Kuip

Ruth Lasters

.

De Rotterdamse school, de podcast van de Rotterdamse dichters Daniël Dee en Mark Boninsegna is weer begonnen. Alleen dit keer doet Mark Boninsegna het alleen. Mark is bekend als groot bewonderaar van Jules Deelder maar vooral van zijn grote liefde Feyenoord. Hij schreef dan ook een gedicht getiteld ‘Liefde op het eerste gezicht’ over de Kuip. Het gedicht verscheen dan ook in  het supporters magazine van FSV De Feijenoorder.

Toch gaat het gedicht ‘Kuip’ dat ik hier vandaag wil plaatsen over iets heel anders. Het gedicht is dan ook van de Vlaamse dichter Ruth Lasters  (1979) en komt uit haar bundel ‘Lichtmeters’ uit 2015 waarmee ze de Herman de Coninckprijs 2016 won.

.

Kuip

.

Ik tilde mijn oude minnaars in bad, ik wilde in één

oogopslag wat, wie ik had

.

liefgehad, meest of minder, misschien of stellig, onvoorwaardelijk

of indien-als. In een kuip als een galjoenboot lag

.

het synchroon

wassen van elkaars rug, met elk een stuk zeep

.

blauwdooraderd, waarna zij met schouders

tot bloedens toe opengeschrobd

.

wegstapten. Behalve één, jij, waar ik me

benen rond romp achter haakte, om samen

.

dwars door de ander heen

het onverdraaglijk afkoelen van het water af te wachten.

.

 

Allerliefste

Breyten Breytenbach

.

In 2019 werd de bundel ‘Allerliefste’ 25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben, van Breyten Breytenbach ( 1939) gepubliceerd. In deze tweetalige bundel zijn de 25 mooiste, meest onvergetelijke liefdesgedichten van Breyten Breytenbach samengebracht. Ik las ze en de titel is geen vorm van overdrijving, iedereen zou deze gedichten moeten lezen. Het is niet alleen een heel mooie introductie met de poëzie van Breytenbach (voor wie hem als dichter nog niet kent) maar de gedichten zijn ook gewoon heel erg mooi.

Breyten Breytenbach is een Zuid-Afrikaanse schilder, schrijver maar vooral dichter. Tijdens zijn studie werd hij een fel tegenstander van de apartheid in Zuid-Afrika.  In de jaren ’60 van de vorige eeuw vestigde hij zich in Parijs, waar hij met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst trouwde. Vanwege de toenmalige rassenwetgeving in Zuid-Afrika kon hij daardoor niet meer terug naar zijn geboorteland. Op grond van de Wet op de Gemengde Huwelijken (1949) en de Ontuchtwet van 1950 was het een misdrijf om een seksuele verhouding met iemand van een ander ras te hebben.

In Frankrijk was hij medeoprichter van Okhela, een groep die in ballingschap de apartheid bestreed. Hij bezocht in 1975 illegaal Zuid-Afrika en werd daar verraden, in hechtenis genomen en voor hoogverraad tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na veel druk van buitenaf werd hij in 1982 vrijgelaten. Hij keerde naar Parijs terug en nam daar de Franse nationaliteit aan.

In zijn poëzie is Breytenbach niet altijd de activist die de buitenwereld in hem zag. Michael Titlestad (1964) professor Engelse literatuur aan de Universiteit van Witwatersrand, noemt Breytenbach “een meester in self-styling, hij is enigmatisch, een estheticus en ongrijpbaar postmodern. Hij is arrogant en zonderling.” En Danie Marais (1971) die in 2006 debuteerde met de dichtbundel ‘In die buitenste ruimte’ (die driemaal werd bekroond) zei over Breytenbach: “Ik verwachtte de Che Guevara der letteren. In plaats daarvan kreeg ik verbijsterend mooie liefdesgedichten onder ogen. Ik was dol op zijn lyriek, zijn rijke buitenaardse beelden en de donkere romantiek – de bedwelmende mengeling van seksualiteit en een poëtische doodwens.”

