Categorie archief: light verse
Reflectief
Inge Boulonois
.
Afgelopen dinsdag overleed heel onverwacht dichter en schilder Inge Boulonois (1945-2024). Ik ontmoette Inge voor het eerst tijdens een avond bij Alja Spaan in Alkmaar tijdens Alkmaar Anders. Zij droeg die avond niet voor maar kwam voor de voordrachten en voor Alja. Later leerde ik haar beter kennen vooral door haar poëzie en het contact dat we hadden via Facebook, via dit blog, Meander en de bundels die ze publiceerde zoals ‘Voor waar genomen‘ en ‘Vers gekruid‘.
Toen wij van Mugzines een nummer wilde maken met light verse benaderde ik Inge om haar te vragen of ze daaraan mee wilde werken en vroeg ik haar om de namen van nog drie dichters. Dat resulteerde in een zeer succesvolle uitgave van Mugzine nummer 8 met light verse gedichten van haar, Wim Meyles, Frank van Pamelen en Remko Koplamp.
In 2000 begon Inge met het schrijven van gedichten. Ze debuteerde in 2004 met de bibliofiele bundel ‘Ooglijke tijd’. Van 2011 tot 2015 was ze stadsdichter van Heerhugowaard. Haar poëzie werd opgenomen in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen en haar werk werd meerdere malen bekroond: Plantage Poëzieprijs (2005), Concept Poëzieprijs (2006), Guido Wulmsprijs (2006), Culturele Centrale Boontje Poëzieprijs (2008), Poëzieprijs Merendree (2009) en de Nieuwegeinse Poëzieprijs (2009).
Sinds 2005 analyseerde ze poëzie voor Meander op klassiekegedichten.net. Voor literatuursite Meander schreef ze recensies van light verse. Een heel veelzijdige vrouw en dichter kortom. Bij Meander gaan we haar missen maar ook als mens. Inge was een enthousiaste, warme en altijd geïnteresseerde vrouw. Op haar rouwkaart staat ‘Leven blijft omdat het overgaat’ en dat zijn ware woorden. Op haar facebook pagina staat een laatste gedicht dat ik hieronder plaats. Maar ik heb ook een ander gedicht van haar gevonden dat ik erbij wil zetten. Het is getiteld ‘Reflectief’ en het geeft de optimistische en vrolijke aard van Inge weer. Zoals we ons haar zullen herinneren.
.
Reflectief
.
Steeds vaker kijk ik op mijn leven terug
En ben dan helemaal niet ontevreden
Met wat de jaren brachten tot op heden
En wat ik nu doe, ouder, minder vlug
Ik dicht, dit maakt mijn dagen stukken lichter:
Hier heb ik het gebracht tot zondagsdichter!
.
Stadsontwikkeling
Daan de Ligt
.
De Haagse dichter Daan de Ligt (1953-2016) begon op relatief late leeftijd te schrijven, hij maakte in zijn gedichten gebruik van vaste versvormen als de sonnet. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag gaf hij in eigen beheer de bundel ‘Vijftig’ uit, waarin ook een aantal Haagse stadsgezichten was opgenomen. Deze stadsgezichten maakten zo’n indruk op de redactie van de Haagsche Courant (later AD Haagsche Courant), dat De Ligt gevraagd werd om als stadsdichter voor de krant nog vijfentwintig stadsgezichten te schrijven. Dit werden er tussen 2003 en 2010 uiteindelijk 250.
Veel van deze gedichten spelen zich dan ook af in Den Haag. In 2009 verscheen zijn bundel ‘Oude nozem’ zijn vijfde dichtbundel (er zouden er nog drie volgen). De poëzie is het best te definiëren als light verse maar in ‘Oude nozems’ wilde De Ligt zijn andere wat meer serieuze kant belichten. Bladerend in de bundel stuitte ik op het gedicht ‘Stadsontwikkeling’ dat eigenlijk nog steeds, of alweer, heel actueel is. Met de grote vraag naar huizen worden allerlei stukjes grond in de stad die braak liggen of die nog wat natuur bevatten, opgeofferd aan deze vraag.
.
