Categorie archief: Favoriete dichters
Ik was de linde toegedaan
B. Zwaal
.
Ben Zwaal (1944) is een Nederlandstalig dichter en theatermaker en -regisseur uit Vlaardingen. Hij was acteur/regisseur/artistieke leider bij Bewegingstheater BEWTH. Dit gezelschap trad in en bij architectonische bijzondere gebouwen in binnen- en buitenland op. Hij debuteerde in 1984 met de dichtbundel ‘Fiere miniature’ waarna nog elf bundels volgden. In 2017 won hij de Leo Herberghs Poëzieprijs.
Zwaal schreef meerdere korte gedichten, waarin geen woord te veel staat, volgens sommigen zelfs eerder wat woorden te weinig. Met slechts enkele woorden en een eigen stijl weet Zwaal veel beelden op te roepen. Een thema dat vaak terugkeert in de poëzie van Zwaal is het water. In het volgende gedicht met de bekende eerste regel gaat het echter over bomen al komt ook hier de rivier langs. Uit ‘een drifter’ uit 2004.
.
Ik was de linde toegedaan maar eerde ook de beuk
en in min was ik met de eiken en ’t overspel
bracht mij naar de wilgen waar ik mij beknotte
toen zij hun kronen streken
maar in nam mij
de waardin
die achter ’t knotveer dranken dreef
zo gul van slok en in haar schenken onbedaarlijk
klonk zij als golfslag van een kribbende rivier
en ’t sloeg het bijlen van de bomen
.
De armen
Gonçalo M. Tavares
.
Gonçalo Tavares (1970) is een Portugees schrijver. Hij doceert tevens wetenschapsfilosofie aan de universiteit van Lissabon.
Gonçalo Tavares debuteerde in 2001. Sindsdien werd hij veelvuldig bekroond. In 2005 kreeg Tavares de José Saramagoprijs voor jonge schrijvers voor zijn roman ‘Jeruzalem’. Nobelprijswinnaar José Saramago sprak zich toen erg lovend uit over het boek. In 2010 kaapte de roman ‘Aprender a Reza na Era de Téchnica’ de prestigieuze Franse prijs weg voor Beste buitenlandse boek. De romans van Tavares zijn in 32 landen vertaald.
Naast romans schrijft Tavares ook poëzie. In 2002 verscheen ‘Hotel Parnassus, 117 gedichten uit 20 talen’ tijdens Poetry International. In deze bundel zijn drie gedichten van Tavares opgenomen in vertaling van August Willemsen.
.
De armen
.
Hoe te leven? Dat is de enige serieuze vraag.
Een oude man met een gebroken rechterarm
bladert door de krant met zijn linkerhand.
Ik denk: dat zou een stuk makkelijker zijn.
Het lichaam dat voor ons beslist.
Ik kijk naar mezelf: twee hele armen.
Wat te doen?
.
Bestaansrecht
Marieke Lucas Rijneveld
.
Volgend jaar januari mag ik in Maassluis, in Theater Koningshof, een avond presenteren waar een plaatselijke dichter en muzikant hun werk komen presenteren maar waar ook Marieke Lucas Rijneveld (1991) komt voordragen. Toen de theaterdirecteur mij vroeg of ik nog een klinkende naam op poëziegebied wist heb ik meteen Marieke Lucas voorgesteld.
Al eerder schreef ik op dit blog over mijn waardering voor het werk en voor de manier van presenteren en voordragen van Marieke Lucas. Haar debuutbundel ‘Kalfsvlies’ uit 2015 heeft inmiddels vele herdrukken gekend. Uit deze bundel het gedicht ‘Bestaansrecht’.
.
Bestaansrecht
.
Ze zeggen dat alles uit zaad bestaat en de wereld één grote moestuin is
dat niet altijd alles met elkaar te maken heeft maar we graag bruggen bouwen.