Dat er dus een bundel met zijn liefdesgedichten is verschenen is niet zo verwonderlijk. Een bundel gedichten gekozen door Annemiek Recourt en vertaald door Laurens van Krevelen, waarin zijn activisme en politieke engagement niet aanwezig is. Een gedicht uit deze bundel is getiteld (soos van vlerke) of in de Nederlandse vertaling (als van vleugels).

.

(als van vleugels)

.

Allerliefste, ik stuur je een palmtortel
want niemand zal een boodschap die rood is neerschieten.
Ik werp mijn palmtortel hoog in de lucht en ik
weet dat alle jagers zullen denken dat het de zon is.
Kijk, mijn tortel komt op en mijn tortel gaat onder
en waar hij vliegt daar schitteren oceanen
en bomen worden groen
en hij kleurt mijn boodschap zo rood over je vel

Want mijn liefde reist met je mee,
mijn liefde moet als een engel bij je blijven,
als vleugels, wit als een engel.
Je moet van mijn liefde blijven weten
als van vleugels waarmee je niet kunt vliegen

.

(soos van vlerke)

.

Allerliefste, ek stuur vir jou ’n rooiborsduif
want niemand zal ’n boodskap wat rooi is skiet nie.
Ek gooi my rooiborsduif hoog in die lug
en ek weet al die jagters sal dink dis die son.
Kyk, my duif kom op en my duif gaan onder
en waar hy vlieg daar skitter oceane
en bome worden groen
en hy kleur my boodskap so rooi oor jou vel

Want my liefde reis met jou mee,
my liefde moet soos ’n engel by jou bly,
soos vlerke, wit soos ’n engel.
Jy moet van my liefde bly weet
soos van vlerke waarmee jy nie kan vlieg nie

.

Mijn dorp

Andon Zako Çajupi

.

Eind deze maand ga ik met een paar vrienden een weekje naar Albanië. Ik heb dat altijd een fascinerend land gevonden en nu ga ik het bezoeken. Ooit een koninkrijk (vanaf 1928 onder koning Zog de 1e), daarna, vanaf 1939 een protectoraat van het Koninkrijk Italië, geregeerd door Victor Emmanuel III. En na de tweede wereldoorlog een satelietstaat van de Sovjet Unie onder leiding van  Enver Hoxha (1908-1985). Na verkiezingen in 1991 kwam er na 40 jaar een einde aan het communisme in Albanië. Sindsdien is Albanië een parlementaire democratie.

Een land kortom met veel geschiedenis, een verleden als communistisch land met een leider (Hoxha) die in het begin van zijn machtsperiode een fervent Stalin bewonderaar was maar die zich later afwende van de Sovjet leiders en zich meer op het China van Mao richtte. Tel daarbij op dat het land tal van nationale parken kent met de meest prachtige natuur en de 750.000! bunkers die het land telt en je begrijpt waarom ik daar graag naartoe ga.

Toen ik me wat aan het inlezen was stuitte ik op een paar dichtregels (de beginregels) van een beroemd gedicht ‘Fshati Im’ of ‘Mijn dorp’ van Andon Zako Çajupi (1866-1930). Andon Zako Çajupi was advocaat, toneelschrijver, dichter en dichter van de Albanese Renaissance. Het gedicht ‘Mijn dorp’ is een ode aan de bergen en de rotsen, de weelderige bloemenweiden, het water van de rivier die zich ongetemd door de laagvlakte kronkelt, velden vol koren en mais, en koel water uit de bron en de vrouwen.

Het gedicht markeert de periode waarin een hernieuwd nationaal Albanees bewustzijn opbloeide, onder andere in de kunst. Toch is de nationale trots al zo oud als Albanië zelf hoe hartgrondig de Albanezen het lot van hun land ook mogen vervloeken (heel veel Albanezen verlaten het land voor een betere toekomst elders).  Het gedicht ‘Mijn dorp’ werd vertaald uit het Albanees door Robert Elsie (een in Canada geboren Duitse geleerde die gespecialiseerd was in Albanese literatuur en folklore).

.

