Site-archief

Gedicht versus songtekst

Poëzie in muziek

.

Op deze blog staan in de categorie Poëzie in songteksten, voorbeelden van liedteksten die een poëtische lading hebben of die ook als poëzie gelezen zouden kunnen worden. Toch zou je kunnen stellen dat maar weinig songteksten echt poëtisch zijn. Hoe kan dat? Een songtekst heeft over het algemeen de lengte die ook een gedicht heeft of kan hebben. Beide vertellen in weinig tekst een verhaal of proberen met weinig woorden een beeld of een verhaal te vertellen. En toch zijn ze zo verschillend.

Pat Pattison, tekstschrijver en dichter heeft in 2009 het boek ‘Writing better lyrics’ gepubliceerd. In een interview met hem komt de vraag over het verschil tussen liedtekst en gedicht aan de orde. Hij zegt er het volgende over:

Sinds de uitvinding van de drukpers zijn gedichten vooral geschreven voor het oog waar liedteksten vooral geschreven zijn voor het oor. Als consequentie volgt hieruit:

A. Dichters kunnen er van op aan dat de lezer in staat is om te stoppen en terug te gaan, of om een woord op te zoeken tijdens het lezen van het gedicht. Een tekstschrijver kan dit niet.

B. Omdat het einde van een regel in de poëzie een visuele cue is, kan een dichter een zin beëindigen, maar de inhoud verder naar de volgende regel laten doorlopen, waarmee hij spanning kan creëren, zonder dat dit tot verwarring leidt:

You may see their trunks arching in the woods?
Years afterwards, trailing their leaves on the ground?
Like girls on hands and knees that throw their hair?
Before them over their heads to dry in the sun.?
Robert Frost –“Birches”

De spanning tussen het einde van de derde zin en hoe dit beeld wordt voortgezet in de volgende regel, voelt alsof de meisjes daadwerkelijk met hun haar gooien …

Een liedtekstregel heeft een sonische cue-einde van een melodie frase. Omdat het lied is gericht op het oor. Wanneer een tekstschrijver probeert een gedachte uit te voeren in de volgende melodische frase, creëert dit meestal verwarring, want er is een discrepantie tussen de melodische routekaart en grammaticale structuur.

C. Omdat een songtekst een sonische gebeurtenis (gericht aan het oor) is,  is rijm belangrijk, want het bevat een stappenplan voor het oor; toont relaties tussen de zinnen, creëert het een voorwaartse beweging, creëren het zowel stabiliteit als instabiliteit in onderdelen, en vertelt het het oor waar deze onderdelen eindigen.

Hoewel rijm gebruikelijk is in de poëzie, is het minder belangrijk, omdat de lezer kan zien waar een sectie eindigt. Zelfs wanneer gedichten rijmen, wordt niet per se aangekondigd waar het einde van een zin of het einde van een sectie is:

O wild West Wind, thou breath of Autumn’s being,
Thou, from whose unseen presence the leaves dead
Are driven, like ghosts from an enchanter fleeing,

Yellow, and black, and pale, and hectic red,
Pestilence-stricken multitudes: O thou,
Who chariotest to their dark wintry bed

The winged seeds, where they lie cold and low,
Each like a corpse within its grave, until
Thine azure sister of the Spring shall blow

Her clarion o’er the dreaming earth, and fill
(Driving sweet buds like flocks to feed in air)
With living hues and odours plain and hill:
Shelly –“Ode to the West Wind”

Hierbij moet worden opgemerkt dat de recente trend naar de presentatie van gedichtenslams en rap, beide meer gericht zijn op het oor dan op het oog, rijm wordt een belangrijk element, daar beide gericht zijn op het oor in plaats van op het oog.