Als ik bedenk dat moeders ooit ook dochters waren die iemand nodig hadden
.
om de overkant te bereiken werd ik bang voor de mijne omdat ik haar alleen ken
van de jaren waarin ik zelf nog wist wie ik was en welke rol ik moest spelen, kinderen
zijn van oorsprong wetenschappers. Alleen op mijn verjaardag nam ze mij op schoot
.
vertelde dat er een plantje in haar was geplant, dat vader de walnotenboom omhakte
om een stoel bij te maken. Soms droomde ik dat de aarde in water veranderde
mijn moeder eindelijk eens gewoon thee ging zetten, de bank bewonen en dat
.
we het dan zouden hebben over bruggen die altijd tussen twee kanten in hingen
geen begin of einde hadden maar één ding was zeker: ze hadden een reden
om te blijven. Met een bolle buik van het potaarde eten, zei ze onder kaarsjes
.
uitblazen dat ik nooit zomaar van iemands draagkracht mocht uitgaan, dat zaad bij de kieming altijd een moeder nodig had, daarna snel groot worden zodat vader
niet alle bomen hoefde te kappen.
.
Der Hirt auf dem Felsen
Herman de Coninck
.
Vandaag op de zondag van Herman de Coninck een gedicht uit zijn bundel ‘Enkelvoud’ uit 1991. Het gedicht met de intrigerende titel ‘Der Hirt auf dem Felsen’ .
.
Der Hirt auf dem Felsen
.
Een klarinet is genaakt van o’s.
Die worden door twee kleppen dichtgehouden.
Dood laat er twee tegelijk open.
.
Uit de riolering van de dood komt dit lied.
Uit open deksels van de hel.
Tot helemaal boven stijgt verdriet.
.
Ik kan handen over mijn oren doen
maar dan blijf ik zien.
Ik kan ze voor mijn ogen slaan
maar dan blijf ik horen.
Notenbalken van wanhoop tot sopraan.
.
Zoals Alfred Brendel na twintig jaar Schubert
naar zijn vingers kijkt. Zij
hebben het bestaan.
.
Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
Armando
.
Soms kom ik associatief ertoe om dichters te gaan lezen of herlezen. Zo hoorde ik gisteren iets over Parlando (een voordrachtstechniek) op de radio en dat deed me denken aan Armando.
Armando (1929) is een zeer all round artiest en kunstenaar; beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker. Armando is zijn officiële naam; zijn geboortenaam, het pseudoniem zoals hij het noemt, bestaat voor hem niet meer. Hij heeft zijn oorspronkelijke naam in het register van de burgerlijke stand laten vervangen door Armando, een Italiaanse versie van de naam Herman, die hij te danken heeft aan zijn Italiaanse grootmoeder. Betekenissen als ‘zich wapenend’, zoals de literaire analisten in zijn naam zien, zijn dus toevallig. Armando ontving vele (ook literaire) prijzen. Zelf ziet hij zijn werk als ‘Gesamtkunstwerk’, waarvoor zijn ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van Kamp Amersfoort de basis vormen.
Veel van zijn gedichten spelen zich af of verwijzen naar de oorlog, zo ook het gedicht ‘Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.
.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
u overschat mij
ik ben radeloos ik was een ander
geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand
.
Flirten
Rita Dove
.
Rita Frances Dove (1952) is een Amerikaanse dichter en essayist. Van 1993 tot 1995 was ze Poet Laureaat Consultant in Poetry aan de Library of Congress. Zij is de eerste Afro-Amerikaanse die aangesteld is sinds deze positie werd gecreëerd door ‘act of Congress’ in 1986 door de vorige ‘consultant in poetry’-positie . Dove kreeg ook de functie van ‘speciale consultant in poëzie’ voor het bicentenniale jaar van de Library of Congress van 1999 tot 2000. Dove is de tweede Afrikaanse Amerikaanse die de Pulitzer-prijs voor poëzie mocht ontvangen, in 1987, en ze was dichter laureaat van Virginia van 2004 tot 2006.
Uit haar bundel ‘Museum’ uit 1983 het gedicht ‘Flirtation’.
.
Flirtation
.
Vicky Francken
Ik ben een bijl
.
In 2009 stelde Erik Jan Harmens de verzamelbundel ‘Ik ben een bijl’ samen met als ondertitel ‘Nieuwe dichters uit de jaren nul’. In deze bundel staat onder andere een gedicht van Vicky Francken.
