Site-archief
Howl
Allen Ginsberg
.
De film ‘Howl’ (2010) volgt het leven van Allen Ginsberg (1926-1997), een Amerikaanse dichter uit de ‘Beat Generation’. De film gaat in het bijzonder over het proces dat volgde na de publicatie van Ginsbergs gedicht ‘Howl’ uit 1956. De bundel ‘Howl an other poems’ werd in de preutse jaren ’50 als obsceen beschouwd. Het maakte van de auteur, die toen nog relatief onbekend was, een bekende voorvechter van de Amerikaanse tegencultuur.
‘Howl’ verkent het leven en werk van de 20e-eeuwse Amerikaanse dichter Allen Ginsberg . De film is op een niet-lineaire manier opgebouwd en plaatst historische gebeurtenissen naast een verscheidenheid aan filmische technieken . Het reconstrueert het vroege leven van Ginsberg in de jaren veertig en vijftig . Het toont ook Ginsbergs debuutuitvoering van ” Howl ” in de Six Gallery Reading op 7 oktober 1955 in zwart-wit. De film wisselt af tussen verschillende scènes – soms uit de jeugdjaren van Ginsberg, soms uit een opvoering van het gedicht zelf, dan weer fragmenten over het de totstandkoming. ‘Howl’ kan dan ook, behalve als film, gezien worden als een kritisch essay over de poëzie.
Ginsberg schreef het gedicht, dat ook wel bekend staat als ‘Howl for Carl Solomon’ in 1954-1955. Het hele gedicht lees je hier. Ik plaats hier een fragment van deel I (van II).
.
Howl
for Carl Solomon
.I
Aandacht
Ruimte tussen zien en zijn
.
Ik schreef al eerder over Els van Stalborch (1944) en haar laatste gepubliceerde bundel ‘Ruimte tussen zien en zijn’ uit 2010. Toen deelde ik het gedicht ‘Inzicht’ en vandaag zocht ik in die bundel naar een gedicht dat zou kunnen aansluiten bij het thema van de Poëzieweek 2024 ‘Thuis’. Ik heb gekozen voor het gedicht ‘Aandacht’ omdat aandacht juist iets is dat je thuis krijgt.
Tenminste als je niet alleen woont, tenzij je dan weer een huisdier hebt als een kat of hond. Of erger dat je wel samenwoont met anderen maar dat je daar geen aandacht van krijgt. Laten we in het kader van de Poëzieweek 2024 uitgaan van het meest positieve scenario en ervan uitgaan dat er veel aandacht voor elkaar zal zijn in de Poëzieweek. En voor de poëzie.
.
Aandacht
.
Soms droom ik leven langzaam.
Elk ogenblik vervuld van zijn.
Woorden groeien traag
aan takken van stilte.
.
Tijd om te voelen, te zien,
te worden misschien.
De ruimte eindeloos wakker.
Gedachten machtig en vrij.
.
Ogen zien leegte voorbij.
Handen verkennen elkaar.
Ieder vergeten gebaar
wekt verwondering.
.
Langzaam groeit aandacht.
Leven klaart op, heldert
het zicht. In ieder woord
schitter licht.
.
Dagboek van de toren
Corneille
.
Soms krijg of koop ik een bundel die me in meer opzichten verrast dan alleen door de poëzie die erin is opgenomen. Toen ik ‘Het dagboek van een toren’ van kunstschilder en dichter Corneille (1922-2010) kocht wist ik nog niet wat ik in handen had. Dit boek is uitgegeven naar aanleiding van de jubileumtentoonstelling ‘Poetry, the artist’s muse’ de 20ste verjaardag van galerie Elisabeth den Bieman de Haas, die plaatsvond tussen 25 april en 25 mei 2001. De bundel bevat poëzie van Corneille in het Frans, vertaald naar het Nederlands en Engels door Hepzibah Kousbroek.
De titel van dit boek is ontleend aan een toren genaamd La Peschiera die vier eeuwen oud is en in Italië ligt. Corneille verbleef er sinds 1973 regelmatig. De toren behoorde toe aan een adellijke familie waarvan de laatste telg markiezin Irene de Ciccolini was. Zij woonde er tot haar dood enkele jaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Het domein werd na haar overlijden overgedragen aan paters en in de oorlog bewoond door een jonge officier en enige soldaten. Na de oorlog kocht een aannemer uit Ancona het.