Stadsontwikkeling
.
dit is een prachtig bos, haast ongerept
met vogels, vlinders en volwassen bomen
de schoonheid naar een eeuwenoud recept
hier kunnen minstens vijftig villa’s komen
dat duingebied, de onschuld niet verloren
nog rusteloos, zoals het altijd was
met stuivend zand en vrolijk wuivend gras
de ideale bouwplaats voor kantoren
dat landgoed, nog zo groen, verstild en puur
met rozentuin en perken vol margrieten
een lustoord waar de stadsmens kan genieten
ik denk aan hoge flats (te koop, te huur)
natuur is wreed, de sterksten zullen groeien
ik vegeteer op staal, beton en steen
en woeker mij door al het leven heen
als alles is gestorven, zal ik bloeien
.
Nieuwe versvorm
Wim Meyles
.
Tweevoudige Nederlands kampioen plezierdichten Wim Meyles (1949) is geen onbekende op dit blog. Zo schreef ik twee jaar geleden al over zijn bundel ‘Ietsnut’ en was hij een van de light verse dichters in editie 8 van MUGzine samen met Remko Koplamp, Inge Boulonois en Frank van Pamelen. En nu is er weer een nieuwe bundel van Wim Meyles uit getiteld ‘Kortjakje’ waarin Kortjakjes, (snel)sonnetten, Trijntje Fops, limericks, lobbertangen en nog vele andere vormen van light verse zijn opgenomen.
Dat Meyles al lang meeloopt in het vak van het plezierdichten blijkt uit zijn inmiddels grote oeuvre. Zo heeft hij al 29 boeken op zijn naam staan en schrijft hij ook korte verhalen, sprookjes en fabels. Het Kortjakje is een versvorm die door Meyles is bedacht (zoals heel veel versvormen zijn bedacht door dichters als Drs. P, Joz Knoop, Bas Boekelo, Katja Bruning en Frits Criens). Het Kortjakje is als volgt gevormd: kort-jak-je: 4-3-2, dus vier regels, drie regels en twee regels, met verder als kenmerken: jambische viervoeters en het rijmschema AAAA BBB CC.
Hier een voorbeeld kortjakje uit Meyles zijn nieuwe bundel met de gelijknamige titel.
.
Kortjakje
.
.
Edward Lear
De uil en de snoezepoes
.
In 1978 verscheen bij Prisma de pocket ‘Babbels en krabbels van Edward Lear’, een keuze uit de nonsens-poëzie van de ‘Hofdichter van de Onzin’. Edward Lear (1812-1888) was een Engels illustrator, dichter en schrijver. Samen met Lewis Carroll, wordt hij beschouwd als een van de grote meesters van Victoriaanse nonsens literatuur. Zijn talrijke limericks en de gedichten zoals ‘The Owl and the Pussycat’ zijn klassiekers in dit genre.
In 1846 publiceerde hij onder het pseudoniem ‘Derry Down Derry’ zijn bekendste werk ‘A Book of Nonsense’. In 1865 publiceerde hij zijn eerste onzinverhaal ‘The History of the Seven Families of the Lake Pipple-Popple. Twee jaar later volgde zijn onzingedicht, het lied ” The Owl and the Pussycat’. In december 1871 werden onder de titel ‘More Nonsense’ nog meer onzingedichten gepubliceerd.
In ‘Babbels en krabbels van Edward Lear’ is een keuze uit zijn gehele oeuvre gemaakt door Wim Tigges die ook de gedichten vertaalde (op het gedicht ‘Het verhaal van 4 kinderen op reis rond de wereld’ na dat door C. Buddingh’ werd vertaald). De pocket is voorzien van vele tekeningen die Lear maakte. Ik koos uit de bundel het gedicht dat Lear zo beroemd maakte ‘The Owl and the Pussycat’ maar niet in de vertaling van Tigges maar in een vertaling van Ans Bouter die ik op Internet vond.
.
De uil en de snoezepoes
.
De Uil nam de Snoezepoes mee naar zee
In een erwtengroenkleurige boot
Een doosje met krenten, een tas vol met centen
Bij Snoezepoes op haar schoot
De Uil zong zacht in de sterrennacht
En bespeelde zijn gitaar
O Snoezepoesje, o Poesje, mijn schat
Je bent mooi met je prachtige haar
Je haar, je haar
Je bent mooi met je prachtige haar
.
En de Poes zei parmant: je bent elegant
Wat klink je toch lief als je zingt
Ik trouw graag zo’n zanger, toe aarzel niet langer
Maar wat dóet ‘r dan dienst als ring
Een maand ging teloor, ze zeilden maar door
Naar het land waar laurieren staan
Daar lag bij een struik, een big op zijn buik
Met een snuit met een ringetje d’r aan
D’r aan, d’r aan
Met een snuit met een ringetje d’r aan
.
