Categorie archief: Favoriete dichters
Sprookje
De Vogel Phoenix
.
Uit mijn boekenkast heb ik vandaag de bundel ‘De vogel phoenix’ van M. Vasalis uit 1948 gepakt. Omdat het zo’n prachtige bundel (zowel inhoudelijk als fysiek, na 69 jaar ziet mijn exemplaar er nog als nieuw uit) maar ook omdat ik in het gedicht ‘Sprookje’ iets herkende.
.
Sprookje
Voor mijn Moeder en Dochtertje
.
Zij luistren beiden naar haar oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen,
zichtbaar in hun verwijde oogen,
als bloemen, drijvend in een schaal.
.
Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar,
-het witte en het blonde haar –
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.
.
Sonnet 30
Edna St. Vincent Millay
.
Op zondag 30 augustus 2015 schreef ik op ‘Herman de Coninckzondag’ over zijn bundel ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978. Deze bundel bestaat uit vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent. Voor deze vertaling kreeg hij de Koopalprijs in 1981. Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950) was een Amerikaans dichteres, toneelschrijfster en activiste. Voor haar prozawerk gebruikte ze het pseudoniem Nancy Boyd. Zij ontving in 1923 de Pulitzerprijs voor poëzie, voor de bundel ‘The Harp-Weaver and Other Poems‘ waarmee ze de eerste vrouw was aan wie deze prijs werd toegekend (de Pulitzerprijs voor poëzie wordt uitgereikt sinds 1922).
Haar eerste poëziebundel ‘Renascence and Other Poems’ (1912) verscheen toen ze pas zeventien jaar oud was, en bevat een aantal opvallend volwassen gedichten, geschreven in een sterk lyrische en romantisch-beschouwende toon. Met name het titelgedicht trok sterk de aandacht, vooral ook door de publicatie in hetzelfde jaar in de bekende bloemlezing ‘The Lyric Year’. Al snel kreeg ze de naam een soort wonderkind te zijn. Haar gedichten zijn doordrongen van beelden uit de natuur en met name van het kustlandschap van haar geboortestreek Maine. Over het algemeen kennen ze een traditionele structuur: Millay maakte veel gebruik van het sonnet, een vorm die ze perfect beheerste, maar waagde zich zelden aan experimenten.
Hoewel biseksueel en bekend door haar schoonheid en onconventionele leefstijl trouwde ze in 1923 met de veel oudere en rijke Nederlander Eugene Jan Boissevain. In 1950 overleed ze na een val van een trap waarbij ze haar nek brak.
Het gedicht ‘Sonnet 30′ werd door Herman de Coninck vertaald en gepubliceerd in ‘Ter ere van de goedertieren maan’.
.
Sonnet 30
.
Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.
.
Sonnet 30
.
Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.
Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,
geen reddingsboei voor wie verdrinken.
Liefde is nergens voor en nergens tegen.
Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.
Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,
tenzij dat je elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.
Je hebt er niets aan maar je kunt niet zonder.
Het kan best zijn dat ik in toekomende tijd,
verslagen van pijn en kreunend om respijt,
gesard door armoe en moe van het huilen
jouw liefde voor rust zou verruilen,
of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.
Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.
.
Foto: Calr van Vechten, 1933
Rust
Fjedor Tjoettsev
.
De Russische dichter Fjedor Tjoettsev (1803 – 1873) groeide op als telg van een oude adelijke familie. Hij werkte als diplomaat in München en Turijn.. Hij is misschien wel de grootste laatromantische Russische dichter, die na zijn dood door de symbolisten als een van hun voorlopers werd beschouwd.. Zijn lyriek stoelt op een wereldbeschouwing die doet denken aan Schellings natuurfilosofie en uitgaat van een bezielde natuur en een dualistische kosmologie (Ideen zur einer Philosophie der Natur , 1797) .
Uit ‘De tweede ronde’ uit 1996 het gedicht ‘Rust’
.
Rust
.
