Site-archief
Uitzicht genoeg
Marjoleine de Vos
.
Vandaag uit mijn boekenkast de bundel ‘Uitzicht genoeg’ van dichter Marjoleine de Vos (1957). De Vos studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en schreef in 1985 haar doctoraalscriptie over dichter Gerrit Achterberg. Wat opvallend is aan haar carrière is dat ze vooral als jurylid van vele jury’s actief is zoals de Zilveren en Gouden Griffeljury (ze schreef zelf ook kinderboeken) maar ook voor de Herman Gorter-prijs, de P.C. Hooft-prijs, de A. Roland Holst-penning en de Ida Gerhardt Poëzieprijs.
Ze schrijft ook een column voor het opinieweekblad VolZin. In 2000 verscheen haar eerste poëziebundel ‘Zeehond graag’, in 2003 gevolgd door ‘Kat van sneeuw’. ‘Zeehond graag’ werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002. In het voorjaar van 2008 verscheen haar bundel ‘Het waait’. De bundel ‘Uitzicht genoeg’ is uit 2013 en een succes gezien het feit dat ik een vierde druk heb (binnen één jaar).
Uit deze bundel het gedicht ‘Kringloop’, een gedicht over de kringloop van het leven maar voor mij ook omdat ik daar zo graag kom in kringloopwinkels (en veel van de bundels in mijn boekenkast daar vandaan komen).
.
Kringloop
.
En steeds is alles op zijn mooist: van start
in volle bloei tot rood en krachtig kaal.
Er huist geen groot schandaal in leven
dat verdwijnen moet om nog onwennig
op te staan in een herschreven vorm.
We spreken over ons bestaan, we lachen
willen hier zijn, altijd hier. Zoals de vlier
heel oud al in zijn ziel, maar graag bereid
tot flierefluiten voor wie wil.
.
Alst past
Victor Speeckaert
.
Ik verbaas me soms over dichtbundels die ik tegenkom in kringloopwinkels en op rommelmarkten. De staat waarin bundels zich bevinden die toch al heel oud zijn bijvoorbeeld. Zo kocht ik een klein bundeltje, je mag het eigenlijk niet eens een bundeltje noemen, het zijn 5 A4tjes met een slap kaftje aan elkaar geniet, met 9 gedichten daarin van de dichter Victor Speeckaert uit 1962 in een staat alsof het net vorige week gemaakt was.
Victor Speeckaert (1906-1988) was zijn leven lang werkzaam als ambtenaar op de administratie van de gemeente Gent. Daarnaast was hij archivaris der Fonteine (een Rederijkerskamer die stamt uit de 15e eeuw). Speeckaert debuteert in 1931 met de bundel ‘Najaarskleuren’ die nog door Marnix Gijsen in De Standaard wordt besproken. Zijn gedichten werden in 1970 bijeengebracht in de bundel ‘Verzamelde Gedichten’, een fraai uitgegeven boekje, met illustraties van Jos van den Abeele en Paul Mak en vier tekeningen van Herman Verbaere. De ‘Verzamelde Gedichten’ bevatten een herdruk van de cyclussen ‘Van Zomer en Najaar’ (1954/1955) en ‘De Rij der Maanden’ (1957) en verder twee reeksen van negen en acht stukken onder de respectievelijke titel ‘Alst Past’ en ‘Bi Apetite’, die samen het devies vormen van de rederijkerskamer ‘De Fonteine’, waarvan hij in 1931 bestuurslid en in 1941 archivaris was geworden.
Het bundeltje ‘Alst past’ heb ik dus nu in bezit. Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het gedicht ‘Aan de Sure’.
.
Aan de Sure
.
Er ruist een teder woord
Uit ranke wilgetwijgen
Die aan de Sûreboord
Naar ’t helder water nijgen,
Waarin hun spiegelbeeld,
Door ’t Stroomgeweld gebroken,
De Blaren kust en streelt
Om ’t woord door hen gesproken.
.
Dat woord ruist in mij mee,
In hart noch ziel te stelpen,
Als ’t ruisen van de zee
In parelmoeren schelpen,
Want aklles wat nog zin
En waarde schenkt aan ’t leven
Heeft aan dat woord “ik min”
Mij antwoord steeds gegeven.
.
Klein voorspel
Hanny Michaelis
.
