Site-archief

Bezwering

Daan Doesborgh

Schrijver, vertaler, columnist, dichter, podcastmaker en presentator  Daan Doesborgh (1988) is redacteur van Tirade en oud-redacteur van Propria Cures. In 2010 werd hij Nederlands Kampioen Poetry Slam. In samenwerking met de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) maakt hij de maandelijkse Poëziepodcast. Maar Daan maakt meer podcasts, alleen of met anderen.

Zijn werk werd onder andere gepubliceerd in Awater, Tirade, DW/B, Het Parool, Vrij Nederland, NRC en de bloemlezingen ‘De 21e eeuw in 185 gedichten’ van Gerrit Komrij en ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw’ van Ilja Leonard Pfeijffer. Van 2006 tot 2011 was hij stadsdichter van Venlo.

Van Doesborgh debuteerde in 2008 met de bundel ‘De Reeds Beweende Liefdes’, waarna de bundels ‘De Venus Suikerspin’ (2010), ‘Requiem’ (2011) en ‘Moet het zo’ begin dit jaar verschenen. In deze laatste bundel heeft de dood een prominente plaats. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het gedicht

.

Bezwering

.

Uiteraard dat dingen voorbijgaan, plekken
verdwijnen, ook als ze blijven bestaan.
Weet je altijd pas als ze weg zijn, wij waren

vier vrienden, twee koppels, vierden
vakanties en feestdagen, konden onmogelijk
uit elkaar worden geslagen, tot dat gebeurde

Nu de kroeg van je hart er niet meer is, denk je
dat je er altijd rond had moeten lopen met
dat besef, huilend en lachend, op een dag

denk je terug aan dit moment: je denkt niet eens
aan je lichaam of geest, je hebt geen pijn,
je bent zoals je altijd bent geweest

en doet alsof je altijd zo zal zijn. Dan heb je
spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan:
bestaan in het volle licht van het bestaan.

.

Saamhorig

Luuk Gruwez

.

Dichters kunnen in hun poëzie de wereld verkennen, leren kennen, ontdekken. Dat kan door zonder omhaal van woorden een onderwerp te pakken en dat te beschrijven of, zoals Luuk Gruwez (1953) in het gedicht ‘Saamhorig’ beginnend met de wereld en eindigend met het heelal (je kunt maar een allesomvattend onderwerp nemen nietwaar). Het aardige aan dit gedicht is dat de wereld al heel groot is en het heelal oneindig maar dat Gruwez in dit gedicht ervoor kiest aan de hand van juist hele kleine dingen die hele grote wereld daarbuiten betekenis te geven.

Toen ik het gedicht las in ‘Garderobe’ een keuze uit al zijn gedichten uit 2010, dacht ik even dat ik al eens een gedicht met die titel had geplaatst op dit blog. Als je richting de 5000 berichten gaat weet ik nou eenmaal niet precies meer waarover ik allemaal geschreven heb. Het bleek een gedicht te zijn met net een iets andere titel namelijk ‘Saamhorigheid‘ van Isis van Geffen. Dit had een aardig dubbelgedicht kunnen zijn.

.

Saamhorig

.

Er moet een wereld van verloren dingen zijn

waarin een handschoen, inderhaast vergeten,

het aanlegt met een oude krant,

een sjaal, een zakdoek of een kam.

 

De handschoen mist de hand niet meer,

de zakdoek heeft geen jammernis,

en zelfs de sjaal taalt niet meer naar warmte

van kindermeiden en van moeders.

 

Al het verlorene is saamhorig.

Maar wat met tederheid die overbodig werd,

met kippenvel dat blijven wou,

de eerste natte droom, het domste lief,

 

het speelgoed van een kind dat stierf?

En doen alsof men alles kan vergeten,

hoewel men, plompverloren als een mens,

alleen in het heelal moet zijn.

.

Naima El Bezaz

Arjan Peters

.

In de bundel ‘Belvedère’ van Arjan Peters uit 2021 lees ik een gedicht met als titel ‘Naima El Bezaz’ en onmiddellijk gaan mijn gedachten terug naar 2010 (dat heb ik even moeten opzoeken) toen haar roman ‘Vinexvrouwen’ werd gepubliceerd. Dat deed destijds nog al wat stof opwaaien.