Zeg, Big, ik mag hopen, wil jij ‘m verkopen
Je ring? En de Big zei geen nee
Nou gelijk dan maar doen en dan bij de Kalkoen
Gaan we trouwen, hij heeft toch corvee
Diner met pastei en peertjes erbij
In hun poot elk een vorkachtig mes
En hand in hand werd gedanst in het zand
Bij ’t licht van de maan, een succes
Succes, succes
Bij t licht van de maan, een succes
.
Gesprek in de trein
Frank Koenegracht en Gust Gils
.
Als je op dit blog zoekt op de term trein, en je zou alle berichten lezen waarin de trein een rol speelt of genoemd wordt, dan heb je vele uren nodig en misschien wel een dag. De trein, perrons, aankomsthallen, de NS, de treinreis, alles komt voorbij. Toch heb ik nog geen dubbelgedicht gewijd aan personen in de trein. In dit geval twee gedichten over situaties in de trein.
Het eerste gedicht is van Frank Koenegracht (1945) en is getiteld ‘Lekker dood in eigen land’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Poëzie is een daad’ gedichten voor Remco Campert uit 2009. Het tweede gedicht is getiteld ‘Gesprek in de trein’ van Gust Gils (1924-2002) en komt uit de bundel ‘Een vingerknip’ uit 1983.
.
Lekker dood in eigen land
.
In de trein zitten twee heren die elkaar
vasthouden.
.
Als de trein de tunnel inrijdt
snijden zij elkaar de polsen door
.
en zeggen daarbij ‘pardon’.
.
Maar jullie, bloeddruppeltjes, die uit
het raam waaien, jullie zijn vrij.
.
Gesprek in de trein
.
nu direct niet kijken mevrouw
maar die wanstaltige krompraterij
van een landschap waardoorheen wij treinen
is toch merkaardig om gade te slaan.
.
zo’n landschap uit het buitenland
wat dat zich vaak inbeelden kan
moet je hebben meegemaakt
om het te geloven.
.
ik bedoel maar: onschatbaar voordeel
hier slechts toerist te zijn!
ach ja mevrouw de eenvoud
is nooit zo eenvoudig als ie lijkt.
.
Of de macht van het woord
Drs. P
.
Dichtbundels zijn er vele vormen en dikten, saai vormgegeven tot verrassend vormgegeven, rechthoekig, vierkant tot soms zelfs schuin in de band. Ik ben sinds kort in het bezit van een dichtbundeltje dat in je binnenzak past. Een lang reepje van 20 cm lang en 6 cm breed. Het is het door Wolters bijzonder vormgegeven bundeltje ‘Esmeralda’ of de macht van het woord van Drs. P (1919 – 2015). In 1989 werd dit bundeltje met stevige kartonnen kaft, aangeboden aan alle taaldocenten in Nederland als dank voor de bijna 100 jaar lange betrokkenheid bij de ontwikkeling van Wolters’ Woordenboeken.
Drs. P begint deze bundel met een ingeleide waarin hij de beperkingen die Wolters’ hem oplegt uit te leggen (formaat van de bundel). Zo schrijft hij: “Korte regels / moest ik hebben / door elkaar / een woord of drie / wat zich daarbij / onweerstaanbaar / opdrong / was de poëzie.
En verderop: “Maar sonnetten / en rondelen / zijn voor dit formaat / niets waard / noch kwatrijnen / villanellen / en balladen / uiteraard.”
Hij benoemt de vorm waarvan hij zich bediend de Spicht. Een paar regels: “Een woord van vier lettergrepen / plaatst u steeds / in regel 6” en 8 regels. Als voorbeeld schrijft hij: “uren, dagen / maanden, jaren / vlieden als / een schaduw heen / ambtenaren / uitgezonderd / geldt die wet / voor iedereen.”
Een kostelijk klein bundeltje kortom. Als volledig gedicht koos ik ‘Raamvertelling’.
.
Raamvertelling
.
Jantje zag eens
Pruimen hangen
(zo begon het
Zangbetoog) –
Levensgroot en
Allersappigst
Maar ze hingen
Veel te hoog
.
“Plukken mag ik niet”
Dacht jantje
“Zou ik dan
Om één of twee
Handvol pruimen
Ongehoorzaam
Wezen?
Ja, een goed idee”
.