D. De compositorische strategieën van de dichter verschillen dramatisch van die van de tekstschrijver. De overgrote meerderheid van de gedichten, vaste vorm, leeg vers, of het vrije vers, zijn lineaire verplaatsingen, het verplaatsen van idee naar idee, zin naar zin, tot het einde. Behalve in uitzonderlijke gevallen, zoals het rondeel, maakt poëzie in haar compositorische strategie geen gebruik van herhaling van de inhoud. Oudere ballade-achtige poëzie maakt soms gebruik van herhaling, maar let op dat het werd uitgevoerd, en gericht aan het oor in plaats van het oog.

Teksten zijn sterk afhankelijk van herhaalde content, meestal refreinen en coupletten. In de ontwikkeling van ideeën moet de tekstschrijver rekening houden met de herhaalde secties, en in het ideale geval, proberen deze te transformeren of te verdiepen telkens als we de zinnen opnieuw horen. Let op hoe de zin “What’ll I do” gewicht legt in elke sectie als gevolg van de focus. Eerst afstand; tweede, het gevaar van het vinden van een nieuw iemand; en tot slot, de hartverscheurende aankondiging dat de liefde voorbij is:

What’ll I do
When you are far away
And I am blue
What’ll I do?

What’ll I do?
When I am wond’ring who
Is kissing you
What’ll I do?

What’ll I do with just a photograph
To tell my troubles to?

When I’m alone
With only dreams of you
That won’t come true
What’ll I do?
Irving Berlin 

E. Een tekstschrijver heeft een zeer beperkte ruimte om mee te werken. Normale commerciële songs duren maximaal 2 ½ tot 3 minuten, wat deze ruimte dramatisch beperkt. Nog afgezien van de herhaalde refreinen of refreinen, bestaat het gemiddelde commerciële lied uit 12 tot 20 zinnen. Tenzij wordt gewerkt in een vaste vorm (sonnet, terza rima, haiku’s etc), kan het gedicht zo lang als het nodig heeft doorgaan.

F. Liedteksten zijn veel meer afhankelijker van regelmatig ritme dan gedichten, omdat het ritme van een songtekst is verbonden met het muzikale ritme. Het muzikale ritme, omdat het de lengte van een lettergreep kan verlengen, het ritme kan syncoperen ( het verdringen van beats of accenten in (muziek of een ritme), zodat sterke beats zwak worden en vice versa), en kan transformeren van iets wat gesproken heel saai zou zijn naar wat een interessante reis kan worden.

Er zijn nog vele andere verschillen. Dus als iemand zegt dat een liedtekst pure poëzie is, dan wordt waarschijnlijk bedoeld dat de tekst is een frisse, interessante taal is geschreven waarbij beelden en metaforen effectief worden gebruikt. Want dat is iets dat interessante en goede poëzie en liedteksten gemeen hebben.

Pat

Wil je het hele interview met Pat Pattison lezen ga dan naar http://www.writersdigest.com/qp7-migration-books/writing-better-lyrics-interview

 

 

Ereburger

Luuk Gruwez

.

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaams dichter, essayist, columnist en prozaschrijver. In 1973 debuteerde hij met de bundel ‘Stofzuigergedichten’.

De poëzie van Gruwez wordt wel eens tot de neoromantiek gerekend, een stroming die als reactie op het nieuw-realisme van de jaren ’60 weer aandacht opeiste voor de grote gevoelens omtrent leven, liefde, ziekte, vergankelijkheid en dood. Bij Luuk Gruwez gaat deze vorm van romantiek altijd gepaard met een flinke portie (zelf)ironie. In zijn latere poëzie valt op dat de onderwerpkeuze breder wordt en de vorm meer verhalend.

Gruwez is een dierbaar ingezetene (geweest) van Deerlijk daar hij al in 2004 tot ereburger is benoemd (hij bracht er zijn jeugd door) en in 2011 ontving hij de culturele trofee van de gemeente als erkenning nadat hij in 2009 de Herman de Coninckprijs voor zijn gedicht ‘Moeders’ ontvangt. In 2009 schreef Gruwez het gedichtendag-essay ‘Pizza, peperkoek & andere geheimen’.

Van Luuk Gruwez het gedicht’Het troostconcours’ uit 1995 uit de bundel ‘Vuile manieren’.

