Site-archief

Zoals gewoonlijk

Claire Vanden Abbeele

.

Op zoek naar een gedicht stuitte ik op de fraai uitgegeven bundel ‘Als vrouwen beminnen’ van Claire Vanden Abbeele (1936-2023) uit 2007. Ik herinnerde me dat ik al eens over deze bundel had geschreven maar wat ik destijds niet had gezien is dat helemaal voorin iemand in haar eigen handschrift een eigen gedicht (vermoed ik) heeft geschreven. In januari 2011 schreef deze vrouw het volgende:

.

Hier en nu

.

Op een dag in het hier en nu

zal ik zijn wie ik ben

geen mens van vrees en verdriet

alleen maar een vrouw, onbevangen

die vertrouwt en zich verbindt

met hen die me omringen

hier en nu

of in jouw

mijn liefste liefde….

.

Ik hou heel erg van opdrachten, kleine boodschappen, aantekeningen of noten die lezers van dichtbundels zelf in kantlijnen of elders in een dichtbundel schrijven. Het maakt zo’n (tweedehands) bundel voor mij extra waardevol. Iemand heeft de moeite genomen iets persoonlijks te schrijven voor zichzelf of voor een ander en door het lot is dit in mijn bezit gekomen. Wanneer een bundel zo uitdrukkelijk over de liefde en het vrouw zijn gaat is een persoonlijk gedicht met de hand geschreven dan een klein extra cadeautje.

Natuurlijk wil ik hier ook een gedicht van deze bijzondere vrouw, dichter, therapeute, schrijver en kunstenaar plaatsen. Ik koos uit ‘Als vrouwen beminnen’ het gedicht ‘Zoa;ls gewoonlijk’.

.

Zoals gewoonlijk

.

Zoals gewoonlijk

alleen maar jij en ik

kijkend naar zoenen die zuchten.

Geen aarde, geen hemel

alleen kinderen die spelen.

Zoals gewoonlijk dromen jij en ik

zich tot zwervers die sterren plukken

om gitzwarte lakens van te maken

waarop ze reizen en rusten

voor altijd.

.

Lente in de klas

Gedichten over het onderwijs in Nederland

..

Toen ik las dat er een vuistdikke bloemlezingen verschenen was getiteld ‘Er hangt iets van lente in de klas…’ met gedichten over het onderwijs, moest ik meteen aan de bloemlezing ‘Soms moet het werkelijk stil zijn‘ uit 2011. Op zichzelf niet verwonderlijk, de samenstellers van die bloemlezing waren Theo Magito (1951) en Henk Sissing (1954), dezelfde samenstellers van deze nieuwe bloemlezing. Ruim vijftien jaar hebben Theo Magito en Henk Sissing gezocht naar de mooiste parels en ze resulteerden in een schatkamer van ruim 800 pagina’s (met circa 900 gedichten) waarin de lezer oneindig kan verdwalen. De bloemlezing ‘Soms moet het werkelijk stil zijn’ zal vast en zeker de basis zijn geweest van deze nog ruimere keuze.

Magito en Sissing, die bij de samenstelling van het boek zijn geholpen door kenners en specialisten, kozen ervoor om te werken met vier secties: onderwijsgedichten in de middeleeuwen, gedichten tot de onderwijswet van 1806, onderwijspoëzie in de 19e eeuw en gedichten over de 20e en 21e eeuw. Iedere sectie is met hulp van Willem Kuiper (UvA), Sarah Van Ruyskensvelde (KU Leuven) en Jacques Dane (Nationaal Onderwijsmuseum) in een historische context geplaatst. Ook Gert Biesta heeft met een voorwoord een duit in het zakje gedaan. Volgens hem werkt een blik op historische gedichten over het onderwijs relativerend, omdat ze laten zien dat veel hedendaagse ideeën en spanningen van alle tijden zijn.

En dat is gelukt want de gedichten gaan over ideeën en verlangens, over schoolvakken, over mensen. Ze zijn dikwijls liefdevol, vaak ironisch en soms kritisch. De teksten zeggen daarbij niet alleen iets over hoe het onderwijs zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld, maar ook over hoe de poëzie zelf is veranderd. Het vuistdikke boek bevat allerlei soorten gedichten waarin zich een voorzichtig patroon aftekent van strakke en vormvaste poëzie met een serieuze toon, naar speelse en vrije gedichten.