Vorige week was ik bij een kringloopwinkel/opkoper/brocante die in een enorm pand gevestigd was. In de winkel waren prachtige en minder prachtige dingen te koop en ook boeken. Wanneer ik boeken zie ga ik altijd even kijken. Ik kon geen poëzie vinden maar wel wat Zwarte Beertjes (mijn broer spaart de exemplaren waarvan Dick Bruna de kaft ontwierp). Zoals zo vaak was de vraagprijs niet in verhouding tot de waarde (wat bezielt die commerciële winkeliers toch? Willen ze hun boeken niet verkopen?). Dus enigszins teleurgesteld legde ik ze terug. Ik keek nog wat verder en tot mijn verbazing vond ik nog twee oude dichtbundels; De muze op reis (dat deel had ik nog niet) én ‘Klein voorspel’ van Hanny Michaelis uit 1949. Tot mijn grote verbazing was de prijs voor deze bundeltjes een ‘rommelmarktprijs’ € 1,- per stuk. Waar Zwarte Beertjes werkelijk overal te koop zijn en in enorme aantallen zijn verkocht destijds en hier als dure waar wordt gezien, koop ik voor een habbekrats een klein juweeltje. Blijkbaar lag de kennis van deze opkoper minder bij boeken dan bij meubels en andere grote dingen.
Hanny Michaelis (1922 – 2007) was dichter en vertaalster en debuteerde in 1949 met ‘Klein voorspel’. In haar kleine oeuvre beschrijft zij de mens in zijn hulpeloosheid en eenzaamheid, op zoek naar liefde. Haar werk is sober en later ook relativeert. Haar beide Joodse ouders werden vermoord in het vernietigingskamp Sobibór, dit gegeven en de oorlog drukte een groot stempel op haar werk. In totaal verschijnen er van haar hand 6 dichtbundels. Na 1971 verschenen er geen nieuwe bundels meer van Michaelis. In 1995 ontving zij de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre. In 1996 verschenen haar ‘Verzamelde gedichten’.
Het kleine bundeltje ‘Klein voorspel’ telt 30 gedichten en werd in 1949 gedrukt door drukkerij Thieme uit Nijmegen. ‘Klein voorspel’ was het een-en-twintigste deel van ‘De Ceder’ uitgegeven door J.M. Meulenhoff uit Amsterdam. Uit dit prachtige bundeltje koos ik voor het gedicht ‘De liefste’.
.
De liefste
.
Word wakker in de vroege voorjaarsmorgen
open je ogen in het grijze licht.
Voel je een ogenblik verlost van zorgen
en glimlach als een kind, bevrijd van plicht.
.
Glimlach en raak het lichtend spoor niet bijster
dat leidt naar een betoverend verschiet.
Wees stil : buiten huldigt de eerste lijster
de wereld in een overmoedig lied.
.
Hij zal je hart loszingen uit het puin
van halfontluisterde herinneringen,
en neer doen strijken in de verre tuin
waar het geluk fonteinen doet ontspringen.
.
In deze tuin zal het mijn hart ontmoeten –
twee speelse vlinders in de zonneschijn.
Verheerlijkt zullen zij elkaar begroeten
en onuitsprekelijk gelukkig zijn.
.
Poeticaal
Gerrit Kouwenaar
.
In 1974 publiceerde Gerrit Kouwenaar bij uitgeverij Em. Querido de bundel ‘landschappen en andere gebeurtenissen’ uit. Ik heb deze bundel gekocht in een kringloopwinkel en achterin zit een getypt (!) vel waarvan ik vermoed, dat ie van iemand is geweest die aan de universiteit colleges heeft gevolgd over de poëzie van Gerrit Kouwenaar. Volgens de schrijver van dit vel zijn een aantal gedichten in deze bundel expliciet poeticaal (poëtisch zouden we nu zeggen). Een gedicht dat hier genoemd is kun je hieronder lezen. Over het al dan niet poeticaal zijn van de gedichten wordt een uitspraak aangehaald van Kouwenaar waaruit blijkt dat vrijwel alle gedichten poeticaal lijken te zijn. Deze uitspraak gaat over de relatie van gedicht en werkelijkheid en luidt:
“Maar wat al die werkelijkheden betreft, het schrijven berust – voor mij althans – op een gebruikmaken, een uitbuiten van de spanning tussen de empirische werkelijkheid en de werkelijkheid van de taal. De vraag hoe deze werkelijkheden op elkaar botsen, ergens zijn te verzoenen en toch niet zijn te verzoenen, toch altijd door het papier gescheiden blijven. Daar gaat het bij mij toch een beetje om, geloof ik.”
