Categorie archief: jonge dichters
Penelopeia
Roan Kasanmonadi
.
Een vriend van me wees me op het feit dat hij samenwerkt met twee dichters. Beide namen zeiden me vooralsnog niets maar ik ga dan uiteraard wel op zoek. Een van de namen was die van Roan Kasanmonadi (1995) een Rotterdamse dichter, modern danser en spoken word artiest die arts en psychiater in opleiding is (tegenwoordig heb je niet één richting meer in je leven valt me weleens op maar vele). In zijn werk combineert Roan abstracte associaties met alledaagse taal en verwijzingen naar popcultuur, zo lees ik op de website van deBuren.
Roan trad op bij Poetry International, Mensen Zeggen Dingen en op de Nacht van de Poëzie. Zij debuutbundel ‘Vuurbloem’ werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs in 2025. En naast al deze bezigheden is hij ook nog eens redactielid van De Revisor. Op de website van deburen.eu las ik een gedicht van zijn hand getiteld ‘Penelopeia’ dat hij schreef als deelnemer aan de schrijfresidentie van deBuren in 2024 waarbij hem gevraagd werd zich te laten inspireren door het Olympisch motto ‘harder, sterker, sneller-samen? In dit gedicht brengt hij de Griekse mythologie en scholieren samen over de druk aan verwachtingen te voldoen. Het gedicht staat ook in zijn debuutbundel.
.
Dit kan beter
Pim Lammers
.
Zoals elk jaar stuurde het CPNB (Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek) ook dit jaar als kerstgroet een gedicht. Vorige jaren ontving ik al gedichten van Toon Tellegen, Judith Herzberg, Alfred Schaffer, Lieke Marsman en Charlotte Van den Broeck. En nu dus van dichter en schrijver Pim Lammers (1993). Los van wat er rond Lammers speelde in 2023 en hoe CPNB daar destijds mee omging (waarvoor hulde) is de keuze voor een dichter die speciaal voor jeugd en jongeren dicht interessant. tenslotte zijn er zoveel goede dichters die zich toeleggen op het schrijven van poëzie voor kinderen en jongeren. En het is goed dat de CPNB ook deze groep vertegenwoordigd en in het zonnetje zet middels dit gedicht en deze kerstgroet. En omdat de CPNB deze kerstgroet alleen naar haar relaties stuurt, en ik het mooi vind om zo’n initiatief wat verder te brengen, deel ik het gedicht hier met jullie.
.
Jonge dichter
Tesse Reversma
.
Afgelopen donderdagavond was de jury van de Jana Beranováprijs bijeen om te bepalen wie deze prijs begin 2026 ontvangt. Ik mocht opnieuw deel uitmaken van deze jury (eerder was ik jurylid in 2023). De Jana Beranováprijs is een landelijke prijs voor literaire verdiensten, toegekend aan een auteur uit het Nederlandse taalgebied, vernoemd naar de dichter Jana Beranová. Een onafhankelijke jury kiest een schrijver die de artistieke vrijheid en integriteit vooropstelt, zonder te hechten aan waardering op grond van conventionele, modieuze of morele criteria. Een van de andere juryleden Gina van den Berg, vertelde me over een jonge dichter en organisator van poëziepodia in Utrecht Tesse Reversma. Op zoek naar werk van haar kwam ik op de website van 3voor12 Utrecht.
Per 1 mei 2024 heeft muziekcomplex dB’s het CAB-gebouw verlaten. Het CAB gebouw is een gemeentelijk monument. Toen het laatste concert was gespeeld en de laatste biertjes waren gedronken legde fotograaf Lisanne Lentink het gebouw vast in beeld en Tesse Reversma schreef een tekst bij. Een gedicht zou je kunne stellen. Hier is dat gedicht.
