Categorie archief: Favoriete dichters

Terras

Litouwse dichter

.

Terras is een hedendaags tijdschrift voor internationale literatuur met een eigen stijl en een goed oog voor nieuwe ontwikkelingen. In Terras vind je bekende en onbekende literatuur van hoge kwaliteit. Terras houdt de lezer scherp en betrokken. Zo presenteert het literair tijdschrift Terras (dat opereert in het voetspoor van het roemruchte tijdschrift Raster) zich.

Terras wordt gemaakt door dichters, schrijvers en vertalers met een internationaal netwerk. Als platform voor vertaalde literatuur werkt Terras samen met getalenteerde vertalers die het een kans biedt en kritisch begeleidt. Terras legt de nadruk op literatuur die nog niet ontdekt is maar wel de moeite van het ontdekken waard. Het tijdschrift opereert hierin als pionier.

Die laatste dingen die het tijdschrift over zichzelf zegt kans bieden, niet ontdekte literatuur, als pionier opereren) dat gaat zeker op voor de poëzie die men plaatst. Zoals in het laatste nummer met als thema ‘The Baltic Way’ waarin schrijvers en dichters uit de Baltische staten zijn opgenomen (Estland, Letland en Litouwen).  Ik ben dit jaar in Estland en Letland geweest (en een paar jaar geleden in Litouwen) en het literaire landschap is daar breed. In de eigen taal maar ook zeker nog in het Russisch daar in alle drie de landen nog grote groepen etnische Russen wonen.

Uit het laatste nummer (#27) koos ik een gedicht van Giedré Kazlauskaité in een vertaling van Anita van der Molen. Giedrė Kazlauskaitė (1980) studeerde Litouwse literatuur aan de Universiteit van Vilnius en publiceerde vijf dichtbundels, waarmee ze de Jonge Jotvingian Prijs, de Jurga Ivanauskaitė Prijs, de Schrijversbond Prijs en de Prijs voor het Creatiefste Boek van het Jaar won. Ze is redacteur van het wekelijkse culturele tijdschrift Šiaurės atėnai (Athene van het noorden) en tevens een van de weinige LGBTQ-dichters in Litouwen.

.

Pioenroosextract

.

je borsten zijn net vossensnuitjes,

nieuwsgierig opduikend uit hun hol,

waar de kat ze kan verschalken.

.

De stad, die alles gadeslaat

en met afvalsporen is bezaaid,

luistert met gespitste oren.

.

Ik pak je beet bij je bloem.

Haar extract kan angst verzachten.

.

Wij samen met een legioen narcissen.

Roze flamingos’s op jouw slippers.

.

Er zijn schelpen die niet meer ruisen-

kapotgeslagen, losgescheurd.

.

We haken met onze nagels in elkaars kern,

bevreesd om bolsterloos verder te keven.

.

Jij bent geniaal en ik ben geniaal – zong Zemfira

voor mij en voor jou.

.

Als de almacht van de fantasie niet zou bestaan

waren we niets meer dan miljarden gebroken cimbalen

.

In de Melkweg.

.

Onderkoorts

Een recensie

.

De Vlaamse dichter Kris De Lameillieure (1962) publiceerde bij uitgeverij P zijn debuutbundel ‘Onderkoorts’. De bundel, zoals altijd bij P netjes uitgegeven, werd ‘geboren’ onder docentschap van een andere Vlaamse dichter Jana Arns, geen onbekende voor wie dit blog al wat langer leest. Voor dit debuut werden al verschillende van zijn gedichten  gepubliceerd in onder andere Het Gezeefde Gedicht, Het Liegend Konijn en De Schaal van Digther. Andere werden in wedstrijden genomineerd (Rob de Vos-prijs 2023, Boontje 2024) of bekroond als winnend gedicht (Sint-Gillis-Waas 2023, Ronse en Sint-Truiden 2024).

Dan de bundel. In 34 gedichten (volwassen verzen zo vermeld de binnenflap) geeft De Lameillieure in 4 hoofdstukken een inkijk in zijn dichterschap. Elk hoofdstuk wordt vooraf gegaan door een gedicht van Miriam Van hee (opnieuw een Vlaamse dichter) uit een van haar bundels.

Een eerste conclusie is dan ook snel getrokken; De Lameillieure omringt zich met niet de minste, en dat legt de lat al gelijk hoog. De opbouw van zijn gedichten is veelal dezelfde: strofen van twee regels en af en toe drie regels of een losse tussenregel. Maar wat verder meteen opvalt is hoe secuur De Lameillieure is in zijn beschrijvingen. Secuur en poëtisch. Het eerste hoofdstuk behandelt het afscheid en de dood. Op een liefdevolle manier, zonder sentiment.