Al eerder had Naima El Bezaz (1974-2020) van zich laten horen. Na haar debuut als schrijfster in 1995 met de roman ‘De weg naar het noorden’, verscheen haar tweede boek, ‘Minnares van de duivel’  in 2002. Die roman bevatte expliciete erotische passages. Een Marokkaans-Nederlandse schrijfster die openhartig over seksualiteit schrijft.  Het kwam haar op bedreigingen te staan waarover ze zelf zei: “Ik ben een vat vol vooroordelen. Ik ben uitgesproken. Mijn bek is te groot en ik ben te direct”.

Haar roman ‘Vinexvrouwen’ over haar pogingen te wennen aan het burgerlijke leven in een nieuwbouwwijk, waar veel buurtbewoners ook ongelukkig zijn, las ik als ik destijds nadat ze was geïnterviewd op televisie, wat op mij veel indruk maakte. Zelf opgegroeid in een van de allereerste Vinex-wijken eind jaren ’60 was ik vooral heel nieuwsgierig hoe zij daarover schreef. Ik las het boek en realiseerde me dat er in de loop van de tijd wel een en ander veranderd was.

Naima El Bezaz worstelde met depressies en maakte in 2020 een einde aan haar leven. Arjan Peters interviewde haar destijds in de Bijenkorf en blijkbaar maakte ook dit interview veel indruk, getuige het gedicht dat hij erover schreef en waarin onderdelen van haar leven terug te lezen zijn.

.

Naima El Bezaz

.

Uitzinnig van blijdschap was je in de Bijenkorf

waar ik je interviewde tussen panty’s en lingerie

over je dubbele Zaanse satire

de middelmaat met gein bestrijden

leek een werkzaam medicijn

.

als het mij slecht ging, nee maar echt,

kon ik altijd bij jou terecht, zou ik dat

nooit vergeten? Het was dit, of een postzegel

in de hoofdstad, verzuchtte je in je drive-in woning

in de verfoeide wijk Westerwatering

.

Modaal plus lelijk is een straf, dat vond ik

toch ook? Vervolgens, theatraal: ‘Dit is mijn graf.’

Wat jou in onveiligheid gevangenhield,

meer dan de dwang van geloof of gedrag,

dat Meknès of eten met vork en mes,

.

het dreigement van die enge vent, de hoge flat

in het Alphen van je jeugd, waar je terug was

toen het jou slecht ging, maar dan echt, zonder

uitzinnig zicht op het hemelgewelf –

was het leven zelf.

.

Howl

Allen Ginsberg

.

De film ‘Howl’ (2010) volgt het leven van Allen Ginsberg (1926-1997), een Amerikaanse dichter uit de ‘Beat Generation’. De film gaat in het bijzonder over het proces dat volgde na de publicatie van Ginsbergs gedicht ‘Howl’ uit 1956.  De bundel ‘Howl an other poems’ werd in de preutse jaren ’50 als obsceen beschouwd. Het maakte van de auteur, die toen nog relatief onbekend was, een bekende voorvechter van de Amerikaanse tegencultuur.

‘Howl’ verkent het leven en werk van de 20e-eeuwse Amerikaanse dichter Allen Ginsberg . De film is op een niet-lineaire manier opgebouwd en plaatst historische gebeurtenissen naast een verscheidenheid aan filmische technieken . Het reconstrueert het vroege leven van Ginsberg in de jaren veertig en vijftig . Het toont ook Ginsbergs debuutuitvoering van ” Howl ” in de Six Gallery Reading op 7 oktober 1955 in zwart-wit. De film wisselt af tussen verschillende scènes – soms uit de jeugdjaren van Ginsberg, soms uit een opvoering van het gedicht zelf, dan weer fragmenten over het de totstandkoming.  ‘Howl’ kan dan ook, behalve als film, gezien worden als een kritisch essay over de poëzie.

Ginsberg schreef het gedicht, dat ook wel bekend staat als ‘Howl for Carl Solomon’ in 1954-1955. Het hele gedicht lees je hier. Ik plaats hier een fragment van deel I (van II).

.

