Site-archief

Dichter over dichter

Pieter Boskma over Arie Visser

.

Veel lezers zullen de dichter Pieter Boskma kennen, van zijn  poëzie of van naam. Of dat ook opgaat voor dichter Arie Visser is de vraag. Arie Visser (1944-1997) studeerde aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Van studeren kwam het niet echt, hij was meer in het uitgaansleven te vinden dan in de universiteit. Vanaf 1973 schreef hij dichtbundels, een roman en artikelen in kranten en tijdschriften (voornamelijk in Hollands Diep). Visser schreef over wat hem bezig hield zoals jazz, mystiek, gedichten en drugs. Als heroïneverslaafde leefde Visser aan de randen van het bestaan. Na een huwelijk en bekering tot de Islam kwam zijn leven wat meer op de rails. Zo vertaalde hij in 1985 de roman ‘Bright lights, big city’ van Jay McInerney.

In de bundel die werd uitgegeven naar aanleiding van de zeventiende Nacht van de Poëzie in 1997, staat een gedicht van Pieter Boskma (1956), een in memoriam voor Arie Visser die een paar maanden daarvoor was overleden aan kanker.

.

we moeten verdwijnen in aarde of lucht

we moeten verdwijnen zonder gerucht

en niets zal er overblijven dan dit

en daarna zelfs niet meer dit

.

ik zag al zovelen bezwijken

voordat zij het konden bereiken

waar zij vergeefs een heel leven

met al hun krachten naar streefden

.

de mens is een visje onder het ijs

en lente wordt het maar één maal

als het scherpst van de zeis

de kop van onze romp afslaat

.

de visser is niet meer verschenen

sinds hij liep over de golven

want de vissen kregen benen

die hem niet langer volgden

.

soms wordt een stem vernomen

die het evenwicht herstelt

tussen de goddelijke wonden

en de wereld van het geld

.

wij hebben het gehoord

maar kunnen niet begrijpen

dat geen enkel woord

helder kan beschrijven

.

waarom wij verdwijnen

en er niets kan blijven

dan ons diepe zwijgen

van het diep geheim

.

 

Vijfjarenplan

Herman de Coninck

.

Ergens op een van de sociale mediaplatforms kwam ik het gedicht ‘Vijfjarenplan’ van de Vlaamse, en door mij zeer bewonderde, dichter Herman de Coninck (1944-1997) tegen. Mijn bewondering voor het werk van Herman de Coninck was de aanleiding om vanaf juni 2015 elke zondag een gedicht van hem te plaatsen. Ik heb dat toen werkelijk maandenlang vol gehouden, vooral omdat er zoveel prachtige gedichten waren om te delen.

Na de ‘Herman de Coninckzondag’ heb ik uiteraard zo nu en dan ook nog aandacht besteed aan zijn werk maar omdat het alweer even geleden is vandaag dus het gedicht ‘Vijfjarenplan’. Uit zijn bundel ‘Met de klank van hobo’ uit 1981 dit bijzondere liefdesgedicht.

.

Vijfjarenplan

.

ik hou van jou. Hou jij van wat niet

kan.

hou jij van je capaciteiten, ik van je

gebreken.

jij van je trots, en ik van hoe die

zacht kan breken

in mijn armen. Jij van je moed. Ik van

je zwakte nu en dan.

.

Hou jij van de toekomst. Ik van wat

voorbij is gegaan.

Hou jij van de honderd levens die je

wilde leven.

Ik hou van dat ene dat is

overgebleven

en van hoe je daarom zo ver weg

kunt zijn dicht tegen me aan.

.

Ik hou van wat is. Jij van wat zou.

Hou jij van mij. Ik hou van jou.

.

Aandacht

Ruimte tussen zien en zijn

.

Ik schreef al eerder over Els van Stalborch (1944) en haar laatste gepubliceerde bundel ‘Ruimte tussen zien en zijn’ uit 2010. Toen deelde ik het gedicht ‘Inzicht’ en vandaag zocht ik in die bundel naar een gedicht dat zou kunnen aansluiten bij het thema van de Poëzieweek 2024 ‘Thuis’. Ik heb gekozen voor het gedicht ‘Aandacht’ omdat aandacht juist iets is dat je thuis krijgt.