De woorden die De Lameillieure gebruikt zijn zorgvuldig gekozen, dat is steeds het gevoel dat ik krijg wanneer ik de gedichten lees. Woorden met betekenis. Ik noteerde: gebreken, sterven, geslagen, onbewogen, wankel, verwart, voorbijschuift, vervreemd, scheuren in de plooien, de grond is ijl, kleuren verweerd, verwelken, verzinken, vermoeid en gerimpelde kilte. Hier wordt een palet geschilderd door de dichter dat aan de ene kant niets verbergt maar dat onder de oppervlakte de lezer meeneemt in de emoties die de afstand en het afscheid kleur geven.

De combinatie van onalledaagse verbindingen van woorden en hun betekenissen is een terugkerende factor in de poëzie van De Lameillieure. Een voorbeeld is het gedicht ‘Schaduwboksen’

.

Schaduwboksen

.

Herfst hangt uitgeteld in bomen en over muren

kruipt klimop verder dan voorheen terug.

.

Onze woorden met meeldauw bedekt, het blad

kleurloos en verkreukt, rijp voor het containerpark.

.

Wat rest aan oogst is doorgeschoten, het hart

verbloeid, nog goed voor zaad en overwintering.

.

Iemand in de spiegel houdt schijn  op, werkt zich in

nepzweet. Een stoot in het ijle, geen weerstand meer.

.

Bij twee gedichten op de site van Meander zegt De Lameillieure: “Mijn bedoeling en hoop was (en is) telkens dat het gedicht het persoonlijke overstijgt en de lezer even kan laten stilstaan. Poëzie is daarbij voor mij niet ‘levensnoodzakelijk’ maar een heel fijn ‘geschenk’. Ze mag mij tot verwondering leiden, tot verbazing en stilte, tot dankbaarheid en dikwijls tot diepe troost. Ik reken ze – in mijn gezonde egoïsme – tot een grote kostbaarheid.”

Uit deze uitspraak en uit de gedichten in de bundel blijkt voor mij dat De Lameillieure zijn  lezers en vooral ook zichzelf serieus neemt. In gedichten die qua poëtische elementen misschien hier en daar iets te wensen (of mogelijk te vragen) overlaat, ze zijn vrij in vorm maar vooral in expressie, wordt je als lezer steeds opnieuw uitgedaagd een gedicht te herlezen. Wat er staat bij een eerste lezing is niet noodzakelijk wat er een tweede of derde keer staat. De gelaagdheid en het spel met de taal maken de gedichten in deze bundel volwassen poëzie.

Op het eerste hoofdstuk na lijken de inleidende gedichten van Miriam Van hee in de volgende hoofdstukken wat willekeurig gekozen. Ik weet dat uitgeverijen en dichters graag thematische delen van een dichtbundel willen benoemen, ook als deze er op het eerste gezicht niet zijn. Ik vind dat geen probleem ware het niet dat ik dan toch naar de verbindende factoren op zoek ga. Als die er niet steeds blijken te zijn kan dat een teleurstellende conclusie opleveren. In ‘Onderkoorts’ is dat geenzins het geval. De gedichten zijn als unieke gedichten heel leesbaar en te genieten, ook zonder een leidraad of thema.

De Lameillieure levert met dit debuut een volwassen poëziebundel af, een bundel waarin veel te genieten valt voor de ware poëzieliefhebber. En voor mij geeft dit maar eens weer dat uitgeverij P een goede neus heeft voor dichters van deze tijd. Dichters die poëzie afleveren die een kop en een staart hebben, die niet gedreven worden door allerlei moderne ideeën over poëzie (prozagedichten, vormvereisten) maar gedichten afleveren waarbij je wat langer op kan kauwen en waar bij herlezing steeds nieuwe inzichten verschijnen.

Als voorbeeld het gedicht ‘Gouden uur’ dat is opgenomen in het hoofdstuk dat voorafgegaan wordt door het gedicht ‘Vakantie’ van Van hee.

.

Gouden uur

.

Voor elkaar zijn we klinisch, halen alles uit de kast.

We vegen het huis met een schop, knopen misverstanden

met sisaltouw tot bundels. Het snijdt de bloedtoevoer af

in ons bestand. De spankracht breekt.