Howl

for Carl Solomon

.I

I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked,
dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix,
angelheaded hipsters burning for the ancient heavenly connection to the starry dynamo in the machinery of night,
who poverty and tatters and hollow-eyed and high sat up smoking in the supernatural darkness of cold-water flats floating across the tops of cities contemplating jazz,
who bared their brains to Heaven under the El and saw Mohammedan angels staggering on tenement roofs illuminated,
who passed through universities with radiant cool eyes hallucinating Arkansas and Blake-light tragedy among the scholars of war,
who were expelled from the academies for crazy & publishing obscene odes on the windows of the skull,
who cowered in unshaven rooms in underwear, burning their money in wastebaskets and listening to the Terror through the wall,
who got busted in their pubic beards returning through Laredo with a belt of marijuana for New York,
who ate fire in paint hotels or drank turpentine in Paradise Alley, death, or purgatoried their torsos night after night
with dreams, with drugs, with waking nightmares, alcohol and cock and endless balls,

Aandacht

Ruimte tussen zien en zijn

.

Ik schreef al eerder over Els van Stalborch (1944) en haar laatste gepubliceerde bundel ‘Ruimte tussen zien en zijn’ uit 2010. Toen deelde ik het gedicht ‘Inzicht’ en vandaag zocht ik in die bundel naar een gedicht dat zou kunnen aansluiten bij het thema van de Poëzieweek 2024 ‘Thuis’. Ik heb gekozen voor het gedicht ‘Aandacht’ omdat aandacht juist iets is dat je thuis krijgt.

Tenminste als je niet alleen woont, tenzij je dan weer een huisdier hebt als een kat of hond. Of erger dat je wel samenwoont met anderen maar dat je daar geen aandacht van krijgt. Laten we in het kader van de Poëzieweek 2024 uitgaan van het meest positieve scenario en ervan uitgaan dat er veel aandacht voor elkaar zal zijn in de Poëzieweek. En voor de poëzie.

.

Aandacht

.

Soms droom ik leven langzaam.

Elk ogenblik vervuld van zijn.

Woorden groeien traag

aan takken van stilte.

.

Tijd om te voelen, te zien,

te worden misschien.

De ruimte eindeloos wakker.

Gedachten machtig en vrij.

.

Ogen zien leegte voorbij.

Handen verkennen elkaar.

Ieder vergeten gebaar

wekt verwondering.

.

Langzaam groeit aandacht.

Leven klaart op, heldert

het zicht. In ieder woord

schitter licht.

.

Dagboek van de toren

Corneille

.

Soms krijg of koop ik een bundel die me in meer opzichten verrast dan alleen door de poëzie die erin is opgenomen. Toen ik ‘Het dagboek van een toren’ van kunstschilder en dichter Corneille (1922-2010) kocht wist ik nog niet wat ik in handen had. Dit boek is uitgegeven naar aanleiding van de jubileumtentoonstelling ‘Poetry, the artist’s muse’ de 20ste verjaardag van galerie Elisabeth den Bieman de Haas, die plaatsvond tussen 25 april en 25 mei 2001. De bundel bevat poëzie van Corneille in het Frans, vertaald naar het Nederlands en Engels door Hepzibah Kousbroek.

De titel van dit boek is ontleend aan een toren genaamd La Peschiera die vier eeuwen oud is en in Italië ligt. Corneille verbleef er sinds 1973 regelmatig. De toren behoorde toe aan een adellijke familie waarvan de laatste telg markiezin Irene de Ciccolini was. Zij woonde er tot haar dood enkele jaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Het domein werd na haar overlijden overgedragen aan paters en in de oorlog bewoond door een jonge officier en enige soldaten. Na de oorlog kocht een aannemer uit Ancona het.

Het boek heeft, door de vertalingen maar liefst drie titels: ‘Het dagboek van de toren’, ‘Diary of the tower’ en ‘Journal de la tour’. Achterin het boek staat een tekening van Corneille (in druk uiteraard) van de toren die hij maakte in 1997. Journal de la tour verscheen voor het eerst in 1975 met een vertaling in het Italiaans. In 1981 verscheen een editie uitsluitend in het Frans.

Ik koos voor een gedicht waarin het favoriete dier van Corneille voorkomt; de vogel.

.

De spoorwegovergang luidt

belletjes van Tibetaanse koeien.

Terwijl de stoomtrein

onverpoosd doorhijgt om snel

daar te zijn waar die zachte

hermelijne wezens wachten,

hooggehakt, hun benen in foedralen,

gestrekt met holle rug en licht

wiegend bekken.

De baren van de nacht hebben

bontgekleurde vogels bevrijd en je

hoort de zee onvermoeid

aan de keien van het strand zuigen.

.

Aan de wankelaar

Bertolt Brecht

.

