Site-archief

Sneldichter

Salomon Cohen.

 

Van mijn broer kreeg ik het boekje ‘De sneldichter van Delfshaven’ over Salomon Cohen (1908-1985) uitgegeven door het Historisch Museum Rotterdam geschreven door Jan Oudenaarden en Rien Vroegindeweij. Het fenomeen sneldichter ken ik al heel lang, vroeger had je Willy Alfredo (1898-1976) pseudoniem van Willem Jue die tijdens feesten en ook wel op de radio het vak van sneldichter op de kaart zette. Hij deed dat door ‘Roept u maar!’ naar de zaal te roepen en dan gaven de toehoorders hem een thema of onderwerp of naam. Zonder blikken of blozen maakte hij dan een (rijmend) gedicht.

Er zijn door de tijden meer sneldichters gekomen (waaronder dus Salomon Cohen) zoals bijvoorbeeld David Mulder die onder andere op Lowlands stond als sneldichter. Salomon Cohen was een sigarenwinkelier en boekhandelaar uit Rotterdam die in 1954 begon met sneldichten. “Komt U ooit in Rotterdam, U bent hartelijk welkom bij sneldichter Sam!” was een slagzin waarmee Cohen zijn sigarenhandeltje trachtte te promoten. Cohen werd de ‘Sneldichter van Delfshaven’ genoemd.

Omdat Cohen in 2008 100 jaar zou worden werd er een tentoonstelling aan hem gewijd in De Dubbelde Palmboom, die behoort tot het Historisch Museum Rotterdam. Dit was ook de aanleiding tot het maken van het boekje. In het boekje staan verschillende voorbeelden van zijn sneldichten en de aanleiding van de gedichten. Zo hing in de Havenstraat in Delfshaven in de huisartsenpraktijk, waar hij patient was, tien jaar lang op de deur van de praktijk een gedicht dat hij voor de artsen en assistente had geschreven. En hoewel Cohen toen al aan een ernstige vorm van suikerziekte werd behandeld, eindigde het gedicht met de optimistische strofe:

.

De dokter komt ook steeds ter sprake

als je – overal – gesprekken hoort

de dokter kan ons beter maken –

en steeds weer klinkt een schoon

accoord –

als wij de spreekkamer betreden –

dan voelen wij ons gans verlicht –

voor dankbaarheid is alle reden –

je komt en gaat – met blij gezicht –

.

Achterin het boekje is een hoofdstuk opgenomen waar de gedicht staan. Dit gedicht schreef hij op 25 oktober 1968. Uit dit gedicht blijkt dat hij ook een serieuze kant had, als joodse man had hij ondergedoken in de oorlog en uit dit gedicht blijkt dat hij daar nog erg mee bezig was.

.

Pikzwart is de lucht

van de mij omringende

landen

.

benedendijks zijn ze

bezig een weg te

graven – die loopt

naar een diepe put

.

het laatste teken

van leven is

verdwenen –

sedert ik een jongetje

was – heb ik niets

meer vernomen –

.

het koude zweet

breekt mij uit

als ik denk aan

vroeger. –

.

.

Toen.

.

 

Laatste oordeel

Rob Schouten

.

Dat Kerstmis niet voor iedereen altijd een fijne tijd is mag algemeen bekend zijn; ouderen die eenzaam zijn, daklozen, mensen die in armoede leven of op een globaler niveau mensen die in oorlogsgebieden wonen, op plekken waar genocide plaats vindt of waar natuur- en andere rampen plaats vinden. Kerstmis mag dan het feest van vrede op aarde zijn, helaas kan maar zo’n klein deel van de wereldbevolking dit ook echt dagelijks ervaren.

Ik sta ambivalent tegenover Kerstmis. Aan de ene kant zijn het gezellige dagen met familie en vrienden en aan de andere kant is het toch ook een vorm van opgelegde vrolijkheid en vrede op aarde (een belofte die nooit ingelost wordt). Dichter Rob Schouten (1954) heeft ook zo zijn eigen kijk op religieuze concepten. In de bundel ‘Dichters van het laatste oordeel’ uitgegeven door museum De Lakenhal in 2010 is het gedicht ‘Laatste oordeel’ opgenomen waarin Schouten redelijk duidelijk laat weten hoe hij erover denkt. Het gedicht is ook opgenomen in zijn bundel ‘Zware pijnstillers’ uit 2012. Niet meteen over Kerstmis in dit geval maar wel met een verwijzing naar in de op een na laatste strofe.

