Categorie archief: Dichtbundels

Achterover opgroeien

Maartje Smits

.

Hoewel dichter Maartje Smits (1986) zichzelf op haar website http://www.maartjesmits.nl omschrijft als een schrijvend detective is zij voor mij toch echt een dichter. In 2009 is Maartje afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, bij de afdeling Beeld & Taal. In 2011 voltooide ze haar Master in Design aan het Sandberg Instituut. Naast dat ze columns voor De Groene Amsterdammer schrijft geeft ze les aan de Gerrit Rietveld Academie en op ArtEZ (Arnhem). Haar achtergrond op de Rietveld Academie (Beeld & Taal), komt vooral naar voren in de vele gedichten die ze van clips heeft voorzien en die je kunt vinden als je op haar naam googeld en zoekt op video’s.

In 2012 stond ze al eens, onder andere samen met de toen nog volledig onbekende Marieke Rijneveld, op het podium van Ongehoord!  In 2016 was ze één van de Poëziebusdichters. Na haar debuutbundel ‘Als je een meisje bent’ in 2015 volgde in 2017 de poëziebundel ‘Hoe ik een bos begon in mijn badkamer’. Uit haar debuutbundel ‘Als je een meisje bent’ het gedicht ‘Achterover groeien’.

.

achterover opgroeien

.

het begint met onderwaterlikken
koprollen de tong naar buiten
elkaar proberen te raken
achterover opgroeien maar desgevraagd
het gevolg ervan binnenstebuiten
keren
borsten wegbidden
een jaar lang vergeving vragen
uitdijen tot stilstand verzuipen
het zwembad heet nu spleasure centrum
de abdicatie van je vrouwelijkheid
de haak
de badmeester
de buurjongen
vergeten
vergeten

.

Zweef

F. Starik

.

Afgelopen vrijdag overleed de dichter F. Starik (1958), het zal veel van jullie niet zijn ontgaan. Frank von der Möhlen zoals zijn echte naam luidde was behalve dichter ook prozaïst, fotograaf, zanger, performer en beeldend kunstenaar. F. Starik studeerde dan ook fotografie en mixed media aan de Rietveldacademie. Gedurende zijn publicerende leven kwam zijn veelzijdigheid regelmatig naar voren. Zo publiceerde hij een gedichtenbundel ‘De grote vakantie’ uit 2004 met een CD en een andere bundel met een tentoonstelling. In oktober 2012 schreef ik al over een ander project van Starik, de ‘drijvende-gedichten-kamer’ van de Amerikaanse kunstenaar Aiah Armajani, op een eiland in de Noordbuurt in Amsterdam, waar Starik een gedicht voor schreef dat te lezen is bovenop het hekwerk rondom het eiland.

Waar F. Starik natuurlijk ook zeer bekend mee geworden is, is de Poule des Doods, een dichterscollectief (dat hij oprichtte) dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Het initiatief van de Poule des Doods kent ondertussen beginnende navolging in Rotterdam, Den Haag en Antwerpen.

Van 2010 tot 2011 was Starik stadsdichter van Amsterdam. Ter afsluiting van zijn stadsdichterschap verscheen een driedubbeldikke editie van de Amsterdamse daklozenkrant Z!, waarvan in twee weken 20.000 exemplaren werden verkocht.

Starik debuteerde in 1974 met de bundel ‘Mot, of de neerslag van twijfel’ dat hij in eigen beheer uitgaf. Daarna volgde nog vele bundels. De laatste was de bundel ‘Staat’ waaruit het volgende gedicht.

.

Zweef

.

Als kind kon ik ’s nachts het raam uit vliegen
ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht
als een meeuw op de wind, het was niet moeilijk en niet zwaar
ik spreidde simpelweg mijn armen en zweven maar.

Freud zegt hierover: een gesublimeerd verlangen naar macht
ach, wist ik veel, ik was een kind, ik was veertien jaar.

Nu hoor ik vaak een bel gaan in mijn hoofd
soms de zoemer van de buitendeur, soms
het schorre belletje van boven
sinds ik geen wekker meer bezit
rinkel ik mezelf wakker in de nacht
of zegt iemand keihard hallo in mijn oor
het klinkt zeer levensecht maar
nooit staat er iemand naast mijn bed.

Ik ben het zelf die de bel produceert
die de wekker wekt
zichzelf telefoneert
ik ben het zelf die hallo zegt

vliegen doe ik allang niet meer.

.

Krijgsgewoel

Armando

.