De bundel ‘Er hangt iets van lente in de klas…’ is een verzameling van allerlei soorten poëzie: vormvaste gedichten en vrije verzen, prozaïsche gedichten, liedteksten, en zelfs soms visuele poëzie. De gedichten hebben thema’s als het leven op de basisschool, of op het voortgezet onderwijs. Er zijn gedichten over leraren of gedichten bezien vanuit hun perspectief van de leerlingen. Soms zijn kinderen aan het woord, dan weer hun ouders.

Uit de bundel nam ik het gedicht ‘Na de schooltijd’ van dichter Johanna Kruit (1940).

.

Na de schooltijd
.
Ik doe mijn ogen op een kiertje dicht.
De wolken zeilen hoog voorbij. Ik lig
languit. Gras kriebelt mijn gezicht.
.
Ik denk aan dingen die ik nog niet weet.
Hoe bloemen bloeien, hoe een vogel leeft
en waarom water van de zee beweegt.
.
Er komt een vlinder even zitten op een bloem.
Ik plaag hem met het puntje van mijn schoen
en sta weer op: ik moet nog huiswerk doen.

.

Wijsgerige gedichten

Heere Heeresma

.

Onderwerpen en thema’s voor gedichten zijn zeer divers, ik zou zeggen alomvattend, er zijn geen onderwerpen waarover niet ooit een gedicht is geschreven. Sommige onderwerpen en thema’s zijn populairder onder dichters dan andere; ik noem de liefde, de dood, het dichterschap. En er is poëzie die geschreven is vanuit een ‘andere’ functie die de dichter heeft. Ik heb hier al vaker geschreven over de combinatie kunstenaar/dichter, wetenschapper/dichter, journalist/dichter en zo kan ik nog wel meer voorbeelden noemen. De meest voorkomende is natuurlijk dichter/schrijver want ik geloof niet dat er veel dichters zijn die alleen en exclusief het métier van dichter beoefenen.

Een andere, interessante combinatie is die van filosoof of wijsgerige en dichter. Een aardig voorbeeld vind ik Sanne ten Wolde (al is zij toch vooral filosoof) maar ook aan Eva Meijer en Jabik Veenbaas. De Poëzie van deze dichters/filosofen is vaak serieus en diepgravend (filosofisch). Toch kan het ook anders. Heere Heeresma (1932-2011) publiceerde in zijn bundel ‘Eens en nooit weer…‘ uit 1979 een aantal gedichten in het hoofdstuk Wijsgerige gedichten 1970-1971 die je met een knipoog wijsgerig kan noemen. Heeresma is als schrijver eerder te vergelijken met iemand als C. Buddingh’ (qua humor) dan met de filosofen die ik hierboven noem.

Hieronder een aantal voorbeelden van gedichten uit deze bundel die hij dus rangschikte als zijnde wijsgerig. De laatste is wat mij betreft zeer actueel en kan zo op Trump of de volksverlakkers van de FvD worden geprojecteerd.

.

Wie het leven beschouwd als een toverbal,

slechts gulzig-zuigend gaat zijns wegen,

die raakt noch kant die raakt noch wal,

en daar is niets op tegen.

.

Het is altijd beter leugens te bedenken

dan ongevraagd de waarheid te schenken.

Want waarheid is als het volle pond,

het verstopt het hart; verstopt de mond.

.

Het leven is als een pijp kaneel,

zegt Wijsheid; en neemt méér dan haar deel.

Want boven al’ torent Zakendoen

en niets zo goed als de zak vol poen.

.