Het boek heeft, door de vertalingen maar liefst drie titels: ‘Het dagboek van de toren’, ‘Diary of the tower’ en ‘Journal de la tour’. Achterin het boek staat een tekening van Corneille (in druk uiteraard) van de toren die hij maakte in 1997. Journal de la tour verscheen voor het eerst in 1975 met een vertaling in het Italiaans. In 1981 verscheen een editie uitsluitend in het Frans.
Ik koos voor een gedicht waarin het favoriete dier van Corneille voorkomt; de vogel.
.
De spoorwegovergang luidt
belletjes van Tibetaanse koeien.
Terwijl de stoomtrein
onverpoosd doorhijgt om snel
daar te zijn waar die zachte
hermelijne wezens wachten,
hooggehakt, hun benen in foedralen,
gestrekt met holle rug en licht
wiegend bekken.
De baren van de nacht hebben
bontgekleurde vogels bevrijd en je
hoort de zee onvermoeid
aan de keien van het strand zuigen.
.
Aan de wankelaar
Bertolt Brecht
.
Ik was in een bibliotheek en moest daar even op iemand wachten dus wat doe je dan? Precies, dan ga je naar de afdeling of de kast (of in sommige bibliotheken de plankjes) met poëzie. In dit geval was het een afdeling en scharrelend door de fonkelnieuwe maar ook oudere bundels kwam ik de bundel ‘De mooiste van Brecht’ uit 2010 tegen. Samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem.
Bertolt Brecht (1898 – 1956) was een Duits dichter, (toneel)schrijver, toneelregisseur en literatuurcriticus. Zijn werk was sterk politiek geëngageerd.
Wat ik dan meestal doe is een beetje door zo’n bundel bladeren en wanneer ik dan iets lees dat ik opmerkelijk vind of dat me even langer doet blijven op een bepaalde bladzijde, het betreffende gedicht helemaal lezen. In dit geval bleef mijn oog hangen op het woord wankelaar. In eerste instantie dacht ik wandelaar, maar nee wankelaar. Toen ik het gedicht las moest ik (vooral bij de eerste strofe) denken aan de Tweede Kamerverkiezingen van eind november. En aan de klimaatbeweging, en eigenlijk iedereen die het klimaat en de natuur een warm hart toedraagt.
Daarom, speciaal voor iedereen die zich aangesproken voelt, hou vol en blijf geloven en werken aan een betere wereld. En voor de ware liefhebber heb ik ook de originele versie in het Duits erbij geplaatst getiteld ‘An den Schwankenden’. Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘Svendborger Gedichte’ dat Brecht in ballingschap schreef in 1937.
.
Aan de wankelaar
.
Je zegt:
Het gaat slecht met onze zaak.
De duisternis neemt toe. De krachten nemen af.
Nu, na zoveel jaren werk,
Staan we er slechter voor dan bij de start.
.
De vijand daarentegen is sterker dan ooit.
Zijn krachten lijken toegenomen. Hij ziet er onoverwinnelijk uit.
Wij echter hebben fouten gemaakt, het valt niet meer te
loochenen.
Ons aantal vermindert.
Onze parolen klinken verward. De vijand heeft
Een deel van onze woorden verdraaid tot ze onherkenbaar waren.
.
Wat is er nu verkeerd in wat wij zeiden?
Iets of alles?
Op wie kunnen wij nog rekenen? Zijn wij, overgeblevenen,
geslingerd
Uit de levendige stroom? Zullen wij achterblijven,
Niemand meer begrijpend en door niemand begrepen?
.
Moeten wij geluk hebben?
.
Dat vraag jij. Verwacht
Geen ander antwoord dan dat van jezelf.
.
An den Schwankenden
.
.
Lieke Marsman
Man met hoed
.
Lieke Marsman (1990) debuteerde als dichter in Tirade. Haar eerste bundel, ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’, verscheen in 2010. Ze kreeg daarvoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’-prijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel, ‘De eerste letter’.
