Site-archief
Liefde in tijd van brand
Mark Boog
.
Bij uitgeverij Cossee verscheen in 2019 de bundel ‘ Liefde in tijden van brand’ van Mark Boog (1970). Mark Boog is dichter en romanschrijver. In 2001 verscheen van zijn hand ‘Alsof er iets gebeurt’ waar hij de C. Buddingh’-prijs voor ontving. In 2002 werd zijn bundel ‘Zo helder zagen we het zelden’ genomineerd voor de J.C. Bloemprijs en voor de bundel ‘De encyclopedie van de grote woorden’ ontving hij de VSB Poëzieprijs in 2005.
’Liefde in tijden van brand’ is een bundel met liefdesgedichten. Op de achterflap van de bundel staat: “Het is een kunst om liefdesgedichten te schrijvende daarbij clichés te mijden als de duivel wijwater”. Als een liefhebber en beoefenaar van dit genre kan ik dit helemaal beamen.
Mark Boog geeft als geen ander het genre een nieuw aangezicht. De titelloze gedichten zijn verrassend en soms moet je ze een paar keer lezen voor je de essentie leest, voor je het hoe en het waarom van het liefdesgedicht tot je kan nemen.
Een bepaald gedicht had meteen mijn aandacht door de eerste zin van het gedicht dat mij meteen deed denken aan mijn laatste e-bundel XX-XY https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/10/15/gratis-poezie/
.
x = ik, y= jij, het is waar
want het staat er, er staan
waarheidstekens in, die
staan er niet zomaar.
Wij berekenen ons. Rond
beklagenswaardig variabel ons
zwermt de waarheid, talrijk, één,
exact. O, assenstelsel! O,
ons naar ondenkbare limieten
onophoudelijk neigen,
ons zijn, ons willen zijn.
.
Zo kan het niet langer
Paul Bogaert
.
De Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) debuteerde in 1996 met de bundel ‘WELKOM HYGIENE’ waarmee hij in 1997 de Prijs voor Letterkunde Poëzie van de provincie Vlaams-Brabant won. Hierna publiceerde hij nog 5 bundels waarvan ‘Ons verlangen’ in 2013 de Herman de Coninckprijs won. Zijn laatste bundel komt uit 2018 en is getiteld ‘Zo kan het niet langer’.
Op zijn website http://www.paulbogaert.be is veel van zijn vroege poëzie te lezen en zijn een aantal poëziefilmpjes te bekijken. Bogaert is de voorman van wat weleens de ‘post-postmoderne’ generatie Vlaamse poëten genoemd wordt, die in de tweede helft van de jaren negentig opkwam.
In die poëzie wordt de mens neergezet als een lijdend voorwerp, een speelbal van de vertogen die hem sturen: dat van de marketing, dat van het bedrijfsbeheer en het timemanagement, dat van het consumentisme.
Uit zijn laatste bundel ‘Zo kan het niet langer’ het titelgedicht (deel 3) een mooi voorbeeld van zo’n post-postmoderngedicht.
.
Zo kan het niet langer
,
Sluit af met
ik meen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Ga langs de achterdeur. Die valt
vanzelf in het slot.
.
Ga dan toch lekker
een bosbad nemen of met iemand
uit de wabi-sabi-lobby lekker vrijen in de zon
of een lekker gedicht daarover schrijven
in een witte foert. met binnen handbereik
een multipack vederlichte
woehahaha’s.
.
Morgen dus.
Hoe moeilijk kan dat zijn.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
.
It’s my birthday!
Na het feest
.
Op de dag dag ik verjaar wilde ik graag een feestelijk gedicht plaatsen. In mijn zoektocht (geloof me, het is niet zo eenvoudig een feestgedicht te vinden, gedichten over zware onderwerpen zat maar feestelijke gedichten..) naar een passend gedicht kwam ik ‘Na het feest’ tegen. Een gedicht van Pierre Kemp over het gevoel na het feest, wanneer het feest nog nazingt en iedereen nog in een goede stemming is.