Tenminste als je niet alleen woont, tenzij je dan weer een huisdier hebt als een kat of hond. Of erger dat je wel samenwoont met anderen maar dat je daar geen aandacht van krijgt. Laten we in het kader van de Poëzieweek 2024 uitgaan van het meest positieve scenario en ervan uitgaan dat er veel aandacht voor elkaar zal zijn in de Poëzieweek. En voor de poëzie.

.

Aandacht

.

Soms droom ik leven langzaam.

Elk ogenblik vervuld van zijn.

Woorden groeien traag

aan takken van stilte.

.

Tijd om te voelen, te zien,

te worden misschien.

De ruimte eindeloos wakker.

Gedachten machtig en vrij.

.

Ogen zien leegte voorbij.

Handen verkennen elkaar.

Ieder vergeten gebaar

wekt verwondering.

.

Langzaam groeit aandacht.

Leven klaart op, heldert

het zicht. In ieder woord

schitter licht.

.

Aubergine

Drs. P

.

Het is voor mij altijd een groot plezier om te lezen in de bundel ‘Tante Constance en Tante Mathilde’, liedteksten van Drs. P (1919-2015) uit 1999. Natuurlijk ken ik de teksten, liedjes en gedichten van Drs. P niet allemaal (het zijn er vele!) en dus word ik nog weleens verrast wanneer ik de bundel lees of doorblader. Zo ook dit keer. Om twee redenen eigenlijk.

Allereerst omdat het gedicht ‘Aubergine’ bij mij onmiddellijk de gedachte naar boven bracht aan de emoiji of emoticon van een aubergine, die, zoals je ongetwijfeld weet, wordt gebruikt als penis in SMS- en Whatsappberichten maar als tweede deed dit gedicht of deze liedtekst mij ook meteen teruggaan naar de tijd dat de poëziestichting Ongehoord! nog tweemaandelijks een poëziepodium organiseerde in de openbare bibliotheek van Rotterdam.

Vaste gastdichter daar was de onvolprezen en bijzondere Rieneke Minderman-Grobben (1944-2018), de lady in pink (ze was altijd volledig gekleed in het roze). Zij las haar gedichten steevast voor vanaf een behangrol die ze zelf beschreven had. In haar gedichten maakte ze graag gebruik van opsommingen en had daarbij ook soms een voorkeur voor Franse termen zoals bijvoorbeeld in haar gedicht ‘Op z’n Janboerenfluitjes’ en ‘Crime passionel’. Het gedicht ‘Aubergine’ deed me daar meteen aan denken.

.

Aubergine

.

De aanblik van la belle Philippine
Was een der top-attracties van de stad
Zij was een twintigjarige blondine
Elle est tres fine, elle est divine
Zowel de koopvaardij als de marine
Alsook de brandweerlieden zeiden dat

.

Het was opwekkender dan cocaine
Als Philippine voor ’t venster zat
Gekleed in allerfijnste Crepe de Chine
Of mousseline, of levantine
Gelijk een pronkjuweel in een vitrine
Gelijk een jonge prijsbekroonde kat

.

Zij was in hoge mate feminiene
De mannen die haar zagen gingen plat
En zij begeerden haar als concubine
Maar Philippine had discipline
Was ongenaakbaar als een capucine
Of als een dichtgevroren sleutelgat

.

Een oude rijkaard in een limousine
Kwam echter zeer strategisch op haar pad
Hij toonde haar een mooie aubergine
Een aubergine, een aubergine
Hij mocht naar binnen voor een aubergine
Een aubergine die ze daarna at

.

Democratie is een oud vrouwtje

Freek de Jonge

.

Voor Sinterklaas (ja de oude baas was me welgezind dit jaar) kreeg ik de bundel ‘Zij kon het lonken niet laten’  liedteksten uit het Nederlands cabaret van 1945 tot nu, bijeengebracht en ingeleid door Guus Vleugel. Dit werkje uit 1989 blijkt opnieuw weer opmerkelijk actueel. Lezend over Liefde en Lust, Algemeen leed, Bijzonder leed, Gerel en gelal én Misstanden (hoofdstukken in de bundel) stuitte ik op een tekst van Freek de Jonge (1944).