In de bundel ‘Man met hoed’ zijn deze eerste twee bundels van Lieke Marsman bijeengebracht. De bundels worden bovendien aangevuld met vroeg en minder vroeg werk, en met enkele vertalingen. Laura Demelza Bosma schrijft in haar recensie van deze bundel op Meandermagazine.nl :
“Hoewel de dichteres allerlei thema’s aansnijdt die stof tot nadenken (en navoelen) brengen, zorgt ze er eerst voor dat haar lezer met haar op één lijn komt zitten. Daarna komt ze met gedachtenladders, die kunnen alle kanten op maar beloven hoe dan ook diepgang én amusement. In een enkele zin kan Marsman ogenschijnlijke contradicties verenigen, zoals bijvoorbeeld kwetsbaar en cool.”
In april 2018 werd in Marsmans bovenrug een kwaadaardige bottumor ontdekt die met succes operatief kon worden verwijderd. Als gevolg van deze ingreep kon Marsman haar rechterarm weliswaar bewegen, maar niet meer omhoog doen. In ‘De volgende scan duurt 5 minuten’ uit 2018, beschreef ze dit proces. Deze dichtbundel werd in het Engels vertaald door de in Nederland opgegroeide Britse dichteres Sophie Collins.
In 2021 kwam van Marsman de dichtbundel ‘In mijn mand’ uit. In diezelfde maand werd zij voor de periode van 2021-2023 benoemd tot Dichter des Vaderlands. In 2023 verscheen de bundel ‘Ter gelegenheid van poëzie’ met gedichten en stukken die ze schreef als dichter des vaderlands.
Uit de bundel ‘Man met hoed’ komt het gedicht ‘Jarig’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ uit 2010.
.
Jarig
.
Ik dacht dat ik mezelf een boek ging geven,
maar het werd een plant
Ik had geen plaats voor een plant,
want ik had er al veel te lang aan gedacht
.
Soms word ik ’s nachts wakker en kijk ik of mijn buik nog plat is
Meestal is het te donker om iets te zien
Dat is niet gek, het is nacht
.
Meestal is mijn buik vol
Zo vol als een buik nadat ik cake heb gegeten
Cake, mijn hele verjaardag lang
.
Ik ben Delphine en dit is een woensdag
Delphine Lecompte
.
Momenteel lees ik met reden maar zeker niet tegen mijn zin in de roman van Delphine Lecompte (1978) getiteld ‘Wie heeft Delphine Lecompte vermoord?’. Een heerlijke bizarre fantasievolle roman. Eigenlijk hoe ik Delphine ken van haar poëzie maar dan in romanvorm. Omdat ik hier schrijf over poëzie en niet over proza heb ik haar bundel ‘Verzonnen prooi’ uit 2010 er nog eens bij genomen. Op de achterkant van deze bundel staat dat Lecompte de redding is van de Vlaamse poëzie.
Of dat zo is en zo ja in welke mate, daar laat ik anderen graag over oordelen maar dat ze een nieuwe , frisse en eigen stem de poëzie in heeft gebracht daar is denk ik iedereen het wel over eens. In 2008 debuteerde ze als dichter (in 2004 als romanschrijver) met het gedicht ‘De dieren in mij’ in het literaire blad De Brakke Hond. In 2009 kwam haar eerste dichtbundel uit onder dezelfde titel. In 2010 won Lecompte hiermee de C. Buddingh’-prijs. Ook won ze met deze bundel een jaar later de Provinciale prijs voor letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen. Een nieuwe stem in de Vlaamse poëzie was geboren. Na haar debuut zou ze bijna gemiddeld elk jaar een dichtbundel publiceren.
In 2010 verscheen dus haar tweede dichtbundel bij uitgeverij De Contrabas. Gedichten uit deze bundel verschenen eerder in Tirade, nY, de Poëziekrant en De Brakke Hond. Een mooi voorbeeld van de eindeloze fantasie van Lecompte komt naar voren in het gedicht ‘Ik ben Delphine en dit is een woensdag‘. Het vreemde feit doet zich nu voor dat ik het gedicht gevonden heb op het internet op Nederlandsepoëzie.org maar dat het gedicht daar 4 zinnen extra heeft (de 4 laatste zinnen van strofe twee) ten opzichte van de bundel. Omdat deze zinnen wat mij betreft echt iets toevoegen, kies ik hierbij voor de internetversie (Een door de dichter gekozen gedicht uit deze bundel, staat erbij).