Poëzieweek 2026

Ramsey Nasr

Afgelopen week was ik in Assen in het Drents museum. Daar kwam ik behalve het gedicht ‘Symbiose’ uit 2011 van Jean Pierre Rawie (hieronder) in de hal bij de lift, ook dichter, schrijver, acteur en verzamelaar Ramsey Nasr tegen. In de bijzondere tentoonstelling Mikrokosmos – De wereld in een Wunderkammer komen klassieke Wunderkammer-objecten, hedendaagse rariteiten en beeldende kunst samen. Delen van verzamelingen van onder andere schrijver, dichter, bibliofiel en presentator Boudewijn Büch (1948-2002), bioloog Midas Dekkers, Tattoo-artiest Henk Schiffmacher, en ontdekkingsreiziger Redmond O’Hanlon zijn daar te bewonderen. Ik kan een bezoek aan het Drents Museum daarom ook zeker aanbevelen, zeer de moeite waard.

Toen ik vervolgens een paar dagen later op de website van de Poëzieweek 2026 aan het rondkijken was, kwam ik Ramsey Nasr (1974) opnieuw tegen. Onder leiding van Martine Wendrickx zet hij het nieuwe jaar in met vurige, intieme, kritische en liefdevolle gedichten in Het Predikheren, de bibliotheek van Mechelen in Vlaanderen op zondag 4 januari 2026.  Reden dat ik bij dit bericht bleef hangen was dat Het Predikheren, de bibliotheek in Mechelen is ingericht door KSA architecten, dezelfde interieurarchitecten die mijn nieuwe bibliotheek in Vlaardingen in de Grote Kerk gaan inrichten. Alle reden dus om een gedicht van Ramsey Nasr te plaatsen hier. In dit geval het gedicht het liefdesgedicht ‘In bed’ dat komt uit de bundel ’27 gedichten en geen lied’ uit 2000.

.

In bed

.

En dan te denken dat het niet

Meer worden zal dan dit: mijn lief

Haar lijf zacht op te tillen als

Zij plassen moet en mij niet ziet.

.

Legpuzzel

Elfie Tromp

De Rotterdamse dichter, theatermaker, zangeres en columniste Elfie Tromp (1985) ken ik al sinds zij voordroeg bij het podium van toen nog Ongehoord Rotterdam in 2011, later poëziepodium Ongehoord! In 2012 begon ze samen met Jeroen Aalbers het literaire tijdschrift Strak. In 2013 stond ze opnieuw op het podium van Ongehoord! toen als dichter en schrijver (ze was gedebuteerd met de roman Goeroe in 2013 en was in het proces van het schrijven van haar volgende roman Alfateef).

De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) benoemde haar tot zomerdichter van 2020 en in 2023-2024 was ze stadsdichter van Rotterdam. Ze was vanaf 2013 vaste columnist voor het dagblad Metro en schreef onder andere voor de Volkskrant, Joop.nl en Passionate. In 2016 nam Tromp deel aan de televisiequiz De Slimste Mens en ze maakt webcasts voor onder andere de VPRO. In 2021 was ze columnist bij Vroege Vogels. Haar laatste wapenfeit is haar theatershow Van de gekken! waarin ze in de huid van cabaretlegende Adèle Bloemendaal kroop.

Elfie is kortom een zeer veelzijdige vrouw en artiest. In 2020 stonden een aantal van haar gedichten in MUGzine #4 en hoezeer ik van haar romans genoten heb, als dichter is Elfie me toch het liefst. In 2018 verscheen haar tot nog toe, enige dichtbundel ‘Victorieverdriet’. Uit die bundel die ze schreef nadat ze door haar vriend was verlaten en waarin je als lezer in drie afdelingen door Tromp door de verschillende fasen van haar rouwproces wordt meegenomen: de schok, de reactie, het herstel, nam ik het gedicht ‘Legpuzzel’ uit het eerste deel.

.

Legpuzzel

.

Ik leg graag

puzzels

maar krijg jou nooit

af

.

je was zo veel losse stukken

ik kwam een eind

dat moet je met me eens zijn

met gevoel, geduld en een portie

beginnersgeluk

.

de randen kloppen

.

ik had je bijna

opgelost

.

ik ben van buiten naar binnen toe begonnen

voor het hart

kreeg ik de kans niet

.

je bent andermans legpuzzel nu

met in het midden een gekarteld gat

.

Dochter

Judith Mok

.