Ik was in een bibliotheek en moest daar even op iemand wachten dus wat doe je dan? Precies, dan ga je naar de afdeling of de kast (of in sommige bibliotheken de plankjes) met poëzie. In dit geval was het een afdeling en scharrelend door de fonkelnieuwe maar ook oudere bundels kwam ik de bundel ‘De mooiste van Brecht’ uit 2010 tegen. Samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem.

Bertolt Brecht (1898 – 1956) was een Duits dichter, (toneel)schrijver, toneelregisseur en literatuurcriticus. Zijn werk was sterk politiek geëngageerd.

Wat ik dan meestal doe is een beetje door zo’n bundel bladeren en wanneer ik dan iets lees dat ik opmerkelijk vind of dat me even langer doet blijven op een bepaalde bladzijde, het betreffende gedicht helemaal lezen. In dit geval bleef mijn oog hangen op het woord wankelaar. In eerste instantie dacht ik wandelaar, maar nee wankelaar. Toen ik het gedicht las moest ik (vooral bij de eerste strofe) denken aan de Tweede Kamerverkiezingen van eind november. En aan de klimaatbeweging, en eigenlijk iedereen die het klimaat en de natuur een warm hart toedraagt.

Daarom, speciaal voor iedereen die zich aangesproken voelt, hou vol en blijf geloven en werken aan een betere wereld. En voor de ware liefhebber heb ik ook de originele versie in het Duits erbij geplaatst getiteld ‘An den Schwankenden’. Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘Svendborger Gedichte’ dat Brecht in ballingschap schreef in 1937.

.

Aan de wankelaar

.

Je zegt:

Het gaat slecht met onze zaak.

De duisternis neemt toe. De krachten nemen af.

Nu, na zoveel jaren werk,

Staan we er slechter voor dan bij de start.

.

De vijand daarentegen is sterker dan ooit.

Zijn krachten lijken toegenomen. Hij ziet er onoverwinnelijk uit.

Wij echter hebben fouten gemaakt, het valt niet meer te

                                                                                    loochenen.

Ons aantal vermindert.

Onze parolen klinken verward. De vijand heeft

Een deel van onze woorden verdraaid tot ze onherkenbaar waren.

.

Wat is er nu verkeerd in wat wij zeiden?

Iets of alles?

Op wie kunnen wij nog rekenen? Zijn wij, overgeblevenen,

                                                                                         geslingerd

Uit de levendige stroom? Zullen wij achterblijven,

Niemand meer begrijpend en door niemand begrepen?

.

Moeten wij geluk hebben?

.

Dat vraag jij. Verwacht

Geen ander antwoord dan dat van jezelf.

.

An den Schwankenden

.

Du sagst:
Es steht schlecht um unsere Sache.
Die Finsternis nimmt zu.
Die Kräfte nehmen ab.
Jetzt, nachdem wir so viele Jahre
gearbeitet haben, sind wir in
schwierigerer Lage als am Anfang.
.
Der Feind aber steht stärker da denn jemals.
Seine Kräfte scheinen gewachsen.
Er hat ein unbesiegliches
Aussehen angenommen.
.
Wir aber haben Fehler gemacht,
es ist nicht zu leugnen.
Unsere Zahl schwindet hin.
Unsere Parolen sind in Unordnung.
Einen Teil unserer Wörter
hat der Feind verdreht
bis zur Unkenntlichkeit.
.
Was ist jetzt falsch von dem,
was wir gesagt haben?
Einiges oder alles?
Auf wen rechnen wir noch?
Sind wir Übriggebliebene,
herausgeschleudert aus dem lebendigen Fluß?
Werden wir zurückbleiben?
Keinen mehr verstehend und
von keinem verstanden?
Müssen wir Glück haben? So fragst du.
.
Erwarte keine andere Antwort als die deine.

.

Lieke Marsman

Man met hoed

.

Lieke Marsman (1990) debuteerde als dichter in Tirade. Haar eerste bundel, ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’, verscheen in 2010. Ze kreeg daarvoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’-prijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel, ‘De eerste letter’.