.
vraag: is er een dB’s wc in de hemel?
het is niet hetzelfde: geen leven, de stickers zijn verdwenen
het mist de mensen, een verleden
blijf spelen
death metal, okergeel en ook de tegels
bezaaid met plaatjes, prikken gaten
op de stoelen waar we zaten, bier dronken
het is niet verlaten als je niemand achterlaat
door klapperende klapperdeuren
naar krappe backstage en niet zo zeuren
lang haar stug graaien in een lege kom
de zaal terug draaien rond en rond en andersom
mok achter mok vaasje de chaos en dan toch
het is er
lege fusten, nieuw geluk en
bouwen, verhuizingen
een volgorde van de dingen
nieuwe tegels, rauwe randjes (ze glanzen)
de kansen om te plakken, alles even op te pakken
aan te raken voor een eerste keer en heel veel daarna
in precies genoeg zooi
graai je naar koekjes in opnieuw gevulde bakken
blijft af van volle bierkratten
plakt belangrijke boodschappen
wijst in alle richtingen
glimmende bestickeringen
het is er
een volgorde van de dingen
doei is niet het einde
het is er 2x
het hart is niet te klein je
hebt de rest als geschiedenis
belooft elkaar, precies
genoeg te missen
totdat het er weer is
.

Tesse Reversma
Lisanne Lentink
dB’s in het CAB-gebouw
Hier wordt gewerkt aan uw terugkeer
Twan Vet
.#
Ik las dat de debuutbundel van Twan Vet (1998) ‘Troostpogingen’ die dit jaar uitkwam het erg goed doet in de verkopen en als liefhebber van poëzie kan je daar alleen maar blij mee zijn. Blijkbaar wordt er dus nog wel degelijk poëzie gekocht (en niet alleen gelezen of geschreven). Van Twan Vet werden er in MUGzine #28 enkele gedichten gepubliceerd. Maar hij werkt al langer als dichter aan de weg. Zo werden zijn gedichten gepubliceerd in onder meer Het Liegend Konijn , Hollands Maandblad en NRC. Hij droeg voor op literaire festivals zoals Crossing Border en Dichters in de Prinsentuin.
En eigenlijk is ‘Troostpogingen’ feitelijk niet zijn echte debuut. Zo verscheen in 2022 ‘DEMarrage’ een poëzie chapbook met Sofie Verraest, in datzelfde jaar ‘Amersfoorts Heimwee’ (gedichten bij foto’s van Cas Oorthuys) en in 2024 ‘Dag stad’ verzamelde stadsgedichten die hij schreef als stadsdichter van Amersfoort in de periode 2021 tot 2024.
In 2021 richtte hij, samen met Sjors Nab en Wijnand Reijmerink, literair tijdschrift Landauer op. In 2023 werd in Landauer een gedicht van mijn hand opgenomen ‘Lijnen‘. In 2021 was Vet Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht. Maar zijn grootste bekendheid kreeg hij na optredens bij Eus’ Boekenclub en als deelnemer aan De Slimste Mens, beide in 2025.
Lezend in zijn bundel ‘Troostpogingen’ kwam ik bij het gedicht ‘Hier wordt gewerkt aan uw terugkeer’ een gedicht dat vet schreef nadat eind 2024 bekend werd dat Minister Faber deze cynische borden had willen laten plaatsen bij AZC’s. Zover is het gelukkig nooit gekomen maar het gaf Vet genoeg inspiratie voor dit gedicht.
.
Hier wordt gewerkt aan uw terugkeer
.
Wij wisten het land te liggen, kruisten hoopvol
een plaatsnaam aan en besloten om te gaan.
.
Alles wat we in de haast konden verzamelen
namen we mee: kinderen, kleding en elkaar.
.
Met elke kilometer leken we iets van thuis
te vergeten: hoe het licht viel in de straten,
.
de geur van onze pasgewassen lakens,
de taal die we met vrienden spraken.
.
Na zeven taaie dagen kwamen we ergens aan-
er stond alleen een spandoek voor ons klaar.
.
Linda Mence
Oud moedertje, oud besje
.
