Site-archief
Aandacht
Ruimte tussen zien en zijn
.
Ik schreef al eerder over Els van Stalborch (1944) en haar laatste gepubliceerde bundel ‘Ruimte tussen zien en zijn’ uit 2010. Toen deelde ik het gedicht ‘Inzicht’ en vandaag zocht ik in die bundel naar een gedicht dat zou kunnen aansluiten bij het thema van de Poëzieweek 2024 ‘Thuis’. Ik heb gekozen voor het gedicht ‘Aandacht’ omdat aandacht juist iets is dat je thuis krijgt.
Tenminste als je niet alleen woont, tenzij je dan weer een huisdier hebt als een kat of hond. Of erger dat je wel samenwoont met anderen maar dat je daar geen aandacht van krijgt. Laten we in het kader van de Poëzieweek 2024 uitgaan van het meest positieve scenario en ervan uitgaan dat er veel aandacht voor elkaar zal zijn in de Poëzieweek. En voor de poëzie.
.
Aandacht
.
Soms droom ik leven langzaam.
Elk ogenblik vervuld van zijn.
Woorden groeien traag
aan takken van stilte.
.
Tijd om te voelen, te zien,
te worden misschien.
De ruimte eindeloos wakker.
Gedachten machtig en vrij.
.
Ogen zien leegte voorbij.
Handen verkennen elkaar.
Ieder vergeten gebaar
wekt verwondering.
.
Langzaam groeit aandacht.
Leven klaart op, heldert
het zicht. In ieder woord
schitter licht.
.
Aubergine
Drs. P
.
Het is voor mij altijd een groot plezier om te lezen in de bundel ‘Tante Constance en Tante Mathilde’, liedteksten van Drs. P (1919-2015) uit 1999. Natuurlijk ken ik de teksten, liedjes en gedichten van Drs. P niet allemaal (het zijn er vele!) en dus word ik nog weleens verrast wanneer ik de bundel lees of doorblader. Zo ook dit keer. Om twee redenen eigenlijk.
Allereerst omdat het gedicht ‘Aubergine’ bij mij onmiddellijk de gedachte naar boven bracht aan de emoiji of emoticon van een aubergine, die, zoals je ongetwijfeld weet, wordt gebruikt als penis in SMS- en Whatsappberichten maar als tweede deed dit gedicht of deze liedtekst mij ook meteen teruggaan naar de tijd dat de poëziestichting Ongehoord! nog tweemaandelijks een poëziepodium organiseerde in de openbare bibliotheek van Rotterdam.
Vaste gastdichter daar was de onvolprezen en bijzondere Rieneke Minderman-Grobben (1944-2018), de lady in pink (ze was altijd volledig gekleed in het roze). Zij las haar gedichten steevast voor vanaf een behangrol die ze zelf beschreven had. In haar gedichten maakte ze graag gebruik van opsommingen en had daarbij ook soms een voorkeur voor Franse termen zoals bijvoorbeeld in haar gedicht ‘Op z’n Janboerenfluitjes’ en ‘Crime passionel’. Het gedicht ‘Aubergine’ deed me daar meteen aan denken.
.
Aubergine
.
De aanblik van la belle Philippine
Was een der top-attracties van de stad
Zij was een twintigjarige blondine
Elle est tres fine, elle est divine
Zowel de koopvaardij als de marine
Alsook de brandweerlieden zeiden dat
.
Het was opwekkender dan cocaine
Als Philippine voor ’t venster zat
Gekleed in allerfijnste Crepe de Chine
Of mousseline, of levantine
Gelijk een pronkjuweel in een vitrine
Gelijk een jonge prijsbekroonde kat
.
Zij was in hoge mate feminiene
De mannen die haar zagen gingen plat
En zij begeerden haar als concubine
Maar Philippine had discipline
Was ongenaakbaar als een capucine
Of als een dichtgevroren sleutelgat
.
Een oude rijkaard in een limousine
Kwam echter zeer strategisch op haar pad
Hij toonde haar een mooie aubergine
Een aubergine, een aubergine
Hij mocht naar binnen voor een aubergine
Een aubergine die ze daarna at
.
Neruda en de Coninck
Dichter over dichter
.
In de bundel ‘Met een klank van hobo’ uit 1980 van de Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944-1997), staat een gedicht van hem over een andere dichter, namelijk de Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973). Het gedicht is getiteld ‘Neruda’.