Deze tekst of lied / gedicht ‘Demokratie is een oud vrouwtje’ las ik en ik moest meteen aan de huidige situatie denken. Misschien gevoed door het feit dat ik afgelopen weken naar ‘Eigen Volk Eerst’ keek van PowNed op televisie, een zorgwekkende serie over rechts extremisme in Nederland. Deze tekst komt uit het theatervoorstelling (muziekvoorstelling) ‘Stroman en trawanten’ uit 1984.

.

Demokratie is een oud vrouwtje

.

Demokratie is een oud vrouwtje
Dacht ik zoekend naar een beeld
Links is zij rood aangelopen
Aan de rechterkant vergeeld
Toen ze lang geleden jong was
Was ze een veel begeerde bruid
Ze had links en rechts verkering
Maar die ging vaak voortijdig uit
.
Ik zie het oude vrouwtje lopen
Met een stok over de straat
Geen controle meer op kringspier
Waardoor ze almaar windjes laat
Mensen halen hun neus op
Vinden dat ze stinkt
Zij loopt kreupel verder
Daar ze op twee gedachten hinkt
.
De oude vrouw wil oversteken
Geluk ligt aan de overkant
Maar wat ze ook met haar stok zwaait
Niemand pakt haar bij de hand
Mensen lopen langs haar heen
Verkeer rijdt door door rood
Als niemand haar gaat helpen
Loopt dat oude vrouwtje dood
.
Daar komt een jongeman aan
Kloek marcherend niet bedeesd
Je voelt die gaat haar helpen
Die is padvinder geweest
Maar als hij heel dicht bij haar is
Staat hij plotseling stil
Het lijkt of wat hij net van plan was
Opeens niet meer zo nodig wil
.
Schichtig kijkt hij om zich heen
Trekt hand door schuine lok
Dan loopt hij op het vrouwtje toe
Pakt resoluut haar stok
Schopt haar benen onderuit
De stok beukt op haar rug
Ik wou dat ik wat doen kon
Maar God wat gaat het vlug
.
De oude vrouw bloedt langzaam dood
Onder de slagen van het beest
En ik eerst nog denken
Die is padvinder geweest
Mensen lopen langs haar heen
Verkeer rijdt door door rood
Ik dacht hij gaat haar helpen
Wist niet van wal in sloot
.
Die jongeman is het fascisme
En hij is nooit alleen
Als ratten in riolen
Woekert het gajes om hem heen
Zie je dus ooit dat oude vrouwtje
Pak dan snel haar hand
Want als het aan die jongen ligt
Haalt ze nooit de overkant

.

Neruda en de Coninck

Dichter over dichter

.

In de bundel ‘Met een klank van hobo’ uit 1980 van de Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944-1997), staat een gedicht van hem over een andere dichter, namelijk de Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973). Het gedicht is getiteld ‘Neruda’.

In de categorie ‘dichters over dichters’ vind ik dit een mooi voorbeeld.

.

Neruda

.

Alles is gelijk, niet alleen mensen

onder elkaar, maar ook planten en mineralen

en poezen en regen en Vivaldi.

Ik breng de avond door met een vriend

en een glas wijn en een dode en verhalen

en schemer en minnestrelen.

Wij zijn met zeer velen.

.

Liefdesgedicht

Miklós Radnóti

.

Omdat het nooit kwaad kan om een liefdesgedicht te delen, en omdat het in deze donkergrijze natte dagen kan helpen om even wat verwarming te vinden in een liefdesgedicht, wil ik vandaag een gedicht plaatsen van Miklós Radnóti uit de bundel ‘Nachthemel, waak’ die begin van dit jaar uitkwam in een vertaling van Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Deze ruime bloemlezing uit het werk van de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) maakt de Nederlandse lezer bekend met de rijkdom van zijn poëzie.

In 2021 verscheen Het schriftje uit Bor, de laatste gedichten die de Hongaars-Joodse dichter als dwangarbeider noteerde in de weken voordat hij door zijn Hongaarse bewakers werd vermoord. Maar Radnóti’s poëzie bestaat niet alleen uit ongeëvenaarde meesterwerken van de universele Holocaustliteratuur. Ze omvat ook uitbundige liefdesgedichten, natuurlyriek en polemische verzen, al blijft het altijd, bijna profetisch, doordrenkt van de dood.