.

In de kamer waait stof op bij elke zucht, blijft kleven

op het netvlies. we zeggen dat het wind is, wrijven de ogen

dieper in het rood, krassen op de lens. Kinderen zijn veilig

achter ons de kreukelzones.

.

Op mijn ribben draag ik je naam in blackwork. De inkt

puur en onverdund, de tekening in wervelingen.

Nog elke dag kruis ik jou, plooi mijn vingers in een kom

met barsten, was mij in zwerfkleuren.

.

Het kind en de boodschappentas

Henk Puister

.

Literaire en/of poëzietijdschriften zijn een mooie bron van informatie als je wil weten hoe het er met het literaire- of poëzielandschap voorstaat in Nederland en Vlaanderen. Ik schreef hier al eens een uitgebreid stuk over op dit blog en in een ander stuk ging ik in op een scriptie over de functie van het literaire tijdschrift in de literaire wereld. Voor wie geïnteresseerd is in poëzie zeker de moeite waard.

Net als het regelmatig inzien van literaire en of poëziemagazines. En dat heb ik de afgelopen week weer eens gedaan. Mijn bevindingen zijn dubbel. Ja er worden door verschillende poëziemagazines en -kranten prachtige gedichten geplaatst. En daar staat naast dat ik in een aantal gevallen vooral proza lees waar men het verkoopt als poëzie. Noem me een ouwe lul maar een gedicht is voor mij de verdichting van taal, het terug brengen van een verhaal naar de poëtische essentie. In de ‘gedichten’ die ik las was dat verdichtende element volledig verdwenen. Ellenlange teksten werden mij daar verkocht voor poëzie terwijl ik alleen maar kon denken:  Welk stuk van welke roman zit ik hier te lezen?

Gelukkig zijn er ook nog wel degelijk magazines en tijdschriften die een duidelijk onderscheid maken. En één van de leukste (de leukste is uiteraard MUGzine) is het kleine tijdschrift Weirdo’s  uit Vlaanderen. Weirdo’s bestaat sinds 1986 en de geschiedenis van dit eigenzinnige blad kun je hier lezen. Zoals de auteur van het stuk het schrijft: “Het tijdschrift heeft géén veranderingen teweeg gebracht in onze literatuur. Het heeft slechts enkele rimpelingen op de vijver van de Vlaamse literaire wereld veroorzaakt en kreeg hier en daar zelfs enkele voetnoten op Wikipedia of enkele eindverhandelingen.” Een fraai resultaat me dunkt en voor de liefhebbers (en die zijn er genoeg) elke keer weer een plezier om te lezen.

Ik las de laatste editie (nummer 151) en daarin staat een gedicht van Henk Puister (1953). Hij schrijft verhalen, gedichten en liedteksten in het Gronings en in het Nederlands. Hij is medewerker van de literaire tijdschriften ‘Krödde’, ‘Toal en Taiken’ en ‘Noachs Kat’. Zijn gedicht in Weirdo’s ‘Het kind en de boodschappentas’ is een fijne aanklacht tegen social media.

.

Het kind en de boodschappentas

.

Het kind stuit op een boodschappentas

uitpuilend in de verse sneeuw.

Onwetend van de witte neerslag

tracht ze de uitgegleden hoogbejaarde heer

uit al haar fragiele macht overeind te helpen.

Een lachende man maakt een filmpje.

Filmpjes zijn belangrijk voor sociale media

en voor het nageslacht.

.

Van op afstand

Marc Tritsmans

.

Vrijdag dus tijd voor een keuze uit mijn boekenkast (de keuze is reuze). Ik pakte met mijn ogen dicht de bundel ‘Oog van de tijd’ uit 1997 van de Vlaamse dichter Marc Tritsmans (1959) uit mijn boekenkast. Opnieuw opende ik zonder te kijken de bundel en daar stond het gedicht ‘Van op afstand’. De bundel opent overigens met een opdracht aan Herman de Coninck (1944-1997) ‘voor de jarenlange, warme aandacht’ en citeert daaronder de befaamde rouwregels van W. H. Auden, eindigend met ‘for nothing now can ever come to any good’ uit het gedicht ‘Funeral blues’.

.

Van op afstand

.

In het duister achter in de tuin

amper dertig meter van hen vandaan.