Mijn dorp

,

De bergen rijk aan steen,
de weilanden vol gras,
de velden vol tarwe,
daarachter ligt een rivier.

Daar tegenover het dorp
Met kerk en rijen grafstenen,
En eromheen staan
​​eenvoudige, kleine huisjes.

Frigide is het water,
de wind waait, maar het maakt niet uit,
de nachtegaal verkondigt het:
Gazelle-achtig zijn de vrouwen.

Liggend in de schaduw, mannen
aan het spelen, druk aan het kletsen.
Het ongeluk kan hen niet overkomen,
want ze leven van hun vrouwen.

Vrouwen in de velden, en
in de wijngaarden, vrouwen,
vrouwen oogsten hooi, de hele
dag en nacht zwoegend.

Vrouwen dorsen,
oogsten de oogst, vrouwen,
vertrekken voor zonsopgang,
komen in het donker terug!

Voor hun echtgenoten verschroeien vrouwen in de zon,
werkend, nooit rustend,
zelfs niet op zondag!

Arme Albanese vrouw,
de hele tijd aan het zwoegen,
en als ze naar huis gaat,
maakt ze zowel lunch als avondeten.

Hoe zit het met uw man
die bij de fontein zit te loungen?
Oh, mijn ellendige vrouw,
Jij leidt ook het huishouden!

.

Na de liefde

Dirk von Petersdorff

.

In mijn fotoalbums op mijn telefoon kwam ik een foto tegen die ik nam in 2018, in Stuttgart – Europaviertel, in de Stattbibliothek aldaar. Ik was daar met een groep mensen allen werkzaam in bibliotheken in Nederland en tijdens een rondleiding was ik op zoek naar de poëziecollectie. Blijkbaar was ik getroffen door een omslag en vervolgens een gedicht dat ik in een bundel las dat ik er een foto van nam. Het gaat hier om het gedicht ‘Nach der Liebe’ van de dichter Dirk von Petersdorff uit de bundel ‘Die liebenden Deutschen’645 entflammte Gedichte aus 400 Jahren.

De Duitse literatuurwetenschapper, schrijver en dichter Dirk von Petersdorff (1966) woont hij in Jena , waar hij werkt als hoogleraar moderne Duitse literatuur aan de Friedrich Schiller Universiteit. Na het Liliencron-lectoraat (1999) en het poëzielectoraat Mainz (2009) bekleedde hij in 2013 samen met Hans Magnus Enzensberger (1929-2022) het poëzielectoraat Tübingen.

Von Petersdorff presenteert in zijn essays en poëzie een alternatief voor een manier van denken die wetten formuleert van Schiller tot Adorno en enkele esthetische uitdrukkingen tot “de enige legitieme antwoorden op de hedendaagse situatie” verklaart. Dit ontleent hij aan Hegels lezingen over esthetiek: Er wordt aangenomen dat er geen vastigheid meer bestaat in de beschrijving van de wereld die bindend is voor alle leden van een samenleving, en dat kunst geen objectieve inhoud meer kent en daarom gebruik kan maken van alle gebieden van het leven en verschijnselen. Dergelijke kunst (en dus ook poëzie) kan alles vertegenwoordigen “waarin de mens het vermogen heeft om thuis te zijn” (Hegel).

Ik heb me afgevraagd of wat Von Petersdorff beschrijft ook opgaat voor zijn eigen poëzie. Daarom hier het gedicht in het Duits en in mijn vertaling. Oordeel zelf zou ik zeggen.

 

Na de liefde

Jij op het balkon, ik kijk naar je
zo heerlijk loom,
omdat alles
is veranderd.
Lang t-shirt,
dat op de dij valt,
waar de huid begint,
is de wereld,
zachte aandriften,
ik lig daar en rook –
licht in de holte van je hals,
dat is het ook.
En ik zie het
Vezelwolken drijven rond
uit het niets
alles mag blijven.
Jij op het balkon,
rook in het ongewisse –
pols fladdert
hier waar ik woon.

