Site-archief

Doornroosje

Gerrit Achterberg

.

Staand voor mijn boekenkast, voor de planken met poëziebundels, koos ik vandaag voor de verzamelbundel ‘Voorbij de laatste stad’ van Gerrit Achterberg, samengesteld en ingeleid door Paul Rodenko. Dit keer heb ik gekozen voor het gedicht ‘Doornroosje’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Doornroosje’ uit 1947.

.

Doornroosje

.

Houthakkers, die zich in het bos verklikken.

Sloten, die op hun bodem staan te roesten.

Je eigen in de hoogte horen hoesten.

Een edelhert met plotselinge schrikken.

.

Spechten, als zachte mitrailleuren tikken

tegen de honderd jaar in eikeknoesten.

Dat wij elkander tegenkomen moesten

was te voorzien met langgeworden blikken.

.

Hier is het uur.Op deze ronde plek

heeft het tussen ons plaats, een vuur,

dat niet verglaast. De groene diepte drinkt.

.

terwijl de stilte verder openspringt,

met bomen van verbazing opgewekt,

omklemmen wij het eeuwig avontuur.

.

Gerrit A

voorbijdelaatstestad (1)

Voorbij de laatste stad

Gerrit Achterberg

.

In 1955 verscheen in de Ooievaar reeks deel 11 getiteld ‘Voorbij de laatste stad’, een bloemlezing uit het gehele oeuvre van Gerrit Achterberg, samengesteld en ingeleid door Paul Rodenko.

De Ooievaars reeks werd geafficheerd als “een serie spot-goedkope boeken op goed papier en met frisse omslagen” en kostte destijds 1 gulden en 45 cent. Dat ze op goed papier gedrukt werden blijkt wel uit het feit dat ik een vrijwel gaaf exemplaar heb kunnen kopen dat de tand des tijds zeer goed heeft weerstaan.

Na een zeer uitgebreide inleiding van Rodenko over onder andere het woordgebruik van Achterberg volgen 133 gedichten uit bronnen en bundels vanaf 1931 tot 1955.

Uit deze bloemlezing heb ik gekozen voor het gedicht ‘Concave’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Energie’ uit 1946.

.

Concave

.

Liggend twee heilige heelallen in elkander,

hoor ik mijn hemel in uw hemel schallen,

voel ik mijn ronding in uw ronding ballen,

schuif ik bedachtzaam bolsegment

na bolsegment langs uwe klingen,

zonder in u te dringen;

wij hebben eender middelpunt

.

voorbijdelaatstestad

Ongehoord goed

Voorburg

.

Nietsvermoedend liep ik pas geleden door een winkelstraat in Voorburg toen Inge mij wees op een gedicht onder het viaduct waarover de Utrechtse baan loopt en waar het snelwegverkeer raast over de A12.

Toen ik de titel van het gedicht las moest ik glimlachen. Ongehoord, ja dat ken ik. In 2009 werd dit gedicht in opdracht van Rijkswaterstaat geschreven door Arthur Lava.

Arthur Lava, (1955) is het pseudoniem van Howard Krol, Arthur naar Rimbaud. Hij was in 1988 één van de initiatiefnemers van de groep dichters die zichzelf de Maximalen noemden, naar hun eerste bundel.  Deze dichters, streefden naar een soort poëzie waarin meer straatrumoer zou doorklinken. Zij keerden zich tegen de verstilde, ingekeerde en autonome poëzie van veel van hun voorgangers en eisten daarentegen een poëzie van het volle en eigentijdse leven. De belangrijkste andere vertegenwoordigers van de maximalen zijn Joost Zwagerman, Pieter Boskma en René Stoute.De Franse dichter Arthur Rimbaud was voor de meeste Maximalen het grote voorbeeld.

 

IMG_2760

Erts

Gabriel Smit

.

Ik heb inmiddels ruim 6 meter aan dichtbundels verzameld door de jaren heen en daar zitten bijzondere exemplaren tussen. Een mooi voorbeeld daarvan is de bundel ‘Erts’ uit 1955. Een bloemlezing uit de poëie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten.

