Site-archief
Dichter uit Letland
Angsten
.
Afgelopen week was ik, samen met een groep bibliotheekdirecteuren, een paar dagen in Riga (Letland) op studiereis. Daar hebben we de Nationale Bibliotheek en verschillende openbare bibliotheken bezocht. Bij het bezoek aan elke bibliotheek viel op hoe ambivalent men staat tegenover de grote buur Rusland en de Russische literatuur. Men ziet heel duidelijk het gevaar van de agressor maar men heeft tegelijkertijd te maken met een land waar 40% van de inwoners van Russische afkomst zijn. Russische boeken worden niet meer aangeschaft (valt onder de sanctiewetgeving) uit Rusland maar wanneer een boek in Letland of een andere Baltische staat is gepubliceerd in het Russisch dan zijn er uitzonderingen mogelijk. Uiteindelijk heeft de van oorsprong Russische bevolking zich in de afgelopen decennia gemengd met de Letse bevolking.
Wat mij ook opviel, en dat heb ik al eerder ook in Oost-Europese landen geconstateerd, is hoe men daar met schrijvers en dichters omgaat, het belang dat men hecht aan literatuur en de plaats die, in dit geval dan even, dichters innemen. In twee van de openbare bibliotheken waren plekken ingericht rondom een plaatselijke maar bekende Letse dichter. Zo waren we in Ulbroka en daar had men een hele ruimte ingericht met foto’s, afbeeldingen, boeken, gedichten en informatie over de dichter Pēters Brūveris (1957-2011) die in Riga werd geboren en overleed in Ventspils.
Pēters Brūveris (ze hebben in Letland de wonderlijke gewoonte om achter elke naam een S te plaatsen) was dichter en vertaler. Hij schreef onder eigen naam maar ook onder de pseudoniemen Anna N. en Aldaris Stabis. Brūveris debuteerde in 1977 als kinderboekenschrijver. Zijn eerste dichtbundel kwam uit in 1987 en was getiteld ‘Melnais strazds, sarkanie ķirši’ (De zwarte merel, de rode kersen).
Hij schreef in totaal tien dichtbundels, evenals kinderboeken en liedteksten. Sinds 1988 was Pēters Brūveris lid van de Letse Schrijversbond en werkte hij enkele jaren als redacteur bij diverse culturele tijdschriften. Naast zijn eigen werk vertaalde hij poëzie in het Lets, voornamelijk, maar niet uitsluitend, uit verschillende delen van de voormalige Sovjet-Unie . Hij beheerste een groot aantal talen, waaronder Russisch, Turks, Litouws, Azerbeidzjaans, Krim-Tataars, Mordovisch, Gagaoezisch, Duits en Pruisisch. Brūveris ontving voor zijn literaire werk verschillende prijzen waaronder in 2004 de Baltische Assembleeprijs voor literatuur voor zijn dichtbundel ‘Het landschap van de taal’.
Natuurlijk heb ik een gedicht van Brūveris gezocht en gevonden. Een gedicht dat nog steeds heel actueel is getiteld ‘Angsten’ in een vertaling van Julius Keleras.
.
Angsten
.
De een vreest God, de ander de keizer.
Bloed vreest het lichaam te verlaten.
Boeken vrezen vuur, manuscripten vrezen de censoren.
Naties vrezen het recht op zelfbeschikking niet.
Is de kapitalist banger voor de communist dan
de communist voor de kapitalist? Ik weet het niet.
De dronkaard is niet bang voor wodka. Er was een tijd dat wodka
niet bang was voor de dronkaard. Nu is het ondergronds gedreven.
De kleinere kameel vreest de grotere.
De grotere baas vreest de kleinere.
In de gevangenis der naties in moeder Rusland
is vader tsaar bang voor eten.
Paddenstoelen zijn niet bang voor regen.
Goden zijn niet bang voor mensen.
De lijken van tirannen zijn niet bang voor de wederopstanding.
Letten zijn dit jaar niet bang voor een armzalige cultuur.
Taal vreest taalvermenging.
Er zijn Joden die niet bang zijn om naar Israël te verhuizen.
Litouwers hoeven niet bang te zijn voor Letten.
En Letten niet voor Litouwers. Chauvinisten vrezen de vriendschap tussen naties.
.
Rode zone
Irina Tsylik
.