 

Nach der Liebe

.
Du auf dem Balkon, ich seh dir zu
so selig-matt,
weil alles
sich geändert hat.
Langes T-Shirt,
das am Schenkel fällt,
wo die Hautbeginnt,
ist die Welt,
Sanfte Triebe,
ich lieg da und rauch –
Licht in der Halsmulde,
das ist es auch.
Und ich seh
Faserwolken treiben
out of the blue
alles kan bleiben.
Du auf dem Balkon,
Rauch in der Schwebe –
Puls flattert nach
hier wo ich lebe.

.

Epiloog

Michiel J. Ris

.

Michiel J. Ris (1998) studeerde Griekse en Latijnse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden. Hier werkte hij mee aan het Receptions of Antiquity-project, waarvoor hij oudheidsreceptie in Nederlandse poëzie in kaart bracht. Tegenwoordig is hij academisch schrijfcoach, redacteur en amateur acteur. In 2022 nam hij deel aan de ZeilSchrijfZomerCursus van uitgeverij HetMoet. Eerder verschenen er al gedichten van hem als Mammoetje. In MUGzine #15 (2022) verschenen gedichten van hem samen met poëzie van Simon Mulder, Lennard van Rij en Geert Viaene.

En nu is er de debuutbundel ‘Broersgedicht’. Op de website van de uitgever lees ik:

“In ‘Broersgedicht’ onderzoekt Ris de relatie tussen twee broers: de een dichter, de ander marinier. Terwijl het lyrische ik zijn weg probeert te vinden in het volwassen stadsleven – zoekend naar zingeving en liefde, maar geconfronteerd met homofobie en voortekenen van een eindeloze sleur – moet hij zich een houding weten te geven tegenover de onzekerheid aan het thuisfront, de gruwelijke berichten over de oorlog en de dunne lijn die zijn broer bewandelt tussen oorlogsheld en -misdadiger. Toch voert in de bundel vooral de broederliefde de boventoon, evenals een niet te stuiten drang om deze op te vangen en veilig te stellen in verhalen. In ‘Broersgedicht’ verpakt Ris herkenbare thema’s in Oudgriekse dichtvormen en motieven. Zo ontmoet het moderne het klassieke en blaast hij met zijn frisse stem oude vormen nieuw leven in.”

Voor mijn blog koos ik voor het gedicht ‘Epiloog’ waarin deze thematiek duidelijk naar voren komt.

.

Epiloog

.

Als de oorlog straks de gehele stad stof

heeft gemaakt, wanneer dan het water alle

laptops heeft doen crashen en pulp gemaakt heeft

van onze boeken,

Lief, dan wil ik liggen en donkere eeuwen

doorbrengen met jou. Het zal rustig zijn dan,

zonder morgenlied dat je van je bed sleurt

om te forensen.

Hoogstens zullen wij ons bewegen tussen

ons puinhopen bed en een vuurcontainer,

waar wij samenkomen om het vroeger leven

namen te geven.

Namen. Wat zijn namen voor lotgenoten?

Eén naam blijft er over op duidend doden

als zij mond tot mond rond het vuur steeds worden

overgedragen.

Hef met mij het glas op het ondergaan van

deze tijd, mijn Lief, en bedenk dat later,

heel misschien, als vrienden als wij nog leven,

dit bestudeerd wordt.

.

Verbindingen

Sparrow

.

In de Volkskrant van donderdag jongstleden begint columnist Frank Heinen met een anekdote over een dichter Michael Gorelick genaamd, die dacht dat het aan zijn naam lag dat hij geen goede poëzie schreef. Vanaf dat moment ging hij als dichter door het leven als Sparrow. Vervolgens schrijft hij over de Barkley Marathon (naar aanleiding van een bericht in de krant waarin verslag werd gedaan van deze marathon  die je ‘in een staat van een door uitputting vermenigvuldigde desoriëntatie brengt’) en hij koppelt dat weer aan het zien van afschuwelijke beelden op internet (over de marteling van de verdachten van de aanslag in Moskou) bewust en onbewust omdat je door social media er moeilijk aan kunt ontkomen. Een knap staaltje gebeurtenissen verbinden die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Tot zijn conclusie waarbij hij weer terugkeert bij de dichter.