In de bundel ‘Man met hoed’ zijn deze eerste twee bundels van Lieke Marsman bijeengebracht. De bundels worden bovendien aangevuld met vroeg en minder vroeg werk, en met enkele vertalingen. Laura Demelza Bosma schrijft in haar recensie van deze bundel op Meandermagazine.nl :

“Hoewel de dichteres allerlei thema’s aansnijdt die stof tot nadenken (en navoelen) brengen, zorgt ze er eerst voor dat haar lezer met haar op één lijn komt zitten. Daarna komt ze met gedachtenladders, die kunnen alle kanten op maar beloven hoe dan ook diepgang én amusement. In een enkele zin kan Marsman ogenschijnlijke contradicties verenigen, zoals bijvoorbeeld kwetsbaar en cool.”

In april 2018 werd in Marsmans bovenrug een kwaadaardige bottumor ontdekt die met succes operatief kon worden verwijderd. Als gevolg van deze ingreep kon Marsman haar rechterarm weliswaar bewegen, maar niet meer omhoog doen. In ‘De volgende scan duurt 5 minuten’ uit 2018, beschreef ze dit proces. Deze dichtbundel werd in het Engels vertaald door de in Nederland opgegroeide Britse dichteres Sophie Collins.

In 2021 kwam van Marsman de dichtbundel ‘In mijn mand’ uit. In diezelfde maand werd zij voor de periode van 2021-2023 benoemd tot Dichter des Vaderlands. In 2023 verscheen de bundel ‘Ter gelegenheid van poëzie’ met gedichten en stukken die ze schreef als dichter des vaderlands.

Uit de bundel ‘Man met hoed’ komt het gedicht ‘Jarig’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ uit 2010.

.

Jarig

.

Ik dacht dat ik mezelf een boek ging geven,
maar het werd een plant
Ik had geen plaats voor een plant,
want ik had er al veel te lang aan gedacht
.
Soms word ik ’s nachts wakker en kijk ik of mijn buik nog plat is
Meestal is het te donker om iets te zien
Dat is niet gek, het is nacht
.
Meestal is mijn buik vol
Zo vol als een buik nadat ik cake heb gegeten
Cake, mijn hele verjaardag lang

.

Ik ben Delphine en dit is een woensdag

Delphine Lecompte

.

Momenteel lees ik met reden maar zeker niet tegen mijn zin in de roman van Delphine Lecompte (1978) getiteld ‘Wie heeft Delphine Lecompte vermoord?’. Een heerlijke bizarre fantasievolle roman. Eigenlijk hoe ik Delphine ken van haar poëzie maar dan in romanvorm. Omdat ik hier schrijf over poëzie en niet over proza heb ik haar bundel ‘Verzonnen prooi’ uit 2010 er nog eens bij genomen. Op de achterkant van deze bundel staat dat Lecompte de redding is van de Vlaamse poëzie.

Of dat zo is en zo ja in welke mate, daar laat ik anderen graag over oordelen maar dat ze een nieuwe , frisse en eigen stem de poëzie in heeft gebracht daar is denk ik iedereen het wel over eens. In 2008 debuteerde ze als dichter (in 2004 als romanschrijver) met het gedicht ‘De dieren in mij’ in het literaire blad De Brakke Hond. In 2009 kwam haar eerste dichtbundel uit onder dezelfde titel. In 2010 won Lecompte hiermee de C. Buddingh’-prijs. Ook won ze met deze bundel een jaar later de Provinciale prijs voor letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen. Een nieuwe stem in de Vlaamse poëzie was geboren. Na haar debuut zou ze bijna gemiddeld elk jaar een dichtbundel publiceren.

In 2010 verscheen dus haar tweede dichtbundel bij uitgeverij De Contrabas. Gedichten uit deze bundel verschenen eerder in Tirade, nY, de Poëziekrant en De Brakke Hond. Een mooi voorbeeld van de eindeloze fantasie van Lecompte komt naar voren in het gedicht ‘Ik ben Delphine en dit is een woensdag‘.  Het vreemde feit doet zich nu voor dat ik het gedicht gevonden heb op het internet op Nederlandsepoëzie.org maar dat het gedicht daar 4 zinnen extra heeft (de 4 laatste zinnen van strofe twee) ten opzichte van de bundel. Omdat deze zinnen wat mij betreft echt iets toevoegen, kies ik hierbij voor de internetversie (Een door de dichter gekozen gedicht uit deze bundel, staat erbij).

.

Ik ben Delphine en dit is een woensdag

.
Gisteren had ik een touw nodig
Maar vandaag ben ik tevreden zonder touw
Ik sta hier te staren in ijzige rekken
‘ik sta hier te staren’ dat klinkt toch niet poetisch
Dat klinkt alsof ik een domme vrouw ben die
Het tremateken in de laptop van de oude kruisboogschutter niet vindt.