Ik sta weer voor mijn boekenkast en pak daar een willekeurige dichtbundel uit zonder te kijken wat het is. Het is ‘Vrouwen dichten anders’ samengesteld en ingeleid door Cox Habbema, uit 2000. Ik open de bundel op een willekeurige pagina (72) en daar staat het gedicht ‘Dochter’ van Judith Mok dat is genomen uit haar bundel ‘Het Feestmaal’ uit 1997.

Judith Mok (1954-2024) is een voor mij onbekende dichter, ik schreef nog nooit over haar en haar naam werd zelfs niet terloops in een blogbericht genoemd. Mok was een multi-talent. Ze was een Nederlandse sopraan, schrijfster en dichteres. Ze verhuisde in haar veertiger jaren naar Ierland en publiceerde romans en andere werken in het Engels. Ze publiceerde fictieve memoires, drie romans en vier dichtbundels. In 1985 debuteerde ze als schrijver en dichter met de dichtbundel ‘Sterkwater’. Hierna volgde nog ‘Materiaal’ in 1991, ‘Het Feestmaal’ in 1997 en ‘Goden van Babel’ in het Engels in 2011.

.

Dochter

.

Ik sta naast je bed

Er zingt iets in mijn oren

alsof je slaap de melodie kent

van toen. Kind, je huid

laat een bloemengeur toe

je bent je vaders gedicht

mijn Ierse roos

je rijdt op wilde paarden

en spreekt je wijze taal.

Ik luisterde naar het sterven

van mijn moeder, terwijl de dood

aan jouw masker begon te kerven.

.

Helle van Aardeberg

Gedicht bij presentatie

.
Bij de presentatie van de laatste nieuwe bundel van Alja Spaan ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ was een van de door Alja gevraagde dichters Helle van Aardeberg (1962). Helle ken ik al heel lang maar ik had haar ook al lang niet gesproken. Haar werk (ze maakt al sinds jaar en dag de uitnodigingen voor Reuring, het poëziepodium van Alja in Alkmaar) ken ik goed, maar poëzie van haar hand had ik al lang niet meer gelezen. Bij de bundelpresentatie droeg ze haar gedicht ‘On the Liberal Hill overlooking the Bible Belt’ voor en haar voordracht maar ook zeker het gedicht zelf waren weer ouderwets overtuigend. Daarom heb ik haar de tekst van dit gedicht gevraagd die je hieronder kunt lezen.

Helle won in 2011 de Poëziewedstrijd van het Bureau voor Ontwapeningszaken van de Verenigde Naties (UNODA) en ze werd door de Japanse Minister van Buitenlandse Zaken in Den Haag in 2012 onderscheiden met een certificaat voor deze wedstrijd (ik was een van de gelukkigen die Helle destijds had meegevraagd). Ook is zij Erelid voor het Leven van The Literarian Society (sinds 2014) in Richmond, Virginia (Verenigde Staten).

.2011, 2012

On the Liberal Hill overlooking the Bible Belt
.
“Speak the King’s English!”
.
Fell from her overworked,
underpaid lips
from her place at the kitchen table
hissing out of sociologically
pressure-cooked table manners
southern-fried sit up straights
Sunday supper elbow chasing
throwing us academic lifesavers
hard single-parent lessons.
.
“I will have none of THAT!, No Madame! Not under my roof!”
.
She did not bring us
back to her homeland
to be bastardized
by its use of folk language
of twangs and twongs
grunts and muttering moans.
Calling it intellectual suicide
You will never make anything of yourself
.
“But mama, ain’t it true culture, what refines us all?”
.
“Like yo’ said fo’ yo’self
Never be ‘shamed of yo’ roots
Like you said it’s th’ hatin’,
that’s what’s wrong, the hatin’
and what of my daddy
the brilliant inventor gone ‘n
thems ‘at come before?
Them thar was good folk, fine folk
yes indeedy
They wus Pioneers and War Heroes
Refugees and Trailblazers
Nation builders and fancy genealogy
book figures
Freed’m fighters ‘n freed’m takers”
“I did not raise my children to be ignorant”, she pointed out –
of her generation and sheer sullen wits
.
backed by her study of History
under proud shields
of family heraldry
imprinted in the walls
of William & Mary
In her beautiful maverick way
that galloped
many a battlefield
in its day,
always surviving
against odds, enormous
and yet never ever
winning her true dreams
and built
of sacrifice
.
“Now, mama which King are you tolkin’ ‘bout?”
.
This here s’Merika
We ain’t had no King fo’ a long piece
last I checked just like the hen house
I ain’t gonna tolk no bloody British
Ain’t t’at thar a bit far back down the line?
W’at cent’ry is you livin’ in mama?
I AM tolkin’ the King’s tolk!
The ‘merikan king, Elvis Presley!
.
Ain’t t’at jus the skinny?
dumber than a bag of hammers
and on stage
.
At nine.
.

