuutbundel ‘Goblin Market and Other Poems’. Kort samengevat vraagt de dichter de geadresseerde van het gedicht zich haar te herinneren nadat ze is overleden. (De geadresseerde is vermoedelijk haar minnaar, aangezien ze samen een ‘toekomst’ hadden ‘gepland’.) Maar wat het gedicht een wending geeft, is de afsluitende gedachte dat het voor haar geliefde beter zou zijn haar te vergeten en gelukkig te zijn, dan om haar te herinneren als dat verdrietig maakt. Het is dit tweede deel van het van het gedicht dat ervoor zorgt dat het niet verwordt tot een sentimeneel gedicht. In dat opzicht is ‘Remember’ vergelijkbaar met Rossetti’s eerdere gedicht ‘Song’ (‘When I am dead, my dearest’), ook geschreven toen ze nog een tiener was. Ook in dat gedicht smeekt Rossetti iemand om geen droevig lied te zingen voor haar als ze sterft, en zegt dat het niet uitmaakt of haar minnaar haar herinnert of vergeet.

.

Remember

.

Remember me when I am gone away,
         Gone far away into the silent land;
         When you can no more hold me by the hand,
Nor I half turn to go yet turning stay.
Remember me when no more day by day
         You tell me of our future that you plann’d:
         Only remember me; you understand
It will be late to counsel then or pray.
Yet if you should forget me for a while
         And afterwards remember, do not grieve:
         For if the darkness and corruption leave
         A vestige of the thoughts that once I had,
Better by far you should forget and smile
         Than that you should remember and be sad.
.

Dadaïst

Jan Cremer

.

Schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer (1940) worden vele functies toebedacht op de website van de RKD (Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie) maar de functie van dichter staat er niet bij. Nou is Jan Cremer bekend van veel dingen maar niet (of nauwelijks van zijn poëzie). En toch zou je kunnen stellen dat alles met poëzie is begonnen. In 1956, op 16 jarige leeftijd schreef hij bijvoorbeeld al gedichten die zijn opgenomen in de bundel ‘Verloren gedichten’ uit 2004. Dat dit bundeltje met gedichten uit de periode 1956 tot 1992 redelijk obscuur is blijkt ook uit het feit dat bij de Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren dit bundeltje nergens te vinden is bij de informatie over Cremer.

Jan Cremer debuteerde met vier hoofdletterloze gedichten in 1956 in het literair tijdschrift KLAT dat werd uitgegeven in Deventer. Een openingsbod op een veiling van dit tijdschrift in 2013 was al € 450,- maar dit had waarschijnlijk meer te maken met de naam Jan Cremer dan met de inhoud of het poëtisch gehalte van de gedichten.

Uit dit bijzondere bundeltje wil ik graag het gedicht ‘Dadaïst’ uit 1956 delen (in 1957 schreef hij een ‘vervolggedicht’ met de titel ‘Dadaïst II) waarin al veel van de latere bravoure van Cremer in doorschemert.

.

Dadaïst

.

Zijn haren geklonken uit prikkeldraad

verbrande voeten liepen op as

in rokerige nevel ving hij de mensen

en vormde ze in hun slaap tot

DADA DADA DADA

.

In de ban van zijn grijze ogen

verloor de kermende maagd haar eer

rollende hete keien zochten houvast

maar kreunend sprak hij zacht

DADA DADA DA…

.

Hij zocht zijn mes uit hondevel

en sneed zijn oren af en hoezee

uit duistere grotten klonk het hoorngeschal

in pijn schreef hij zijn naam met bloed

DADA DA…

.

Nog stikkend in zijn laatste kus

verstootte hij de vrouw die met

holle lach en verschroeide haren

over gloeiende aarde kroop en riep

DADA…

.

