Site-archief

Bevlogen en bevangen

Marcel van Maele

.

In het M HKA (Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen) in Antwerpen was een tentoonstelling gewijd aan de dichter en kunstenaar Marcel van Maele (1931-2009). Deze dichter, beeldhouwer, prozaïst en toneelschrijver schreef ‘rebelse’ poëzie, in taal vol neologismen die breekt met semantische en syntactische  regels. Hij was een van de leidende figuren van het tijdschrift Labris (1962-1976), waarin een experimentele stijl prominent aanwezig was. Hij was lid van de Zestigers . Van Maele was de laatste 20 jaar van zijn leven volledig blind.

Uit zijn bundel ‘Over woorden gesproken’ uit 2006 het gedicht dat hij opdroeg aan de dichter Guido Gezelle (1830-1899). Gezelle was een Vlaamse rooms-katholieke priester, lyrisch dichter en hekeldichter, taalwetenschapper, leraar, journalist en vertaler, die vooral schreef over onderwerpen als natuur, vriendschap, religie en de dood. De toon en de manier van aanspreken deed me heel erg denken aan het gedicht dat ik schreef met de titel ‘Open brief aan professor Rümke’.

.

Bevlogen en bevangen

Voor Guido Gezelle

.

Het woord aanroepen en de zinnen belagen,

het woord dat bindt, het woord dat breekt,

dat tiert en en giert en verder viert,

dat kruipt en sluipt en zich verderstrekt

of dichtgeklapt wat bekken trekt.

.

Ik luister naar uw gedicht

dat mij soms wankelen doet en schrijf

het mijne met mijn ogen dicht.

Ik huiver als ik op uw schaduw trap

als gij mij met uw god belast en

in al wat zoet is zijn gebaar herkent.

Gij schrijft me neer en meer en smeert me

keer op keer dat godbestaan weer aan.

.

De stem die zich verheft en stilte gebiedt

als het woord de taal verlaat en zwerven gaat.

Aanhoor nu dat zwijgen langs alle kanten,

de wind die liggen gaat,

gekust de bloem en uitgelezen

de lamme die de trommel slaat.

.

Het dondert en bliksemt niet

René Huigen

.

Dichter, vertaler, essayist en schrijver René  Huigen (1962)  maakte oorspronkelijk deel uit van de Maximalen, maar verliet deze groep al snel. Hij concentreert zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft. Huigen doceerde in de jaren negentig van de 20e eeuw aan de Schrijversvakschool ’t Colofon in Amsterdam. In 1999 doceerde hij poëzie aan de Universiteit van Michigan. René Huigen debuteerde met de bundel ‘Paleis der ingewanden’ in 1989. De bundel ‘Geen muziek & geen mysterie’ uit 2003 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

In ‘In Liefde Bloeyende’ De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten’, nam Gerrit Komrij het gedicht ‘Het dondert en bliksemt niet’. Komrij noemt het een gedicht dat brutaal en ook wel geestig is van een dichter die laat zien dat hij donders goed weet waar de klepel hangt in de moderne poëzie. En;l De dichter is de magische schepper van zijn eigen wereld. Hij vraagt de lezers alleen maar of ze bereid nzijn in de ban van het gedicht te blijven, of ze het gedicht zolang het duurt niet willen verlaten. Dat laatste zeker niet lijkt me.

.

Het dondert en bliksemt niet

.

Mooi weer spelend wordt als donderslag

bij heldere hemel zonneklaar

dat tegen die achtergrond

 

het decor als foto

op het golfkarton van

een spiegelgladde zee is geplakt

 

Dat het niet dondert en bliksemt

hoe beelden aarde maken, hoe

de snavel van een vogel met zijn veren

kortgesloten wordt, of hoe

wat woord is tot stof verwordt

 

Zolang de suggestie zich ontlaadt

in wat tegelijkertijd wordt opgewekt,

als een zichzelf bedruipende kaars

in de vorm van een hondje

dat het eigen kaarsvet oplikt

.

Uit mijn boekenkast

e.e. cummings

.