.

Laatste oordeel

.

Moet dat nou echt? Is sterven niet genoeg.

In bed, op straat of in de strijd,

terwijl het regent of tijdens een hoog?

Maar nee, moeten we weer onder de mensen,

met weer dat licht, weer dat verkeer, links, rechts,

en alles afgerekend: geboeleerd

min stipt gestopt met zuipen plus de heiland,

vermomd als werkgever, vervloekt,

gedeeld door voorbestemming.

‘Maar Heer, ik was onder behandeling!’

‘Ik had aan het toneel gewild!’

.

Trouwens wat biedt het Nieuwe Jeruzalem?

Kan ik van huiselijk geluk op aan?

Die engel ruilen voor een centerfold?

Beloofd dat er niet weer zo’n boom…?

.

Lugubere vertoning, deze show,

gadegeslagen door het ramptoerisme.

Wat ik wil, niks, zit er niet bij.

.

Dochter

Judith Mok

.

Ik sta weer voor mijn boekenkast en pak daar een willekeurige dichtbundel uit zonder te kijken wat het is. Het is ‘Vrouwen dichten anders’ samengesteld en ingeleid door Cox Habbema, uit 2000. Ik open de bundel op een willekeurige pagina (72) en daar staat het gedicht ‘Dochter’ van Judith Mok dat is genomen uit haar bundel ‘Het Feestmaal’ uit 1997.

Judith Mok (1954-2024) is een voor mij onbekende dichter, ik schreef nog nooit over haar en haar naam werd zelfs niet terloops in een blogbericht genoemd. Mok was een multi-talent. Ze was een Nederlandse sopraan, schrijfster en dichteres. Ze verhuisde in haar veertiger jaren naar Ierland en publiceerde romans en andere werken in het Engels. Ze publiceerde fictieve memoires, drie romans en vier dichtbundels. In 1985 debuteerde ze als schrijver en dichter met de dichtbundel ‘Sterkwater’. Hierna volgde nog ‘Materiaal’ in 1991, ‘Het Feestmaal’ in 1997 en ‘Goden van Babel’ in het Engels in 2011.

.

Dochter

.

Ik sta naast je bed

Er zingt iets in mijn oren

alsof je slaap de melodie kent

van toen. Kind, je huid

laat een bloemengeur toe

je bent je vaders gedicht

mijn Ierse roos

je rijdt op wilde paarden

en spreekt je wijze taal.

Ik luisterde naar het sterven

van mijn moeder, terwijl de dood

aan jouw masker begon te kerven.

.

Goed in het gehoor liggend

Bart Chabot

.

Afgelopen week mocht ik in mijn bibliotheek de Indische maand openen. En zoals dat gaat bij interculturele activiteiten zijn er dan altijd heerlijke hapjes. Ik heb al uit zoveel verschillende culturen de lekkerste dingen mogen proeven. Of het nu Oekraïens, Syrisch, Marokkaans, Turks, Surinaams of Indisch was, allemaal lekker. Ik begrijp de hang naar de jaren vijftig van sommige partijen dan ook echt niet. Het multiculturele leven heeft Nederland zo verrijkt zonder dat dat ten koste gaat van onze eigen tradities. Sint Maarten wordt nog altijd gevierd (ja inmiddels is het Amerikaanse Halloween groter maar dat is er bij gekomen), Sinterklaas leeft nog altijd (ik hoorde vandaag dat er weer meer Nederlanders Sinterklaas vieren. Kerstmis is al heel lang een soort veramerikaanst met sleeën en de kerstman maar nog steeds lopen kerken (voor zover ze er nog zijn) op kerstavond vol.