.

Het troostconcours

.

Er werd een wedstrijd in troosten gehouden.
Eén bracht een zondag mee met gregoriaans.
een worgengel, een zoon van God
en drie heel knappe jonge priesters.
Een schip naar Paramaribo.
Gezoen achter een sleutelgat.
– Men geeuwde zeer voornaam en hij verloor.

Eén bracht er mee: een kindertijd
met voetzoekers en knalbonbons,
de geur van jute en van boenwas.
Zijn lang bewaarde eerste kies
en al zijn nederlagen in de liefde.
De mooiste ziektes, roem, de fraaiste graven.
– Het kon de jury niet bekoren.

O wat het allemaal niet deed:
een doedelzak, een hangbuikzwijn,
een heroïnehoer van vijftien jaar,
het hoofd van een gestorven meisje
met nog confetti in het haar.
En het plezier van obers voor hun dienblad
om zowat vijf voor middernacht.

Een laatste bracht er tranen mee en groot applaus,
een spraakgebrek, wat kippenvel, zichzelf.
Hij won, maar niemand weet waarom,
hij won en weende. Levenslang.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

Met dank aan Wikipedia, Gedichten.nl en http://versindaba.co.za/

 

Photomaton

Simon Vinkenoog

Toen ik naar huis reed van mijn werk moest ik aan Simon Vinkenoog (1928 – 2009) denken. Waarom? Geen idee. Juist daarom een gedicht van deze bijzondere en eigengereide dichter. Vinkenoog publiceerde zijn eerste gedichtenbundel ‘Wondkoorts’ in 1950, wordt tot de Vijftigers gerekend maar publiceerde vanaf zijn 21ste jaar een literair magazine ‘Blurb’ getiteld. De titel verklaarde hij als volgt: “Wij geloven niet meer in het vinden van scabreuze woorden in nog niet bestaande woordenboeken en wij hebben dus gekozen: blurb. Waarvan één betekenis gebrabbel is”. Over zijn uitgangspunten schreef hij: “Onze mogelijkheden zijn nog ongelimiteerd, al moeten wij ons verdedigen tegen uiterst links en uiterst rechts en nochtans het gevaarlijke midden mijden”.

Woorden die later op zijn poëtisch oeuvre van toepassing zouden blijven. In de jaren 60 van de vorige eeuw begon Vinkenoog zich steeds meer als performer te manifesteren. Tot aan zijn dood bleef hij schrijven en voordragen, veelal onder de invloed van verdovende middelen. Vinkenoog is in de Nederlandse poëzie heel zijn leven een fenomeen gebleven.

Van zijn hand het gedicht ‘Photomaton’.

 

Photomaton

Zo’n foto is nooit weg,
en ze kosten maar vier voor een gulden*)
Kijk, het lijkt (na drie minuten)
en we staan er nog op, ook.

Omgekeerd natuurlijk, ik zat links
en op de foto’s zit ik rechts.

We zijn bruiner
dan in werkelijkheid,
en de schaafwond op mijn neus
blitst overdreven.

Links voorop, dat ben jij.
Ik kan nog niet zo goed wijs uit wat ik zie,
o.a. een blikkerbril met donker glas
en een baard met een snor boven regenjas.
We kijken voorop, jij bovendien opzij-
jij hebt de twee andere.

Ik lach, jij kijkt.
Zo’n foto is nooit weg, tenslotte
en wat is de moeilijkheid? Kleingeld,
ooghoogte, de keuze uit witte achtergrond
of donker gordijn. Kijken of het lijkt.

*) 20 F in Belgie.

.

Uit: Eerste gedichten, 1949-1964

simon-vinkenoog

Sylvie Marie

Vlaamse dichters

.