De gordijnen nog open, alle lichten

aan. Alsof zonet iets levends werd

.

gevangen onder het dekglas van een

microscoop: zo argeloos laat kroost

zich van op afstand door onzichtbare

vader bekijken. Zolang als ik kan

.

ben ik er niet. Maar ooit zal ik me

heel precies herinneren hoe makkelijk

het was om zomaar op hen toe te gaan,

te lachen, te praten, hen aan te raken.

.

 

 

Dankgebed voor zwaartekracht

Andy Fierens

.

Het is bijna Sinterklaas (okay, de goede man is al in Nederland) en ik was op zoek naar een gedicht over Sinterklaas. Dus geen Sinterklaasgedicht, die schrijf ik nog genoeg de komende weken. In de debuutbundel ‘Grote smerige vlinder’ van de Vlaamse dichter Andy Fierens (1976) uit 2009 kwam ik het gedicht ‘Dankgebed voor zwaartekracht’ tegen. Niet direct het gedicht dat ik zocht (Sint wordt terloops genoemd) maar leuk genoeg om een blogbericht aan te wijden.

.

dankgebed voor zwaartekracht

.

met je kop tussen de spijlen van de trap

smeekte je om een laatste kans

‘liefde’ hamerde je, ‘respect! rede!’

.

ik hoestte dingen op

die interessant zijn

en vroeg de sint maar één ding:

geen licht aan het eind van je zielige tunnel

.

bloedvin, klonter, tanend blok

aan been van dit en ieder ander ras

.

of ik je mooi vond? ja, in een boerka

.

tapdans nu op je hart

als een hardnekkige hijger

.

lief harig arisch ding

saai tot aan het einde

van een ander z’n latijn

.

je laatste zin was zoals je eerste

hij eindigde op een komma

.

ik gooide je uit het raam

zei een dankgebed voor zwaartekracht

.

Claus all over

Anneke Claus

.

Bovenop een stapel dichtbundels ligt al een tijdje de bundel ‘Ik schrijf je neer’ de mooiste gedichten van Hugo Claus’ uit 2002. En op mijn salontafel ligt de roman ‘Het aanbidden van Louis Claus’ van Helena Hoogenkamp die ik aan het lezen ben (tussen de bedrijven door). En om het Claus trio vol te maken stuitte ik in de bundel ‘Dichters uit de bundel’ De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten uit 2016, op nog een andere Claus, namelijk Anneke Claus.

Anneke Claus (1979) behaalde een Master European Literatures and Interculturality, debuteerde als dichter met de bundel ‘Dat was dat’ in 2008 en publiceerde inmiddels vier dichtbundels. Ze werkte jarenlang als tekstschrijver redacteur bij onder andere de Historische Uitgeverij, het Groninger Museum en het Internationaal Film Festival Rotterdam. Van 2009 tot 2011 was ze stadsdichter van Groningen en in 2018 droeg ze haar poëzie voor tijdens De nacht van de Poëzie in Utrecht.

Uit haar debuutbundel komt het gedicht ‘Wat ik Jaap nog wilde zeggen’.

.

Wat ik Jaap nog wilde zeggen

.

iemand ontkende heel mijn jeugd

.

hij zei dat het niet waar was

van de buks, het voetbal

en de blote plaatjes in de kluis

.

of ik daar als de sodeflikker

met mijn poppentengels wilde afblijven

.

ik zweeg dan ook volmondig over zijn tutu

de plaspop die ‘I’m thirsty’ zei

en de borduurclub

.

het was per slot mijn feestje niet

en knokken met jongens verlies ik

.

door de bank genomen

.

negen op de tien keer

.

 

Charlotte Van den Broeck

Winnaar Boekenbon Literatuurprijs

.

Afgelopen donderdagavond werd bekend dat de Vlaamse schrijver en dichter Charlotte Van den Broeck (1991) de winnaar is van de Boekenbon Literatuurprijs van maar liefst € 50.000,-. Een terechte waardering voor haar werk. In dit geval kreeg ze de prijs voor haar boek “Een vlam Tasmaanse tijgers’ het verslag van een reis die Van den Broeck ondernam uit nieuwsgierigheid naar de Tasmaanse tijger en die voert langs archieven, musea, laboratoria, dierentuinen en natuurgebieden uit 2024.

De jury noemde haar in het juryrapport de dichtende journalist heb ik begrepen van Marianne (van MUGzine) die bij de prijsuitreiking aanwezig was. Ik schreef hier al vaker over Charlotte en haar werk. En na het zien en horen van de, door haar voorgedragen, volledige tekst van ‘Plakboel’ in de bibliotheek van Utrecht afgelopen jaar (iets dat ze tijdens de Nacht van de Poëzie nogmaals herhaalde) is mijn bewondering en waardering voor haar alleen maar gestegen.

