Site-archief
Van alles de laatste
Elise Vos en Eddy Verloes
.
In de bundel ‘Van alles de laatste’ uit 2025, scharen dichter Elise Vos (1984, dichter en Slavist) en Eddy Verloes (1959, germanist, fotograaf, galerist en curator) zich rond het begrip vergankelijkheid en willen ze schoonheid toevoegen aan deze existentiële zoektocht. Hun observaties leggen onomstotelijk vast dat er een prachtige wereld verborgen ligt in die tijdelijkheid. Het verdiept de waarde van mensen, dingen en relaties. Het geeft een extra dimensie aan onomkeerbaarheid, aan te laat zijn.
Dit lees ik achterin de bundel ‘Van alles de laatste’ en ik kan het er alleen maar mee eens zijn. Vergankelijkheid in al zijn vormen (afbraak, leegstand, verrotting, slijtage, ineenstorting) blijkt steeds opnieuw een bron van inspiratie voor kunstenaars (en dus ook dichters en fotografen). Zo ook dus voor Elise en Eddy.
In 27 sfeervolle foto’s van vergankelijkheid en even zoveel gedichten nemen de beide auteurs je mee in hun wereld. Qua uitvoering en formaat deed de bundel me even denken aan mijn debuutbundel waarnaar dit blog is genoemd maar de foto’s en de gedichten zijn van een andere aard. Voor wie van pure fotografie houdt waarbij het in veel gevallen niet meteen duidelijk is waar je naar kijkt en de daarbij gemaakte gedichten die licht schijnen op deze onduidelijkheid (vanuit de dichter) is dit zeker de moeite waard te lezen en te bekijken (en ervaren!).
Ik koos voor het gedicht ‘Afscheidsritueel’ behorende bij de foto ‘The Origen’ op pagina 46 en 47.
.
Afscheidsritueel
.
altijd was er meer water dan aarde
elke bodem kon ons dragen
.
ik bracht de koude van de bron
aan tafel in stilte, de kracht intact
.
rolde over dampende weidegrond
het vocht drong binnen
voor de droogte intrad
.
maar kiemen werden gedragen
door wolken draden
en je kleed in geitenhaar
.
dit is geen verzoek, keer niet terug
ik strooi zout in je schoenen
.
knoop alvast een rode draad
om je gezwollen lichaam
.
leg een naald onder je kussen
het kind op de welving van je buik
.
Gouden munt
Tj. A. de Haan
.
In 2019 schreef ik een blogpost over de bundel ‘Album van de Indische poëzie‘ uit 2014. Ik plaatste daar toen een gedicht bij van de dichter Tj. A. de Haan. Naar aanleiding van dat bericht kreeg ik een reactie van zijn zoon die mij meer kon vertellen over zijn vader Tjaarda Aldert de Haan (1909-1984). Naar aanleiding van dit bericht heb ik een paar keer met dhr. de Haan gebeld en hij heeft zijn zus, mevrouw A.M. Schermer – de Haan gevraagd om mij een exemplaar van ‘Gouden munt’ en ‘Mnémosyné’ toe te sturen, wat ik graag aanvaarde. De bundel ‘Gouden munt‘ mocht ik houden en daar heb ik later weer een gedicht uit gedeeld.
Nu kreeg ik deze week opnieuw een reactie op mijn blog, dit keer van de zoon van Aldert Willem de Haan, Peter de Haan, en dus de kleinzoon van Tj. A. de Haan, dat zijn vader vorig jaar is overleden op 90 jarige leeftijd. Op zijn blog schreef hij een bericht over zijn vader en grootvader. Als eerbetoon schreef hij er een gedicht over. Ik heb goede herinneringen aan mijn gesprekken met Aldert Willem, ze waren inhoudelijk en hij wist veel over zijn vader te vertellen. Als eerbetoon van mij aan hem een gedicht van zijn vader (volg je me nog?) uit zijn bundel ‘Gouden munt’ uit 1975 en wel het titelgedicht.