De uit Letland afkomstige Linda Mence (1992) is dichter, beeldend kunstenaar en een van de redacteuren van het literaire tijdschrift Punctum. Ze behaalde een masterdiploma in grafische kunst aan de Kunstacademie van Letland. Ze debuteerde met de dichtbundel ‘Apļi’ (Cirkels) in 2023 en ontving de Ojārs Vācietis Literatuurprijs voor Poëzie en de jaarlijkse Letse Literatuurprijs voor het beste debuut. Linda schreef ook een gedichtenbundel voor kinderen ‘Kosmoss ir virs bēniņiem’ (De ruimte boven de zolder) die verscheen in 2024. Daarnaast vertaalde ze poëzie van Edgar Lee Masters, Christina Rossetti en anderen. Haar werk is gepubliceerd in de tijdschriften Strāva, Žoklis en Domuzīme, evenals in de internettijdschriften Punctum en Satori.
In tijdschrift Terras, waarvan het laatste nummer geheel gewijd is aan de Baltische literatuur, zijn een aantal gedichten van haar hand opgenomen. Omdat twee van deze gedichten een soort zelfde thema hebben dacht ik ze beide te plaatsen en er dan gelijk een dubbel-gedicht van te maken. Vertaald door de Letse vertaalcel zijn dit de gedichten ‘oud besje’ en ‘oud moedertje’.
.
oud besje
.
het oudje gaat langzaam als een treurwilg
het oudje gaat langzaam als treurnis
langzaam als een roeiboot op een kalme zee
gooit de netten uit
en haalt ze vol zilver op
strooit dat op het dorre gras voor Orrie, Snorrie en Rossie
en klein Miesje Mauw zonder staart
vouwt het netjes op
stopt het in haar zak
opent de deur
en stapt de winkel in langzaam als een kale treurwilg
.
oud moedertje
.
mijn jongens hebben aan mijn borst
vijf generaties lang gehuild
de een kreeg melk, de ander hartstocht
nu met spijt, dan weer beschaamd
druivenranken spruiten uit mijn borst
en strengelen zich tot prieel waar
die jongens oud nu bij de wijnbroden breken en pasteien
als wangen vet op het hart drukken en weer hun rammen offeren
en drinken uit een hoorn op tafel slaan
en dan mijn borst –
de appelen van ooit
wiegen aan hun tak
langzaam heen en weer
.
Hofjesfestival
Haagse Notûh
.
Ook dit jaar organiseert Stichting Haagse Notûh op zondag 21 september weer het Ssssttt… Hofjesfestival in de binnenstad van Den Haag. Op allerlei historische plekken en hofjes zoals het Hofje van Nieuwkoop, de Regentenkamer, ’t Hoofts Hofje, de Jozefkapel en de Stadskloostertuin St. Vincentius, treden dichters, muzikanten en muziekensembles op. In eerdere jaren stond ik al eens in de Stadskloostertuin (waar toen ik aan de beurt was er een wolkbreuk was), in het Hofje van Nieuwkoop, en op de Varkenmarkt .
Een van de hoogtepunten van deze dag (naast de voordrachten van alle dichters uiteraard) is het optreden ( de openingsact) van stadsbeiaardier Gijsbert Kok, die op de Haagse Toren het carillon bespeelt waarbij hij wordt bijgestaan door 15 blazers. Ook is het mogelijk om samen met een gids van het Stadsgilde een wandeling te maken langs de verschillende historische plekken in de binnenstad.
Dit jaar sta ik opnieuw geprogrammeerd in de Stadskloostertuin aan het Westeinde 101 van 14.30 tot 15.00 uur. Andere dichters die voordragen zijn onder andere Marilou Klapwijk, Diann van Faassen, Alexander Franken, Frans Terken, Edith de Gilde en Margriet van Bebber. Ook de twee jonge stadsdichters van Den Haag, Anu Soerjoesing en Govert van de Velde, dragen voor. Als voorproefje een gedicht van Diann van Faassen getiteld ‘Er is altijd’.