Vicky Francken (1989) ontving voor haar tijdschriftdebuut de Hollands Maandblad Schrijversbeurs voor Poëzie en publiceerde daarna onder meer in Tirade en Revisor. Ze studeerde vertaalwetenschap en werkt als literair vertaler uit het Frans en Engels. Ze debuteerde in 2017 met de bundel ‘Röntgenfotomodel’ die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs: ‘Francken is een dichter die het experiment niet schuwt. Muzikaal, lichtvoetig en speels.’ aldus het juryrapport. Uit ‘Ik ben een bijl’ het titelloze gedicht van haar hand.
.
Sommigen staan in de deurpost met een schaar
in nde palm van hun hand als een slaapppil
op weg naar hun mond om te zorgen
voor kunstmatig rustige lakens en wij
waren steeds mismaakte vaandels,
niet bedoeld om naar te zwaaien.
.
Tegen de scherven van licht
waren we weinig, niet meer
aanwezig dan ijzer soms
in de grond.
.
We bekleedden rustig de stoelen
waarop we zaten en vouwden onze vingers
als de punt van enveloppen naar binnen.
Zochten een weg geleid door gebaren
van blinden.
.
Foto: Nadine Ancher
La Belle Dame sans Merci
John Keats
.
In 1819 schreef de Engelse dichter John Keats de ballade ‘La Belle Dame sans Merci’. Hij gebruikte de titel van een veel oudere ballade uit ongeveer 1424 van de Franse dichter Alain Chartier getiteld ‘La Belle Dame sans Mercy’. Hoewel de titels dus vrijwel hetzelfde zijn is de inhoud van de beide gedichten volledig verschillend.
Het gedicht wordt beschouwd als een Engelse klassieker, stereotiep voor andere werken van Keats (1795 – 1821). Het vermijdt de eenvoud van de interpretatie ondanks de eenvoud van de structuur. Hoewel eenvoudig van structuur (slechts twaalf korte stanzas, van slechts vier regels elk, met een simpel ABCB rijmschema) , zit het gedicht toch vol raadsels en is het onderwerp van talrijke interpretaties geweest.
Keats maakt gebruik van een stanza van drie jambische tetrameters met de vierde dimetrische lijnen, waardoor de stanza een zelfstandige eenheid lijkt en waardoor de ballad een doelbewuste en langzame beweging heeft die aangenaam is om naar te luisteren. Keats maakt gebruik van een aantal van de stijlkenmerken van de ballad, zoals de eenvoud van de taal, herhaling en afwezigheid van details. Keats’s ‘zuinige’ manier om een verhaal te vertellen in “La Belle Dame sans Merci” is het tegenovergestelde van zijn overdreven manier waarop hij bijvoorbeeld in ‘The Eve of St. Agnes’ schrijft. Een deel van de fascinatie die door het gedicht wordt uitgeoefend komt voort uit het gebruik van het understatement door Keats.
.
La Belle Dame sans Merci
.
O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.
O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.
I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.
I met a lady in the meads,
Full beautiful, a fairy’s child;
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.
I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan
I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.
She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.
She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild, wild eyes
With kisses four.
And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.
I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Hath thee in thrall!’
I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.
And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.
.
John William Waterhouse (1893)
Jawoord
Herman de Coninck
.
Op deze zondag in september opnieuw een gedicht van Herman de Coninck. Uit de bundel ‘De gedichten’ uit 2014 (in mijn geval), een liefdesgedicht. Soms denken mensen dat liefdesgedichten heel hoogdravend (moeten) zijn, met vuur en vlam, boordevol emoties. Terwijl de mooiste liefdespoëzie volgens mij altijd klein en subtiel is. Zoals het volgende gedicht van Herman de Coninck, zonder titel uit het onderdeel ‘Verspreide gedichten’.
.
Zoals het strand en de zee:
jij gaat nooit weg. En ik
kom altijd terug. Het is bijna zo goed
.
als blijven. Voor een jawoord
is het te laat.
Maar je zegt niet nee.
.