In de categorie ‘dichters over dichters’ vind ik dit een mooi voorbeeld.
.
Neruda
.
Alles is gelijk, niet alleen mensen
onder elkaar, maar ook planten en mineralen
en poezen en regen en Vivaldi.
Ik breng de avond door met een vriend
en een glas wijn en een dode en verhalen
en schemer en minnestrelen.
Wij zijn met zeer velen.
.
Liefdesgedicht
Miklós Radnóti
.
Omdat het nooit kwaad kan om een liefdesgedicht te delen, en omdat het in deze donkergrijze natte dagen kan helpen om even wat verwarming te vinden in een liefdesgedicht, wil ik vandaag een gedicht plaatsen van Miklós Radnóti uit de bundel ‘Nachthemel, waak’ die begin van dit jaar uitkwam in een vertaling van Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Deze ruime bloemlezing uit het werk van de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) maakt de Nederlandse lezer bekend met de rijkdom van zijn poëzie.
In 2021 verscheen Het schriftje uit Bor, de laatste gedichten die de Hongaars-Joodse dichter als dwangarbeider noteerde in de weken voordat hij door zijn Hongaarse bewakers werd vermoord. Maar Radnóti’s poëzie bestaat niet alleen uit ongeëvenaarde meesterwerken van de universele Holocaustliteratuur. Ze omvat ook uitbundige liefdesgedichten, natuurlyriek en polemische verzen, al blijft het altijd, bijna profetisch, doordrenkt van de dood.
Radnóti’s reputatie als dichter was en is in Hongarije groot – zij het niet onomstreden: de huidige regering rangschikt hem onder de ‘minder belangrijke auteurs’. Ook politiek en maatschappelijk maakte hij in zijn korte leven een grote ontwikkeling door, van sensueel, paganistisch dichter werd hij, via christelijke invloeden, een ‘getuige van zijn tijd’. De dichter als ziener, als verantwoordelijke zonder enige vrijblijvendheid.
Uit deze bundel dus een liefdesgedicht met precies die titel. Een gedicht dat Radnóti schreef op 2 oktober 1939.
.
Liefdesgedicht
.
Daar talmt de z\on in de woelige, schuimende lucht,
wuift even koel, zwemt voorbij.
Hier in je ogen het parelend zonnezweem dat
blauw door de nevelen schijnt.
Voort gaat het goudgele pad,
lang overdekt al met blad.
.
Hier is het herfst. En de walnoten worden gekraakt,
stilte druipt al van de wanden,
zend nu de dromende druif op je schouder maar uit,
blad valt, de vorst is ophanden,
star is de akker, hij kantelt
en valt; hoor dat stille geluid.
.
Mild lief van mij. jou bemin ik, jij hoedt de seizoenen!
Nimmer bemin ik een ander.
.
Verleden verbinden
Augusta Peauxfestival
.
Aanstaande zondag 3 september zal ik samen met nog 24 dichters voordragen op het Augusta Peauxfestival in Simonshaven (nabij Spijkenisse). Tussen 14.00 en 17.00 uur zullen 25 dichters en een A capellakoor de bezoekers van dit festival meenemen in hun poëzie rondom het thema ‘Verbinding’. Ik zal twee maal een kwartier vullen met mijn gedichten op twee verschillende plekken op het festivalterrein in de tuin van de voormalige pastorie aan de Ring 42 in Simonshaven waar dichter Augusta Peaux (1859-1944) woonde.
Als jong meisje speelde Augusta Peaux met de latere dichter Jacques Perk die even oud was als zij. Ze groeide op als dochter van een dominee. Als dichter wordt Peaux beschouwd als een van de belangrijkste symbolistische dichters uit het einde van de 19e en begin 20ste eeuw. Ondanks haar bescheiden oeuvre en leefstijl heeft ze een belangrijke en blijvende invloed gehad op de Nederlandse poëzie. Zo werd ze door Gerrit Komrij en Hans Warren opgenomen met werk in hun bloemlezingen. Maar ook dichters Albert Verwey en J.C. Bloem waren bewonderaars.