Nee, de tradities, feesten, gebruiken en vooral de eet- en en drinkcultuur uit allerlei verre buitenlanden zijn een verrijking. En dat begon al met de afhaal Chinees, de Shoarmatent , de Pizzeria en nu biedt de gemiddelde stad in Nederland een ruim palet aan mogelijkheden op dat gebied. Maar waarom schrijf ik dit? Dit was toch een poëzieblog? Inderdaad. Toen ik in ‘De bril van Chabot’ de mooiste gedichten van Bart Chabot (1954) gekozen door Martin Bril, uit 2008 aan het lezen was, las ik in het gedicht ‘Goed in het gehoor liggend’  de zin ‘liggen de eeuwen als spekkoek / in laagjes opgehoopt’. Spekkoek, die lekkere Indische lekkernij. En zo zie je maar, ook de taal is verrijkt met allerhande woorden, uitdrukkingen en zegswijzen die we hebben over genomen uit andere talen en culturen.

.

Goed in het gehoor liggend

.

het is een onbekommerde doordeweekse dag

half juli, komkommertijd

en ik sta

voor een grafheuvel

eentje uit de prehistorie –

voor minder kom ik mijn bed niet uit

.

de grafheuvel zelf is een markante verschijning:

een forse bult in het landschap

alsof de aarde op deze plek eergisteren

een doodsklap kreeg;

een staaltje zinloos geweld

de wilgen overwegen een stille tocht

hun burgemeester houdt straks, wie weet,

een toespraak

daarmee is alles min of meer gezegd

.

binnenin, onder de heuvel,

liggen de eeuwen als spekkoek

in laagjes opgehoopt

.

als ik me buk

diep door de knieën ga

en mijn oorschelp te luisteren leg,

vlak boven de grond

kan ik de doden horen

wroeten

.

Liefde

Max Dendermonde

.

Een dichter waar je tegenwoordig nog maar zelden iemand over hoort is Max Dendermonde (1919-2004). Max Dendermonde is het pseudoniem van Hendrik Hazelhoff. Ik schreef al een paar keer over hem, in beide gevallen betrof het erotische gedichten uit zijn bundel ‘Soms een paar uur van tweezaamheid’ uit 1987. Dendermonde schreef echter ook andere poëzie. Zo publiceerde hij in 1954 de bundel ‘Tot zover voorlopig’ en in die bundel staat een sonnet getiteld ‘Liefde’.

.

Liefde

.

De dingen hebben soms een zelfde naam:

een lichte kus, elkaar verwilderd bijten,

zacht mokken, blindelings met huisraad smijten,

vreemd, het valt alles onder liefde saam.

.

Wie liefheeft en daar langzaam aan gewent,

ontdekt verbijsterd achter maan en rozen

het kleine strijdperk van twee tomelozen,

waar men elkaar om beurten tart en temt.

.

Eerst zacht van zin, later snel uitgestoeid,

elkander prikkelen, dan ronduit haten,

en ouder wordend: zacht weer, en vermoeid.

.

Zó gaat het ons, misschien in milder mate…

Twee slingerplanten in één wilde groei,

die ondanks alles elkaar niet verlaten.

.

Rust

Dag vier

Als er één ding niet echt van toepassing is op mijn vakanties dan is het rust. Wanneer je ergens bent waar je nog nooit geweest bent dan wil je toch weten waar je bent, hoe het er daar uitziet, wat de bijzondere dingen zijn in de buurt? Aan de andere kant, rust is me gegeven omdat ik de gedichten in mijn vakantie altijd voorbereid. Dus vooraf geen rust en eigenlijk ook geen rust als ik op reis bent realiseer ik me. Maar zoals mijn oma al zei “als je dood bent kun je nog lang genoeg rusten”. Daarom hier het gedicht ‘Rust’ van Rob Schouten (1954) uit de bundel ‘Vuil goed’ een keuze uit al zijn gedichten uit 2011.

.

Rust

.

Van filmisch slapen gaat de wereld over

is mijn ervaring. Wacht geen werk, geen zin.

.

Toen ik eens uit gemakzucht niet ontwaakte

hield men mij voor vannacht ontslapen.

.

Ik kan niet zeggen dat het mij kon schelen

te zijn gestorven na geen werkzaam leven.

.

Wellicht schilderde ik een bergbeek uit,

hing gelukzalig met haar in een grot.

.

Terwijl men mij achter het glas bekeek

was ik er niet echt bij met mijn gedachten.