Het onweer was voorbij – nog rokend lag
Een hoge eik, geveld door bliksemschichten;
Grijsblauwe damp sloeg van zijn takken af
Naar ’t groen, dat na de bui weer helder lichtte.
En eerder al had, klaar, in menigvoud,
De zang van de geverderden weerklonken;
De regenboog stond wijdbeens op het woud,
De voeten in die groene zee verzonken.
.
Harry en K.
De daad in 69 gedichten
.
Ik schreef al eerder over de bundel ‘ Seks, de daad in 69 gedichten’ , in 2001 uitgegeven door uitgeverij 521, een bloemlezing van Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze met erotische gedichten van Nederlandstalige dichters. In deze bundel staan twee gedichtjes naast elkaar die opvallen door hun inhoud maar ook door hun vorm. Daarom deze twee hier gezamenlijk weergegeven. Het ene is van Harry Mulisch zonder titel en de ander is van K. Schippers met als titel ‘ Blank verse’ .
.
terwijl ik
klaarkom gaat
de bel.
wie kan
dat zijn zo laat nog?
een kind?
.
Blank verse
.
je
je
je
je je je
je en je
.
ik raak je overal niet aan
.
Liz Berry
The Patron Saint of School Girls
.
Liz Berry (1980) werd geboren in The Black Country in Engeland en woont nu in Birmingham. Haar pamflet ‘The Patron Saint of Schoolgirls’ werd gepubliceerd door Tall Lighthouse in 2010. Liz’s debuutbundel ‘Black Country’ (2014), werd aanbevolen door de Poetry Book Society, kreeg de Somerset Maugham Award, won de Geoffrey Faber Memorial Award en won The Forward Prize voor beste debuut in 2014.
Black Country werd gekozen als een boek van het jaar door The Guardian, The Telegraph, The Mail, The Big Issue en The Morning Star. Liz’s gedichten zijn uitgezonden op BBC Radio, televisie en opgenomen voor The Poetry Archive.
Ze is een beoordelaar voor grote prijzen, waaronder The Forward Prijzen voor Poëzie en Foyle Young Poets. Ze werkt als jurylid voor The Arvon Foundation, Writer’s Center Norwich en Writing West Midlands.
Hier haar pamflet ‘The Patron Saint of School Girls’ en een voordracht van Liz van ‘Birmingham Roller’ uit ‘Black Country’.
.
The Patron Saint of School Girls
Agnes had her lamb and her black curls;
Bernadette, her nun’s frock;
but I was just a school girl,
glimpsed the holy spirit in the blue flare
of a Bunsen burner, saw a skeleton
weep in a biology lesson.
My miracles were revelations.
I saved seventeen girls from a fire that rose
like a serpent behind the bike sheds,
cured the scoliosis of a teacher
who hadn’t lifted her head to sing a hymn
in years. I fed the dinner hall
on one small cake and a carton of milk.
A cult developed. The Head Girl
kissed my cheek in the dark-room,
first years wrote my name
on the flyleaf of their hymn books,
letters appeared in my school bag,
a bracelet woven from a blonde plait.
My faith grew strong.
All night I lay awake hearing prayers
from girls as far as Leeds and Oxford,
comprehensives in Nottingham.
I granted supplications for A-levels,
pleas for the cooling of unrequited love,
led a sixth form in Glasgow to unforeseen triumph
in the hockey cup final.
Love flowed out of me like honey
from a hive, I was sweet with holiness,
riding home on the school bus,
imparting my blessings.
I was ready for wings,
to be lifted upwards like sun streaming
through the top deck windows;
to wave goodbye to school and disappear
in an astonishing ring of brightness.
.
Een hond achter de liefde aan
Ander liefdesgedicht
.