Het aardige van dit soort bundels, zeker als ze al wat ouder zijn, is dat ik er dichters in tegen kom waar ik nog nooit van gehoord heb. Dichters die, om wat voor reden dan ook, ooit bekend waren en in de vergetelheid zijn geraakt. Een voorbeeld van zo’n dichter is Gabriel Smit (1910-1981).

Als je op zijn naam zoekt op internet kom je al snel een uitgebreide bi(bli)ografie tegen op http://www.schrijversinfo.nl

Dan blijkt Smit in zijn tijd een bekende dichter te zijn geweest. Op de website van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie staat te lezen over hem: “Dichter, prozaïst, journalist, toneel- en jeugdboekenschrijver, vertaler. Gold als een van de bekendste katholieke dichters, in de periode 1940-1970.
Werkzaam als journalist bij De Gooi en Eemlander (1933-1944) en bij het Utrechtsch Dagblad (1939-1950). Hij was daarna literair redacteur van De Volkskrant (1952-1975). Ook was hij na de oorlog redacteur van weekblad De Linie en het literair tijdschrift Roeping.” Ook won Smit gedurende zijn leven verschillende literaire prijzen waaronder tweemaal de Henriëtte Roland Holstprijs (1957 en 1967).

Uit de bundel ‘Erts’ en oorspronkelijk verschenen in De Gids in 1955 de gedichten ‘Omschrijvingen van de liefste I en II’.

.

Omschrijvingen van de liefste

  I

Je komt. Ik houd mijn adem in. Even

valt alles stil, auto’s zijn eeuwen

oud, Het uur is een eerste sneeuwen,

bijna dalend, bijna teruggedreven.

.

Samen weten wij wat niemand vermoeden

kan. Tussen ons beiden houden

onzichtbare stemmen een vertrouwde

doortocht open. Neuriënd behoeden

.

zij de zee voor terugval, blijven

van hart tot hart lang voor onze

geboorte hun verrukking slaan.

.

Nu ben je er. de wolken drijven

weer, de stad begint weer te bonzen.

Maar het neuriën houdt aan.

.

.

II

Samen zijn wij op reis. De dagen

glijden als in een trein de weiden

aan ons voorbij. Soms komen vragen

je ogen, je schoot verwijden,

.

adem opent je handen, even

trilt waterlicht aan de ramen,

gewiek van vogels, gevleugeld leven.

wij denken niet, wij kijken, samen.

.

Soms staat de trein verwonderlijk

stil. Buiten ligt het bezonnen

landschap en wacht, onvoltooid.

.

Even is ons samenzijn afzonderlijk,

dan weet het zich weer begonnen.

Soms is een hand genoeg, soms nooit.

.

IMG_2592

 

 

Cult dichter

Weldon Kees

.

De cult dichter of cult poet Weldon Kees (1914 – 1955) was enig kind van een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Behalve dichter was hij schilder, literair criticus, romanschrijver, toneelschrijver, jazz pianist, korte verhalen schrijver en filmmaker. Ondanks zijn korte leven wordt hij gezien als één van de meest belangrijke dichters van het midden van de vorige eeuw met generatiegenoten als John Berryman, Elisabeth Bishop en Robert Lowell. Zijn werk heeft veel invloed gehad op dichters in generaties na hem en is opgenomen in vele bloemlezingen.

Zijn poëzie, vooral in de laatste periode van zijn leven was sardonisch en confessioneel. Ondanks dat hij in kringen van de San Francisco Renaissance verkeerde. Kees verdween vervolgens onder verdachte omstandigheden. In 1955 vond de politie van San Francisco zijn auto bij de Golden gate Bridge met de sleutels in het contactslot. Twee vrienden van hem gingen naar zijn appartement om hem te zoeken. Daar troffen ze slechts zijn kat Lonesome aan, een paar rode sokken in de wastafel. Zijn portemonnee, zijn horloge en een slaapzak ontbraken. Er was geen geld van zijn  rekening met 800 dollar  opgenomen en geen afscheidsbrief. Na dit incident heeft nooit iemand meer iets van Weldon Kees vernomen.

 In de periode die hij actief doorbracht in de San Francisco Renaissance schreef hij het gedicht ‘1926’.
.
.
1926
.