Diann van Faassen (1971) debuteerde met de bundel ‘Driemaaldaags’ (1991). Sindsdien verschijnt zij op de diverse podia in het land. In 1998 verscheen ‘Toverfietsje’, dat in 1999 werd opgevolgd door ‘Altijd naar de kermis’, beide uitgegeven in eigen beheer. Gedichten van haar staan opgenomen in de bloemlezingen ‘Van Haagse dichters die voorbijgaan‘ (2001) en in ‘Vanuit de lucht‘ (2001). Diann organiseert literaire evenementen en poëzie workshops en zij begeleidt de jonge Haagse Stadsdichters.
.
Er is altijd
.
Er is altijd iets te weten
Er moet altijd iets te weten zijn
Maar niemand laat zich kennen hier
Ik heb van beneden af
omhoog naar jouw balkon gekeken
bevangen door de ruimte – zag ik je rennen
Ik zag je rennen tot je doorhad
dat je niet was in te halen – niet door mij
de galerijen waren leeg – de spijlen schenen tralies
Jij ging mijn gangen na
en had handen rood als aarde
de lijnen in je handpalm waar je mij bewaarde
Jouw hand is door mijn huid gedrongen
om te ontrafelen wat mijn motieven zijn
wanneer je mijn zenuwen blootlegt is het slechts een kwestie van tijd
Ik zou net als vroeger
willen kijken en tevreden zijn met het zicht
ik zou net als toen zonder verlangens willen zijn
Maar er is altijd iets te weten
en we weten al zoveel
we willen altijd verder weten
en niemand laat zich kennen hier
.
Gouden Flits-reeks
Lotte Dodion
.
In een winkeltje op de Veluwe vond ik een bijzonder boekje. Ik dacht eerst dat het een Gouden Boekje was van vroeger, die ik nog ken uit mijn jeugd (Wim is weg) maar alleen de uiterlijke vorm doet er erg aan denken. De inhoud is helemaal anders. Het is een bundeltje uitgegeven en samengesteld door Jeugd en Poëzie, Doe Maar Dicht Maar en stichting Kinderen en Poëzie in Mechelen in 2005.
Onder leiding van Juryvoorzitter Jos van Hest koos een jury bestaande uit Daniël Dee, Joris Denoo, Christina Guirlande, Coen van Peppelenbos, Frank Pollet, Jaap Robben, Jan Smeekens, Mieke Vanpol en Francis Verdoodt, de winnaars van de Gouden, Zilveren en Bronzen Flits. De Flitsen (projzen voor een poëziewedstrijd) werden uitgereikt aan Kinderen tot 12 jaar en Jongeren tot 20 jaar.
Winnaars waren bij de Kinderen de 11 jarige Kathleen Van Gucht (goud), de 10 jarige Mitchel Lindhout (zilver) en de 7 jarige Kiki de Klerk. Bij de jongeren tot 20 jaar gingen de prijzen naar 17 jarige Gillis De Troyer (goud), de 20 jarige Saar Deroo (zilver) en de 18 jarige Erik Thijs Wedershoven. Eerlijk gezegd voor mij allemaal onbekende namen.
In de bundel staan echter alle gedichten die bijna hebben gewonnen zoals Jos van Hest het zo mooi opschreef in het juryrapport. Tegen de bijna-winnaars zegt hij daar: blijf schrijven en laat je niet op je kop zitten door zo’n stelletje juryleden.
Dat een paar van de dichters die bijna wonnen dit niet hebben laten gebeuren blijkt uit de namen die ik wel ken en in dit bundeltje staan: Anne van den Dool (toen 12 jaar), Lieke Marsman (toen 14 jaar) en Lotte Dodion (toen 17 jaar). Heel leuk om gedichten van deze dichters te lezen toen ze nog jong, onbekend en veelbelovend waren.
Ik heb van deze drie dichters in de dop het gedicht ‘lijkbleekje’ van Lotte Dodion gekozen.