In mijn boekenkast staan een paar bundels van de Amerikaanse dichter e.e. cummings (1894 – 1962). Een van de aardigste vind ik de bundel ‘selected poems 1923 – 1958’ een Penguin pocket uit 1963 (uit de serie The Penguin Poets).  In deze bundel is het bijzondere taalgebruik van cummings nog niet zo gestileerd. Dichter, schrijver en kunstschilder cummings, was een van de meest radicaal experimentele en inventieve schrijvers van de 20e eeuw. Zijn stijl wordt gekenmerkt door typografisch non-conformisme, het gebruik van jazzritmes, jargon en andere elementen uit de populaire cultuur. Maar zoals gezegd zijn zijn vroegere gedichten vaak nog niet zo radicaal van vorm.

De gedichten van cummings hadden ook in zijn vroege jaren zelden een titel en worden in de index dan ook gerangschikt op de eerste zin (wat veel lezers dan ook vaak aanzien voor de titel). Omdat ik een groot liefhebber ben van het werk van cummings en omdat ik weet dat hij nog steeds veel fans heeft ook in Nederland hier het gedicht zonder titel met als eerste zin ‘Humanity i love you’.

.

Humanity i love you
because you would rather black the boots of
success than enquire whose soul dangles from his
watch-chain which would be embarrassing for both
.
parties and because you
unflinchingly applaud all
songs containing the words country home and
mother when sung at the old howard
.
Humanity i love you because
when you’re hard up you pawn your
intelligence to buy a drink and when
you’re flush pride keeps
.
you from the pawn shop and
because you are continually committing
nuisances but more
especially in your own house
.
Humanity i love you because you
are perpetually putting the secret of
life in your pants and forgetting
it’s there and sitting down
.
on it
and because you are
forever making poems in the lap
of death Humanity
.
i hate you

,

De dichter is een koe

Gerrit Achterberg

.

Via via ( ik mag graag browsend van het ene naar het andere artikel of website surfen op Internet, zo kom je de interessantste dingen tegen) kwam ik al lezend uit bij een artikel waarin verwezen werd naar de beginregels van een gedicht. Dit gedicht heb ik op DBNL.org gevonden en blijkt van Gerrit Achterberg (1905-1962) te zijn. De beginregels zijn: Gras… en voorbij het grazen / lig ik bij mijn vier poten / mijn ogen te verbazen. Het zijn de beginregels van het gedicht ‘De dichter is een koe’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Eiland der ziel’ uit 1939.

In een artikel van Hugo Brems uit 1991 over dit gedicht schrijft hij: “Dit beroemde gedicht van Achterberg wordt doorgaans gelezen als de uitwerking van de metafoor die al in de titel wordt uitgedrukt. De dichter, die vooreerst algemeen (‘De dichter’) met een koe wordt geïdentificeerd, verschijnt in het gedicht als ik, als geïndividualiseerde, sprekende koe, die zich bezint over haar eigen gedrag en haar eigen gedachtengang en die bovendien commentaar levert op de houding van anderen tegenover haar (en vice versa): kikkers, kinderen, de boer. Zonder titel lijkt het wel een met verwondering en gevoeligheid geschreven inleving in de koe, een ‘testament to his country roots’ zoals Paul Vincent het formuleerde in een commentaar bij zijn Engelse vertaling van het gedicht. Mét de titel erbij wordt het een nogal doorzichtig gedicht over het dichterschap: de dichter als herkauwer, die put uit het onderbewuste en ten slotte zijn gedichten als voedzame melk aan de lezers meedeelt.”

Ik zet dit laatste stuk er met opzet bij om te laten zien wat een titel met een gedicht kan doen. Zonder titel zou dit gedicht inderdaad een uitwerking van een metafoor zijn, wordt er iets gevraagd van je, als lezer, namelijk de metafoor in te vullen. Met de titel erbij wordt het meteen duidelijk wat de dichter bedoelt. Een titel kan dus een heel mooie toevoeging zijn aan een gedicht maar kan ook soms meteen al teveel weggeven. Het mooiste vind ik, is wanneer een titel een stukje van de puzzel (het gedicht) is, een onderdeel dat je meeneemt in het lezen van het gedicht en dat je nodig hebt om een gedicht te doorgronden. Dichters (ook ik) hebben soms de neiging in de titel een verklaring of uitleg van het gedicht te stoppen. Voor het gedicht en voor de lezer is het beter dit niet te doen.