Sylvie Marie ( 1984) woont in Gent, waar ze politieke en sociale wetenschappen studeerde. In Brussel voltooide ze haar studententijd met een postgraduaat journalistiek. Ze publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften en staat regelmatig op het podium. In het voorjaar van 2009 verscheen haar debuutbundel ‘Zonder’.  In 2011 volgde een tweede bundel ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’ die genomineerd werd voor de Herman de Coninckprijs en de JC Bloemprijs. In 2013 verscheen ‘Speler X’, een voetbalroman waarvan ze co-auteur is. In juni 2014 verscheen haar derde dichtbundel ‘Altijd een raam’.

Tussen november 2009 en juni 2011 schreef Sylvie Marie als huisdichteres regelmatig gedichten voor het weekblad Humo nadat ze Humo’s Gouden Aap won. Tegenwoordig werkt ze als leerkracht literaire creatie aan de academies van Tielt en Ieper en geeft ze regelmatig workshops poëzie. Ze was poëziecoördinator bij Meander en is redacteur bij het literaire tijdschrift Deus ex Machina. Op haar website http://www.sylviemarie.be/ kun je veel meer informatie vinden.

Uit haar bundel ‘Zonder’ uit 2009 het gelijknamige gedicht.

.

zonder

die morgen tref ik woorden aan tussen de lakens,
ze prikken als stukjes spiegel waarin een schim
weerkaatst. ik lees:

ik ben weg, neem niets mee behalve
de geur van je haren, de zachtheid van je wangen,
de smaak van je lippen. de hond

op straat leidt me
af en ik staar naar het raam, nooit zag het ochtendlicht
er zo vaal uit, had het gordijn zo weinig kracht.

het was de eerste keer dat het niet opbollend
in mijn haren snoof, mijn wangen streelde,
me goedemorgen zoende.

.

Sylvie marie

Mus / sparrow

Jan Hanlo

.

Ik denk dat er maar weinig mensen zijn die het gedicht ‘Mus’ van Jan Hanlo niet kennen. Jan Hanlo (1912-1969) was dichter en schrijver die tot de Vijftigers gerekend wordt maar binnen de Vijftigers was hij een buitenbeentje zoals hij eigenlijk op ieder gebied een buitenbeentje was.

Vanaf 1944 schreef hij gedichten, waarvan met name ‘Oote’ de aandacht trok. Dit klankgedicht (Hanlo sprak zelf van ‘kinderbrabbeltaal’) verscheen in 1952 in het door het rijk gesubsidieerde tijdschrift Roeping. Het blad Elsevier besteedde daar aandacht aan en het VVD-Eerste Kamerlid Wendelaar stelde vervolgens Eerste Kamervragen over de subsidie aan het blad dat Hanlo’s ‘infantiel gebazel’ publiceerde. Dat leverde de nodige publiciteit op.

De rest van Hanlo’s oevre is over het algemeen minder avant-gardistisch dan ‘Oote’. Schoonheid en (kinderlijke) onschuld zijn terugkerende thema’s. Een ander mooi voorbeeld hiervan is het gedicht ‘Mus’ uit 1954.

In 2009 was het thema van de Boekenweek Tsjielp-Tsjielp; de literaire zoo (naar aanleiding van dit gedicht).

Dat het gedicht wordt gewaardeerd blijkt uit het feit dat het niet alleen in Nederland in de openbare ruimte is aangebracht maar zelfs in het buitenland een muur verfraait. In de dierentuin van Dublin is het gedicht in vertaling aangebracht op de Family Farm Farmhouse. Deze tip kreeg ik door van Yvonne van der Haven, waarvoor dank.

Hieronder een aantal voorbeelden van het gedicht met de gemeente waar deze te vinden is.

mus2

Veenendaal

mus1

Leiden

sparrow

Dublin

mus3

Gorinchem (basisschool)

Voor wie niet genoeg kan krijgen van Jan Hanlo: http://ilibrariana.wordpress.com/2012/12/29/herinneringen-aan-jan-hanlo-1912-1969/

Met dank aan Wikipedia

Conceptuele poëzie

Vsevolod Nekrasov

.