Zijn conclusie is dat net als in een (Barkley) marathon iedereen in een oorlog op eigen houtje verdwaald raakt. In de feiten en de vooruitzichten, in de kwaadheid en het mededogen en de vrees die alles met zich meebrengt. Hij schrijft: “Om je te kunnen blijven oriënteren en waar mogelijk te ontdwalen, kun je die gruwelijke beelden volgens mij beter mijden. Niet opzoeken, niet aanklikken, niet doorsturen`. Van geweld dat bedoeld is voor consumptie word je weinig wijzer.”

Hierna verwijst hij naar een zin in een gedicht van Sparrow: ‘This poem / replaces all my /  previous poems’. Je begrijpt dat dit mijn nieuwsgierigheid aan het werk zette. Sparrow (of Michael Gorelick dus) werd geboren in 1953 en is een Amerikaans dichter, activist en muzikant. Als lid van de in New York gevestigde literaire groep ‘The Unbearables’ heeft Sparrow verschillende poëziebundels gepubliceerd bij Soft Skull Press , evenals chapbooks in samenwerking met het St. Mark’s Poetry Project Ook was hij redacteur van het literaire tijdschrift Big Fish. Zijn gedichten werden gepubliceerd in onder andere ‘The New Yorker’, ‘The Quarterly’, en ‘The New York Times’.

De regels die Frank Heinen citeerde komen uit het gedicht ‘Poem’ en het is feitelijk het hele gedicht. Daarom wil ik hier graag een ander gedicht van Sparrow delen dat gepubliceerd werd in ‘The Sun’ literair magazine getiteld ‘Santa’.

.

santa

.

My daughter and I saw a black Santa Claus doll in the window of a store.

“Santa Claus isn’t black,” Sylvia said. “Santa Claus is white.”

I was in a terrible position. How could I deny the whiteness of Santa without denying the idea of a unique and singular Santa Claus? Should I say that Santa Claus is really black, but that the white elite has suppressed this information? Should I tell her that no one really knows what color Santa is, because he lives at the North Pole, and no one has ever met him? But why, then, do all those children’s books depict him as white?

“Yes, Santa is really white,” I said with a sigh, defeated by the sadistic racism of Christmas.

.

Buiten adem

Roger de Neef

.

Op zoek naar nog eens een liefdesgedicht (er is altijd plaats en tijd voor een liefdesgedicht vind ik) kwam ik in Het Liegend Konijn nummer 2 van 2021, een mooi klein liefdesgedichtje met een licht erotische ondertoon tegen getiteld ‘Buiten adem’ van de Vlaamse dichter, Kunst- en Jazzcommentator voor Radio 1 (VRT) en journalist Roger de Neef (1941). Uit zijn bundel ‘De gedichten voor Marinette’  uit 2020.

.

Buiten adem

.

Op kousenvoeten

Nadert zij doel

.

Verstuurde

Haar boodschap en haar vlees

In een wikkel

Van zon en zijde

.

En stolling van geur

In het bloed

Van lege bloemen

Haar hoge benen

.

En ik antwoord haar

Met die korte kleine duizel

Adem buiten adem en dood

.

Op de meubelboulevard

Sander Meij

.

De gedichten van Neerlandicus, schrijver, ghostwriter van drie kinderboekenseries en dichter Sander Meij werden tweemaal bekroond met een aanmoedigingsbeurs van Hollands Maandblad. Hij won de Meander Poëzieprijs voor jongeren en de gedichtenwedstrijd van Onbederf’lijk vers. Zijn poëzie verscheen in De Gids, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn, Krakatau, Op Ruwe Planken en Meander. Meij debuteerde in 2015 met de bundel ‘Nieuw eiland’  waarna in 2019 ‘Pincetbeweging’ volgde. In 2022 publiceerde hij de bundel ‘De Wolf is terug’.