.
lijkbleekje
.
hij heeft haar glazen kist besteld
en kijkt met een kabouterhartje toe
hoe slaap als een oud wijf op haar ligt en
adem uit haar duwt tot de laatste zucht
dan pas beseft hij welk vergif ze heeft gekregen
want hij kust haar
en het helpt niet
.
Niet alles komt zomaar
Thijs Kersten
.
In 2023 werd Thijs Kersten (2002) campusdichter van de Radboud universiteit in Nijmegen. Dat Thijs naast zijn studie niet stil zit blijkt ook uit het feit dat hij, samen met medestudenten Sophie Theunissen en Bo Polman het Radboud Creative Collective oprichtte. Creatief getalenteerde studenten konden zich aanmelden voor het collectief. Wie solliciteerde kreeg een opdracht. Daarna werd na een gesprek besloten wie zich bij het collectief kon aansluiten.
Voordat Thijs Kersten campusdichter werd, was hij al dorpsdichter van Heumen. In 2021, en toen ik dat las wist ik dat ik iets over hem wilde schrijven, probeerde hij de bezuinigingen op de bibliotheek te stoppen. In de jaren daarvoor was het budget al met 40% gekrompen en een verdere bezuiniging zou de sluiting van twee vestigingen betekenen. Om de bezuinigingen van tafel te krijgen wilde hij de potentie van de bibliotheek laten zien. Daarom organiseerde hij activiteiten in de bibliotheek van Malden (onderdeel van Heumen), zoals literaire avonden, samen met Sofie Deen, programmamaker. Mede dankzij de inzet van Thijs en de mensen van de bibliotheek besloot de gemeenteraad de bezuinigingen op de bibliotheek te schrappen.
Terug naar zijn dichterschap. Over zijn poëzie zegt Thijs: ‘Laat ik vooropstellen dat ik een absolute hekel heb aan rijmschema’s en versmaten. Ik weet er veel van, maar het is echt niet mijn ding. Ik speel meer met woordklank en ritme. Mijn doel is om mensen mee te krijgen met mijn poëzie. Dat lukt omdat ik weet hoe ik moet spelen met taal en met woorden de aandacht van de luisteraar vasthoud.’ In een gedicht dat hij als dorpsdichter schreef komt dat mooi naar voren.
.
Niet alles komt zomaar,
niet alles lukt zomaar,
maar er is al zoveel gelukt.
Ik weet niet altijd waar ik heen moet
of wat er morgen gaat gebeuren,
maar we doen het samen.
En als we soms de mist in gaan,
dan komen we er samen weer uit
aan de andere kant.
Want we hebben de ruimte om fouten te maken
om een keer iets opnieuw te doen
om ons twee keer te stoten aan dezelfde steen
of drie, of vier,
omdat we hier niet zomaar fout zijn
niet zomaar slecht of lastig of vervelend.
Hier zijn we thuis en hier is niet alles perfect
maar is het wel zo goed mogelijk
en is het elke dag beter en fijner.
Want als we hier fouten maken
rapen we elkaar gewoon op
en lopen we samen verder.
.
Waarom is oude/moderne poëzie zo lastig te lezen?
Oude versus moderne poëzie
.
Filosoof Charles Taylor schrijft in een artikel in The New York Review: “In de loop van de tijd moest de moderne poëzie steeds subtieler en verrassender worden om de verwachtingen van de lezer te overtreffen en hem of haar open te stellen voor de ervaring van transcendentie.”. Op de weblog van ene Arne staat de schrijver stil bij de verschillen tussen ‘oude’ en ‘moderne’ poëzie maar hij schrijft vooral over de vorm. Dat is één aspect maar er is natuurlijk veel meer dan vorm. Denk aan inhoud, thema, rijm, voordracht, post modernistische elementen, taalgebruik, gebruik van andere talen, lengte en ga zo nog maar even door. Ik schreef er afgelopen week al over.