Browsend (één van mijn favoriete woorden in de Engelse taal) door de collectie Internet, stuitte ik op een artikel in de Trouw van september 2025 met de veelbelovende titel ‘Gedicht van de week’ waarin elke week een dichter of poëzieliefhebber een gedicht bespreekt dat hen raakt. In dit geval was dat de Vlaamse dichter en schrijver Maud Vanhauwaert (1984) die een gedicht van de Oekraïense dichter Irina Tsylik (1982) besprak.
Iryna Tsilyk is behalve dichter en schrijfster vooral ook filmmaker, lid van de European Film Academy en Ukrainian PEN International . Ze won de Directing Award: World Cinema Documentary voor de film ‘The Earth Is Blue as an Orange’ op het Sundance Film Festival in de Verenigde Staten in 2020. Naast poëzie schrijft ze ook proza en kinderboeken en haar werk is vertaald in het Engels, Duits, Frans, Pools, Litouws, Tsjechisch, Roemeens, Catalaans, Zweeds, Grieks, Italiaans en Deens. In het artikel van Maud is te lezen dat haar man als soldaat aan het front dient en dat geeft het gedicht een extra emotionele lading.
Het gedicht, dat in Trouw in het Engels is afgedrukt (in vertaling door een Russische vertaler) heb ik verder door vertaald naar het Nederlands en is is getiteld ‘Rode zone’.
.
Rode zone
.
Op weg naar de ‘rode zone’ van de oorlog,
telkens als ik mezelf betrap op extreme zorgvuldigheid
bij de voorbereiding van mijn lichaam:
Ik scheer alles zorgvuldig,
ik besteed veel tijd aan mijn manicure,
ik kies mooi ondergoed uit.
Zo bereid je je voor op een speciale intieme date.
“Je weet maar nooit wie je zal uitkleden.
Misschien wel vanavond,” –
zei mijn oma altijd,
als ze iets bijzonders in gedachten had.
Ik heb ook iets bijzonders in gedachten.
Ik kan het ook niet laten om te denken aan een mogelijke date
met die minnares
met koude ogen, natte vingers
en haar dat ruikt naar zwarte weidebloemen.
“Kom op, niet vandaag,” zeg ik. “Alsjeblieft, niet vandaag.”
Ze lacht lang in stilte,
en er verschijnt iets roods tussen haar tanden.
Maar vandaag kleed ik me zelf uit in mijn eentje.
.
Vonkt
Stoel
.
Marije Langelaar (1978) is beeldend kunstenaar, dichter en schrijver en woont afwisselend in Arnhem en Russeignies in België. Op 15 november schreef ik over de Kunst- en poëzieroute in Arnhem, waar zij maar liefst vier gedichten voor aandroeg.
Ze debuteerde als dichter in 2003 met de bundel ‘De rivier als vlakte’. Hierna volgde in 2009 de bundel ‘De schuur in’. Hiervoor ontving Langelaar de tweejaarlijkse Hugues C. Pernath-prijs, terwijl deze bundel ook werd genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs en de J.C. Bloemprijs.
Haar derde bundel ‘Vonkt’ verscheen in 2017, werd bekroond met de Jan Campert-prijs en de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Haar werk is vertaald in het Engels, Turks, Litouws, Spaans, Italiaans, Frans en Russisch.
Op de website van Poetry International staat te lezen over haar poëzie: Met deze lichamelijke, ‘natuurlijke’ poëzie hoort Langelaar bij een hedendaagse Nederlandse stroming die de Vijftigerspoëzie van Lucebert nieuw leven inblaast. Een goed voorbeeld van haar ‘natuurlijke’ poëzie is het gedicht ‘Stoel’ uit haar bundel ‘Vonkt’.
.
Stoel
.
Ik stond naast een tafel en het verontrustte mij dat ik zo
alleen was en opeens hoorde ik het kloppen erg
zachtjes weliswaar maar iets maakte zich kenbaar.
Het was zo subtiel dat ik moest knielen, zo vond ik de
stoel en ik raakte het hout zoals je een tong raakt, ik
legde mijn vinger in een nerf, het begon onmiddellijk te
schemeren en dieren stonden om ons heen.
Inmiddels was ik al niet veel groter dan een speldenpunt
en innerlijk dronken de stoel zond mij zijn gedachten, vrij
technisch maar gevolgd door het ruisen van bomen
voor even, een seconde of drie werd ik stoel. Het was zalig, zalig
dat hout in mijn wervels! De klop in mijn been, een bestaan
zonder bloed of gedachten. En stil te staan eeuwig. En
opgetild. En altijd die functie en een
innerlijk waaien van de bomen afkomstig.
.