In een recensie van deze bundel op Meandermagazine ‘De wolf is terug’ beschrijft recensent Peter Vermaat in zijn begin alinea hoe de mens de wolf altijd heeft afgebeeld als een ‘duivelse vijand’. In de recensie beschrijft Vermaat dat de bundel in het eerste hoofdstuk de wolf een plek krijgt van ‘terug van nooit weggeweest’ om vervolgens in het tweede deel de beweging van het beeld van de wolf naar het proces van het inrichten van het landschap door de mensen te beschrijven, om uiteindelijk terecht te komen bij de herinneringen, relaties en wederwaardigheden in het nu (of ooit) van het ik-personage.

Vermaat houdt de mogelijkheid open dat er “in de constructie letterlijk sprake is van tweespalt, om daarmee de strijd tussen het menselijke en het wolfzuchtige in de mens in het algemeen en in de dichter in het bijzonder ook voor de lezer voelbaar te maken”.

In het gedicht ‘Op de meubelboulevard’ beschrijft Meij die mogelijkheid, die strijd tussen menselijke en wolfzuchtige eigenschappen van de mens op een bijzondere manier.

.

Op de meubelboulevard

.

tussen spoedig verscheurde prachtgezinnen

bedwelmd door muziek voor slechthorenden

waar niets ertoe doet maar van alles begint

.

probeer ik mijn blik strak te houden

het gaat erom niet op te vallen

onder de soort die de mijne nochtans is

.

ik loop met hen op, zie dezelfde ogen

dezelfde monden vormen woorden

van vergelijkbare strekking als de mijne

.

en dan in het holst van mijn bloedeigen hoofd

hoor ik mezelf zeggen: een basiskleur

en ik voel hoe de mand krakend barst

.

Surrealisme

Thom Wijenberg

.

De nieuwste uitgave van DW B is er en is volledig gewijd aan het surrealisme in België. Onder de titel ‘Droom Revolutie Poëzie’ onderzochten Tom Van de Voorde (van Bozar) en Elma van Haren (van DB W) de wereld van de droom, de fantasie en het onderbewuste. Ze vroegen 15 schrijvers en dichters om te reageren op één van de surrealistische meesterwerken die deel uitmaken van de expositie  ‘Histoire de ne pas rire’ in Bozar in het Paleis der Schone Kunsten in Brussel.

De eigenzinnige surrealisten in België gaan voorbij aan het louter esthetische – ze willen de wereld transformeren met hun subversieve kunst. In de tentoonstelling ‘Histoire de ne pas rire’ wordt extra aandacht geschonken aan de internationale contacten, de politiek-historische achtergrond en belangrijke vrouwelijke kunstenaars binnen de groep van Belgische surrealisten. Er wordt werk getoond van bekende en minder bekende kunstenaars als Paul Nougé, René Magritte, Jane Graverol, Marcel Mariën, Rachel Baes, Leo Dohmen, Paul Delvaux en ook Max Ernst, Yves Tanguy en Salvador Dalí.

In DW B zijn schrijvers en dichters aan deze kunstenaars gekoppeld. Dichters als Elma van Haren, Arnoud van Adrtichem, Astrid Haerens, Jens Meijen, Daniëlle Zawadi, Peter Verhelst en Thom Wijenberg. Van de laatste Thom Wijenberg (1996) is het gedicht ‘Dreamgirl’ bij een schilderij van Paul Delvaux uit 1937 getiteld ‘Les noeuds roses’.

Thom Wijenberg is werkzaam als talentontwikkelaar en redacteur bij Wintertuin en begeleidt jonge, talentvolle schrijvers via Vuurland. Hij publiceerde werk in onder andere De Revisor, Op Ruwe Planken en in de dichtbundel Mateloos verlangen. Wijenberg weet dat taal een ontoereikend middel is om de werkelijkheid te beschrijven, maar blijft het toch proberen. In poëzie, proza en mengvormen schrijft hij over de realiteit waarin we leven en legt deze naast de miljoenen realiteiten waarin we niet leven.

.