.

Mij viel niet in dankbaar te reageren

omdat de voorstelling me wel beviel

en ik geen last van het geheugen had.

.

Telde bekijks, zo’n kleine zeventig.

Na afloop bloemen maar ik kwam niet meer terug.

.

Take it easy

Ellen Warmond

.

Schrijver en dichter Ellen Warmond (1930 – 2011) werd geboren in Rotterdam. In het literaire en persoonlijke leven van Warmond had Anna Blaman een prominente plek. Blaman woonde ook in Rotterdam, waar ze een literaire kring had opgericht. Blaman had een spilfunctie in het literaire leven en heeft een cruciale rol gespeeld in het debuut van Warmond door haar in contact te brengen met uitgever Bert Bakker. Warmond debuteerde  in 1953 met de bundel ‘Proeftuin’. In dat jaar kreeg ze voor haar debuut de Reina Prinsen Geerligsprijs (samen met Remco Campert). Later zou ze nog de Jan Campertprijs in 1961 krijgen en de Anna Bijnsprijs in 1987.

Haar poëzie kreeg een plek in ‘Nieuwe griffels, schone leien’ (1954), een bloemlezing met Nederlandse avant-gardistische poëzie, samengesteld door Paul Rodenko, die Warmond ‘een van onze belangrijkste moderne dichteressen’ noemde. In de biografie van Ellen Warmond getiteld ‘Geef niet mee!’ uit 2024 plaatst Trudy van Wijk de poëzie van Ellen Warmond in de stroming van het atheïstisch existentialisme, gebaseerd op de filosofische publicaties van onder andere Sartre, De Beauvoir en Camus. Als kind had Warmond de verschrikkingen van de oorlog meegemaakt en ze herkende zich in deze filosofische stroming.

In 1958 werd Warmond redacteur van Gard Sivik, het belangrijkste literaire tijdschrift voor experimentele poëzie van die tijd. Dichters als K. Schippers, J. Bernlef en Armando publiceerden ook in dit tijdschrift. Hun werk wordt door de literatuurgeschiedenis gerekend tot de Zestigers. De Zestigers wilden poëzie maken die midden in de werkelijkheid staat. De werkelijkheid wordt beschouwd als bron voor de poëzie. Het hoeft niet verheven of diepzinnig te zijn, het alledaagse is óók de moeite waard.

Een mooi voorbeeld van een gedicht in die traditie van alledaagse werkelijkheid, verschoont van verhevenheid of diepzinnigheid is het gedicht ‘Take it easy’ uit haar bundel ‘Geen bloemen Geen bezoek‘ uit 1968

.

Take it easy

.

Je moet poëzie nemen
Zoals je de tram neemt
(een bewegende inhoudsmaat
waar iedereen iedereen
en alles alles aanstoot)
.
geen middel tot vervoering
maar middel van vervoer
(op weg naar iets
om maar eens iets te noemen)
en nog niet eens zo bijster
comfortabel.

.

Eend

Bart Chabot

.

In 2024 verscheen van Bart Chabot, de thema-uitgave van de Boekenweek getiteld ‘Ooievaarsblues’. Het verscheen als paperback in een oplage van 30.000 stuks en er werden 230 genummerde exemplaren uitgegeven in een gebonden editie met stofomslag door de CPNB. Ik ben in bezit gekomen van één van de genummerde exemplaren (nummer 77) en ben daar zeer content mee. De titel is een verwijzing naar de stad Den Haag waar de ooievaar in het stadswapen van de stad een prominente plaats inneemt.

Bart Chabot (1954) selecteerde en bewerkte voor ‘Ooievaarsblues’ 18 gedichten uit zijn poëtisch oeuvre en voegde daar twee nieuwe gedichten aan toe ‘Metaalmoeheid’ en ‘Black Cadillac’. Dit zijn echter vrij lange gedichten (per stuk 5 pagina’s) ook Bart Chabot is ten prooi gevallen aan de prozagedichten die tegenwoordig zo in zijn. Ik heb daar iets minder mee, al zijn ze zeer lezenswaardig.