.

De dichter is een koe

.

Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben – de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

.

Poëzie verkoopt niet

Poëzie is populair

.

Ik kan je bijna horen vragen huh? Bij de aanhef van dit stuk over poëzie staat ‘Poëzie verkoopt niet’ en meteen daaronder ‘Poëzie is populair. Dat lijkt een tegenstelling en toch is het dat niet. In ‘Schrijven magazine’ van februari dit jaar staat een lang artikel over poëzie. Dat poëzie leeft maar slechts mondjesmaat wordt verkocht.

Het artikel begint, zoals zo vaak, met het onderzoek dat Kila van der Starre deed in 2017 over de belevenis van poëzie door de Nederlander. Uit dat onderzoek blijkt dat maar liefst 97% van de Nederlanders in aanraking komt met poëzie. Kila plaatste nog gisteren een post op Instagram dat ze benaderd werd door de Telegraaf over dat zelfde onderzoek, 6 jaar na verschijnen. Dat in aanraking komen met poëzie gebeurt, je raadt het al, vooral buiten het boek. Op gebouwen, Internet, in kranten, in theaterzalen op de radio enzovoorts komen de Nederlandsers poëzie tegen.

Veel (vooral jongeren) lezen poëzie online. Zoals via InstagramUit een zoekwoord analyse van Arjan Jonker blijkt dat er maar liefst 2,4 miljoen keer per jaar op gedichten of poëzie wordt gezocht online. Omdat dat natuurlijk niet alleen de termen zijn waarop men zoekt ligt het totaal van zoekopdrachten nog veel hoger (denk aan dichter, dichtbundel etc.).

Een andere conclusie is dat Vlamingen en Nederlanderspoëzie vaker gezamenlijk ervaren, veelal auditief, dus door ernnaar te luisteren. Overigens staan de top 10 van best verkochten bundels van Vlaanderen en Nederland ook geplaatst in het artikel. Opvallend vind ik dat van de 10 er in Nederland maar liefst 6 in staan van buitenlandse dichters (vooral Rupi Kaur drie keer) en in Vlaanderen slechts drie (allemaal van Rupi Kaur). In Vlaanderen staan ook hedendaagse dichters als Delphine Lecompte (op 1 en op 6), Lieke Marsman (op 3), Maud Vanhauwaert (op 7), David Troch (op 8) en Leo Bormans (op 10). Terwijl in Nederland Lieke Masrman (op 1 en 5), De Poëzieboys (op 9) en Merel Morre (op 10 staat). In bedie landen staat alleen in Vlaanderen op 4 een klassieke held uit de poëzie namelijk het verzameld werk van Paul Celan.

Uit het onderzoek van Kila blijkt dat mensen dichtbundels lezen om: geraakt te worden (25%) of om een gedicht uit te zoeken voor een gelegenheid (20%). De verkoop van dichtbundels loopt al langere tijd terug. Dat is deels te verklaren doordat met name jongeren steeds minder boeken lezen en in toenemende mate online maar ook blijkbaar omdat het aantal mensen dat intrinsiek gemotiveerd is om poëzie te lezen om de schoonheid of de taal erg klein is en kleiner lijkt te worden.

Een voorzichtige conclusie van de hoofdredacteur in zijn redactionele stuk is dat poëzie definitief is losgeraakt van het papier. Is dat erg? Ik denk van niet, mis je iets als je geen poëziebundels leest? Ik denk van wel, de ware liefhebber zal begrijpen wat ik bedoel. Maar zoals de science fiction al jarenlang het kleine stiefzusje is van de lietartuur maar wel gelezen wordt door een kleine maar enthosuaiste groep liefhebbers, zo is het ook met de poëzie. Tel daarbij de aandacht voor poëzie buiten het boek en ik denk dat de conclusie moet zijn  dat A.: poëzie inderdaad steeds minder verkoopt en B.: dat poëzie populair is.