Haar poëzie kenmerkt zich door haar introspectieve en mystieke karakter. Haar gedichten hebben thema’s als de liefde, verlangen, melancholie en de zoektocht naar zingeving. Ze schreef met subtiele, beeldrijke taal en gebruikte vaak symbolen en verwijzingen naar de natuur. Ze had in haar poëzie het vermogen om de diepere emotionele en spirituele ervaringen te verkennen en te verwoorden. In en rond haar woonplaats is een organiserend comité actief dat het werk van Peaux onder de aandacht blijft brengen. Lesley Sanford, Julius Caesar, Ronald Bottelier en Frans van den Akker doen dit onder andere door het organiseren van een festival op 3 september. Naast dichter Ingmar Heytze en een aantal dichters uit de regio komen ook een aantal dichters van daarbuiten een bijdrage leveren, waaronder ik dus.
Hieronder een voorbeeld van een gedicht van Augusta Peaux uit de bundel ‘De wilgen, de velden, het water’ uit 2014 getiteld ‘Verleden’.
.
Verleden
.
Met handen ben ik gebonden
in een ver verleên,
dat is te aller stonde
onzichtbaar om mij heen.
.
Met geuren ben ik betooverd
terug in vroeger tijd,
als staat de boom ontlooverd,
al ben ik ’t voetspoor kwijt.
.
In klanken lig ik gevangen
van een verzonken bestaan
die bleven om mij hangen
toen alles was vergaan.
.
De klokken door mijn dagen
luiden en lokken mij
zoete bedwelming dragen
de geuren mij voorbij.
.
Met banden ben ik gebonden
en ga geen weg alléén
mij heeft altijd gevonden
wat in de tijd verdween.
.
Dag zeventien
Vakantiegedicht
.
Uit de bundel ‘Enfin’ uit 2021 van Anton Korteweg (1944) het gedicht ‘Je weet maar nooit’.
,
Je weet maar nooit
.
Mijn leven lang was ik erop gebrand
mijn kinderhand met bijna niets te vullen,
hield de drie erren in ere
-Rust, Reinheid, Regelmaat-
en gunde de plaagzieke zon
die zich achter de wolken verschool
een lach op mijn bleke gelaat.
.
Maar ja, ik moet bergop nu toch behoorlijk plooien
en de verzuring teistert me steeds vaker,
dus kom maar op met die ene al nakende winter
waarop ik, toch nog onverwacht heet dat,
uiteindelijk echt onderuitga.
.
Zit het een beetje mee, trek ik daarna nog in
bij Hem, die na kotstondig ongeneugt
-eentreffende synopsis van het leven-
mij eindeloos en liefdevol verheugt.
.
Liefde
Aad van Stolk en M.C. Escher
.
In het Escher museum in het voormalig paleis van koningin Emma aan het Lange Voorhout in Den Haag, kwam ik een boekje tegen met daarin gedichten van Aad van Stolk (1883-1926) die zij samen uitgaven. Het betreft hier het boekje ‘Flor de Pascua’ (Paasbloem) met 19 houtsneden van Maurits Cornelis Escher (1898-1972) en gedichten dus van Aad van Stolk die naast arts ook beheerder was van de kunstcollectie van zijn grootvader, het museum van Stolk in Haarlem. Het boekje werd gepubliceerd in 1921. De vrouw van Aad, Jonkvrouwe Sophie van der Does de Willebois (1883-1961) ontwierp het omslag. Van dit boekje werden 222 exemplaren gedrukt.
Een van de gedichten is getiteld ‘Liefde’ en Escher heeft hierbij een prachtige houtsnede gemakt van een moeder die haar kind de borst geeft, waarschijnlijk zijn dit Fietje (zoals Sophie genoemd werd) en haar zoon Jan. De compositie heeft Escher niet zelf bedacht maar afgekeken van zijn leermeester Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944). De tentoonstelling van beiden (Escher en de Mesquita) is nog tot 1 oktober te bekijken in het Escher museum.
.
Muse: R.M.M.V.S.
“Liefde”
.
Ik heb een meisje gezien,
Dat was vergeten
Haar talrijk kroost;
Geen spoor meer van een huwelijksketen;
Zij zocht geen troost…
Zij làchte uit haar blank geweten
Dat nimmer was besmet misschien…
.
Maar van haar vorige verblijven
In deze stof,
Bleef slechts d’essentie in haar ziel beklijven;
Den dood zij lof!
.
Die slaakte alle “toebehooren”
En ’t kindje pas herboren
Was aan ’t bekoren.
.

