.
die glansde in de zon,
een munt die ik aan niemand
en nooit meer kon geven.
ik hield hem vast in mijn droom,
ik hield hem vast als een vogel,
zo rustig in een boom.
was de munt plotseling
voorgoed uit mij verdwenen,
ik weet niet meer waarheen.
nu loop ik door de stad,
en vraag aan alle mensen:
wie heeft mijn munt gehad?
De nacht van de onmogelijke terugkeer
Liesbeth D’Hoker
.
In Dietse Warande & Belfort, het literaire tijdschrift ook wel bekend onder de afkorting DW B, van december 2025 staan naast een aantal interessante artikelen ook een aantal gedichten. Onder andere van Liesbeth D’Hoker. Voor mij een nieuwe naam. Liesbeth D’Hoker (1984) is dichter, essayist, leraar Nederlands en literatuurcritica voor onder andere DW B, de lage landen en de reactor. Daarnaast maakt ze deel uit van de jury van de Libris Literatuurprijs en zat ze tot voor kort in de adviescommissie non-fictie van Literatuur Vlaanderen.
Liesbeth is, net als ik en vele andere dichters, lid van het collectief De Klimaatdichters. In 2025 debuteerde ze met de bundel ‘Want straks komen de wolven’ bij het Poëziecentrum in Gent. Deze bundel is genomineerd voor de Granate prijs 2025. De bundel vormt een introspectieve reis waarin natuur, lichamelijkheid, herinneringen, kwetsbaarheid en verlangen centraal staan. Hieronder het gedicht ‘De nacht van de onmogelijke terugkeer’ uit DB W.
.
De nacht van de onmogelijke terugkeer
.
ik beken aan de dieren op fluistertoon
dat we niet deugen deze nacht
onze blik ongeschikt voor zoveel weeïgheid
.
we varen blind
hebben de kaarten aan de hemel uitgewist
met het teveel aan zelf dat we verspreiden
de oraties die we het ruim injagen
.
hebben de sterren uit de hemel geroofd
laten het voorwereldlijke verbleken
we varen blind
met botte hand en maalkiezen in overvloed
.
de weg kronkelt weerbarstig
een lichtplas tast schichtig de heuvel af, raakt bosschages
struweel, een dichtbegroeide baai vol duisternis
.
grashalmen trillen in verlate zeewind
de dunne poten van het hertenkalf
onze angst fixeert ons in opgeschrikte ogen
loopt uit in het peilloze zwart
.
een everzwijn kruist onverstoorbaar de kloof
verderop lekt nog een dassenjong
geronnen duister
.
een scheur in nachtelijk asfalt
terugkeer waarvoor we niet deugen
.
Toen ik dood was (een versje)
Wim Hofman
.
De laatste tijd lees ik wat meer dichters op leeftijd. Ik weet niet wat daar de reden voor is (misschien is er helemaal geen reden maar is het toeval) maar ik merk dat ik geïnteresseerd ben in juist het wat oudere werk van oudere dichters. Zo las ik de afgelopen week in de bundel ‘Je bent mijn liefste woord’ gedichten voor bijzondere momenten uit 2015, een gedicht van schrijver, illustrator, beeldend kunstenaar en dichter Wim Hofman (1941).
Ik ken Wim als dichter al veel langer hoewel de meeste mensen hem vooral zullen kennen van zijn kinderboeken als ‘Wim’ uit 1977 en ‘Aap en beer’ uit 1984. Wim ken ik ook omdat hij een bijdrage schreef voor MUGzine #12. In die editie is naast werk van hem ook poëzie opgenomen van Anton Korteweg, Jana Beranová (die de Anna Blamanprijs heeft gekregen vorige week) en de Vlaamse dichter Amina Belôrf. In diezelfde editie zijn foto’s opgenomen van fotograaf Scarlett Hooft Graafland, die op dit moment een grote en mooie overzichtstentoonstelling heeft in het nieuwste rijksmuseum van Nederland Panorama Mesdag.