Burleske humor en nuchterheid

L. Th. Lehmann

.
Louis Theodurus Lehmann (of zoals hij bekend was L.Th. Lehmann) was een Rotterdamse dichter en scheepsarcheoloog. Een verrassende combinatie. Zeker in de wetenschap dat Lehmann een originele dichter was met een heel eigen stem die veel verscheidenheid in zijn werk toont, met burleske humor en een door ironie doorkruiste romantiek. Lehmann (1920-2012) debuteerde in 1939 in de almanak ‘In Aanbouw’.
.
In de tweede wereldoorlog werkte hij onder meer mee aan het surrealistische en dadaïstische tijdschrift ‘De Schone Zakdoek’ (dat van 1941 tot 1944 gemaakt werd en in een oplage van 1 exemplaar werd gepubliceerd, in totaal verschenen er 23 nummers). Sommige van de bijdragen in ‘De Schone Zakdoek’ zijn later beroemd geworden zoals bijvoorbeeld de gorgelverzen ( Ik ben de blauwbilgorgel..) van Cees Buddingh.
.
 In 1964 won Lehmann de Jan Campert-prijs voor ‘Who’s who in Whatland’ uit 1963. In zijn latere poëzie geeft hij blijk van meer nuchterheid. Zoals bijvoorbeeld in de bijdragen aan ‘Hollands Maandblad’. In 2011 werden een aantal gedichten van Lehmann opgenomen in nummer 760 waaronder het volgende gedicht zonder titel.
.
Niemand van het nageslacht
Of zomaar iemand
Zal ooit weten dat ik op de avond
Van 19 januari 1970
Op de vraag bij het rijexamen:
Wat is het de bestuurder van een
Motorvoertuig
In een tunnel verboden mee te voeren?
Antwoordde: een koe,
En dat de vrager en ondervraagde
Toen homerisch lachten.
.
Of nu misschien wel
.
.

Raar is leuk

Harrie Jekkers en Koos Meinderts

.

Op de website Nederlands34 van de studenten aan de lerarenopleiding in Aalst, las ik een zeer leuk stuk over het gebruik van teksten en gedichten in de klas. In de post uit 2018 schrijft ene Lauriens over het gebruik van de tekst van het liedje ‘Raar is leuk’ van Harrie Jekkers en Koos Meinderts (Klein orkest) . Nu heb ik al heel lang een zwak voor het werk van beide heren (zo schreef ik al eens over de bundel van Meinderts ‘Het regent zonlicht’ en het nummer ‘Ik hou van mij’  van Jekkers) dus toen ik dit artikel las wist ik dat ik hier iets over wilde schrijven.

In de blogpost gaat Lauriens in op de tegengestelden of antoniemen in de tekst van ‘Raar is leuk’ en op de woordenschat (iets waarover zowel Meinderts als Jekkers in grote mate beschikken). Ook schrijft Lauriens dat raar zijn best wel leuk is, iets dat ik zeker ook onderschrijf. Daarom, en omdat het gewoon een heel leuk nummer is hier de tekst. Het gedicht werd genomen uit de poëziebundel ‘Er staat een taart in lichterlaaie!’ voor kinderen van 10-12 jaar uit 2008

.

Raar is leuk 

.

Vuur is koud en kledder nat
De zee is lekker droog
De ballon die stijgt omlaag
En de baksteen valt omhoog
De lucht is lekker groen
En het gras toevallig blauw
De kat die blaft de hele dag
En de hond die zegt: miauw

.

Raar is leuk, gewoon dat is zo saai
Keer het om, geef de boel een draai
Raar is leuk, gewoon dat is zo saai
Aap niet na, je bent geen papegaai

.

De zon is lekker vierkant
De ruit toevallig rond
Met koorts dan ben je beter
En ziek zijn is gezond
Links is lekker rechts
En hier toevallig daar
Ik word morgen tachtig
En mijn oma zeven jaar

.

Raar is leuk, gewoon dat is zo saai
Keer het om, geef de boel een draai
Raar is leuk, gewoon dat is zo saai
Aap niet na, je bent geen papegaai

.

Wie steelt, krijgt een beloning
Wie weggeeft is een dief
Voor braaf zijn krijg je strafwerk
En klieren dat is lief
Achmed komt uit Holland
En Johan is een turk
Mijn moeder is een kerel
En mijn vader draagt een jurk

.

Raar is leuk, gewoon dat is zo saai
Keer het om, geef de boel een draai
Raar is leuk, gewoon dat is zo saai
Aap niet na, je bent geen papegaai
Je bent geen papegaai

.