In 1986 publiceerde Armando de bundel ‘Krijgsgewoel’ zijn derde Berlijnse bundel, en misschien wel zijn mooiste. De observaties, beschouwingen en gesprekken zijn het resultaat van Armando’s bijna kinderlijke nieuwsgierigheid naar de bronnen en de sporen van het Duitse oorlogsgeweld. Hij staat stil bij medeplichtige gewassen en schuldige plekken, resten van het geweld. Anonieme getuigen en daders van het krijgsgevoel laat hij aan het woord in aangrijpende, onbecommentarieerde flarden. Is dit poëzie of is het proza?  Het onderstaande stuk, gedicht of tekst uit deze bundel vind ik poëtisch en is in mijn ogen een gedicht.

.

Langzamerhand ben ik gaan begrijpen

dat je niet moet schrijven of schilderen

wat je weet. Je zou datgene moeten

schrijven of schilderen wat zich tussen

het weten en begrijpen verbergt.

Een kleine aanduiding, een wenk is

mogelijk, een vermoeden, meer niet, en

dat is al heel wat.

.

Doe wat je ’t liefste doet

Het beste van poëzie in het park

.

Poëzie laat zich zeer goed genieten in de buitenlucht. In een tuin of een park, op een landgoed of in het bos, de omgeving draagt dan bij aan de beleving. Van april 2008 tot en met april 2009 was Amsterdam Wereldboekenstad. Binnen die context werden stadsdeelparken omgetoverd tot bloemrijke poëzieparken. Bewoners uit de verschillende stadsdelen leverden eigen dichtregels aan als inspiratiebron voor dichters, het publiek werd aan het schrijven gezet en er werden workshops georganiseerd voor bewoners in de parken. Ook werd er een interactieve poëzietentoonstelling in het Vondelpark georganiseerd.

Initiatief en organisatie waren in handen van Xsaga, en vele organisaties werkten mee aan dit jaarproject waaronder de Openbare Bibliotheek, de School der Poëzie, Kunstenaars & Co en vele culturele instellingen in de stadsdelen.

Mick Witteveen, Jacques Brooijmans en Jos van Hest stelden een bundel samen met de gedichten en foto’s van dit bijzondere project die werd gepubliceerd in 2009. Mustafa Stitou, destijds stadsdichter van Amsterdam, verzorgde het voorwoord.

Uit de vele gedichten van rijpe en groene dichters koos ik uiteindelijk een gedicht van de Westlandse Amsterdammer of Amsterdamse Westlander Jos Zuijderwijk, die op 3 januari 2015 onverwacht kwam te overlijden, getiteld ‘Houdt nooit op’. De inspiratiebron voor dit gedicht, zo lees ik in de bundel, was een dichtregel van Sonja Machielsen ‘Zie de twinkeling van je ogen weerspiegelen in het wateroppervlak’.

.

Houdt nooit op

.

Denkend aan molens bij sloten
waarop recht toe recht aan
tussen twee punten in lage landen
gevaarten steeds heen en weer gaan
soms om op zandbanken te stranden
verbreed ik mijn perspectief
om uit de hoogst wondere
wereld van waterwerken
teer gevoelig te verbijzonderen

Tot de vorst onder de Molen van Sloten
de Ringvaart doet kraken en snerpen
de witte wieken onder zuchtjes draaien
wij op glad ijs al van puur geluk kraaien
samen één te worden bij dat ene open wak

Schat dit houdt nooit op ik heb je lief
en zie de twinkeling van je ogen
weerspiegelen in het wateroppervlak
verwaten in tranen die nooit drogen
en wacht als steeds trots en onverdroten

.

Programma

Bastiaan van Heijningen

.

De tot voor kort mij volledig onbekende dichter Bastiaan van Heijningen (soms ook geschreven als Heyningen en nee, geen familie) werd in 1865 geboren in Dubbeldam. Op 8 jarige leeftijd verhuisde hij met zus en ouders naar Rotterdam. Rond zijn 20ste studeert hij aan de Poly-technische school te Delft. In Rotterdam treft hem een zware verkoudheid en hij keert terug naar zijn (inmiddels in Amsterdam wonende) ouders. Hij lijdt aan hevige pijn in zijn zij en heeft een hardnekkige hoest. Gevaarlijk lijkt dit aanvankelijk niet, maar na een bloedspuwing  – hij is dan eenentwintig jaar oud- ziet de situatie er nogal hopeloos uit. De ene bloedspuwing volgt op de andere.