Ik zou zeggen oordeel zelf aan de hand van het volgende gedicht dat volgens de opsteller van dit schrijven poeticaal of poëtisch is.
.
Als de dood: men is
daar even stil gaan liggen
in die foto
en daar ligt men nu eeuwig
.
het gehoor hoort zich doof, zien
kijkt een blinddoek, stof vult
de alles ontkennende mond
.
deze sekonde stikkend van zonlicht: hoe lang
duurt de kou van die wolk?
.
even gaan liggen en meteen onophoudelijk
vergeefs op het punt staan van opstaan
in vlees
.
op papier –
.
Het laatste bed
Ingmar Heytze
.
In 2013 gaf Dagblad Trouw tien dichtbundels uit onder de titel Trouw Poëziecollectie. Het eerste deel van Judith Herzberg werd gratis weggegeven en dat kom ik dan ook vaak tegen bij kringloopwinkels en op rommelmarkten. De andere delen zie ik veel minder vaak. Dit zijn verzamelbundels van Lucebert, Remco Campert, Eva Gerlach, K. Michel, Gerrit Kouwenaar, Ester Naomi Perquin, Rutger Kopland, Ida Gerhardt en Ingmar Heytze.
Van de laatste dichter heb ik nu het deel te pakken. In deze verzamelbundel staan gedichten uit de (toen nog) 10 poëziebundels die van hem verschenen bij uitgeverij Podium. Ik koos voor het gedicht ‘Het laatste bed’.
.
Het laatste bed
.
Als kind had je een eigen leven
op je kleine jongenskamer
met de grote deur vol stickers
die de wereld buitensloot
.
met je beer tussen de dekens
lag je in een glanzend ei
van fantasie, je hebt altijd
geslapen in een soort van boot
.
dit alles komt gewoonlijk bij je op
in onbekende bedden
zoals nu – van een vreemd lichaam
krijg je slaperig een zoen
.
het liefste meisje voor vanavond
alsof zij je kan behoeden
voor je allerlaatste bed
in ziekenhuis of paviljoen.
.
Een winter aan zee
A. Roland Holst
.
Bij de kringloopwinkel kocht ik twee kleine bundeltjes van A. Roland Holst; ‘Vuur in sneeuw’ en ‘Een winter aan zee’. Deze laatste is in 1961 uitgegeven als Ooievaar pocket 127 en beslaat een lang gedicht in 10 hoofdstukken weer onderverdeeld in delen. ‘Een winter aan zee’ wordt beheerst door drie motieven:
- Een vrouw van thans, die voor de ‘ik’ een tijdlang aan zee in levende lijve de bezielde schoonheid was.
- Helena van Troje, van wie, opgeroepen door de herinnering aan die eerste vrouw, het beeld en de betekenis de achtergrond bepalen.
- De wereld van thans, zoals zij gezien en ervaren wordt vanuit het verlangen, of het heimwee.
In elk van de tien afdelingen of hoofdstukken overheerst één van deze motieven.
Dit is afdeling of hoofdstuk VII in twee delen en heeft de wereld van thans als motief.
.
VII
.
Soms heerst in een duinkom
omtrent vroeg vallend donker
een zwijge’ als van rondom
daar wachtenden. De eenzame
die, in zichzelf verzonken,
daar binnenkomt, vertraagt
zijn pas, door wat geen namen
benoemen thans belaagd.
.
Dit is de plek: wantrouwen
ontzenuwt hier den moed
tot inkeer: in dit nauwe
duindal komt het wel voor,
dat men zichzelf ontmoet,
en aanziet, en moet lezen
in de andre blik. Dit oord
suizelt van angst en vrezen.
.
(bijna) vergeten dichters
S.W. Schortinghuis
.
Een enkele keer kom ik in een kringloopwinkel of op een rommelmarkt een dichtbundel tegen waar ik, puur en alleen om de kaft, al blij van word. De bundel ‘Gedichten’ van S.W. Schortinghuis is zo’n bundel. Een ouderwets, bijna schoolschriftachtige omslag, in een soort bruin nep-leer maar gewoon van papier.
En als je dan de bundel opent begint deze met een inleiding in de vorm van een gedicht. Uit dit gedicht kun je opmaken dat de dichter Schortinghuis (1840 – 1931) vijfentachtig jaar was toen deze bundel verscheen in Winschoten in 1925.