Daarom koos ik voor een ander gedicht. Het gedicht ‘Eend’ dat ook al werd opgenomen in zijn bundel ‘Greatest hits vol.1’ uit 2004. Zoals in alle gekozen gedichten staat ook in dit gedicht de familie van Chabot centraal, in dit geval zijn zoon Sebastiaan, maar is ook de humor nooit ver weg.

.

Eend

.

disneyland paris bestaat vijf jaar
er valt confetti uit de wolken
.
we zitten aan de lunch
in het new york hotel
sebastiaan en ik lopen naar het buffet
ik til het deksel op
van een enorme vleesschotel
– pap – vraagt sebas – is dat kip?
van de damp beslaat mijn bril
– that’s duck sir – schiet een ober ons te hulp
het tafelzilver hangt plotseling
op eigen kracht in de lucht
– you mean donald? – vraag ik
wijzend op de eendenborstjes
stilte daalt over de tafels
dan stijgt homerisch gelach op
.
sebastiaan kijkt niet blij

.

Bart Chabot

Blue Whisky

.

Als inwoner van de stad waar Bart Chabot (1954) geboren, getogen en woonachtig is, heb ik al lang iets met zijn werk. Niet alleen zijn poëzie maar ook zijn biografieën van Herman Brood (1946-2001) als ‘Broodje gezond’, ‘Broodje halfom’, ‘Brood en spelen’ en ‘Broodje springlevend’ heb ik met heel veel plezier gelezen. De biografieën van Herman Brood waren volgens columnist, schrijver en dichter Martin Bril (1959-2009) ‘Een van de mooiste biografieën van ons taalgebied’. Ik ben het met Martin eens.

Maar dus ook zijn poëzie volg ik al heel lang. Als jonge, nog enigszins verlegen dichter (wie had dat gedacht) zag ik hem begin jaren ’80 op het Voorhout festival in Den Haag aanschuiven bij een show van dichter Jules Deelder (1944-2019), met wie hij later nog in theaters zou optreden. In 2007 kreeg Bart Chabot de Johnny van Doornprijs, voor wie de optredens van Johnny van Doorn en die van Bart Chabot kent, geen verrassing.

Chabot debuteerde in 1979 met de bundel ‘Als u zó gaat beginnen’ gevolgd door ‘Popcorn’ in 1981. Hierna volgde nog verschillende dichtbundels. Zijn  laatste dichtbundel ‘Ooievaarsblues’ kwam uit tijdens de Boekenweek in 2024 in plaats van het Boekenweekessay. Maar begin november kwam er nieuw werk  van Chabot uit getiteld ‘Blue Whiskey’. In deze bundel schrijft Chabot verhalende gedichten over zijn verleden en zijn geliefden, over de natuur en over de wonderen van het leven.

Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Jachthaven’. Ik woon in de buurt van de jachthaven (in Scheveningen) en ik herken de sfeer van en de omgeving in het gedicht.

.

Jachthaven

.

de zon hangt erbij alsof vandaag een moetje is

het plezier is uit de plezierboten geweken

het water kabbelt

een enkele golf zoekt aanspraak

maar die wens blijft onbeantwoord:

de andere golven, klein grut, willen er niet aan

.

aan de overkant van de kade duikt een jongen

af en toe het water in, komt het water weer uit

en klimt terug op de kant, waarna de sprong zich herhaalt

.

’s middags laten de eerste druppels zich voelen

een vrouw houdt langdurig halt bij een woonboot

haar hond snuffelt en ruikt en snuffelt: die is iets op het spoor

.

het hotel dat verderop verrees zal spoedig zijn deuren sluiten

de verwachte bezettingsgraad werd nooit gehaald

ik tel mijn knopen; een klusje dat vlot is geklaard

de zon verkast naar elders, uitgekeken

en de aarde cijfert zich weg

.

er gebeurde niets; en dat was meer dan genoeg

.

Weerzien

Irina Ratoesjinskaja

.

Hoewel ik soms de neiging heb om alles wat Russisch is te willen vermijden door het brute regime dat daar heerst, merk ik toch ook dat juist de Russische poëzie me blijft bekoren. Zolang deze ver weg blijft van alles wat politiek is (en dat is in de meeste gevallen zo) en je gedichten van Russische dichters op zijn merites kan beoordelen, valt er veel moois te lezen en te genieten.