Uiteraard feliciteer ik Charlotte met deze prachtige prijs maar omdat dit blog over poëzie gaat (maar lees ‘Een vlam Tasmaanse tijgers’ het is echt heel erg de moeite waard) wil ik hier een gedicht van haar plaatsen. In dit geval het gedicht ‘Nachtroer’ het titelgedicht uit haar gelijknamige bundel uit 2017 die ze opdroeg aan Remco Campert.

.

Nachtroer

                                                                     Voor Remco Campert

Avond
en het breeklicht in je ogen en je kijkt
het breekt oranje op in je ogen het vloeiende licht
waarin ik wist wat ik later nooit zou weten
hoe een woord zomaar

een ander woord kan gaan betekenen
en dat dat alles

buiten hangt de avond steriel en laat al, de lome rook
besluiteloos tussen ons in en je kijkt
en wat dat oproert in een avond, in mij, rode glanzende mieren
honderden, even nog, voor het licht krimpt, de jeuk
de laaiende jeuk van je ogen het laat niet af

ook niet nu het licht al

want op het hellingsvlak tussen nu en straks
wacht ons een kamer zonder muggen of aarzeling
het kan niet anders want boven mij hangt je hand

die me niet aanraakt maar me de mogelijkheid geeft
om mezelf ertegen op te drukken de tomeloze mogelijkheid
om mezelf op te drukken tegen een hand die me niet
aanraakt, maar me de mogelijkheid geeft om

wachten en zwellen
zijn bijna hetzelfde, bij de kniklijn
loopt het in elkaar over wat ik wil
en wat ik weet in het neonlicht

het kleurenspectrum in een regenplas even
is het waar geweest en feloranje
het kan niet anders soms

denk ik nog bij de hand een avond
een mond een schouder een geslacht
en dat het alles

en dat jij de mieren niet en de zwellende kleuren niet
dat kleur maar stof en licht dat nauwelijks nog het licht
de avond feloranje even nog

laat het nog even

tot het licht niet langer tot ook het kijken
niets meer dan de richting van je ogen wordt

.

Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld

Alja Spaan

.

Gistermiddag was de presentatie van de achtste bundel alweer van Alja Spaan (1957) getiteld ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’. De bundel, uitgegeven door de onvolprezen uitgeverij P uit Leuven, vond plaats in de Alkenaer in Alkmaar. Ik mocht, daarvoor gevraagd door Alja, het programma presenteren en uiteraard heb ik daar met veel plezier in toegestemd.

Het programma bestond uit voordrachten van bekende namen als Margreet Schouwenaar, Pom Wolff en Helle van Aardenberg. Er was muziek, gedichten van bekende Nederlandse dichters op muziek gezet, van Rob van der Plas, er was een uitreiking van het eerste exemplaar, een signeersessie, een boekentafel van uitgeverij P een gezellige drukte en liefde voor poëzie bij iedereen in de volle zaal.

In ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ zijn gedichten opgenomen die Alja schreef over haar moeder. Een ontroerende en complexe moeder-dochter relatie, waarin veel schoonheid en melancholie schuilt. De gedichten werden al jaren geleden geschreven maar dankzij uitgeverij P zijn ze nu gebundeld. De dichters die hun gedichten voordroegen in het programma waren met zorg uitgekozen want alle drie gingen juist in op het thema moeder-kind.

Uiteraard zal ik ergens binnenkort een recensie van deze bundel op dit blog plaatsen maar nu alvast een voorproefje getiteld ‘de liefste’.

.

de liefste

.

Mijn moeder zegt er is niemand meer en

dat ze allemaal dood zijn en dat zelfs mijn

.

vader zo afwezig is de laatste tijd, ze kan

niet naar huis en ze verliest

.

deze omgeving en waar woon jij, vraagt ze,

woon jij nog ergens?

.

En dat haar fiets verkocht is maar dat ze

fietsen wou, ze kon met mij mee, dacht ze

.

en met lange nagels prikt ze in mijn vel

en dan opeens telt ze zachtjes, bijna

.

neuriënd de bolletjes op mijn trui die ik

zeker stuk voor stuk,

.

knikt ze, heb opgenaaid, van jou geleerd,

zeg ik dan maar en zij

.

dat verzin je maar wel dat mooie dingen

maken een manier is

.

om thuis te komen, denk ik, of om niets te

verliezen.