Oude poëzie is moeilijk te lezen omdat ze in ouderwetse taal geschreven is. Het werk van de Tachtigers is prachtig, maar het is niet altijd eenvoudig te lezen, tenminste in eerste instantie, totdat je er een heleboel van gelezen hebt, je er meer begrip voor en van krijgt en er warm voor loopt.
Nieuwe poëzie is moeilijk te lezen omdat poëzie zogenaamd lastig en obscuur is. Ik heb me altijd afgevraagd waarom dat zo was. Zelfs Remco Campert, bijvoorbeeld, die misschien wel de meest leesbare en toegankelijke beroemde literaire dichter van de vorige eeuw is (ik sluit hierbij de liedschrijvers uit), schrijft op die beknopte manier. Ik las ergens op een site over literatuur iemand die schreef dat Dickens maar door bleef gaan omdat hij per woord betaald werd. Het lijkt er vaak op dat moderne dichters betaald worden naar een omgekeerde verhouding tot het aantal woorden dat ze gebruiken (zeker als je de vele Instagramdichters bekijkt die natuurlijk beperkt worden door het medium waarop zij hun poëzie publiceren) maar het tegenovergestelde is ook waar; veel dichtbundels van nu staan vol behoorlijk lange prozaïsche gedichten. Gedichten waarbij het onderscheid tussen vrij korte verhalen en gedichten nauwelijks meer te maken is.
Terug naar Taylor. Dichters proberen altijd de ervaring van transcendentie vast te leggen, en één manier om dat te bereiken is door iets nieuws en onverwachts te doen. Zo is het ook met muziek. Net als bij muziek werkt innovatie soms bij poëzie. Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky geldt als één van de meest revolutionaire werken van de 20ste eeuw. Het klinkt vernieuwend en, vergeleken met oudere muziek, moeilijk te volgen, maar het klinkt op zichzelf al goed. Sommige andere moderne muziek klinkt echter gewoon… modern. Ik denk dat er tegenwoordig (eigenlijk al zo’n honderd jaar) veel druk op componisten ligt om ofwel poppy te klinken, ofwel innovatief, “poëtisch” in de zin van veel informatie overbrengen met weinig melodieën.
Maar goed, terug naar de literatuur. Sommige proza is zo innovatief en experimenteel dat het moeilijk te volgen is. Poëzie is een ander verhaal. Dat komt waarschijnlijk doordat poëzie streeft naar die ongrijpbare ‘ervaring van transcendentie’ het boven jezelf uitstijgen of het overstijgen van de dagelijkse realiteit. Wanneer dichters dat nastreven en dit doen in de traditie van het hier en nu, en dus gebruik makend van alle mogelijkheden die de dichter ter beschikking staan om moderne poëzie te schrijven, dan kun je spreken van moderne poëzie. En is dat moeilijker of makkelijker te lezen dan oude poëzie? Ik denk dat dat vooral te maken heeft met je eigen kader. Lees of heb je veel oude poëzie gelezen dan is moderne poëzie misschien niet altijd (makkelijk) te volgen. Ben je opgegroeid met moderne poëzie dan is het doorvoelen en begrijpen van oude poëzie waarschijnlijk minder makkelijk. In beide gevallen is interesse in poëzie in algemene zin een goed uitgangspunt tot begrip én daarna genieten van wat dichters uit alle tijden te bieden hebben.
Om dit betoog te beëindigen wil ik hier twee voorbeelden van oude en moderne poëzie delen. Mag jezelf bepalen wat je het meest aanspreekt en waarom. Het eerste gedicht is van de dichter J. Slauerhoff (1898-1936) getiteld ‘Voorwereldlijk landschap’ uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ (1973) en werd voor het eerst gepubliceerd in 1923. Het tweede gedicht is van Maxime Garcia Diaz (1993) zonder titel uit haar bundel ‘Het is warm in de hivemind‘ uit 2021, dus 74 jaar later gepubliceerd.
.