The porchlight coming on again,

Early November, the dead leaves

Raked in piles, the wicker swing

Creaking. Across the lots

A phonograph is playing Ja-Da.

.

An orange moon. I see the lives

Of neighbors, mapped and marred

Like all the wars ahead, and R.

Insane, B. with his throat cut,

Fifteen years from now, in Omaha.

.


I did not know them then.

My airedale scratches at the door.

And I am back from seeing Milton Sills

And Doris Kenyon. Twelve years old.

The porchlight coming on again.

.

weldon-kees

.

Schilderij van Weldon Kees uit 1949 getiteld ‘8XX’

.

Weldon_Kees_-_1949

Regenboog

Hiroshi Kawasaki

.

Kawasaki (1930-2004) was kort na de oorlog bouwvakker, klusjesman en kantoorbediende. Vanaf 1951 verschijnen gedichten  van zijn hand in tijdschriften. Hij was één van de oprichters van het literaire tijdschrift Kai (1953). Hij debuteerde met zijn bundel ‘Hakucho’ (Zwaan) in 1955 en schreef daarna vele dichtbundels, luisterteksten, kinderboeken en essays. In 1980 nam hij deel aan Poetry International en in de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry International 1970 – 1985’ zijn twee gedichten van hem opgenomen in vertaling van Noriko en Pim de Vroomen. Hier het gedicht ‘Regenboog’.

.

Regenboog

.

Verstrooid stond ik stil in het gras.

‘Jullie twee daar, gaan jullie trouwen?

hoorde ik zeggen.

Ik antwoordde: ‘Ja!’

‘Welnu, als dat het geval is’ – met die woorden

verscheen er een prachtige regenboog.

.

Kawasaki

Regenboog

 

Vervulling

Gerrit Achterberg

.

Gerrit Achterberg (1905-1962) wordt beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie. Achterberg debuteerde in 1925 met de bundel ‘De zangen van twee twintigers’ en in 1931 publiceerde hij de bundel ‘Afvaart’ waarin Achterbergs hoofdthema al aanwezig is: het oproepen van de gestorven geliefde. Na de publicatie van deze bundel raakte Achterberg in een geestelijke crisis. Hij werd enkele keren opgenomen in een psychiatrische inrichting en had veel problemen in relaties met vrouwen. De verwarring die dat met zich meebracht leidde bij Achterberg vaak tot gewelddadige buien.

In 1937 schoot Achterberg zijn toen 40-jarige hospita dood en verwondde hij haar 16-jarige dochter Bep in de commotie die was ontstaan nadat hij op zijn kamer getracht had Bep te overweldigen. Hij meldde zich zelf bij de politie en werd tot TBS veroordeeld. Tot 1943 verbleef hij in diverse (forensisch-)psychiatrische inrichtingen. Daarna volgde een periode van resocialisatie tot de TBS in 1955 definitief werd opgeheven.

Ondertussen bleef Achterberg schrijven en werken produceren. Tussen 1939 en 1953 verschenen 22 bundels. Zijn werk werd onderscheiden met onder meer de P.C. Hooft-prijs en de Constantijn Huygens-prijs.

Uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ die in 1991 bij Querido verscheen het gedicht ‘Vervulling’.

.

Vervulling

.

Het beste van voor jaren dringt vanavond tot mij door.

Al je gewone vragen vinden weer gehoor.

Regent het. Ja het regent. Goede nacht.

Laten we nu gaan slapen, zeg je zacht.

Wij luisteren en liggen. Wind beweegt het raam.

Blijf zo maar liggen, zeg ik, en ik noem je naam.

Alles wat antwoord is gaat van mij uit.

Je wordt vervuld van oneindigheid.

.

GA

achterberg (1)

 

Belofte

Hilde Keteleer

.