Dat gevoel komt dichtbij het gevoel van het feest zelf en is misschien, in sommige opzichten, nog wel fijner dan het feestgevoel zelf. Het gedicht ‘Na het feest’ komt uit ‘Een bloemlezing uit zijn kleine liederen’ uit 1953.
.
Na het feest
.
De kleinste mensen gaan tussen de grote
met het speelgoed van hun ogen.
Er slapen ook zulke vette bloemen in de sloten
en de takken waren zo blauw toen de maan
aan de andere kant van dat huis ging staan.
In héél dit zacht delirium
van nacht en fruit en bloem
klinkt dof een weggedragen trom.
.
De waterput
Ferreira Gullar
.
De, in 1930 geboren en in 2016 overleden, José Ribamar Ferreira behoort tot de meest gerenommeerde hedendaagse dichters in Brazilië. Hij werkte als dichter en essayist mee aan verscheidene kranten en tijdschriften onder het pseudoniem Ferreira Gullar. Vanaf 1971 leefde hij in ballingschap in Peru en Argentinië tot hij in 1978 terugkeerde naar Brazilië.
Gullar debuteerde in 1950 met de bundel ‘A Luta Corporal’ waarna nog vele bundels volgden. In de bundel ‘Poëzie is een gebaar’, Vijfentwintig-en-een gedichten uit Latijns Amerika, zijn een aantal gedichten van zijn hand in vertaling en in het Portugees opgenomen.
August Willemsen (1936) vertaalde voor deze bundel een aantal gedichten waaronder het gedicht ‘O poço dos medeiros’ of in vertaling ‘De waterput’.
.
De waterput
.
Ik wil geen poëzie, de perfectie
van het gedicht: ik wil
de ochtend terug die vuilnis werd
.
Ik wil de stem
de jouwe en de mijne
open in de lucht als fruit in huis
buitenshuis
de stem
die doodgewone dingen zegt
die kankert en lacht
in de duizelende dag:
geen poëzie
poeëm of gaaf betoog
waarin de dood niet schreeuwt
,
De leugen
voedt mij niet:
mij voeden
de wateren
hoe smerig ook
hoe stilstaand hoe verstikkend
van de oude put
die nu gedempt is
waar wij vroeger lachten.
.
Poëzie hardop
Hans & Monique Hagen
.
Vorig jaar bracht het schrijvende en dichtende echtpaar Hans (1955) en Monique Hagen (1956) de leuke bundel ‘Poëzie hardop uit bij uitgeverij Querido. In deze bundel staan 35 columns met 95 gedichten van 65 dichters. Het leuke aan deze bundel is dat volwassenen en kinderen samen poëzie kunnen ontdekken.
Hun poëziecolumns verschenen eerder in het Parool en wat mij altijd weer opvalt is met hoeveel enthousiasme en humor Hans en Monique hun boeken en bundels schrijven. Je voelt bij het lezen dat ook zij er veel plezier in hebben en compassie voelen bij, in dit geval, in het bij elkaar zoeken van gedichten, dichters en het verhaal dat erbij wordt verteld.
Een mooi voorbeeld vind ik het verhaal, of de column, over een gedicht van Leo Vroman getiteld ‘Al het nodige’. Leo Vroman was een vluchteling in de Tweede Wereldoorlog, hij kwam terecht in een Jappenkamp maar overleefde de oorlog. Hij werd uiteindelijk 98 jaar oud en in het gedicht ‘Al het nodige’ verteld hij zijn vrouw Tineke dat ze niet bang hoeft te zijn als hij er niet meer is.
.
Al het nodige
,
Zie je langs een lege straat
een beweging in het gras
waar geen uitleg voor bestaat
neem dan aan dat ik het was:
.
hoor je midden in de nacht
iets wapperen dat niet wapperen kan,
schrik eerst en vertel mij dan
wat ik zo tot wapperen bracht:
.
mijn hese woorden in de wind,
mijn handen op je lieve hoofd
dat in wonderen gelooft,
geloof maar wat je nodig vindt.