Yehuda Amichai ( 1924 – 2000) was een Israëlische dichter. Amichai wordt beschouwd door vele, zowel in Israël als internationaal, als Israëls grootste moderne dichter. Hij was ook een van de eerste om te schrijven in het alledaagse Hebreeuws. Hij werd bekroond met de Shlonsky Prijs (1957), de Brenner Prijs (1969), Bialik Prijs (1976), en de Israël Prijs (1982). Hij won ook internationale poëzieprijzen: De Malrauxprijs (1994) International Book Fair (Frankrijk), De Golden Wreath Award (1995) in Macedonië, International Poetryfestival en nog veel meer.
Amichai’s poëzie behandelt kwesties uit het dagelijks leven maar ook filosofische kwesties zoals de betekenis van leven en dood. Zijn werk wordt gekenmerkt door zachte ironie en originele, vaak verrassende beelden. Net als veel seculiere Israëlische dichters worstelt hij met het geloof. Zijn gedichten zitten vol verwijzingen naar God en religieuze ervaringen. Hij werd beschreven als een filosoof-dichter op zoek naar een post-theologisch humanisme. Maar hij schreef ook bijzondere liefdesgedichten zoals ‘Een hond achter de liefde aan’ uit ‘Aan de oever der wijde zee, Zeven Hebreeuwse dichters van nu’ uit 1988.
.
Een hond achter de liefde aan
.
Nadat je me had gelaten
heb ik een speurhond laten ruiken
aan mijn borst en aan mijn buik. Hij
zal zijn neusgaten vullen en eropuit gaan
om je te vinden.
.
Ik hoop dat hij je zal vinden en dat hij
de ballen van je minnaar zal verscheuren
en zijn pik zal afbijten,
of tennminste dat hij mij tussen zijn tanden
je kousen brengt.
.
Nette vent
Zoon van alle moeders
.
Gisteravond kwam ik de bundel ‘Zoon van alle moeders’ uit 1988, tegen in mijn boekenkast van Herman Brood (1946-2001). Toen ik er in bladerde kwam ik het gedicht zonder titel (geen van de gedichten heeft een titel) tegen die begint met de regel ‘Nette vent’. In dit gedicht ook de regel waar de bundel zijn titel aan ontleent. Brood blijft in zijn poëzie zoals ik hem mij herinner, geestig, sprankelend en licht absurdistisch. Ook in dit gedicht. Daarom hier het gedicht zonder titel uit deze gekke maar heerlijke bundel.
.
Nette vent
ook as atleet
jammer van die t’rugspeelballe
mistieke vergissing?
Gebroke gebede
daar komt bij:
zo’n bal maakt driftig
mot geen ruzie make
tut tut
t’is de zoon van
alle moeders!
Haat & nijd zeker…
.
Mooi gesjeesd doodgaan
Luuk Gruwez
.
In de fijne bundel ‘Poëten in het parlement’ bloemlezing 2002 van Vlaanderen & Co, las ik het bijzondere en gevoelige gedicht van Luuk Gruwez zonder titel. Gruwez (1953) is dichter en prozaschrijver. Hij debuteerde in 1973 met de poëziebundel ‘Stofzuigergedichten’. Voor de bundel ‘Een huis om dakloos te zijn’ ontving hij de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge. In 2009 ontvangt hij voor het gedicht ‘Moeders’ de Herman de Coninckprijs. Gruwez is ereburger van Deerlijk. Het onderstaande gedicht komt oorspronkelijk uit de bundel ‘Dikke mensen’ uit 1990.
.
Dood, wees nu hoffelijk, want mijn moeder komt.
Zij komt met handtas en haar beste hoed,
gekrenkt tot in haar poederdoos,
arm ding, dat alle glorie verloor.
.
Zij komt een juf gestikt in een mevrouw.
Haar ziel nog in een zakdoek gesnikt,
haar lichaam zo gerantsoeneerd
dat het maar goed was voor een halve eeuw.
.
Dit liefelijk karkas met pruikenbol,
ik kan het domweg niet vergeten.
Hoe zij in alles was gesjeesd,
misschien in doodgaan nog het meest.
.