Sijze Wilto Schortinghuis, zoals zijn volledige naam luidt, was ambtenaar, politicus, bankier, dichter en ook burgemeester van Finsterwolde (1871). Hij publiceerde in lokale kranten gelegenheidsverzen, die dus in deze bundel staan.
Omdat het zo’n charmant gedicht is hier de inleiding van de bundel.
.
INLEIDING
.
In de plaatselijke bladen
Schreef ik in den laatsten tijd
Zeer eenvoudige gedichten,
Waaraan d’ aandacht werd gewijd.
‘k Mocht dit menigwerf ervaren,
Mondeling en ook per brief;
En, — ik wil het graag bekennen,
Die waardeering was mij lief.
Toen ‘k onlangs in Februari
’t Vijf-en-tachtigst jaar besloot,
En van velerhande zijde
Warme sympathie genoot,
Maakte men, zooals reeds vaker,
Zijne wenschen openbaar
Om die verzen uit te geven
In één bundel bij elkâar.
Menig had, — zoo werd gesproken, —
Uit mijn woorden troost vergaard,
En het uitzicht op de toekomst
Werd bij ’t voortgaan opgeklaard. —
Ik, die in mijn lange leven
Menig leed te dragen had,
Voel mij dankbaar, dat ik and’ren
Troost mocht brengen op hun pad.
Allen, die dit zullen lezen,
Breng ik mijnen blijden groet!
‘k Wensch hen, op de reis door ’t leven,
Levenslust en levensmoed,
’t Staat maar vast, dat elk, die handelt
Naar zijn’ duren, heil’gen plicht,
In zijn’ blijde en droeve dagen
Wandelt in vertroostend licht.
.
Geteisterd volk
Gedichten uit de oorlogsjaren
.
Degene die de bundel ‘Geteisterd volk’ waarschijnlijk vlak na de oorlog kocht bij boekhandel Broese in Utrecht (aan het telefoonnummer 10540 op de aankoopbon voor 2 gulden 50 is te zien dat het al zo oud is) kreeg daarmee een bijzonder exemplaar in handen. Dit exemplaar (dat ik nu bezit, gekocht bij een kringloopwinkel) is namelijk in 1943 geprint in Zweden bij Kihlström & Setréus Boktryckereri in Stockholm. Opgedragen in eerbied aan onze koningin, geschreven door Cor Bouchette en van tekeningen voorzien door Peter Pen.
Ik heb gezocht naar meer informatie over Cor Bouchette maar heb niet veel kunnen vinden. Cor Bouchette leefde van 1903 tot en met 1985 en hij was de eerste getuige van de aankomst in Zweden van de overlevende vrouwen van de Philipsgroep. De Philipsgroep was een speciale groep gevangenen die produktiewerk verrichte in concentratiekamp Vught voor Philips. Daarmee profiteerde de multinational van dwangarbeid. Maar het bedrijf bood de gevangenen, onder wie veel joden, zo ook bescherming – en dat spaarde uiteindelijk honderden mensenlevens. Aan het einde van de tweede wereldoorlog werd deze groep op transport naar Auschwitz gezet maar een groot deel overleefde de reis en het verblijf in Auschwitz. Na de oorlog werd de groep op transport gezet naar Zweden alwaar Cor Bouchette verslag deed als verslaggever voor het Persafdeeling van het Nederlandsch Gezantschap aldaar.
In de bundel ‘Geteisterd volk’ staan 30 gedichten met titels als ‘Wilhelmina’, Juliana’ (bij de geboorte van prinses Margriet), ‘Studenten’, ‘De nieuwe mei’, De onbekende soldaat deel I, II en III’, ‘Martelaren, en ‘Getuigenis’.
De bundel begint met het titelgedicht uit 1940.
.
Geteisterd volk
.
Geteisterd volk, aan u mijn medelijden
Niet om het kruis in uw vertrapten tuin,
Niet om soldatengraf en stedepuin,
Om weezen, weduwleed en moederlijden.
.
Geen eik verheft in lichte lucht zijn kruin,
Die niet in donkren grond kon wortels spreiden.
De som der tranen is uw volks fortuin.
De nazaat zal uw sterkend leed belijden.
.
Maar wreeder is de teister van uw ziel:
Die als een roover in uw grenzen viel,
Preekt nu uw weerloos volk een valsche leer.
.
Let op uw zaak, o Holland, zie uw nood:
Wie schond uw grond en ’t eigen woord van eer?
De arische germaan, de stamgenoot.
.