.
Ik ben Delphine en dit is een woensdag
.
Gisteren had ik een touw nodig
Maar vandaag ben ik tevreden zonder touw
Ik sta hier te staren in ijzige rekken
‘ik sta hier te staren’ dat klinkt toch niet poetisch
Dat klinkt alsof ik een domme vrouw ben die
Het tremateken in de laptop van de oude kruisboogschutter niet vindt.
.
De oude kruisboogschutter is een carnivoor
Daarom staar ik dan ook in ijzige rekken
Die rekken zijn namelijk gevuld met koteletten en
Billen van banale hoenderen die geen mensennamen kregen
Omdat niemand sentimenteel is, daar buiten, de kinderen nog het minst
Ze zijn achterdochtig als sherry-slurpende bejaarde weduwen
Met jicht en een dashond die niet van hen houdt en
Een kleindochter die langskomt met een petieterig gebakje zonder pudding en
Dan naar je slaapkamer verdwijnt om de resterende gouden broches te stelen.
.
Naast mij staat een jonge man met een wipneus en een grote bril
Op het montuur staat een logo, links en rechts als schorpioenen die
Willen kampen op zijn neusrug
Nu pookt hij een gat in de piepschuimbodem van 226 gram kalfsgehakt.
.
Tapijt poëzie
Avril Meallem en Shernaz Wadia
.
Aan de lange lijst van mogelijkheden met poëzie kan er weer een toegeveogd worden. Dit keer de tapijtpoëzie of tapestry poetry. Deze vorm van poëzie werd door de Indiase Zoöastrische dichter Shernaz Wadia en de Brits/Israëlische dichter Avril Meallem bedacht toen ze elkaar ontmoetten in 2010 in Mumbai ontmoeten. Meallem vertelde Wadia over een vorm van coöperatieve poëzie die ze een paar jaar geleden had geleerd van een andere dichter, Sarah Wurtzel, in Jeruzalem en stelde haar om deze vorm samen te proberen, omdat ze voelde dat ze gelijkgestemden waren.
Dit is hoe het werkt. Twee dichters schrijven elk een gedicht over een gemeenschappelijk onderwerp, gekozen door een van hen. Deze rol wisselt bij elk gedicht af. Vervolgens worden de gedichten uitgewisseld. Beide werken er vervolgens aan om ze te verweven tot één naadloos, vloeiend gedicht dat op zichzelf kan staan. Omdat het een gezamenlijke inspanning is, wordt de redactie een heen en weer proces, totdat elke dichter tevreden is met het eindproduct.
Verder volgen ze deze basisregels:
- Elk individueel gedicht mag niet meer of minder dan 9 regels bevatten
- Alleen degene die de titel geeft, heeft de mogelijkheid deze daadwerkelijk in het gedicht te gebruiken. Dit om herhaling te voorkomen.
- Het merendeel van de woorden van de originele gedichten moet behouden blijven, maar er kunnen enkele grammaticale veranderingen worden aangebracht, bijvoorbeeld enkelvoud naar meervoud, veranderingen in de werkwoordsvorm, enz.
- Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden kunnen worden vervangen door andere die beter bij het Tapijtgedicht passen, maar de oorspronkelijke smaak moet worden behouden.
- Alle 9 regels van elk gedicht worden gebruikt in het Tapijtgedicht, waardoor het feitelijk een gedicht van 18 regels wordt.
Hier een voorbeeld van één van hun tapijtgedichten. Hun gezamenlijke tapijtgedichten werden gebundeld en uitgegeven onder de titel ‘Tapestry Poetry; a fusion of two minds’ in 2013.
.
In your smiles (Wadia)
.
Are you hurt that
I don’t write poems for you?
If I tried to pen it in blood,
or carved open my heart
I would still fall short
of expressing my love.
Blessed I am to have you both;
In your loving smiles
My happiness you hold.
.
In your smiles (Meallem)
.
I enter your room
You cannot speak
Nor raise your hand to take mine
But when you smile
And your eyes light up
Words become superfluous
Our souls connect
beyond time and form
in the vastness of eternity
.