.
De oude kruisboogschutter is een carnivoor
Daarom staar ik dan ook in ijzige rekken
Die rekken zijn namelijk gevuld met koteletten en
Billen van banale hoenderen die geen mensennamen kregen
Omdat niemand sentimenteel is, daar buiten,
de kinderen nog het minst
Ze zijn achterdochtig als sherry-slurpende bejaarde weduwen
Met jicht en een dashond die niet van hen houdt en
Een kleindochter die langskomt met een petieterig gebakje zonder pudding en
Dan naar je slaapkamer verdwijnt om de resterende gouden broches te stelen.

.
Naast mij staat een jonge man met een wipneus en een grote bril
Op het montuur staat een logo, links en rechts als schorpioenen die
Willen kampen op zijn neusrug
Nu pookt hij een gat in de piepschuimbodem van 226 gram kalfsgehakt.

.

 

Tapijt poëzie

Avril Meallem en Shernaz Wadia

.

Aan de lange lijst van mogelijkheden met poëzie kan er weer een toegeveogd worden. Dit keer de tapijtpoëzie of tapestry poetry. Deze vorm van poëzie werd door de Indiase Zoöastrische dichter Shernaz Wadia en de Brits/Israëlische dichter Avril Meallem bedacht toen ze elkaar ontmoetten in 2010 in Mumbai ontmoeten. Meallem vertelde Wadia over een vorm van coöperatieve poëzie die ze een paar jaar geleden had geleerd van een andere dichter, Sarah Wurtzel, in Jeruzalem en stelde haar om deze vorm samen te proberen, omdat ze voelde dat ze gelijkgestemden waren.

Dit is hoe het werkt. Twee dichters schrijven elk een gedicht over een gemeenschappelijk onderwerp, gekozen door een van hen. Deze rol wisselt bij elk gedicht af. Vervolgens worden de gedichten uitgewisseld. Beide werken er vervolgens aan om ze te verweven tot één naadloos, vloeiend gedicht dat op zichzelf kan staan. Omdat het een gezamenlijke inspanning is, wordt de redactie een heen en weer proces, totdat elke dichter tevreden is met het eindproduct.

Verder volgen ze deze basisregels:

  • Elk individueel gedicht mag niet meer of minder dan 9 regels bevatten
  • Alleen degene die de titel geeft, heeft de mogelijkheid deze daadwerkelijk in het gedicht te gebruiken. Dit om herhaling te voorkomen.
  • Het merendeel van de woorden van de originele gedichten moet behouden blijven, maar er kunnen enkele grammaticale veranderingen worden aangebracht, bijvoorbeeld enkelvoud naar meervoud, veranderingen in de werkwoordsvorm, enz.
  • Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden kunnen worden vervangen door andere die beter bij het Tapijtgedicht passen, maar de oorspronkelijke smaak moet worden behouden.
  • Alle 9 regels van elk gedicht worden gebruikt in het Tapijtgedicht, waardoor het feitelijk een gedicht van 18 regels wordt.

Hier een voorbeeld van één van hun tapijtgedichten. Hun gezamenlijke tapijtgedichten werden gebundeld en uitgegeven onder de titel ‘Tapestry Poetry; a fusion of two minds’ in 2013.

.

In your smiles (Wadia)

.

Are you hurt that

I don’t write poems for you?

If I tried to pen it in blood,

or carved open my heart

I would still fall short

of expressing my love.

Blessed I am to have you both;

In your loving smiles

My happiness you hold.

.

In your smiles (Meallem)

.

I enter your room

You cannot speak

Nor raise your hand to take mine

But when you smile

And your eyes light up

Words become superfluous

Our souls connect

beyond time and form

in the vastness of eternity

.

In your smiles (tapestrypoem of tapijtgedicht)

.

I enter your room

Are you hurt that

You cannot speak?

That I don’t write poems for you?

Nor raise your hand to take in mine?

If I try to pen it in blood,

or carve open my heart

Words become superfluous;

I still fall short

of expressing my love.

But when you smile

Blessed I feel to have you;

And, as your eyes light up

Our souls connect.

In your loving smiles,

beyond time and form,

My happiness you hold

In the vastness of eternity.

.