.
Van Dante tot Neruda
Steinn Steinarr
.
In de bundel ‘Van Dante tot Neruda’ 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, staat een gedicht van de IJslandse dichter Steinn Steinarr. Nu lijkt het me een hele opgave om de 123 gedichten in deze bundel uit het hoofd te leren maar er staan vele prachtige gedichten in van evenzoveel prachtige dichters. De dichter Steinarr (1908 – 1958) kende ik niet.
Steinn Steinarr wordt soms beschouwd als de eerste belangrijke IJslandse modernistische dichter , maar hij had ook een goede beheersing van de traditionele IJslandse poëzie. Zijn poëzie is verrassend goed verouderd. In feite is het tegenwoordig op veel manieren actueler dan het was toen het werd geschreven. Een reden kan zijn dat zijn favoriete thema, de strijd van de eeuwige eenling / buitenstaander tegen de diepgewortelde tirannie van corrupte macht, nu minstens zo waar klinkt als in de jaren dertig en veertig. Een andere reden kan zijn dat de werken van Steinnarr een spin-off zijn van een van ’s werelds grote literaire tradities: de poëzie van de middeleeuwse IJslandse ‘skalds’ (wat ‘dichter’ betekent, is over het algemeen een term die wordt gebruikt voor dichters die in de Vikingtijd en in de middeleeuwen aan het hof van Scandinavische leiders hebben gecomponeerd), beroemd om hun complexe en raadselachtige stijl, hoewel Steinnarr ook een van de eerste IJslandse dichters was die wegging van de dominantie van strikte meter en alliteratie. (Bron: Wikipedia).
Het gedicht dat in ‘Van Dante tot Neruda’ is opgenomen is getiteld ‘Kind’ en komt oorspronkelijk uit ‘Letters’ uit 1995 en is vertaald door Claude Van De Berge.
.
Kind
.
Ik was een klein kind
en speelde bij het strand.
Twee zwartgeklede mannen
gingen voorbij
en groetten mij:
goedendag, klein kind,
goedendag.
.
Ik was een klein kind
en speelde bij het strand.
Twee bleekharige meisjes
gingen voorbij
en fluisterden:
ga met ons mee, jongeman,
ga met ons mee.
.
Ik was een klein kind
en speelde bij het strand.
Twee lachende kinderen
gingen voorbij
en riepen:
goedenavond, oude man,
goedenavond.
.

Schilderij Hallgrímur Helgason
Bodemloos blauw
Mark Meekers
.
De dichter Mark Meekers is samen met Hugo Claus de meest bekroonde Vlaamse dichter. Naast dichter is Meekers beeldend kunstenaar onder zijn ware naam Mark Rademakers.
Mark Meekers (1939) was stichter van de dichtersgroepen ‘Mengmetaal’ en ‘Concept’. Hij was dorpsdichter van het spookdorp Doel waarover ik op 3 maart 2019 al schreef https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/03/03/doel/ en hij was poëzie-ambassadeur van Vlaams-Brabant.
In 2016 verscheen de bundel ‘Bodemloos blauw’ van zijn hand bij uitgeverij P in Leuven. ‘Bodemloos blauw’ is een hulde aan de dromerige surrealistische kunstenaar Marc Chagall (1887 – 1985). Meekers gedichten werpen een unieke blik op Chagalls bestaan en kunst.
Uit deze bundel koos ik het gedicht dat hoort bij het gelijknamige schilderij ‘Paris by light’ Uit 1927.
.
Paris by light
.
even nog slapen onder een hamer, dan
als een kogel uit de Russische roulette
het paradijs uitgelucht, waar de kippen
eieren in dopjes moeten leggen, de blinde
.
vlek het hele oog overspoelt, loensen (zelfs
links) verboden is. Parijs – “sacré coeur!” –
heeft een groot hitsig hart en licht voor
allen. In elke Parisienne giechelt een meisje
.
van plezier. french cancan + champagne-
ringen over ritsige roden. de valiezen
uitgepakt in de passage de Dantzig nummer
twee, waar het gonst van de steekbeitels,
.
penselen elkander in de haren vliegen.
hier draait dame fortuin het reuzenrad,
tracht hij ogen in beslag te nemen, als ziener
kijkers medeplichtig te maken aan het mooie.