Ondanks of misschien dankzij zijn ziekte kan Bastiaan toegeven aan zijn literaire aspiraties. Hij maakt studie van het Italiaans en van de Engelse letteren, vertaalt en schrijft poëzie. In deze laatste jaren van zijn leven ziet hij zijn gedichten en vertalingen in tijdschriften gepubliceerdMede hierdoor maakt hij zich literaire vrienden. Nadat zijn zus sterft in augustus van dat jaar (1889) aan de vliegende tering moet hij opnieuw hevig bloed opspugen. Dit ziekbed komt hij niet meer te boven en op de avond nadat zijn eerste gedichten gebundeld zijn in de bundel ‘Gedichten’ sterft ook hij op 24 jarige leeftijd.

Hoewel zijn werk verschillend beoordeeld wordt is er zeker waardering onder critici. Meer dan een euw na zijn dood wordt er van hem een gedicht opgenomen in de bundel ‘Dichten over dichten’ uit 1994 getiteld ‘Programma’.

.

Programma

.

‘k Beschrijf u niet den boedel der natuur;

Ik tel u niet, mocht ik van rozen spreken,

De blaadjes vóor; gewaag ik van een muur,

Wacht niet, dat ik u het stenental bereken.

.

‘k Tracht den graceur niet naar de kroon te steken;

En haar gelijm, gelik, gepoets, geschuur;

Maar ‘k troost mij lichtlijk over die gebreken.

Ik heb wat gal, wat hoogheid en wat vuur.

.

Mijn zang is vol vertwijfeling en toren,

Er in gestort uit overvloeiend hart,

Vrij schuw dit boekje, wie niets hards kon hooren.

.

O, kon ik zuivrer, liefelijker zingen!

Maar uit den gorgel, dichtgeschroefd door smart,

Zijn eenmaal weeker klanken niet te wringen.

.

Met dank aan Paulien van den Andel, 2010  http://bastiaanvanheijningen.webklik.nl

 

Het einde van de roltrap

Jonge dichter: Hester van Beers

.

In 2017 werd ze tweede in de Meander Dichtersprijs, haar gedichten zijn gepubliceerd in onder andere Meander Magazine, Tijdschrift Ei en Extaze. Hester van Beers (1995) is een talentvolle jonge dichter en van haar hand verscheen in 2017 de bundel ‘Het einde van de roltrap’. Uit deze bundel het titelgedicht

.

Het eind van de roltrap

.

Ik was altijd bang dat ik zou worden verslonden
door het einde van de roltrap. Ik klemde me vast
aan de hand die uit de hemel leek te hangen,
maar later gewoon van mijn vader bleek te zijn.

Mijn ogen telden alle bomen
achter het autoraam. Ik wist niet
dat er meer bomen zijn dan mijn wereld
ooit kan bevatten. Ik wist niet dat de bomen
nog sneller groeiden dan ik.

Ik was altijd bang dat ik groter zou worden
dan het klaslokaal.
Soms wou ik dat de roltrap me verslonden had.

.

Foto: de Meus

Ik ben de vurige

De liefste, onsterfelijke liefdesverzen

.

Gustavo Adolfo Domínguez Bastida (1836 – 1870), kortweg Gustavo Bécquer, was een Spaanse toneelschrijver en dichter. Hij wordt tot de bekendste schrijvers van de Spaanse romantiek gerekend.

Zijn bekendste werken zijn de Rimas (‘Rijmen’) en de Leyendas (‘Legendes’), die tegenwoordig doorgaans samen als de  ‘Rimas y leyendas’ worden uitgegeven. Deze gedichten en verhalen vormen een onlosmakelijk onderdeel van de Spaanse literatuur en behoren tot de verplichte stof van middelbare scholieren in de Spaanstalige wereld.

In de bundel ‘De liefste, Onsterfelijke liefdesgedichten’ staat het gedicht ‘Ik ben de vurige’ van zijn hand.

.

Ik ben de vurige

,

‘Ik ben de vurige, de donkere vrouw,

ik ben het zinnebeeld van elk verlangen;

door liefdeshunker is mijn ziel bevangen.

Ben jij op zoek naar mij?’ – ‘Neen, niet naar jou.’

.

‘Mijn hoofd is bleek; mijn vlechten zijn van goud;

ik heb jou eindeloos geluk bereid;

ik draag in mij een schat aan tederheid.

Roep jij misschien naar mij?’- ‘Neen, niet naar jou.’

.

‘Ik, ik ben een onmogelijke droom,

een hersenschim van nevel en van licht;

ik heb geen lichaam, ik heb geen gezicht;

ik kan je niet beminnen.’  – ‘Kom, o kom!’

.