Een voorbeeld daarvan is de dichter Irina Ratoesjinskaja (1954-2017). Ze werd geboren in Odessa (wat nu in de Oekraïne ligt maar toen deel uit maakte van de Sovjet Unie) waar ze studeerde (natuurkunde). De familie van haar moeder was afkomstig uit Polen: haar overgrootvader van moederskant werd kort na de opstand van januari 1863 tegen de gedwongen dienstplicht in het Russische keizerlijke leger vanuit Polen naar Siberië gedeporteerd. Dit heeft haar gevormd want in 1982 werd Irina gearresteerd en beschuldigd van anti-Sovjet-agitatie omdat ze haar dichtbundels had geschreven en verspreid. Deze beschuldigingen waren zeer gekleurd. Irina schreef over mensenrechten, vrijheid en de schoonheid van het leven, zaken die genoeg waren om iemand in een strafkamp op te sluiten voor langere tijd.

Dat gebeurde dan ook, ze werd veroordeeld tot zeven jaar in een werkkamp onder streng regime (de maximum straf), gevolgd door vijf jaar interne ballingschap. Na drie en een half jaar gevangen te hebben gezeten, waarvan een jaar in eenzame opsluiting in een onverwarmde cel, terwijl de temperatuur in de winter daalde tot min 40 graden Celsius, werd ze op 9 oktober 1986 vrijgelaten, aan de vooravond van de top in Reykjavík, IJsland, tussen president Ronald Reagan en Michail Gorbatsjov. Op het internationale PEN-congres in januari 1986 in New York werd een oproep gedaan tot vrijlating van Irina Ratoesjinskaja. Ratoesjinskaja was lid van de Internationale PEN, die haar situatie tijdens haar opsluiting in de gaten hield.  In juli 1986 werd tijdens het zeventiende Poetry International festival te Rotterdam het jaarlijkse eregeld aan haar toegekend. Deze twee zaken hebben ongetwijfeld geholpen bij haar vrijlating.

Terwijl ze gevangen zat, bleef Ratoesjinskaja poëzie schrijven. Haar eerdere werken concentreerden zich meestal op liefde, christelijke theologie en artistieke creatie, niet op politiek of beleid, zoals haar aanklagers beweerden. Haar nieuwe gedichten, die in de gevangenis zijn geschreven, werden met een lucifer op zeep geschreven, waarna ze ze uit haar hoofd leerde om vervolgens te worden weggespoeld. In totaal ruim 150 gedichten. In 1987 verhuisde ze naar de Verenigde Staten waar ze tot 1989 zou blijven wonen. In 1987 werd haar de Russische nationaliteit ontnomen door de Russische overheid. Daarna woonde ze tien jaar in Londen waarna ze, na een jaar procederen in Rusland, in 1998 haar nationaliteit terugkreeg en terug verhuisde naar Rusland. Daar woonde ze tot ze overleed aan kanker in 2017.

In haar memoires ‘Gray is the Colour of Hope’ beschrijft ze haar gevangeniservaring. Haar latere gedichten vertellen over haar strijd om de ontberingen en verschrikkingen van het gevangenisleven te doorstaan.  In 1987 verscheen in een vertaling van Kristien Warmerhoven, de bundel ‘Aan allen’ van Ratoesjinskaja. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Weerzien’.

.

Weerzien

.

We zullen wel nooit kunnen doorgronden

waarmee het lot ons morgen verblijdt.

We moeten koelbloedig blijven in nood,

en onze kalmte bewaren bij het afscheid.

Doe je best om te lachen, en kijk me recht aan-

opdat we dit beeld van elkaar bewaren!

Wij mogen onszelf nog niet laten gaan,

we zijn nog niet door de eerste ronde.

Ik mag nog niet als een volksvrouw gaan janken

op jouw schouder, die hard is van pijn.

Vijf minuten- dan sluiten ze me weer op

achter deuren van een nieuwe scheiding.

Rammel maar sleutels: onze ziel gaat niet kapot

aan een paar stempels op een retourbiljet!

Maar het ogenblik nadert- en als hoeveel eeuwen

tellen voor ons die vijf wrede minuten?

.