Radnóti’s reputatie als dichter was en is in Hongarije groot – zij het niet onomstreden: de huidige regering rangschikt hem onder de ‘minder belangrijke auteurs’. Ook politiek en maatschappelijk maakte hij in zijn korte leven een grote ontwikkeling door, van sensueel, paganistisch dichter werd hij, via christelijke invloeden, een ‘getuige van zijn tijd’. De dichter als ziener, als verantwoordelijke zonder enige vrijblijvendheid.

Uit deze bundel dus een liefdesgedicht met precies die titel. Een gedicht dat Radnóti  schreef op 2 oktober 1939.

.

Liefdesgedicht

.

Daar talmt de z\on in de woelige, schuimende lucht,

wuift even koel, zwemt voorbij.

Hier in je ogen het parelend zonnezweem dat

blauw door de nevelen schijnt.

Voort gaat het goudgele pad,

lang overdekt al met blad.

.

Hier is het herfst. En de walnoten worden gekraakt,

stilte druipt al van de wanden,

zend nu de dromende druif op je schouder maar uit,

blad valt, de vorst is ophanden,

star is de akker, hij kantelt

en valt; hoor dat stille geluid.

.

Mild lief van mij. jou bemin ik, jij hoedt de seizoenen!

Nimmer bemin ik een ander.

.

 

Wout Waanders

Poëzie in proefschriften

.

Via Linkedin zag ik een bericht van de Radboud universiteit van Nijmegen waarin gerept werd over een initiatief vanuit de universiteit waarin dichter en alumnus / artist in residence Wout Waanders (1989) gevraagd is om uit 100 proefschriften die in de afgelopen 100 jaar zijn verschenen (uit elk jaar dat de universiteit bestaat 1 proefschrift), poëtische zinnen of ideeën te halen en daar 10 nieuwe gedichten van te maken. Hij noteerde de meest opvallende en poëtische zinnen, en liet tegelijkertijd een promovendus in de AI-techniek de mooiste zin per proefschrift berekenen. Van deze zinnen, citaten en beelden maakte hij tien nieuwe gedichten die te lezen zijn op ramen en op panelen langs de route tussen Collegezalencomplex en het Spinozagebouw.

Dat dit niet alleen een heel groot werk is (lijkt me duidelijk, 100 proefschriften doorploegen op zoek naar mooie en bijzondere zinnen en citaten) maar ook een ontzettend leuk en mooi project is blijkt wel als ik lees welke onderwerpen die proefschriften zoal hebben: van toverstokken tot paddenstoelen en van radiomasten tot heilbotten. Wout Waanders zegt over de proefschriften dat  ‘De taal in de loop der jaren wel afstandelijker lijkt te worden’.

Maar er zijn voorwoorden waar Wout zijn vingers bij aflikt omdat ze pure poëzie zijn. Een voorbeeld is de dissertatie van antropoloog J.M. Schoorl uit 1979.

.

Ik ben allerminst een onbewogen waarnemer geweest.

Ik heb geprobeerd om de mensen die elkaar met bijlen en kapmessen te lijf gingen, te scheiden,

ik heb vele malen de dood geroken, ik heb nachtenlanhg gedanst,

ik heb me me erg eenzaam gevoeld, mijn beste informant werd door een wild zwijn gedood (…),

ik heb alle mogelijke twijfels gehad over de waarden in mijn eigen cultuur, inclusief de wetenschap

.

De keuze van de honderd proefschriften was min of meer toevallig, zo heeft Wout gelet op de spreiding van jaren en op spreiding van de vakgebieden. Hij voegt daar nog aan toe dat er uit de jaren 1923,1924 en 1944 geen promoties zijn voltooid.  Een paar mooie voorbeelden die hij verder tegen kwam zijn: ‘Wie de meest persoo nlijke diepten van alle mensen wil bereiken, moet de volkstaal spreken’ (uit een proefschrift uit 1930) en ‘Het gebeurt maar weinig dat het sprookjesachtige en het reële samenkomen’ (uit een proefschrift uit 1936).

Alle teksten worden onderworpen aan een chcek met kunstmatige intelligentie (AI) met behulp van Promovendus Mesian Tilmatine wordt gezocht naar de meest opmerkelijke en poëtische zinnen. Een terechte vraag die Wout heeft is of de AI selectie overeenkomt met de zijne. De gedichten zijn te zien op het Art & Science festival bij de Radboud universiteit van 19 t/m 21 oktober en daarna zijn de gedichten ook op papier verkrijgbaar. Ik ben benieuwd!