De Vlaamse Hilde Keteleer (1955) is behalve dichter ook literair vertaalster uit het Duits en het Frans. Ze is docente aan de SchrijversAcademie in Antwerpen en de gemeentelijke Academie van Ekeren en ze begeleidt literatuurgroepen. In 2001 verscheen haar debuutbundel ‘Al wat winter is en waar’ gevolgd in 2003 door de tweetalige bundel ‘Entre-deux / Twee vrouwen van twee kanten’  die ze samen met Caroline Lamarche uitgaf. In 2004 volgt dan nog de bundel ‘Deuren’ en daarna blijft het stil op het poëtisch vlak. Ze publiceert daarna nog vele vertalingen van romans en verhalen en een eigen roman en reisverhaal maar geen poëzie meer.

Uit haar debuutbundel het gedicht ‘Belofte’.

.

Belofte

Zoals het blanke appelvlees
nog niet tevoorschijn gebeten,
zoals de grand cru in de fles
nog vol met gloed geweten,
zoals het eerste goede vers
nog enkel in het hoofd geschreven,
zoals jouw geschiedenis
nog niet met die van mij verweven,

zo is mij je oksel en je mond:
een geur, een onbetreden grond.

.

winter

Hilde

Met dank aan Knack.be en Wikipedia.

Ballade aan de maan

Theo van Ameide

.

Theo van Ameide is het pseudoniem van Johan Hendrik Labberton. Labberton was een Nederlands jurist, dichter en essayist (1877 – 1955), geboren in Ameide (wat zijn pseudoniem verklaart).

Hij publiceerde een bundel gedichten onder de titel ‘Lof der wijsheid’ (1906), poëzie die eerder verscheen in het tijdschrift  ‘De Beweging’. In dat tijdschrift nam hij deel aan de discussie over ‘bezielde retoriek’ met bijdragen waarin hij pleitte voor ‘een nieuwe rethoriek’ (1913), een herstel van de ‘oude’ beelden en metaforen, mits doorvoeld en natuurlijk toegepast.  In 1912 verscheen zijn tot dan toe verschenen poëzie in ‘Verzamelde gedichten: 1906-1912’.

Pas in 1941 verscheen opnieuw poëzie van hem met het langere gedicht ‘Eeuwige lente’, in 1950 gevolgd door ‘Aarde en hemel: een gedicht’. De poëzie van Theo van Ameide heeft een filosofische strekking en is geschreven in een verheven retorische stijl.

.

Ballade aan de maan

.

Wij zijn te zamen maar alleen,
mijn bleke liefde, en over tijden
en ruimten gaat mijn mijmring heen
met u door lege luchten glijden;
daar kan geen tegenstand ons beiden;
gij ziet mij van de hemel aan,
als vroeg gij: waarom al dit lijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Ik ben maar liefst met u getweên,
gij zijt althans niet van de blijden,
gij kunt begrijpen, dat ik ween,
wen gij uw tere glans gaat breiden
en dromen weeft om dorre heiden,
een parel tovert in een traan….
Gij zoudt mij willen leeds bevrijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Hoe dikwijls, ach, hoe dikwijls scheen
mijn wezen ook, van de aard gescheiden,
niets, niets te blijven dan alleen
een oog dat schouwde, een oog dat – schreide….
.
Mijn arm verlangen, dat bij zijden
verheven machteloos blijft staan,
heet gij vergeten, heet gij mijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Ook gij….toch moet ik U benijden:
gij drijft, een glimlach, rond uw baan….
Begeer ik ook zo stil te weiden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.

.

Verschenen in ‘De Beweging’ in 1912.

.

moon

Rijk

Lucebert

.

Vandaag uit mijn boekenkast getrokken de bundel ‘Erts; een bloemlezing uit de poëzie van heden’ waarbij moet worden aangetekend dat ‘heden’ in dit geval 1955 is. Ingeleid en samengesteld door Bert Voeten.

Uit deze bundel van Lucebert het gedicht ‘Rijk’.

.

Rijk

.

Zie je spiegel wordt blind

je gezicht zo klein als een kind

je gezicht een nietige ster

tussen de storm en de wind

.

De weg die je ging was zo oud

als de hand die hangt uit de wolk

en de vlam die je vroeg zo koud

als de driftige sikkel de sluipende dolk

.

Maar nog nimmer zo rijk

als bij stenen voor brood

bouw je je troon in het slijk

met de bronstige troffel de dood

.

lucebert

 

Rijk : uit de bundel Alfabel, 1955