.
Van adelijke komaf
Dubbel-gedicht Prins-Prinses
.
Gedichten over lieden van adel zijn er genoeg (vooral over Prinsesjes valt me op). Daarom vandaag een Dubbel-gedicht over lieden van adelijke komaf; de prins en de prinses. Te beginnen met de prinses. In de bundel ‘Goejanverwellesluis’ uit 1971 van Willem Wilmink staat het gedicht ‘Voor de verre prinses’. Uit de bundel ‘Naar de aarde’ van Charles Ducal uit 1998 heb ik als tegenhanger van de prinses het gedicht ‘Prins’ gekozen. Het aardige aan deze twee gedichten is dat de prinses een meisje is van vlees en bloed, bereikbaar en gewoon. Terwijl de prins in het tweede gedicht een echte prins is, waarbij ik Prins Harry van Engeland maar niet uit mijn gedachten krijg wanneer ik het gedicht lees.
.
Voor de verre prinses
.
En voordat ik ging slapen was er op de radio
een stemmige muziek
een beetje weemoed voor de vaak
een beetje heimwee in de maak
een beetje treurigheid en zo.
.
Toen is Mevrouw Herinnering met mij op stap gegaan
helemaal naar jou
en ik dacht wat was het fijn
en ik dacht waar zou ze zijn
een heelal of twee hiervandaan.
.
Een speelse jonge hond was jij, een mooie gekke meid
we waren nog zo jong,
we dachten er niet aan
met elkaar naar bed te gaan
en dat spijt me nog altijd.
.
Opeens toen was het uit en ben ik bijna doodgegaan
dat vat je zeker wel?
Nu ik die late platen hoor
komt het verleden zuiver door
en ben ik met mijn lot begaan.
.
Ach wat was dat een voorjaar wat heb ik van je gehouwen
het lijkt weer zo dichtbij
en daar doen we het maar mee
want nu volgt het ANP
en het Wilhelmus van Nassouwe.
.
Prins
.
Je prikte je aan mijn pen en sliep in,
en droomde verbitterd de honderd jaren
tussen de werkelijkheid en de prins.
Ik trachtte een gat te maken,
.
maar de haag bleek onmenselijk dik,
een schuld die groeide en groeide
omdat ze geschreven stond op mijn gezicht.
Wat ik had weg te snoeien was ik,
.
dit koude, dienstdoende masker
dat liefde bewijst, zonder rust,
dit dode hart, bang van je lippen,
dat nooit is wakker gekust.
.
Poëzieweek 2020
Jules Deelder
.
Nu de Poëzieweek nadert (van 31 januari tot en met 5 februari) zal ik een aantal gedichten plaatsen die in mijn visie eer doen aan het thema van deze week namelijk ‘De toekomst is nu’. Afgelopen weken heb ik mijn bundels van Jules Deelder weer eens ter hand genomen om begrijpelijke redenen, en zo ook de bundel ‘Renaissance’ Gedichten ’44 – ’94. In deze bundel van bijna 600 pagina’s zijn alle bundels gedichten opgenomen die van Jules Deelder tot en met 1994 verschenen. Daarnaast zijn opgenomen de cyclus ‘Renaissance’ en enkele gedichten uit ‘Jazz’.
Het gedicht dat ik koos bij het thema van de Poëzieweek is het gedicht ‘Swami Bami’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Dag en nacht geopend’ uit 1970. Het aardige aan het thema van deze Poëzieweek is dat gedichten die religie als onderwerp hebben, hier wonderwel bij passen. En dat geldt dus ook voor dit gedicht.
.
Swami Bami
.