De Russische dichter Vsevolod Nekrasov (1934 – 2009) wordt beschouwd als de grondlegger van het conceptualisme in (Moskou) de Russische poëzie en een van de belangrijkste grondleggers van de tweede Russische avant-garde. Hij was een van de leidende figuren van de Lianozovo kring, een groep undergound experimentele dichters en artiesten in het midden van de jaren 60 van de vorige eeuw. Nog steeds beïnvloedt hij werk van jonge dichters.

Hieronder een aantal voorbeelden van zijn conceptuele gedichten.

.

Vrijheid is

Vrijheid is

Vrijheid is

Vrijheid is

Vrijheid is

Vrijheid is vrijheid

.

Gedicht over ieder water

.

Water

Water water water

Water water water water

.

Water water water water

Water Water

Water

Stroomde

.

.

 

Het woord was God

.

Het woord is God

En God zij geloofd

.

God zij geloofd

Als God bestaat

.

Vsevolod_Nekrasov

Ellen Deckwitz

Liedje

.

Ellen Deckwitz studeerde Nederlands in Groningen en voltooide nadien een research master in de literatuur- en cultuurwetenschap.

Sinds 2000 is Deckwitz actief als dichteres. Ze droeg haar poëzie voor in binnen- en buitenland, onder andere op Lowlands, de Nacht van de Poëzie en Poetry International. Daarnaast verscheen haar werk in verschillende Nederlandse literaire tijdschriften en bloemlezingen en is een gedeelte vertaald en gepubliceerd in het Duits, Zweeds, Engels en Frans. Ellen Deckwitz was een van de juryleden voor de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2011-2012.

In 2009 kreeg Deckwitz de Meander Dichtprijs toegekend voor haar poëzie. Eind 2009 won zij het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam (ze heeft het record van de meest gewonnen poetry slams in 1 jaar) en voor haar bundel “De steen vreest mij” ontving ze de 25ste C. Buddingh-prijs 2012 voor het beste poëziedebuut van het jaar.

Tegenwoordig woont en werkt Deckwitz in Utrecht waar ze onder andere een van de vijf leden van het Utrechts Dichtersgilde is, dat in 2009 werd opgericht rond Ingmar Heytze.

In Liter nr. 66 uit 2012 verscheen onder meer het gedicht ‘Liedje’.

.

Liedje

.

Laat me je oproepen in de geest

van degene die dit jaren later leest.

Ook al stellen ze zich je blond voor,

.

je ogen grijs en je mond grover

dan ik bedoelde. Laat me uitbeelden

voor wanneer niemand je meer wil,

voor als niemand nog de pen uit

.

mijn handen rukt, verwacht ik je

tong en hef je mijn gezicht alsof

het een kelk is

.

foto-ellen-deckwitz-door-nadine-ancher1

Foto: Nadine Ancher

Vasalis vs Moors

Nu u!

.

In de bijzonder aardige bundel Nu u! uit 2009, van literair productiehuis Wintertuin staan gedichten uit de Nederlandse canon, die op verzoek herschreven zijn door dichters van nu.

In 2012 schreef ik er al eens over en in mijn boekenkast zoekend kwam ik de bundel weer tegen. Daarom vandaag nog een mooi voorbeeld van een gedicht van M. Vasalis, ‘De idioot in het bad’ (uit Parken en woestijnen, 1940) dat door Els Moors is herschreven.

.

En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt,

en stevig met een handdoek drooggewreven

en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord

stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

.

En elke week wordt hij opnieuw geboren

en wreed gescheiden van het veilig water-leven

en elke week is hem het lot beschoren

opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

.

M. Vasalis

vasalis

.

Achter het kniehoge hek liggen velden

zwart van de papaver

en overal aan de kant van de weg liggen lijken

die aarzelen net als hij

en net zoals het licht

.

’s ochtends

.

soms ziet hij ze dansen – de anderen – tussen korenbloem en kamille

ze gaan duizelig maar duizelig waarvan?

hij kan alleen zichzelf omarmen

en hij smoort steeds dezelfde schreeuw

is dat mijn hand? ik zie hem altijd

.

voor het eerst

.