.

 

Verleden verbinden

Augusta Peauxfestival

.

Aanstaande zondag 3 september zal ik samen met nog 24 dichters voordragen op het Augusta Peauxfestival in Simonshaven (nabij Spijkenisse). Tussen 14.00 en 17.00 uur zullen 25 dichters en een A capellakoor de bezoekers van dit festival meenemen in hun poëzie rondom het thema ‘Verbinding’. Ik zal twee maal een kwartier vullen met mijn gedichten op twee verschillende plekken op het festivalterrein in de tuin van de voormalige pastorie aan de Ring 42 in Simonshaven waar dichter Augusta Peaux (1859-1944) woonde.

Als jong meisje speelde Augusta Peaux met de latere dichter Jacques Perk die even oud was als zij. Ze groeide op als dochter van een dominee. Als dichter wordt Peaux beschouwd als een van de belangrijkste symbolistische dichters uit het einde van de 19e en begin 20ste eeuw. Ondanks haar bescheiden oeuvre en leefstijl heeft ze een belangrijke en blijvende invloed gehad op de Nederlandse poëzie. Zo werd ze door Gerrit Komrij en Hans Warren opgenomen met werk in hun bloemlezingen. Maar ook dichters Albert Verwey en J.C. Bloem waren bewonderaars.

Haar poëzie kenmerkt zich door haar introspectieve en mystieke karakter. Haar gedichten hebben thema’s als de liefde, verlangen, melancholie en de zoektocht naar zingeving. Ze schreef met subtiele, beeldrijke taal en gebruikte vaak symbolen en verwijzingen naar de natuur. Ze had in haar poëzie het vermogen om de diepere emotionele en spirituele ervaringen te verkennen en te verwoorden. In en rond haar woonplaats is een organiserend comité actief dat het werk van Peaux onder de aandacht blijft brengen. Lesley Sanford, Julius Caesar, Ronald Bottelier en Frans van den Akker doen dit onder andere door het organiseren van een festival op 3 september. Naast dichter Ingmar Heytze en een aantal dichters uit de regio komen ook een aantal dichters van daarbuiten een bijdrage leveren, waaronder ik dus.

Hieronder een voorbeeld van een gedicht van Augusta Peaux uit de bundel  ‘De wilgen, de velden, het water’ uit 2014 getiteld ‘Verleden’.

.

Verleden

.

Met handen ben ik gebonden

in een ver verleên,

dat is te aller stonde

onzichtbaar om mij heen.

.

Met geuren ben ik betooverd

terug in vroeger tijd,

als staat de boom ontlooverd,

al ben ik ’t voetspoor kwijt.

.

In klanken lig ik gevangen

van een verzonken bestaan

die bleven om mij hangen

toen alles was vergaan.

.

De klokken door mijn dagen

luiden en lokken mij

zoete bedwelming dragen

de geuren mij voorbij.

.

Met banden ben ik gebonden

en ga geen weg alléén

mij heeft altijd gevonden

wat in de tijd verdween.

.

NLMDO2_P-00243-II-012, 22-01-2008, 13:36, 8C, 1892×1436 (3419+3870), 100%, LetterkundigMu, 1/80 s, R40.4, G21.3, B29.2

Dag zeventien

Vakantiegedicht

.

Uit de bundel ‘Enfin’ uit 2021 van Anton Korteweg (1944) het gedicht ‘Je weet maar nooit’.

,

Je weet maar nooit

.

Mijn leven lang was ik erop gebrand

mijn kinderhand met bijna niets te vullen,

hield de drie erren in ere

-Rust, Reinheid, Regelmaat-

en gunde de plaagzieke zon

die zich achter de wolken verschool

een lach op mijn bleke gelaat.

.

Maar ja, ik moet bergop nu toch behoorlijk plooien

en de  verzuring teistert me steeds vaker,

dus kom maar op met die ene al nakende winter

waarop ik, toch nog onverwacht heet dat,

uiteindelijk echt onderuitga.

.

Zit het een beetje mee, trek ik daarna nog in

bij Hem, die na kotstondig ongeneugt

-eentreffende synopsis van het leven-

mij eindeloos en liefdevol verheugt.

.