Geen blogbericht zonder gedicht dus daarom een gedicht over poëzie.   In dit geval het gedicht van Rogi Wieg (1962-2015) getiteld ‘Poëzie’ uit zijn bundel ‘De zee heeft geen manieren’ uit 1987.

.

Poëzie

.

Nu is het dus dat ik niet meer weet

hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand

zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet

niet wat je was: ogen, haar, een hand

.

om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen,

de stadsweg waarover je naar huis gaat,

mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen

van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat

.

alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig,

– en al die mooie dingen dan –

om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichgtvaardig.

.

Er is weinig taal in mij om zaken

te omschrijven zoals duit gebrek aan angst;

dus noem ik maar wat afgebroken wordt om nog iets goed te maken.

.

 

Literaire anekdoten

Gerrit Achterberg

.

In 1988 verscheen bij de Bijenkorf ‘Het literair anekdoten boek’. Een onderhoudend en vrolijk boek, zo belooft de achterflap. En dat is het ook. Een boek vol onderwerpen (op alfabetische volgorde) met de meest bizarre, ongelofelijke en interessante feiten en feitjes aangaande de literaire wereld. Uiteraard ben ik dan in het bijzonder geïnteresseerd in de anekdoten rondom poëzie en dichters en daarin word ik niet teleurgesteld.

Zo is er bij het onderwerp Pinksterprijs het volgende te lezen: De dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) kreeg slechtsgedicht, gedichten, dichtbundel, gedichtenbundel, poëziebundel,  geleidelijk aan literaire erkenning. ‘Toen in 1946 opnieuw een literaire prijs aan Achterberg voorbijging (de prijs van de Maatschappij voor Letterkunde werd toegewezen aan Ida Gerhardt, een feit waartegen Bertus Aafjes, Vasalis en Ed. Hoornik in Vrij Nederland protesteerden), besloot mr. Joan Th. Stakenburg, onder toejuiching van literaire vrienden aan een cafétafel van Reynders in Amsterdam, de eenmalige Pinksterprijs ( ƒ 1000,-) voor Achterberg in te stellen. De prijs werd toegekend voor de bundel ‘Radar’ en uitgever-boekverkoper Balkema stelde de gehele opbrengst ter beschikking van Achterberg’.

In de jaren hierna kreeg Achterberg de erkenning die hij verdiende. Zo ontving hij onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Uit de bundel ‘Radar’ komt het gedicht ‘Qualiteit’. Voor een analyse van het gedicht kijk je op deze website.

.

Qualiteit

.

Hebt gij volgorde nog
van boven naar beneden,
van links naar rechts, alsmede
totaalgetal en samenhang?
Bleven de maten even lang,
die ik op u heb aangebracht?
Zijt gij uzelf de eerste nog
en eenige, of alreede
zevende, negende, ongeacht
welk ranggetal in reeksen,
die u vermeesterden, in  ‘t zog
trokken der quantiteit …. en toch
hield gij daarin het teeken,
dat u bewaart en duidt tot in
verste verandering?

.

Ezelsoren

Berijmde bokkesprongen

.

In 1962 verscheen bij Wereldbibliotheek -Vereniging een bundel van M. Mok. Een bundeltje met kolderrijmen of light verse zouden we tegenwoordig zeggen. Maurits Mok (1907-1989) was schrijver, dichter, literatuurcriticus en vertaler. Als correspondent op een handelskantoor (waar vind je dit soort banen nog?) schreef en publiceerde hij gedichten in het Katholieke tijdschrift De Gemeenschap. In 1934 debuteerde hij met de roman ‘Badseizoen’. Door zijn Joodse afkomst veranderde hij zijn naam van Mozes Mok naar Maurits Mok en in de tweede wereldoorlog publiceerde hij onder pseudoniemen als Hector/Hendrik Mantinga, Victor Langeweg en Jan Luyken jr.

Maurits Mok was in de jaren dertig en veertig een van de weinige auteurs die verhalende, epische, gedichten schreven. Hij zag in deze dichtvorm een mogelijkheid om strijdbaarheid uit te drukken, maar moest later wel erkennen, dat deze dichtwijze vatbaar was voor gemeenplaatsen en rijmdwang. In zijn latere gedichten vond Mok een korte en betere vorm om zijn gedachten uit te drukken. Het thema van de menselijke vergankelijkheid valt in zijn poëzie samen met het lot van het joodse volk.