Voorwereldlijk landschap
–
meisje
w/ the most cake
–
het aangekoekte kwaad tussen onze tenen
in de kromming van onze oorschelpen
–
de reiniging dient zich aan
we hebben een aard en we traceren
haar contouren
live through this w/ me, meisje
–
eetstoornisgrapjes schotelpupillen
het moment dat je geest boven het bed
zweeft, naar beneden kijkt & geil wordt
van zijn lelijkheid, jouw
jonge bloeiende cinema
het etteren van de zweren
op je hersenen, de wratten op je tong
smijt je lichaam tegen een muur en ontdek
hoe je botten breken, op welke plekken,
en vooral: wanneer
–
(…)
–
Jenny schrijft
you should limit the number of times
you act gaainst your own nature. it is interesting
to test your capabilities for a while,
but too much will cause damage.
–
achter de horizon wacht het uitsterven
voor nu lijkt rotten op bloeien, ruikt
bijna hetzelfde
voor nu heb ik geen honger meer
ik heb de hele middag in een bushokje
gezeten (neorexisch koninkrijk)
met euroshopper & amnesia haze
en een amerikaanse tiener
opgekruld in een hoekje als een
suburban spook, zielige zieke ideeën
& een meisje (girl of the geist)
that promised to live through this
with me
–
How the worst day in my life became the best
Inzichten in moderne poëzie
.
Poëzie heeft altijd de kracht gehad om emoties op te roepen en nieuwe perspectieven te bieden, maar breekt nu vaak met traditionele formats zoals vaste versvormen en academische discussies. Hedendaagse dichters lopen voorop in deze verandering en creëren een taal en een vorm die direct aansluit bij persoonlijke ervaringen en thema’s weerspiegelt die resoneren met ons dagelijks leven. Ik heb hier al vaker over geschreven en hoewel ik, je hebt nu eenmaal je voorkeuren, als schrijver en dichter soms moeite heb met deze nieuwe vormen, kan en durf ik ze ook te omarmen. Want poëzie leeft en is organisch. Poëzie is in haar lange geschiedenis nooit statisch geweest en dat is denk ik één van de redenen dat poëzie nog steeds springlevend is.
Deze transformatie gaat niet alleen over nieuwe manieren om poëzie te delen en ervan te genieten; het is een herdefiniëring van de essentie ervan en de rol die het speelt in ons leven van alledag. Poëzie blijft ons raken, onze gedachten prikkelen en ons helpen het gewone op een buitengewone manier te zien. In navolging van de woorden van Dylan Thomas kan poëzie nog steeds een lach, een traan, stilte of zelfs een spontane noot opwekken. Of je nu op zoek bent naar inspiratie, troost of gewoon een connectie, ook de hedendaagse poëzie biedt voor elke stemming en elk moment wel iets.
De tijden zijn veranderd en hoewel de literaire kernwaarde van poëzie behouden blijft, zijn de vorm en het format ervan dramatisch geëvolueerd. Neem bijvoorbeeld het werk van Atticus, het pseudoniem van een anonieme Canadese dichter. Hij schrijft poëzie, epigrammen en aforismen met thema’s als liefde, relaties en avontuur. In 2016 werd Atticus door het tijdschrift Teen Vogue uitgeroepen tot de #1 dichter om te volgen . In 2022 noemde The Times Atticus ‘Byron voor de Instagram-generatie’ en datzelfde jaar werd hij door Galore Magazine uitgeroepen tot ‘de meest tatoeëerbare dichter ter wereld’. Een ander voorbeeld van een Instagramdichter die door dit medium beroemdheid verkreeg is natuurlijk Rupi Kaur.
Maar er is ook kritiek op zijn poëzie, die als generiek en repetitief wordt omschreven. De inhoud van zijn poëzie wordt eveneens bekritiseerd als manipulatief, vooral in de context van zijn publiek dat voornamelijk uit tienermeisjes bestaat. Colin Yost, is een criticus van Atticus en heeft hem omschreven als een ‘dief’ en een ‘toe-eigenaar van oude klassiekers’. En daar kun je van alles van vinden maar door de eeuwen heen hebben dichters gejat en geleend van voorgangers. De postmodernistische dichters maken juist en graag gebruik van teksten, delen van teksten en woorden van hun voorgangers.