Els Moors

Moors

Met dank aan 

Met dank aan Tzum.info en  Wintertuin

Burger King

Menno Wigman

.

Uit de bundel ‘De droefenis van copyrettes’ uit 2009, het gedicht ‘Burger King’. Dit leek me wel een passend gedicht zo vlak voor de feestdagen.

.

Burger King

.

Was er een tijd dat ik hier boven stond,

mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,

niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in

een taal te denken die geen tanden heeft?

Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.

.

Dus slof ik door de leeszaal van de straat

en blader maar wat door de Burger King,

gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos

eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek.

– Als deze wanhoop ons Walhalla is,

.

als hier het ware leven staat te lezen,

mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal

betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,

eerder verbaasd dat alles wat zo laag

en lelijk is zo sterk en stevig staat.

.

BK

Stadsdichters

In Nederland (en België)

.

Nederland kent vele stadsdichters. Om precies te zijn waren het er vorig jaar 50. Volgens mij zaten daar ook dorpsdichters bij maar voor het gemak (waarom ook niet) houden we het op stadsdichters. Nederland telde op 1 januari 2013 precies 408 gemeenten. Dat wil zeggen dat maar 12,3% van de Nederlandse gemeenten over een stadsdichter beschikt. In Vlaanderen is het aantal inmiddels gegroeid naar 5 (van 3).

Wat is eigenlijk een stadsdichter? Stadsdichters zijn dichters die officieel door een college van burgemeester en wethouders zijn benoemd. Hun taak is meestal een aantal gedichten schrijven over de gemeente of over activiteiten en gebeurtenissen in de gemeente. Dat varieert van een paar gedichten per jaar  tot maandelijks een gedicht. Sommige stadsdichters hebben daarnaast de rol van aanjager. In hun functie van stadsdichter mogen of moeten ze de inwoners van de gemeente kennis laten maken met poëzie of activiteiten op het gebied van de poëzie.

De stadsdichter van Hengelo, Fred van de Ven heeft nu voorgesteld om te komen tot een instituut voor stadsdichters.  Zo’n instituut zou dan aanbevelingen kunnen doen aan de colleges: over het aantal gedichten dat geschreven zou kunnen worden, over de publicatie en over de vergoeding. Want in de regel is het liefdewerk, oud papier.

In 2005 werd de eerste stadsdichtersbundel  ‘De stad en ik’ uitgegeven door uitgeverij Kontrast, onder redactie van Gerard Beense (Stadsdichter van Lelystad) gevolgd door ‘Verzen van verbondenheid’ in 2008 en ‘Stadsdichters bijeen’ in 2009 tijdens de 5e stadsdichtersdag in Lelystad. Inmiddels is de 9e stadsdichtersdag geweest in Lelystad, georganiseerd door de stichting Poëtikos, met een stadsdichtersgedichtenwedstrijd, dus volgend jaar het tweede lustrum.

De winnaar van deze wedstrijd was stadsdichter van Hengelo Lowie Gilissen met het gedicht ‘Amsterdam’.

.

Amsterdam

Nabij gehei dreunt, dreunt, dreunt,
in een dwingend ritme
als van een metronoom.

Op die doffe beat houden trams
met hun triangeltringtingtinggetinkel
en ssschurend sssnerpen
van weerbarstig wentelende wielen
helemaal geen maat.

Opgevoerde brommers overstemmen
met knalpijphard geknettterrrr
en passant moeiteloos
nerveuze claclaxons van schildpadtrage taxi’s.

Doppleriaans nadert met steeds meer nadruk
de viertonige ta-ti-ta-ta sirene
van een slalomambulance.

Te midden van deze ongeorkestreerde kakofonie
staat een straatmuzikant op zijn viool
een ti-ta-ti-ta partita van Bach te spelen,
alsof al die helse herrie om hem heen niet bestaat.

En warempel,
ik denk dat ook,
één hemels ogenblik.

.

omslag 1

omslag 2

omslag 3