Het laatste gesprek

Armando

.

Vandaag van de dichter van de maand maart het bijzondere gedicht ‘Het laatste gesprek’ uit de bundel ‘Dagboek van een dader’ uit 1973, een bundel met korte dagboeknotities van iemand die het tegendeel van slachtoffer wil zijn .

.

Het laatste gesprek

.

‘Heer, herken ik u? Zijn wij niet dezelfde van weleer?’
‘Wie riep mij dan? Zijn uw wapens niet de mijne?’
‘Ik wacht op woorden, Heer.’
‘Ik was Dader, u het Offer. De medemens is leeg.’
Sterven Daders niet.’
‘Neen. Zij kunnen niet. Zij verwoorden.’
‘Heeft u ginds gesproken, Heer?’
‘De dagen zijn beschreven.’
‘Heeft de Tijd nog kwaad gewild?’
‘Ja, het slagveld is begroeid.’
‘Geen spoor van oorlog meer?’
‘Geen. Maar ik doorzie de stilte. Oog en oor vergaan.’
‘Nadert weer de Dood, o heer?’
‘Neen. Hij was er al.

.

Het kleine meisje

Nâzım Hikmet

.

In de vuistdikke bundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries staat een enorme schat aan gedichten van vrijwel elke Europese dichter die er toe doet. Vele bekende dichters en een groot aantal ( voor mij) onbekende dichters.

Zo ook de dichter  Nâzım Hikmet Ran (1901 – 1963).  Hikmet was een Turks dichter, toneelschrijver, romanschrijver, regisseur en memoires schrijver. Hij stond vooral bekend om zijn vloeiende lyrische manier van schrijven. Hij werd ook gezien als een romantische communist en romantische revolutionair. Hij werd regelmatig gearresteerd om zijn politieke ideeën en hij zat daardoor een groot deel van zijn volwassen leven in de gevangenis of buiten Turkije als politiek vluchteling. Zijn gedichten werden  in meer dan 50 talen vertaald.

In 1981 verscheen het Masereelfonds in Gent de bundel ‘Turkse gedichten’. Daar komt ook de vertaling vandaan van het gedicht ‘Het kleine meisje’ door Joris Iven en Perihan Eydemir.

.

Het kleine meisje

.

Bij zovelen klopte ik aan,

wie weet, ook bij jou misschien.

Maar doden zijn onzichtbaar,

ik kan me niet laten zien.

.

Het is nu tien jaar geleden

dat ik in Hiroshima stierf.

Ik ben een meisje van zeven,

dode kinderen groeien niet.

.

Eerst vatte mijn haar vuur,

dan verbrandde mijn ogen.

Ik werd een handvol as,

mijn bloed is vervlogen.

.

Ik vraag van jullie niets,

je hoeft niet te boeten.

Een kind dat verbrandde

kan niet eens meer snoepen.

.

Ik klop weer bij jullie aan:

geef me toch je woord van eer.

Laat de kinderen snoepen.

en doodt hen nooit meer, nooit meer.

.

Ik heb Goddank twee goede longen

Gerrit Komrij

.

Schreef ik afgelopen zaterdag nog over Bilderdijks’ hekel aan sigaretten en tabak, vandaag een tegengeluid van Gerrit Komrij. Lezend in zijn bundel ‘Ik heb Goddank twee goede longen’ (fijne titel ook, uit 1978, 2e druk) kwam ik het gedicht ‘Hoog op de gele wagen’ tegen. Dit is het eerste gedicht uit ‘Het derde stuk’ met de titel ‘Natuur ligt in dromen verzonken’.  De bundel bestaat uit 6 stukken (of hoofdstukken zo je wil). De titel van het gedicht ontgaat me eerlijk gezegd (tenzij het geel een verwijzing is naar de zwaveldamp om je hoofd) maar dat maakt het gedicht er niet minder fraai op.

Niet alleen als tegenhanger van Bilderdijks’ ‘T nicotiaanse kruid’ maar ook als stille klacht tegen alles en iedereen die zo nodig heel gezond doet of vindt dat ie gezond moet doen.

.

Hoog op de gele wagen

.

Je hebt Goddank twee goede longen, want als je

Rookt dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart

Daarbij, want dans je voor je bed een walsje

Dan voel je je dolgesprongen, niet benard.

.

Je hebt immers een zéér fijne neus voor vuile

Lucht, en slinks bespoten snijboontjes en sla.

Om het tarweloze kadetje kan je huilen,

En je grijpt zesmaal ‘daags naar de tandpasta.

.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd,

Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde,

En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp

Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

.