Een ander voorbeeld is Andrea Gibson (1975), een Amerikaanse dichter en activist, die zich in zijn gedichten richt zich op gendernormen , politiek, sociale rechtvaardigheid en LHBTQ-onderwerpen. Gibson gebruikt genderneutrale voornaamwoorden , met name zij/hen/hun. Veel van hun gedichten gaan over genderidentiteit. Gibson heeft over gender gezegd: “Ik identificeer me niet per se binnen een genderbinair systeem. Ik heb me in mijn leven nooit echt een vrouw gevoeld en ik heb me zeker nooit een man gevoeld. Ik bekijk gender op een spectrum en ik voel ergens op dat spectrum dat niet aan een van beide kanten daarvan landt.” In Nederland en Vlaanderen zijn er ook dichters die zich specifiek of óók richten op de LHBTQ gemeenschap of schrijven over gender. Voorbeelden beschreef ik al hier, hier en hier.
Een laatste voorbeeld is Phil Kaye een Japans-Amerikaanse spoken word dichter, schrijver en filmmaker. Phil Kaye werd geboren in Californië als zoon van een Japanse moeder en een Joods-Amerikaanse vader. Als kind sprak Kaye thuis bijna uitsluitend Japans, totdat hij op vijfjarige leeftijd naar een Amerikaanse kleuterschool werd gestuurd. Kaye’s familie, samen met zijn Japanse en Joodse afkomst, zijn terugkerende thema’s in zijn latere werk. Naast zijn poëzie is Kaye een voormalig docent van wekelijkse poëzieworkshops in zwaarbewaakte gevangenissen. Hij werd benoemd tot hoofdcoördinator van Space in Prisons for the Arts and Creative Expression (SPACE), een organisatie die gratis kunstworkshops aanbood aan gedetineerden.
Moderne dichters, moderne poëzie, met thema’s als liefde, identiteit, sociale rechtvaardigheid, gender en persoonlijke groei. Ieder van hen brengt een eigen stem en weet thema’s levendig te verwoorden. Hun werk gaat verder dan traditioneel lezen, ze brengen een ervaring die lezers weet te raken. Zoals het gedicht ‘How the Worst Day of My Life Became the Best’ van Andrea Gibson, uit ‘You Better Be Lightning’ uit 2021.
.
How the Worst Day of My Life Became the Best
.
“When you are trapped in a nightmare, your motivation to awaken will be so much greater than that of someone caught up in a relatively pleasant dream.”
—Eckhart Tolle
.
When I realized the storm
was inevitable, I made it
my medicine.
Took two snowflakes
on the tongue in the morning,
two snowflakes on the tongue
by noon.
There were no side effects.
Only sound effects. Reverb
added to my lifespan,
an echo that asked—
What part of your life’s record is skipping?
What wound is on repeat?
Have you done everything you can
to break out of that groove?
By nighttime, I was intimate
with the difference
between tying my laces
and tuning the string section
of my shoes, made a symphony of walking
away from everything that did not
want my life to sing.
Felt a love for myself so consistent
metronomes tried to copyright my heartbeat.
Finally understood I am the conductor
of my own life, and will be even after I die.
I, like the trees, will decide what I become:
Porch swing? Church pew?
An envelope that must be licked to be closed?
Kinky choice, but I didn’t close.
I opened and opened
until I could imagine that the pain
was the sensation of my spirit
not breaking,
that my mind was a parachute
that could always open
in time,
that I could wear my heart
on my sleeve and never grow
out of that shirt.
That every falling leaf is a tiny kite
with a string too small to see, held
by the part of me in charge
of making beauty
out of grief.
.
