.

 

Goed in het gehoor liggend

Bart Chabot

.

Afgelopen week mocht ik in mijn bibliotheek de Indische maand openen. En zoals dat gaat bij interculturele activiteiten zijn er dan altijd heerlijke hapjes. Ik heb al uit zoveel verschillende culturen de lekkerste dingen mogen proeven. Of het nu Oekraïens, Syrisch, Marokkaans, Turks, Surinaams of Indisch was, allemaal lekker. Ik begrijp de hang naar de jaren vijftig van sommige partijen dan ook echt niet. Het multiculturele leven heeft Nederland zo verrijkt zonder dat dat ten koste gaat van onze eigen tradities. Sint Maarten wordt nog altijd gevierd (ja inmiddels is het Amerikaanse Halloween groter maar dat is er bij gekomen), Sinterklaas leeft nog altijd (ik hoorde vandaag dat er weer meer Nederlanders Sinterklaas vieren. Kerstmis is al heel lang een soort veramerikaanst met sleeën en de kerstman maar nog steeds lopen kerken (voor zover ze er nog zijn) op kerstavond vol.

Nee, de tradities, feesten, gebruiken en vooral de eet- en en drinkcultuur uit allerlei verre buitenlanden zijn een verrijking. En dat begon al met de afhaal Chinees, de Shoarmatent , de Pizzeria en nu biedt de gemiddelde stad in Nederland een ruim palet aan mogelijkheden op dat gebied. Maar waarom schrijf ik dit? Dit was toch een poëzieblog? Inderdaad. Toen ik in ‘De bril van Chabot’ de mooiste gedichten van Bart Chabot (1954) gekozen door Martin Bril, uit 2008 aan het lezen was, las ik in het gedicht ‘Goed in het gehoor liggend’  de zin ‘liggen de eeuwen als spekkoek / in laagjes opgehoopt’. Spekkoek, die lekkere Indische lekkernij. En zo zie je maar, ook de taal is verrijkt met allerhande woorden, uitdrukkingen en zegswijzen die we hebben over genomen uit andere talen en culturen.

.

Goed in het gehoor liggend

.

het is een onbekommerde doordeweekse dag

half juli, komkommertijd

en ik sta

voor een grafheuvel

eentje uit de prehistorie –

voor minder kom ik mijn bed niet uit

.

de grafheuvel zelf is een markante verschijning:

een forse bult in het landschap

alsof de aarde op deze plek eergisteren

een doodsklap kreeg;

een staaltje zinloos geweld

de wilgen overwegen een stille tocht

hun burgemeester houdt straks, wie weet,

een toespraak

daarmee is alles min of meer gezegd

.

binnenin, onder de heuvel,

liggen de eeuwen als spekkoek

in laagjes opgehoopt

.

als ik me buk

diep door de knieën ga

en mijn oorschelp te luisteren leg,

vlak boven de grond

kan ik de doden horen

wroeten

.

Ik heb meermaals

Bart Plouvier

.

Het is vrijdag dus sta ik weer eens voor mijn boekenkast en pak, ongezien een bundel uit mijn boekenkast. Dit keer is dat ‘De 100 mooiste wielergedichten uit de Vlaamse & de Nederlandse literatuur’, verzameld door Patrick Cornillie uit 2014. Vervolgens open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar staat het gedicht van Bart Plouvier, getiteld ‘Ik heb meermaals de Tour de France gewonnen’ eerder verschenen op het blog geelzucht.wordpress.com.

Bart Plouvier (1951-2021) was een Vlaams schrijver en dichter. Plouvier (pseudoniem van Bart Van Schaeren) leverde sinds zijn debuut met de roman ‘De maquette’ in 1987 bijdragen aan talloze tijdschriften en publiceerde hij journalistieke verslagen, diverse romans, theaterteksten, kinderboeken, poëzie, verhalenbundels en reisimpressies.

.

Ik heb meermaals de Tour de France gewonnen

.

Plastic wielen zonder spaken

mijn hoofd kan er door en ik zie

veel kleuren, groen en geel

en het blauw dat niet bestond

mijn vader was God in Frankrijk

hij groef de bergen en de dalen

trok de meten met een regel

plantte mensen langs de geul

mul zand was mijn terrein

sneller dan de buren was ik

de dobbelstenen en Bahamontes

.

ik heb mijn fiets aan de haak gehangen

het peloton is voorbijgezoefd

ik hoor alleen nog ’t kraken van hun banden

.