In your smiles (tapestrypoem of tapijtgedicht)
.
I enter your room
Are you hurt that
You cannot speak?
That I don’t write poems for you?
Nor raise your hand to take in mine?
If I try to pen it in blood,
or carve open my heart
Words become superfluous;
I still fall short
of expressing my love.
But when you smile
Blessed I feel to have you;
And, as your eyes light up
Our souls connect.
In your loving smiles,
beyond time and form,
My happiness you hold
In the vastness of eternity.
.
Fonteintje
Annemarie Estor
.
De Nederlandse Annemarie Estor (1973) is dichter en essayist. Zij woont en werkt afwisselend in Antwerpen (België) en Aragon (Spanje). Ze groeide op in Nederlands Limburg en studeerde van 1991 tot 1996 Cultuur- en Wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht. In 1996 werd zij AIO aan de vakgroep Engelse Taal en Letterkunde van de Universiteit Leiden. In juli 1999 was zij ‘fellow’ aan de International School for Theory in the Humanities te Santiago de Compostela. Na haar doctoraat in 2004 trok zij naar Antwerpen en sindsdien is zij actief als tekstredacteur in opdracht van onderzoekers en beleidsmakers. Sinds 2015 leeft zij off-grid op haar amandelboerderij in Aragon.
Naast haar werk als dichter en redacteur van het cultureel maatschappelijke tijdschrift ‘Streven’ dat zich vooral richt op essayistiek. In Estors narratieve en mythologische poëzie zijn de planten- en de dierenwereld vaak prominent aanwezig. Alertheid, betrokkenheid, gevoel, compassie, expressiviteit en verbinding door wederzijdse transformatie zijn de creatieve principes onderliggend aan alle artistieke en dus ook haar literaire creaties.
Annemarie Estor zet zich in voor de universele vrijheid van meningsuiting en voor de versterking van internationale netwerken van geëngageerde schrijvers. Estor was bestuurslid van PEN Vlaanderen van 2014 tot en met 2018, waar zij onder andere meewerkte aan het project ‘Polyfoon’, met Arabische auteurs. Estor vertaald incidenteel Arabische poëzie naar het Nederlands.
In 2010 debuteerde Estor met de bundel ‘Vuurdoorn me’. Voor deze bundel ontving ze in 2011 de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. In 2018 ontving ze de Jan Campertprijs voor haar bundel ‘Niemandlandsnacht’. Haar laatste bundel is van 2022 en is getiteld ‘Nanopaarden en megasteden’. Uit deze bundel komt het gedicht ‘Fonteintje’, een gedicht dat actueel is in deze warme nazomer.
.
Fonteintje
–
Op minder dan twee uur gaans
staat in de nog steeds heel erg hete avondzon
een fonteintje, met ornamenten,
wat oleanders erom,
en verder beton.
–
Dagloners stappen er uit een oude Renault,
ze stoffen elkander af, zo goed en zo kwaad
als dat gaat,
overalls, touwhaar,
het smeltend asfalt van hun verlangens, rorschach
zweetplekken tussen de schouderbladen,
ze koelen de paarden
die ze uit de kattenbak halen
onder het vredig snorren van de nachtzwaluwen
.
Dag dertien
Vakantiegedicht
.
Een vaste waarde in de rubriek ‘vakantiegedichten’ is Anneke Brassinga (1948). Ze heeft dan ook verschillende gedichten geschreven die goed bij deze periode van het jaar passen. Zo ook het gedicht ‘Op weg’ gepubliceerd in ‘De academische Boekengids’ uit 2010.
.
Op weg
.
Mocht ik in het holst van het hart
van donkerste dagen te lijf gaan
achter al het uiterwaardse een stuk of wat
verlaten kusten onder razende luchten
waar albatrossen op hun wieken sinds jaar
en dag en eeuwen worden weggeblazen-
.
graag zou ik boven lege oceanen regen zijn
op reusachtige hoeven, zinnentuimel
van tempeest, het stormend paard dat louter
water is, uiteenvalt in geschuimbek-
.
zocht ik bij voorkeur echter diepten
die geen daglicht velen, omtrent
een steenworp van d’onoirbaar gloeiende
kern; daar zal betijen wat mij jaagt.
.