Terug naar het gedicht van Wim in ‘Je bent mijn liefste woord’ dat als titel draagt ‘Toen ik dood was (een versje)’. Het gedicht werd overgenomen uit zijn bundel ‘Na de storm’ uit 2005. Het bijzondere aan dit gedicht , vind ik, dat het door de toevoeging (een versje) lijkt alsof het een kinderversje is. Maar niets is minder waar. Het begint als versje maar de laatste twee strofen lopen daarbij uit de pas. Ook het onderwerp is nou niet direct iets voor een versje. Oordeel zelf.
.
Toen ik dood was (een versje)
.
toen ik dood was gingen jullie naar huis
en jullie ruimden alles op
schelpen stenen scherven gruis
.
gordijnen deuren en ramen open
in mijn bed een inktzwarte vlek
in de kast kakelden papieren
niets stond op zijn plek
.
mijn stoel was al kilometers ver
een stofwolkje op de oude straatweg
.
op tafel een taart zonder kaarsjes
maar met een kersje voor ieder een kersje
.
De klopper van het geluk
Valeria Di Felice
.
De Italiaanse dichter, uitgever en vertaler Valeria Di Felice (1984) is een Italiaanse dichter, uitgever en vertaler, publiceerde de dichtbundels ‘L’antiriva’ (2014), ‘Attese’ (2016) en ‘Il battente della felicità’ (2018). In 2023 verscheen in een vertaling van haar hand een keuze uit het werk van Anna de Brémont (1849-1922) een Amerikaanse journalist, schrijfster, dichter en zangeres, getiteld ‘Sonetti e Poesie d’amore’.
Valeria Di Felice is medeoprichter van het Casa della Poesia in de Abruzzen. In 2021 verscheen bij uitgeverij Atalanta Pers ‘De tegenoever’, een vertaling door Willem van Toorn en Patrizia Filia van ‘L’antiriva’. De bundel is inmiddels ook verschenen in het Arabisch, Spaans en Roemeens.
Uit de bundel ‘De klopper van het geluk’ ( ‘Il battente della felicità’) vertaald in dit geval door Patrizia Filia en Ineke Holzhaus, drieëndertig gedichten verdeeld in drie secties, vertelt over de liefde tussen een ‘ik’ en een ‘jij’, waarbij de ‘ik’ probeert niet alleen de ‘jij’ te ontdekken en wat hen verbindt, maar ook zichzelf, hier gedicht 2 en 5. Meer over deze bundel lees je hier. Deze bundel is nog niet gepubliceerd in Nederland
.
2
Nu moet ik het doen – zeg ik tegen mezelf –
de bron uitkiezen van de glimlach
de parel gewiegd in de mond
van de vreugde.
Ik moet – nu – een kus geven aan jouw kus,
scharlaken veertje gegleden
over de lichtheid van de wereld,
de witte handschoen neergedrukt
op de oevers van de ander.
.
5
Je hier houden, in vloeibare dromen
van slapeloze nachten, in een onverwacht april
van een ochtend die zich blauw maakt van licht.
In een onbekend alfabet
en regenbogen van zijde,
in de gewelfde rondingen
van een hart dat de stilte doet zwijgen.
Je hier houden is dichterbij
het wonder komen ergens anders te zijn,
de gouden mond van een gedicht
herboren buiten de rite van de zon.
.
Sweet Bahnhof
Wilfred Smit
.
Wilbinus Hendrik Coenraad Smit (1933-1972) of Wilfred Smit onder welke naam hij beter bekend was, moet wel een van de meest bijzondere voornamen hebben die ik ooit gelezen heb. Wilbinus is niet een naam die ik ooit eerder hoorde of las. Smit werd geboren in Nederlands-Indië en op 15 jarige leeftijd verhuisde hij met zijn ouders naar Nederland. Hij studeerde vanaf 1953 Slavische taal- en letterkunde in Leiden. In 1969 werd hij docent geschiedenis van de Russische Letterkunde.