Claus all over

Anneke Claus

.

Bovenop een stapel dichtbundels ligt al een tijdje de bundel ‘Ik schrijf je neer’ de mooiste gedichten van Hugo Claus’ uit 2002. En op mijn salontafel ligt de roman ‘Het aanbidden van Louis Claus’ van Helena Hoogenkamp die ik aan het lezen ben (tussen de bedrijven door). En om het Claus trio vol te maken stuitte ik in de bundel ‘Dichters uit de bundel’ De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten uit 2016, op nog een andere Claus, namelijk Anneke Claus.

Anneke Claus (1979) behaalde een Master European Literatures and Interculturality, debuteerde als dichter met de bundel ‘Dat was dat’ in 2008 en publiceerde inmiddels vier dichtbundels. Ze werkte jarenlang als tekstschrijver redacteur bij onder andere de Historische Uitgeverij, het Groninger Museum en het Internationaal Film Festival Rotterdam. Van 2009 tot 2011 was ze stadsdichter van Groningen en in 2018 droeg ze haar poëzie voor tijdens De nacht van de Poëzie in Utrecht.

Uit haar debuutbundel komt het gedicht ‘Wat ik Jaap nog wilde zeggen’.

.

Wat ik Jaap nog wilde zeggen

.

iemand ontkende heel mijn jeugd

.

hij zei dat het niet waar was

van de buks, het voetbal

en de blote plaatjes in de kluis

.

of ik daar als de sodeflikker

met mijn poppentengels wilde afblijven

.

ik zweeg dan ook volmondig over zijn tutu

de plaspop die ‘I’m thirsty’ zei

en de borduurclub

.

het was per slot mijn feestje niet

en knokken met jongens verlies ik

.

door de bank genomen

.

negen op de tien keer

.

 

Lijm

Kurt De Boodt

.

Zo nu en dan ontdek ik een dichter die ik nog niet ken. Zo zat ik in de vuistdikke verzamelbundel ‘Nieuw Groot Verzenboek’ 600 gedichten over leven, liefde en dood, samengesteld door Jozef Deleu uit 2015 (achttiende uitgebreide en herziene druk) te lezen toen ik het gedicht ‘Lijm’ las van de Vlaamse dichter, kunstcriticus en tekstschrijver Kurt De Boodt (1969).

De Boodt studeerde Germaanse Filologie aan de KU Leuven. Naast dichter en kunstcriticus was hij adviseur en tekstschrijver in de beleidscel van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Tot 1999 was hij hoofdredacteur van het maandblad Kunst & Cultuur. Hij publiceerde de bundels ‘Mal dood lam’ (2024), ‘Wake’ (2019), ‘Ghostwriter’ (2015),  ‘Minnezang’ (2011), ‘Waarop de klok ontwaakt!’ (2008), ‘Anselmus’ (2004), ‘Moules belges’ (2002) en ‘En alles staat stil’ (2000).

Levity Peters schreef in zijn recensie van ‘Ghostwriter’ de bundel waaruit ‘Lijm’ werd genomen: “Het enige dat ik proef in deze poëzie is zijn boosheid op anderen, op de domheid van anderen, het machtsstreven van anderen, de onrechtvaardigheid van anderen, de meedogenloosheid, de harteloosheid, hun eeuwige tekort. Ik ga ervan uit dat de haat om het onrecht uit betrokkenheid voortkomt. Ik hoop dat Kurt de Boodt in een volgende bundel wat meer van zijn liefde voor de wereld toont. Er is geen betere.” Hij schrijft dit nadat hij geconstateerd heeft dat er sprake is van een vermoeiende eendimensionaliteit “Niemand lijkt hier een binnenkant te hebben. De dichter zet iedereen als pionnen op zijn speelbord om zo zijn boodschap over te brengen. Als een echte ghostwriter.”