Mok ontving verschillende literaire prijzen. In 1957 de Herman Gorterprijs en de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor ‘Stormen en Stilten’ uit 1956, de prijs van de stichting Kunstenaarsverzet in 1958, de Henriëtte Roland Holst-prijs in 1962 en de Marianne Philipsprijs in 1968.

In 1962 verscheen dus ‘berijmde bokkesprongen’ waarover J. A, Blokker in zijn inleiding onder andere schrijft: “Ik hoop dat bij Mok de victorie begint. Ik hoop dat er een dag komt waarop de gehele Nederlandse dichtersbent op een avond – in de avondzon – een sober balcon betreedt en zich afvraagt: “Waarom ben ik geen kip of haan, / dan had ik bonte veren aan…” Want dat vraagt men zich te weinig af in dit land.”  Blokker refereert hiermee aan het gedicht  ‘een dichter’ waarin Mok pleit voor meer verbeelding (iets wat we in deze tijd ook goed zouden kunnen gebruiken).

Ik koos voor het gedicht ‘de ezelsoren’ waarin de verbeelding de vrije ruimte krijgt.

.

de ezelsoren

.

er waren eens twee ezelsoren,

die hadden hun oriëntatie verloren.

.

Hoorden zij thuis in een schrift of een boek,

of raakten zij van een schedel zoek?

.

Na vier uren hoor en wederhoor

keek elk de ander diep in het oor.

.

De ene sprak tot zijn metgezel:

“Jij bent van zuiver ezelsvel!”

.

En daarop sprak het stukje dier:

“Jij bent van omgekruld papier!”

.

Hetgeen tot zodanige vijandschap leidde,

dat hier op slag hun wegen scheidden.

.

Belvedère

Peters over Wieg

.

In zijn debuutbundel ‘Belvedère’ uit 2021 denkt dichter Arjan Peters terug aan gestorven schrijvers, vrienden en familie, aan een voorbije liefde, aan de onvoltooide verzen van geliefde dichters, en aan het leven en de liefde in het heden. Peters (1963) studeerde Nederlands en is al dertig jaar bekend als literatuurcriticus, columnist en interviewer.

In deze bundel staat ook het gedicht ‘Rogi Wieg’. Toen ik dit gedicht las wist ik dat ik dit ging plaatsen in de categorie dichters over dichters. Peters beschrijft een ontmoeting met schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant Rogi Wieg (1962-2015) die leed aan ernstige depressies waardoor hij driemaal een poging tot zelfmoord deed. Uiteindelijk overleed Wieg door euthanasie wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden. Dit aspect komt in het gedicht duidelijk naar voren. Het gedicht is het openingsgedicht van het hoofdstuk ‘Met het einde voor ogen’.

.

Rogi Wieg

.

Eén oog bleef leep geloken boven de bunny
op je badjas, en grijnzend gaf je me een trilhand
toen ik jouw afscheid van de lezers kwam noteren
.
zonder idee hoe zoiets moet, maar dat had jij
al evenmin. Hartbrekende taferelen had ik vermoed
maar jij ging op je keyboard zitten spelen
.
en zong er een blues bij. Zei even later, verbaasd:
‘Wat ging het snel, het leven.’ De goulash was goed
en al verzekerde je me hoe dood je wilde
.
omdat jouw toverdraad al lang gebroken was
en er geen apotheek bestand bleek tegen de wildgroei
van kwalen waar je zelf zo geboeid van verhaalde –
.
in gekke opgewektheid reed ik weer naar huis.
Het wezenlijke gaat vanzelf
en snel. Niemand kan het je leren.

.

Stad van schrijvers

Antwerpen

.