In 1959 debuteerde Wilfred Smit met de bundel ‘Een harp op wielen’. In 1963 volgde de bundel ‘Franje’ en in 1971 ‘Verzamelde gedichten’. Een jaar later stierf hij op jonge leeftijd aan een hersentumor. Weinig mensen zullen deze dichter kennen van naam en of van werk. Toch heeft een gedicht van Smit uit 1956 enige vorm van eeuwigheidswaarde gekregen. In 1983 verscheen dit gedicht in een Themanummer van BZZLLETIN 110 en een jaar later, in 1984, werd dit gedicht door de Nederlandse popband The Nits gebruikt voor hun lied “Adieu Sweet Bahnhof”, en dan vooral de twee na laatste zin. Dit nummer werd een grote hit in Nederland.
.
Sweet bahnhof
.
Drijft men dan steeds verder
uit elkaar? het afscheid schuift
een opdringerige oom tussen ons in.
sluit de ogen af- ja dit is vlucht,
een handvol kaarten laten vallen
omdat men in onze vingers knipt.
wurg alle lichten – rasse schreden
maakt mijn vertrek, reusachtig,
als op stelten wadend door de mist.
adieu adieu sweet bahnhof –
een convooi melaatsen wacht
in alle stilte de nalaatste trein.
.
Moedermomenten
Sylvie Marie
.
Over moeders zijn bijna net zoveel gedichten geschreven als over de dood, de liefde en de poëzie zelf (vermoed ik). Een dankbaar onderwerp voor veel dichters. Of het nu gaat over moeders en zoons, moeders en roken, de moeder de vrouw of de moeder als muze (en zo kan ik nog wel even doorgaan) veel moeders zijn bezongen in gedichten. Er zijn zelfs bloemlezingen gemaakt met louter gedichten over moeders.
Ik schrijf dit omdat ik in de bundel ‘Zonder’ uit 2009 van Sylvie Marie (1984) een gedicht lees dat anders is, dat nu eens niet over een moeder is geschreven vanuit een soort van verering maar dat is geschreven zonder gene en mededogen. Het gedicht ‘Moedermomenten 10’ lijkt een soort aanklacht te zijn tegen een overheersende moeder. Er zijn overigens inderdaad 10 moedermomenten beschreven die eerder verschenen in Het Liegend Konijn, jaargang 6 uit 2008.
.
Moedermomenten 10
.
Poëzie en rouw
Dromen dromen
.
In de Volkskrant van zaterdag viel me weer eens op hoe vaak poëzie wordt gebruikt in rouwadvertenties. Dat zal bij andere kranten overigens niet anders zijn. Ik las strofen uit gedichten van Hans Faverey (1933-1990) : ‘Zo begint het, en moet zo lang. / Te lang begonnen blijven’, van Lieke Marsman (1990) ‘Als je eigen dood aan je deur staat en ongeduldig je naam door de brievenbus roept, zie dan maar eens open te doen met een onbewogen, “ach ja, jij hoort er nu eenmaal bij”.’ en van George Harrison (1943-2001) ‘Here comes the sun, and I say, it’s all right’. En er was een uitspraak van de Duitse kerkleider, schrijver en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) met een grote poëtische zeggingskracht ‘Afscheid nemen / is met zachte vingers / wat voorbij is dichtdoen / en verpakken / in goede gedachten / der herinnering…’.
Ik moest na het lezen van deze stukken meteen denken aan poëziedoctor Kila van der Starre (1988). In haar onvolprezen proefschrift uit 2017 ‘Poëzie buiten het boek‘ de circulatie en het gebruik van poëzie, heeft ze een hoofdstuk gewijd aan Rouwpoëzie, poëzie in rouwadvertenties. Daarnaast was ik nieuwsgierig naar het meest gebruikte gedicht in Nederlandse rouwadvertenties. Daar heb je tegenwoordig een prima AI app voor Perplexity en die geeft als antwoord dat ‘Sub Finem‘ van Vasalis (1909-1998) een van de meest populaire rouwgedichten is, naast ‘De Steen‘ van Bram Vermeulen (1946-2004) en de tekst van Psalm 39 (in meer Christelijke kringen) volgens een onderzoek van het Reformatorisch Dagblad.