Dreamgirl

.

bij binnenkomst ben ik alleen

er zit bruin in het donker en warmte , een warme klop

het lichaamseigen slagwerk

.

jij verschijnt aan mij en look at you

all dolled up for the dreamscape, tussen oren als handvaten een gezicht

natuurlijk heel anders dan het jouwe, geklaard van al het dagelijkse

lijnvrij drijf je op het temperatuurloze water van lago trasimeno

.

voor jou ontsloten

de plek waar ik me opsloot

.

wat zoek je hier

een delphi, clarity, misty city on a mountain top

wat doe je met die schedel als je ziet dat hij lek is, ongeschikt als kelk

.

over een laantje met pijnbomen

als twee parallelle stippellijnen lopen we over de rotsplateaus omlaag

een passerende nachttoerist neemt zijn hoed af, gute nacht

hij heeft het al gezien

.

wat mijn moeder meteen zag: een jongen met een zachte inborst

meer dan zijn schildersezel laat hij je niet dragen

.

een uitgestoken tong in de voordeur

uit het zuiden een ansichtkaart vol inktblauwe zeemansknopen

alleen de laatste kan ik ontwaren, begraven onder tientallen kruisjes

de naam van je koning: joachim de jouwe

.

deze gekantelde weergave

mijn hoofd als een museumstuk op zijn roze kussenbuik

looking really cunty, very really fucking cunty

.

Ontdooid

Onbeperkte poëzie

.

In 2014 verscheen de dichtbundel ‘Ontdooid’ op de internationale dag van personen met een handicap. In opdracht van de Vereniging Personen met een Handicap (VFG) ging Mustafa Kör samen met Ivo Konings en David Troch aan de slag met vijfentwintig dichters in spe bij het schrijven van hun eigen gedicht rond het leven met een handicap. Deze onbeperkte poëzie laat zien dat mensen met een handicap in de eerste plaats mensen met dromen, wensen en relaties zijn. Ze willen erkend worden en hun plaats opeisen in een maatschappij die claimt inclusief te zijn.

De gedichten gaan over blind zijn, in een rolstoel zitten, een bipolaire stoornis hebben, een verlamming, chronisch ziek zijn en andere beperkingen.  De bundel is, in de woorden van Mustafa Kör, “een collage van verschillende, ‘buitengewone’ mensen met hun eigen kijk op en benadering van de dingen”. Toen ik er voor het eerst over las vreesde ik dat het een bundel met getuigenispoëzie zou zijn geworden. En zoals de regelmatige lezer van dit blog waarschijnlijk wel weet, is dat niet ‘my cup of tea’ omdat het getuigen van iets dat zo ingrijpend is meestal ten koste gaat van de poëtische zeggingskracht van gedichten.

Maar de coaches Kör, Konings en Troch hebben zeer goed werk verricht. De gedichten zijn van een hoog niveau en vooral een gedicht dat er uitspringt voor mij wil ik hier graag delen. Het betreft hier het gedicht ´Rolstoelblues´ van Margot Vanderstraeten, waarin ze je als lezer laat meekijken vanuit het perspectief van iemand die in een rolstoel zit. Hoe het is dat je leven zich afspeelt met de kruizen van de mensen om je heen op ooghoogte.

.

Rolstoelblues

.

Duizend keer denk ik:

ik moet het hun zeggen,

na al die jaren dat hun kruis

lip en lul, dik en dun, los en strak,

rechts- en linksdragend,

met en zonder gele rand

vlak voor mijn ogen passeert,

moet ik het hun zeggen:

dat mijn gekraakte botten

me niet maken

dat ik meer ben dan T 5 en T 11 in gruis,

meer dan een man van onder lam

.

En nadat ik duizend keer heb gedacht:

dit moet ik hun zeggen

is de ochtend in de middag omgeslagen

ik glijd in mijn Permobil C300 TS,

met optionele elektrische rugversnelling,

voorbij benen en billen

langs pronte edele delen die wrijven voor mijn neus

mijn mond staat op een kier

maar nog zeg ik het hun niet:

dat mijn verkrampte lijf

minder verkrampt is dan hun darmen die

beuken van de overtuiging

dat de mensheid pas volwaardig is als ze

op twee voeten staat

.