In 2004 was Antwerpen Wereldboekenstad of zoals het officieel heette World Book Capital 2004. Vanwege haar bijzonder rijke aanbod als boekenstad (Antwerpen beschikt over prachtige archieven, bibliotheken en musea alsmede twee grote boekenbeurzen, uitgeverijen en boekhandels, literaire festivals en een veelvoud aan literaire organisaties). Enige jaren geleden heb ik samen met een aantal collega bibliotheekdirecteuren een bezoek gebracht aan Antwerpen en toen viel me al op dat de gemeente een ambtenaar speciaal voor boeken en literatuur had, iets wat ik nergens ooit ben tegen gekomen.

Wat Antwerpen ook boekenstad maakt is het grote aantal schrijvers dat er woont en werkt. In 2004 zette de stad samen met partners een uitgebreid programma op, ABC2004. Artistiek coördinator was Michaël Vandebril.  Met steun van de Antwerpse bibliotheken werd het project ‘Levende schrijvers’ opgezet, een portrettengalerij van 26 ‘Antwerpse’ auteurs. Een deel is in Antwerpen geboren en getogen in de stad een ander deel is er komen wonen en werken.

De fotograaf Andy Huysmans portretteerde dichters, romanciers, scenaristen en theaterauteurs in hun huiselijke omgeving. Alle schrijvers werd gevraagd een gedicht of tekstfragment te kiezen bij de foto. Alle foto’s en gedichten/tekstfragmenten verschenen in een boek met de titel ‘Levende schrijvers’.  Veel dichters dus met bekende namen als Bart Moeyaert, Hugo Claus, Peter Holvoet-Hanssen, Joke van Leeuwen en Ramsey Nasr. Maar ook Marcel van Maele (1931 – 2009). Deze dichter, beeldhouwer, prozaïst en toneelschrijver schreef ‘rebelse’ poëzie, in taal vol neologismen die breekt met semantische en syntactische  regels. Hij was een van de leidende figuren van het tijdschrift Labris (1962-1976), waarin een experimentele stijl prominent aanwezig was. Hij was lid van de Zestigers . Van Maele was de laatste 20 jaar van zijn leven volledig blind.

In de bundel is hij met foto en het gedicht ‘Onverwoord’ opgenomen.

.

Onverwoord

.

Als fluistervinken ingedut

wachten woorden op mondig worden

en dromen forellen en metgezellen,

flarden heimwee en zaligheid.

.

En de dichter, hij nadert

de bron waarin de woorden worden

en legt er een oorsprong ver

zijn oren te kijk.

.

En later als het water luider wordt,

als de klanken zich verbeelden,

als de taal haar tanden in de tongen slaat,

spring in ’t veld oplaaiend lawaai.

.

En hoe bij het doven van de geluiden

woorden ontstaan, hoe ze naar handen tasten

zodat de dichter ze kneden moet. En hij die

watertandend naar woorden dorst mag mee

naar zee.

.

Waterspiegelbeelden

Nel Noordzij

.

De Rotterdamse dichter en schrijver Nel Noordzij (1923-2003) studeerde pedagogiek en psychologie. Dat is heel goed te zien in haar werken. De belangrijkste thema’s uit haar vrij omvangrijke oeuvre zijn het isolement ten gevolge van lichamelijke of geestelijke trauma’s. Zij beschrijft de gevoelens van haar personages inzake liefde en seksualiteit met een grote openhartigheid.

In haar poëzie probeerde zij het diepste van de menselijke ziel bloot te leggen. Noordzij verbloemde niets en haar taalgebruik was vaak hard. En toch schreef ze ook gevoelige gedichten. In haar bundel ‘Leven zonder opperhuid’, verschenen als Literaire Pocket bij de Bezige Bij in 1962, staat het liefdesgedicht ‘Waterspiegelbeelden’ en daarin is van harde taal niets te lezen. Oordeel zelf.

.

Waterspiegelbeelden

.

En de liefde, deze,

die zo stilstaand voor zich uitstaart,

waterspiegelbeelden spigelt

en verwaand als deze liefde

lief bewaard gebleven is,

.

Zo stil staan in je ogen, liefde,

spiegeltranen en pupillen omgekeerd

als waterspiegelbogen,

bogenbeelden en herinneringen

tot de rand gevuld.

.

Zo stil staat liefde in je ogen,

in je ogen staat

en omgekeerd.

.