Na lezing van deze gedichten voerden mijn gedachten mij vervolgens naar een bundel die ik sinds kort in mijn bezit heb ‘De gedichtenapotheek‘ samengesteld door Philip Huff (1984). In het hoofdstuk ‘Leven met verlies’ is bij ‘de dood van een geliefde’ het gedicht ‘Dromen dromen’ opgenomen van Judith Herzberg (1934).
.
Dromen dromen
.
Ik droomde dat je thuis was lief
je kwam licht uit de auto, ik sliep,
ik hoorde vogels, rook seringen,
jij draaide aan de knop van de radio
die aan mijn hoofdeind stond.
Uit elk station kwamen verwonderlijk
belangwekkende fragmenten.
Ik droomde ook dat ik gedroomd had
dat ik in de keuken stond
en dat het aanrecht in stukken brak –
marmeren brokken. Ik nam in elke hand
een scherf want dacht ik, misschien
is dit een droom, en bracht mijn handen
langzaam bij elkaar, om het marmer
te horen ketsen, maar het ketste niet.
Ik vond het prettig datje thuis was
kon je de droom vertellen. Ja zei jij,
ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand
dat er niet is, dat is bekend.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik
dat jij thuis bent, ik slaap nog even door.
.Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken.
Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd
en rende. Verdriet om sterven is bekend
verdriet van scheiden niet geacht. En
doden weten niet hoe ze ontbreken.
.
De gedichtenapotheek
Radna Fabias
.
Dit jaar verscheen bij Prometheus de bundel ‘De gedichten apotheek’ Poëzie op recept voor het hoofd en het hart, samengesteld door schrijver, dichter en regisseur Philip Huff (1984). Toen ik het boek kreeg als cadeau herkende ik meteen de inhoud. Was dit niet waar ik al eerder over schreef? Toen ik terugzocht op mijn blog kwam ik een paar maanden geleden uit bij The Walk in Poetry Pharmacy en al lezend kwam ik de naam William Sieghart tegen (die Huff als bron noemt in ‘De gedichtenapotheek’). Verder lezend kwam ik op de bundel ‘The emergency pharmacy’ van Deborah Alma dat eigenlijk een beetje hetzelfde idee beschrijft.
Nu dus een Nederlandstalige variant op dit gegeven en ik moet zeggen, ik word er blij van. In een aantal hoofdstukken heeft Huff gedichten gezocht en gevonden bij Mentaal en emotioneel welzijn, Motivaties, Zelfbeeld en zelfacceptatie, De wereld en andere mensen, Leven met verlies, en Verliefdheid, liefde en liefdesverdriet. Niet zozeer medicaties bij fysieke ziektebeelden dus maar vooral bij geestelijke en mentale ‘aandoeningen’.
In de bundel gedichten van Nederlandse en internationale dichters waarvan de gedichten vertaald zijn naar het Nederlands. Een aantal herkende ik. Wat ik mooi vind in deze bundel is dat Huff eerst een indicatie geeft (bijvoorbeeld: Je ontworteld voelen), daaronder aangeeft waar het ook bij werkt (handig!) zoals verplaatsing, verhuizing, emigratie, moeite met verschillende identiteiten, leven tussen twee werelden, gevoelens van vreemdheid, en daarna een stukje beschrijft wat hij bedacht had bij deze indicatie en waarom hij het gedicht (in dit geval ‘reisgids II’ van Radna Fabias (1983) uit haar bundel ‘Habitus’ uit 2018) bij deze indicatie heeft gezet.
Op deze manier is het lezen van deze bundel niet slechts een genieten van poëzie bij een indicatie maar ook een zoek- of moet ik zeggen vindtocht, door het land van poëzie gekoppeld aan gevoelens en mentale uitdagingen. Hieronder het gedicht uit de hierboven beschreven indicatie van Fabias.
.
reisgids II
.
u kunt
in het hart van het gebrek
een ingenieuze brug over het water in de haven zien schuiven en doen
alsof
functionele door mensenhanden gebouwde constructies kunnen louteren
u moet
een beetje doen alsof
.
