Hoe de vruchten
Te bereiken
Goede raad
Was hier te duur
Jantje nam een
Opsteekladder
Bij zijn vader
Uit de schuur
.
Menend dat
Zijn handelswijze
Niets te wensen
Overliet
Dank zij goede
Brandpreventie
Miste men
Zo’n ladder niet
.
Jantje klom
Gezwind naar boven
En hij naderde
Alras
Het niveau waar
Veelbelovend
Ooft ruimschoots
Voorradig was
.
Maar temidden
Van dit voedsel –
Naar bij nader inzien
Bleek –
Zat een oude
Neushoornvogel
Die hem
Vreugdeloos bekeek
.
“Heeft dit dier”
Zo peinsde Jantje
“Iets boosaardigs
In de zin?
Nu, hier is mijn
Zakagenda
En daar
Staat het vast wel in”
.
Plotseling
Weerklonken kreten
Want er was iets
Aan de hand
Ja, hij hoorde
Zevenstemmig
“Brand! Brand! Brand!
Brand! Brand! Brand! Brand”
.
Aan de reiziger
Dag 20: Lévi Weemoedt
.
Uiteraard mag enige light verse ook niet ontbreken in de vakantie. En dan kom je al snel terecht bij de meester van de tragikomische treurigheid en pessimisme Lévi Weemoedt (1948). Uit de bundel ‘Met enige vertraging’ uit 2014 komt het gedicht ‘Aan de reiziger’ over Drenthe waar Weemoedt al jarenlang woont.
.
Aan de reiziger
.
Het streekvervoer in Drenthe
is kortgezegd aldus:
indien er al
iets langskomt
is het een collectebus
.
Waterman
Lévi Weemoedt
.
Toen ik bekend werd met het fenomeen sterrenbeeld en horoscopen was ik daar enorm door gefascineerd. Ik las alles over de verschillende sterrenbeelden en de vermeende eigenschappen die bij elk sterrenbeeld horen. Ik was zo gefascineerd omdat ik alle eigenschappen die bij mijn sterrenbeeld, Waterman, feilloos kon plaatsen. Ik herkende ze allemaal bij mezelf. En hoe meer ik me ging verdiepen herkende ik ook de eigenschappen van andere sterrenbeelden bij mensen die ik kende. Aan het feit dat ik ‘vermeende’ eigenschappen hierboven schrijf kun je al afleiden dat ik er tegenwoordig wat kritischer in sta.
Zowel in de westerse horoscopen als in de Chinese horoscopen en dierenriemen. Want ook die laatste heb ik bestudeerd. In de Chinese dierenriem ben ik op een paar dagen na nog net een Tijger. Op een periode van 12 jaar vind ik dat best weinig maar toch herkende ik me weer helemaal in de eigenschappen van de Tijger. Maar zoals gezegd, ik ben inmiddels wel wat kritischer en dag, week of maand horoscopen beschouw ik als grote onzin. De algemene eigenschappen van sterrenbeelden, daar zie ik nog steeds wel wat in.
Deze inleiding leidt uiteraard naar een gedicht. In dit geval een gedicht van Lévi Weemoedt (1948, pseudoniem van van Isaäck (Ies) Jacobus van Wijk) uit de bundel ‘Van Harte Beterschap’ Kleine trilogie der treurigheid uit 1982. het grappige feit doet zich voor dat dit gedicht eigenlijk helemaal niet gaat over een sterrenbeeld of horoscopen.
.
De Waterman
.
Geen kleuterschool zag ooit zo’n zoete jongen
als ik: ik vocht niet, brak geen ruit;
‘k zat aan mijn tafeltje als alle and’ren sprongen
en prikte dag aan dag hetzelfde eendje uit.
.
Maar als ik klaar was en het eendje lag, gescheiden
van ’t blijde waterleven, doodsbleek in mijn hand,
dan weende ik bitter om dit aangerichte lijden
en ‘k dacht: heeft Blijheid steeds zo’n zwarte binnenkant?
.
Om tien voor vier renden mijn tijdgenoten
dwars door de schooldeur heen, op weg naar Vrolijkheid;
.
ìk zat nog ’s avonds laat, door werksters ingesloten,
snikkend het eendje terug te stoppen in zijn bijt.
.
PS
O, ‘k zag de juffrouw heus wel op haar voorhoofd tikken,
maar ‘k vroeg de dag erna tóch of ik weer mocht prikken!
.

