Toch lees ik in het gedicht ‘Lijm’ wel degelijk ook een andere kant van De Boodt. Het gedicht is opgedragen aan Vosje de kater en een In Memoriam voor José Vermeersch (1922-1997) een Vlaamse beeldhouwer en kunstschilder. Oordeel zelf.

.

Lijm

I.M. José Vermeersch en Vosje de kater

.

We kunnen het altijd met minder doen.

.

Zie: het keramische hondje dat de kater nu

van de kast stoot, valt nu op de keukenvloer

in gruzelementen uit elkaar. Onlijmbaar.

.

De maker is al jaren zaliger. Zijn honden

mannen en vrouwen uit gebakken klei

beven op aarde, in huiskamers en musea, na.

.

Hondje overleefde verhuis en ochtendhumeuren.

Het stond hoog buiten bereik van poetsvrouwen

en dochters die te groot werden voor kattenkwaad.

.

Tot de kater zich de kast op joeg en ongelukkig bewoog.

In mijn hoofd snijden scherven geheugensporen open.

Kater kijkt schuldig maar bekomt zienderogen van de schrik.

.

De waarde van kunst hoort emotioneel te zijn.

De waarde van kunst zit in het hoofd van de kijker.

Een onlijmbaar hondje is goed voor de vuilniszak.

.

Terwijl ik dit tik, likt andere kater mijn baard.

O wat genieten poezen toch van het ogenblik.

Genoeg gelikt, rotkater, ik zie mijn beeldscherm niet.

.

We leven niet in musea die kunstwaarden bewaken.

Zo. Hondje staat weer op de kast, gelijmd en wel

van herinneringen aan voor altijd bij elkaar blijven.

.

We kunnen het altijd met minder doen

maar zonder elkaar, dat niet.

.

 

 

Blaka Oema

Hilli Arduin

.

Hilli Arduin is geboren in Paramaribo (1950) maar ze bracht haar jeugd door op Curaçao. Om verder te studeren verhuisde ze op 21-jarige leeftijd naar Nederland. In Nederland studeerde ze af in maar liefst 5 HBO- en 2 doctoraalstudies. Van beroep is Hilli Arduin klinisch orthopedagoog en psycholoog. Naast haar drukke bezigheden heeft ze schrijven als hobby. Maar ook haar hobby neemt ze zeer serieus.

Zo schreef ze ‘De donkere tranen van zijn moeder’ dat gaat over haar oudste zoon, die op 21-jarige leeftijd aan sarcoïdose (een zeldzame ziekte van het afweersysteem) overleed. Maar ze schreef ook het kinderboek ‘Ik neem je mee’ waarin de trans-Atlantische slavernij wordt belicht. De verhalen in dit boek worden steeds ingeleid met een gedicht.

Ook is Arduin verhalenvertelster. Dit bracht haar naar landen als Zuid-Amerika, Amerika, Canada, Suriname, Nederland en België. In 2018 publiceerde ze een ‘Kindergedichtenbundel’. In 2011 verscheen van haar hand ‘Wie ben ik / Ta ken mi ta’ en uit die bundel komt het gedicht ‘Blaka Oema’ (kleine heester met groene bloemen).

.

Blaka Oema

.

Bijzonder was de dag waarop

de zon

de flonkerster

de volle maandag

de morgendauw

haar baarden.

.

Fluweelzachte huid

gekleurd door

bruinige tinten,

rimpelloos en strak.

Met afgemeten precisie

creëerden ze haar gelaat.

De donkere ogen

de platte neus

de volle lippen

pasten als puzzelstukjes in elkaar.

Uitstulpende rondingen

voor, achter, links en rechts

vertolkten haar sensualiteit.

Donzig pluizig haar

drapeerde haar hoofd

in vallende lokken.

.

Eigenzinnig en trots

bewandelt zij

in ritmische cadans

haar weg.

.

Ze gaat.

Kijkt om.

En gaat weer verder.

.

Mooi blaka oema.

.